Conclusie van de advocaat generaal
1 De Franse Republiek (zaak C-308/99 P) en de Commissie (zaak C-302/99 P), beide ondersteund door het Koninkrijk Spanje, verzoeken het Hof het arrest van het Gerecht in de zaak TF1/Commissie(1) gedeeltelijk te vernietigen omdat het Gerecht het beroep van TF1 wegens nalaten, gericht tegen het verzuim van de Commissie om te handelen uit hoofde van artikel 90, lid 3, EG-Verdrag (thans artikel 86 EG), ontvankelijk heeft verklaard.
2 De Franse Republiek bestrijdt bovendien haar veroordeling door het Gerecht in de kosten die verzoekster in eerste aanleg wegens haar interventie heeft moeten dragen.
De feiten en het bestreden arrest
3 Uit het bestreden arrest blijkt dat verzoekster in eerste aanleg, Télévision française 1 SA (TF1) (hierna: "TF1"), een particuliere televisiezender, op 10 maart 1993 bij de Commissie een klacht tegen de wijze van financiering en exploitatie van de openbare zenders van France-Télévision heeft ingediend. Vaststaat dat met deze klacht uitdrukkelijk schending van de expliciet genoemde artikelen 85 EG-Verdrag (thans artikel 81 EG), 90, lid 1, EG-Verdrag (thans artikel 86, lid 1, EG) en 92 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87 EG) werd gesteld.
4 Daar zij geen bevredigend antwoord had ontvangen, heeft zij bij brief van 3 oktober 1995 de Commissie formeel verzocht en, voorzover nodig, aangemaand haar standpunt ten aanzien van de in de klacht van 10 maart 1993 uiteengezette middelen te bepalen en maatregelen te nemen.
5 Bij brief van 11 december 1995 liet de Commissie TF1 weten dat het onderzoek naar aanleiding van de klacht nog steeds gaande was.
6 Op 2 februari 1996 heeft TF1 voor het Gerecht beroep ingesteld, betreffende, primair, een verzoek gebaseerd op artikel 175 EG-Verdrag (thans artikel 232 EG), om vast te stellen dat de Commissie de krachtens dit Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door geen standpunt te bepalen over de door verzoekster ingediende klacht en, subsidiair, een verzoek gebaseerd op artikel 173 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230 EG), tot nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van de klacht dat zou zijn vervat in de brief van de Commissie van 11 december 1995. De Franse Republiek heeft geïntervenieerd aan de zijde van de Commissie.
7 In de loop van de procedure liet de Commissie in het dossier een kopie opnemen van een brief die zij op 15 mei 1997 krachtens artikel 6 van verordening nr. 99/63/EEG van de Commissie van 25 juli 1963 over het horen van belanghebbenden en derden overeenkomstig artikel 19, leden 1 en 2(2), van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962 - de eerste toepassingsverordening van de artikelen 85 en 86 EG-Verdrag(3) - aan verzoekster had geschreven. Daarin deelde de Commissie haar mee, dat zij gelet op de inlichtingen in haar bezit, geen gunstig gevolg kon geven aan haar klacht voorzover daarbij schending van de artikelen 85 en 86 EG-Verdrag werd gesteld. Zij nodigde verzoekster uit binnen een termijn van twee maanden te rekenen vanaf 15 mei 1997 haar opmerkingen in te dienen. De Commissie voegde daaraan toe, dat zij na onderzoek van de grieven betreffende schending van artikel 90 van het Verdrag, tot de conclusie was gekomen dat de gelaakte feiten geen inbreuken waren.
8 In het bestreden arrest heeft het Gerecht met name:
- vastgesteld dat het beroep wegens nalaten, voorzover gericht tegen het verzuim van de Commissie om te handelen uit hoofde van artikel 90 van het Verdrag, ontvankelijk is (punt 57);
- vastgesteld dat de Commissie bij brief van 15 mei 1997 aan klaagster, een standpunt heeft bepaald in de zin van artikel 175, tweede alinea, van het Verdrag, en dat geen uitspraak meer behoeft te worden gedaan over de vorderingen wegens nalaten, voorzover zij strekten tot de vaststelling dat de Commissie op onrechtmatige wijze heeft nagelaten te handelen uit hoofde van artikel 90 van het Verdrag (punt 103 van de motivering; punt 2 van het dictum);
- verklaard dat volgens artikel 87, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering de Franse Republiek haar eigen kosten moet dragen, alsook de wegens haar interventie aan verzoekster opgekomen kosten (punt 110 van de motivering; punt 6 van het dictum).
9 Het Gerecht heeft de zaak als volgt geanalyseerd:
"Ontvankelijkheid van het beroep voorzover het is gericht tegen het verzuim van de Commissie om te handelen krachtens artikel 90 van het Verdrag
- Middelen en argumenten van partijen
45 Om te beginnen betoogt de Commissie, dat dit onderdeel van het beroep niet-ontvankelijk is, omdat de brief van 3 oktober 1995 niet kan worden beschouwd als een uitnodiging tot handelen in de zin van artikel 175 van het Verdrag, wat het onderdeel van de klacht van 10 maart 1993 inzake artikel 90 van het Verdrag betreft.
46 Voorts is dit gedeelte van het beroep volgens de Commissie hoe dan ook niet-ontvankelijk, omdat de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover zij bij de tenuitvoerlegging van artikel 90 van het Verdrag beschikt, iedere verplichting tot handelen van haar kant uitsluit. Bijgevolg zijn de natuurlijke of rechtspersonen die haar verzoeken te handelen krachtens artikel 90, lid 3, van het Verdrag, niet gerechtigd een beroep in te stellen tegen de beslissing van de Commissie om geen gebruik te maken van haar prerogatieven of tegen het verzuim om deze prerogatieven te gebruiken (arrest Gerecht van 27 oktober 1994, Ladbroke Racing/Commissie, T-32/93, Jurispr. blz. II-1015; beschikking Gerecht van 23 januari 1995, Bilanzbuchhalter/Commissie, T-84/94, Jurispr. blz. II-101).
47 Verzoekster erkent, dat de Commissie voor de tenuitvoerlegging van artikel 90 van het Verdrag over een discretionaire bevoegdheid beschikt, doch wijst erop, dat zij krachtens artikel 90, lid 3, van het Verdrag moet toezien op de toepassing van dit artikel en voorzover nodig passende richtlijnen of beschikkingen tot de lidstaten moet richten. Deze bepalingen houden in, dat de Commissie binnen een redelijke termijn moet handelen, en dat anders beroep wegens nalaten kan worden ingesteld.
- Beoordeling door het Gerecht
48 In de eerste plaats zij vastgesteld, dat anders dan de Commissie stelt, de brief van 3 oktober 1995 waarbij verzoekster haar formeel verzoekt te handelen $ten aanzien van de in de klacht van 10 maart 1993 uiteengezette middelen', in de zin van artikel 175, tweede alinea, van het Verdrag is te beschouwen als een regelmatige uitnodiging tot handelen uit hoofde van artikel 90 van het Verdrag.
49 In de tweede plaats dient dus te worden onderzocht in hoeverre een beroep wegens nalaten gericht kan zijn tegen een verzuim van de Commissie om te handelen uit hoofde van artikel 90 van het Verdrag. Dienaangaande zij er om te beginnen aan herinnerd, dat artikel 90, lid 3, van het Verdrag de Commissie belast met het toezicht op de naleving door de lidstaten van de op hen rustende verplichtingen met betrekking tot de in artikel 90, lid 1, van het Verdrag bedoelde ondernemingen, en haar uitdrukkelijk de bevoegdheid verleent daartoe richtlijnen en beschikkingen vast te stellen. De Commissie is met name bevoegd om bij wege van een beschikking op basis van artikel 90, lid 3, van het Verdrag vast te stellen, dat een bepaalde overheidsmaatregel onverenigbaar is met de bepalingen van het Verdrag, met name die van de artikelen 85 tot en met 94 EG-Verdrag (thans artikel 89 EG), en om aan te geven welke maatregelen de lidstaat tot welke de beschikking is gericht, dient te nemen om zijn gemeenschapsrechtelijke verplichtingen na te komen (zie arrest Hof van 12 februari 1992, Nederland e.a./Commissie, C-48/90 en C-66/90, Jurispr. blz. I-565, punten 22-30).
50 Vervolgens zij opgemerkt, dat artikel 90, lid 3, van het Verdrag wegens zijn plaats in de systematiek van het Verdrag en zijn oogmerk deel uitmaakt van de regels die tot doel hebben de vrije mededinging te verzekeren, en er dus toe strekt de marktdeelnemers te beschermen tegen maatregelen van een lidstaat die ingaan tegen de in het Verdrag neergelegde fundamentele economische vrijheden. Zowel uit de plaats van deze bepalingen in het Verdrag als uit hun oogmerk volgt dus, dat een particulier de bescherming van zijn rechtmatige belangen niet kan worden ontzegd, wanneer een lidstaat met betrekking tot de openbare bedrijven of de ondernemingen waaraan hij bijzondere of uitsluitende rechten verleent, maatregelen vaststelt of handhaaft waarvan het mededingingsbeperkend effect overeenkomt met dat van de mededingingsbeperkende gedragingen van alle andere ondernemingen. Volgens de rechtspraak van het Hof is het voorts een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht, dat eenieder moet beschikken over een effectieve mogelijkheid van beroep in rechte tegen beslissingen die een door het Verdrag toegekend recht kunnen aantasten (zie in het bijzonder arresten Hof van 15 mei 1986, Johnston, 222/84, Jurispr. blz. 1651, punt 18, en 19 maart 1991, Commissie/België, C-249/88, Jurispr. blz. I-1275, punt 25; arrest Gerecht van 27 juni 1995, Guérin automobiles/Commissie, T-186/94, Jurispr. blz. II-1753, punt 23).
51 De ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de Commissie bij de tenuitvoerlegging van artikel 90 van het Verdrag beschikt, kan geen afbreuk doen aan deze bescherming, waarbij nog zij aangetekend, dat het Hof in zijn arrest van 20 februari 1997, Bundesverband der Bilanzbuchhalter/Commissie (C-107/95 P, Jurispr. blz. I-947, punt 25), heeft vastgesteld, dat het niet a priori is uitgesloten, dat er uitzonderingssituaties kunnen bestaan waarin een particulier in rechte kan optreden tegen een weigering van de Commissie om een beschikking te geven in het kader van haar toeziende taak als bedoeld in artikel 90, leden 1 en 3, van het Verdrag.
52 Onderzocht moet dus worden, of verzoekster zich in casu in een dergelijke uitzonderingssituatie bevindt waarin zij beroep wegens nalaten kan instellen op grond dat de Commissie niet krachtens artikel 90 van het Verdrag een beschikking heeft gegeven.
53 Dienaangaande staat vast, dat verzoekster met een kijkcijfer van 42 % in 1992 en een aandeel van 55 % op de reclamemarkt de belangrijkste particuliere televisiezender in Frankrijk is. Door de grote verscheidenheid van haar programma's (nieuwsberichten, sport, speelfilms, fictie, ontspanning, magazines, documentaires) staat zij bovendien in rechtstreekse concurrentie met en bereikt zij eenzelfde publiek als de zenders van France-Télévision. Ook staat vast dat verzoekster en de twee zenders van France-Télévision in rechtstreekse concurrentie staan zowel voor de verwerving van exploitatierechten op films en televisieprogramma's en van uitzendrechten van sportevenementen als voor de verkoop van reclametijd aan adverteerders.
54 Ook zij eraan herinnerd, dat de verschillende in de klacht ter discussie gestelde subsidies, voordelen, gedragingen, afspraken en regelingen volgens verzoekster onderling verbonden zijn en een geheel van maatregelen vormen die tot doel of gevolg hebben de mededinging tussen verzoekster en de twee zenders van France-Télévision te vervalsen.
55 Ook stelde verzoekster, door verweerster onweersproken, dat de verschillende maatregelen van de Franse Staat ten gunste van France-Télévision haar economische situatie merkbaar ongunstig beïnvloedden.
56 Ten slotte stelt het Gerecht vast, dat anders dan klaagster in de zaak die leidde tot het arrest Bundesverband der Bilanzbuchhalter/Commissie (aangehaald in punt 51 supra), wier beroep tegen de weigering van de Commissie om jegens de Bondsrepubliek Duitsland een beschikking krachtens artikel 90, leden 1 en 3, van het Verdrag te geven, indirect beoogde deze lidstaat te dwingen een wetgevende handeling van algemene strekking vast te stellen, verzoekster in de onderhavige zaak van de Commissie een standpuntbepaling krachtens artikel 90 van het Verdrag verlangt over de verschillende betwiste overheidsmaatregelen waarbij volgens haar voordelen worden toegekend aan twee duidelijk geïdentificeerde marktdeelnemers, waarmee zij in rechtstreekse concurrentie staat.
57 Uit een en ander volgt, dat het beroep, voorzover het is gericht tegen het verzuim van de Commissie om te handelen uit hoofde van artikel 90 van het Verdrag, ontvankelijk is."
Voor het Hof gemaakte opmerkingen
10 Om hun stelling te onderbouwen, dat het Gerecht het beroep wegens nalaten, voorzover het artikel 90 van het Verdrag betrof, niet-ontvankelijk had moeten verklaren, formuleren de Commissie en de Franse Republiek twee punten van kritiek op de redenering van het Gerecht. Zij voeren allereerst verscheidene argumenten aan die moeten aantonen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de artikelen 90, lid 3, en 175 van het Verdrag toe te passen. Vervolgens betogen zij dat het Gerecht het voornoemde arrest Bundesverband der Bilanzbuchhalter/Commissie verkeerd heeft uitgelegd.
11 In de eerste plaats legt de Commissie het accent op de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover zij in het kader van de toepassing van artikel 90, lid 3, van het Verdrag beschikt en die uitsluit dat zij door een klacht van een particulier tot handelen kan worden verplicht.
12 Niet alleen zou de tekst zelf van deze bepaling in die richting wijzen, aangezien er nergens over klagers wordt gerept en bepaald wordt dat de Commissie handelt "voorzover nodig", maar deze bepaling zou ook moeten worden vergeleken met artikel 169 EG-Verdrag (thans artikel 226 EG), in het kader waarvan het Hof heeft geoordeeld dat de Commissie "beschikt over een discretionaire bevoegdheid, waardoor het is uitgesloten, dat particulieren het recht zouden hebben om van die instelling te eisen, dat zij een bepaald standpunt inneemt".
13 Men moet echter een onderscheid maken tussen artikel 90, lid 3, en artikel 93 EG-Verdrag (thans artikel 88 EG) dat aan belanghebbende derden een bijzondere, door de regelgeving van de Raad(4) bevestigde positie inruimt.
14 In de tweede plaats betoogt de Commissie dat de omvang van haar beoordelingsbevoegdheid door vaste rechtspraak wordt bevestigd. Zij citeert met name uitvoerig het voornoemde arrest Ladbroke Racing/Commissie (punt 11), waarin het Gerecht zelf heeft geoordeeld dat "de uitoefening van de bij artikel 90, lid 3, van het Verdrag verleende bevoegdheid om te beoordelen of maatregelen van de lidstaten verenigbaar zijn met de verdragsregels, [...] geen verplichting van de Commissie [impliceert] om in te grijpen, waarop men zich zou kunnen beroepen teneinde een eventueel nalaten van de Commissie te doen vaststellen".
15 De Commissie vestigt er nog de aandacht op, dat het Gerecht daar in dat arrest nog aan heeft toegevoegd, dat de verzoekster niet rechtstreeks of individueel zou worden geraakt door de handeling die de Commissie verzuimd zou hebben tot haar te richten, een voorwaarde waarmee het Gerecht in het bestreden arrest geen rekening zou hebben gehouden.
16 Tenslotte wijst de Commissie er met nadruk op dat het Gerecht in dat arrest heeft geoordeeld dat "particulieren de Commissie niet [kunnen] aanmanen tot handelen uit hoofde van artikel 90, lid 3, van het Verdrag, daar een dergelijk optreden naar gelang van het geval kan bestaan in het geven van een beschikking of in het vaststellen van een richtlijn, een tot de lidstaten gerichte handeling van algemene normatieve aard, waarvan particulieren de vaststelling niet kunnen verlangen".
17 Volgens de Commissie bevestigt latere rechtspraak, namelijk de voornoemde beschikking van het Gerecht Bilanzbuchhalter/Commissie, zijn arresten ITT Promedia/Commissie(5) en Vlaamse Televisie Maatschappij/Commissie(6), het aangehaalde arrest van het Hof in de zaak Bundesverband Bilanzbuchhalter/Commissie, alsmede zijn beschikking in de zaak Koelman/Commissie(7), dat het voor particulieren onmogelijk is een beroep wegens nalaten in te stellen in geval van weigering gevolg te geven aan een op artikel 90, lid 3, van het Verdrag gebaseerde klacht, en dat er een parallel bestaat tussen deze bepaling en artikel 169 van het Verdrag.
18 Uit het bovenstaande zou voortvloeien dat het Gerecht een uitleggingsfout heeft begaan door in punt 50 van het bestreden arrest te oordelen dat artikel 90, lid 3, van het Verdrag ertoe strekt de marktdeelnemers te beschermen.
19 De uitlegging van het Gerecht is volgens de Commissie om een tweede reden onjuist. Het Gerecht zou namelijk te verstaan hebben gegeven, dat om het beginsel van een effectieve beroepsprocedure te kunnen eerbiedigen een beroep wegens nalaten moet openstaan, terwijl uit 's Hofs vaste rechtspraak blijkt dat artikel 90, lid 1, van het Verdrag directe werking heeft. Particulieren zouden derhalve via de nationale rechter bescherming van hun rechten kunnen verkrijgen.
20 De Franse Republiek komt tot dezelfde conclusies als de Commissie, op grond van argumenten die slechts gedeeltelijk met die van de Commissie overeenkomen.
21 In een tijdens de mondelinge behandeling verder genuanceerde analyse stelt de Franse Republiek subsidiair, dat het bestaan van een verplichting tot handelen van de verwerende instelling een voorwaarde vormt voor de ontvankelijkheid van het beroep wegens nalaten en niet een materiële voorwaarde voor de gegrondheid ervan. Zowel de tekst van het Verdrag als de rechtspraak zou duidelijk aantonen dat de Commissie krachtens artikel 90, lid 3, van het Verdrag geen enkele verplichting tot handelen heeft.
22 In haar verdere argumentatie stelt de Franse Republiek subsidiair, dat het Gerecht heeft gedwaald bij de juridische kwalificatie van de feiten, door te oordelen dat het in casu een "uitzonderingssituatie" in de zin van 's Hofs rechtspraak betrof. Het Gerecht zou immers de onvermijdelijk zeer beperkte draagwijdte van dit begrip hebben miskend. De argumenten die het gepoogd heeft te ontlenen aan enerzijds de aard van de litigieuze nationale maatregel en anderzijds de concurrentiepositie van verzoekster, zouden integendeel aantonen dat de situatie waar het hier om ging juist heel gewoon was.
23 Het Koninkrijk Spanje sluit zich aan bij de argumenten van rekwiranten met betrekking tot artikel 90 van het Verdrag en de ruime beoordelingsbevoegdheid die daar voor de Commissie uit voortvloeit.
24 Spanje legt eveneens de nadruk op het feit dat de verzoeker de adressaat van de niet verrichte handeling moet zijn, of tenminste daardoor rechtstreeks en individueel moet worden geraakt.
25 Spanje deelt bovendien het standpunt dat er in casu geen sprake is van een "uitzonderingssituatie" in de zin van het voornoemde arrest Bundesverband der Bilanzbuchhalter/Commissie.
26 TF1 antwoordt daarop, dat de Commissie als "hoedster der Verdragen" krachtens artikel 90 van het Verdrag gehouden is tot bepaalde verplichtingen, met name om te antwoorden op ingediende klachten. Deze bepaling zou rechten voor de klagers inhouden, als uitvloeisel van de plicht tot toezicht die op de Commissie rust, en zou niet met artikel 169 vergelijkbaar zijn.
27 Dit standpunt wordt, volgens TF1, bevestigd door het voornoemde arrest Bundesverband der Bilanzbuchhalter. Het begrip "uitzonderingssituaties" dat daarin voorkomt moet niet eng, in de afgezwakte zin van het begrip rechtstreeks en individueel belang, worden uitgelegd, maar autonoom met inachtneming van zowel de feitelijke als de juridische context van elk geval.
Beoordeling
I - Primaire conclusies
28 Allereerst moet het voorwerp worden onderzocht van de hogere voorzieningen die bij het Hof zijn ingesteld.
29 In dit verband moet worden vastgesteld dat rekwiranten vernietiging vorderen van punt 2 van het dictum van het bestreden arrest, bepalende dat "geen uitspraak [behoeft] te worden gedaan over de vorderingen wegens nalaten die zijn gericht tegen het verzuim van de Commissie om te handelen uit hoofde van artikelen 85 EG-Verdrag (thans artikel 81 EG) en 90 EG-Verdrag (thans artikel 86 EG)".
30 Zij menen immers dat het Gerecht aldus, stilzwijgend maar noodzakelijk, het beroep wegens nalaten tegen het verzuim van de Commissie om te handelen uit hoofde van artikel 90 van het Verdrag, ontvankelijk heeft verklaard.
31 Ik deel deze analyse niet.
32 Uit 's Hofs vaste rechtspraak(8) volgt immers dat, wanneer het Hof oordeelt dat het niet nodig is uitspraak te doen over een beroep dat zonder voorwerp is geraakt, het geen nut heeft de ontvankelijkheid daarvan te onderzoeken.
33 Hieruit volgt dat het punt van het dictum, om vernietiging waarvan is verzocht, geen stilzwijgende of uitdrukkelijke beslissing betreffende de ontvankelijkheid bevat.
34 Toch is deze in de voormelde overwegingen, waarop de door rekwiranten geformuleerde middelen berusten, uitdrukkelijk door het Gerecht onderzocht.
35 De vraag rijst dus of rekwiranten, wegens de inhoud van die overwegingen, om vernietiging van het arrest kunnen verzoeken.
36 Wat dit betreft herinner ik eraan, dat krachtens artikel 113 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, "hogere voorziening moet strekken tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de beslissing van het Gerecht". Zij moet dus betrekking hebben op het dictum van het bestreden arrest en niet op de motivering daarvan.
37 Dit is des te meer het geval omdat in casu de gelaakte overwegingen, zoals wij gezien hebben, niet noodzakelijk zijn om het dictum te dragen.
38 De situatie is dus totaal verschillend van die welke zich voordeed in de zaak France/Comafrica e.a.(9), waarop de Franse Republiek zich baseert.
39 Uit het arrest van het Gerecht in deze zaak(10) blijkt, dat zijn beslissing om het beroep na een onderzoek ten gronde te verwerpen, veeleer dan het niet ontvankelijk te verklaren, noodzakelijkerwijze inhield dat het over de kwestie van de ontvankelijkheid in positieve zin had beslist, hetgeen trouwens werd bevestigd door de verwerping van een exceptie van niet-ontvankelijkheid.
40 Verzoeksters stellen echter ook, dat hun uitlegging van de inhoud van het dictum door de voormelde overwegingen wordt bevestigd. In het licht van deze overwegingen zou het dictum begrepen moeten worden.
41 Ik wijs er echter op, dat het Gerecht, in overwegingen waartegen rekwiranten niet zijn opgekomen, eveneens heeft vastgesteld dat de Commissie bij brief van 15 mei 1997 enerzijds aan verzoekster heeft meegedeeld dat zij, na onderzoek van de gegrondheid van verzoeksters op artikel 90 van het Verdrag gebaseerde grieven, de gelaakte feiten niet als inbreuken kon aanmerken, en anderzijds de redenen heeft uiteengezet waarom zij niet de bedoeling had een procedure inzake toepassing van artikel 90 van het Verdrag in te leiden.
42 Het Gerecht heeft hier terecht aan toegevoegd, dat uit de inhoud van de brief van de Commissie bleek dat deze daarin het resultaat van haar onderzoek van de door verzoekster geformuleerde grieven inzake toepassing van artikel 90 van het Verdrag heeft uiteengezet, dat haar besluit om geen gevolg te geven aan verzoeksters klacht rechtvaardigt.
43 Uit het voorgaande vloeit voort dat het Gerecht heeft vastgesteld, zonder dat dit in hogere voorziening wordt bestreden, dat de Commissie na het instellen van het beroep en vóór het wijzen van het arrest over dit aspect van de klacht haar standpunt heeft bepaald in de zin van artikel 175, tweede alinea, van het Verdrag.
44 Hieruit volgt overeenkomstig 's Hofs hierboven vermelde vaste rechtspraak, dat het niet meer nodig was uitspraak te doen, omdat het beroep zonder voorwerp was geraakt.
45 Punt 2 van het dictum is derhalve rechtens voldoende gemotiveerd.
46 Dit is dus een zaak waarop de gevestigde rechtspraak kan worden toegepast, namelijk dat, zodra één van de overwegingen van het Gerecht zijn arrest kan dragen, de tegen andere overwegingen van hetzelfde arrest aangevoerde middelen als niet doeltreffend verworpen moeten worden.(11)
47 Uit het voorgaande volgt dat de hogere voorzieningen van rekwiranten moeten worden verworpen, voorzover zij betrekking hebben op het oordeel van het Gerecht inzake het beroep wegens nalaten tegen het verzuim van de Commissie om te handelen uit hoofde van artikel 90 van het Verdrag.
48 De door de Franse Republiek ingestelde hogere voorziening strekt tevens tot vernietiging van punt 6 van het dictum van het arrest van het Gerecht, waarin zij was verwezen in de wegens haar interventie aan TF1 opgekomen kosten.
49 Het lot van dit middel kan niet los gezien worden van de rest van de hogere voorziening, want volgens artikel 51, tweede alinea, van het Statuut van het Hof kan hogere voorziening niet uitsluitend betrekking hebben op de wettigheid van de beslissing van het Gerecht omtrent de kosten.
50 Zulks wordt bevestigd door de rechtspraak(12), waarin het Hof verscheidene malen heeft geoordeeld dat, wanneer alle andere in een hogere voorziening tegen een beslissing van het Gerecht aangevoerde middelen zijn verworpen, het middel betreffende de onwettigheid van de beslissing van het Gerecht omtrent de kosten niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
51 Hieruit volgt dat beide hogere voorzieningen in hun geheel niet-ontvankelijk zijn.
52 Ik zal, voor het geval het Hof het voorwerp van genoemde hogere voorzieningen in verband met het dictum van het bestreden arrest anders analyseert en oordeelt dat dit laatste een stilzwijgende beslissing over de ontvankelijkheid van het beroep wegens nalaten bevat, slechts subsidiair de volgende opmerkingen maken.
II - Subsidiaire conclusies
53 Zoals wij gezien hebben, verwijten rekwiranten het Gerecht, in het kader van de toepassing van artikel 90 van het Verdrag het door TF1 ingestelde beroep wegens nalaten ontvankelijk te hebben verklaard, terwijl niet alle daarvoor nodige voorwaarden vervuld waren.
54 In dit verband moet worden herinnerd aan de tekst van artikel 175, derde alinea, van het Verdrag, dat als volgt luidt:
"Iedere natuurlijke of rechtspersoon kan onder de in de voorgaande alinea's vastgestelde voorwaarden bij het Hof van Justitie zijn bezwaren indienen tegen het feit dat een der instellingen van de Gemeenschap heeft nagelaten te zijnen aanzien een andere handeling te verrichten dan het geven van een aanbeveling of een advies".
55 Hieruit volgt, zoals ook blijkt uit 's Hofs rechtspraak, dat het beroep wegens nalaten is onderworpen aan een geheel van voorwaarden betreffende in de eerste plaats de ontvankelijkheid ervan en in de tweede plaats de grond van het geschil.
56 De eerste voorwaarden hebben betrekking op, enerzijds, de gevolgde procedure en, anderzijds, de bevoegdheid van de verzoeker. Over de uit artikel 175 van het Verdrag voortvloeiende procedurele vereisten bestaat in casu geen geschil, omdat niet betwist wordt dat er een geldige ingebrekestelling is geweest en dat de termijn waarover de verwerende instelling beschikte om daarop te antwoorden, is verstreken zonder dat er een einde kwam aan het beweerde verzuim.
57 Wat de procesbevoegdheid van de verzoeker betreft, blijkt uit de tekst van artikel 175 van het Verdrag, zoals die door het Hof wordt uitgelegd, dat een door een particulier ingesteld beroep wegens nalaten slechts ontvankelijk is indien "de belanghebbende marktdeelnemer [degene is], tot wie de door de Commissie nagelaten handeling zou zijn gericht of die althans door die handeling rechtstreeks en individueel zou worden geraakt"(13), zoals het Koninkrijk Spanje trouwens memoreert.
58 Ik leg er wat dit betreft de nadruk op, dat in de gevallen waarin het Hof heeft erkend dat een particulier beroep wegens nalaten kon instellen ten aanzien van een handeling die aan een ander dan aan hemzelf gericht moest worden (maar hem rechtstreeks en individueel zou raken), het beschikkingen betrof waarvan de verzoeker rechtstreeks voordeel zou hebben.
59 In de zaak ENU/Commissie(14) was de verzoeker een producent van uraniumconcentraat die de Commissie verzocht had om het voorzieningsagentschap van Euratom te gelasten bij hem een hoeveelheid van dit product te kopen. In de reeds aangehaalde zaak T. Port had een importeur van bananen een extra tariefcontingent geëist.
60 Wat betreft de grond van het geschil, dient de verzoeker de onrechtmatige aard van het aan de verwerende partij verweten verzuim aan te tonen, dat wil zeggen in de eerste plaats het bestaan van een verplichting tot handelen. Ik kom op dit punt terug wanneer ik het middel onderzoek dat de Franse Republiek hieraan heeft ontleend.
61 Ik onderzoek nu in het licht van de voorgaande overwegingen de kritiek van rekwiranten op het bestreden arrest.
62 De Commissie stelt wat dit betreft dat het Gerecht, anders dan in het aangehaalde arrest Ladbroke Racing/Commissie, juist niet van klaagster heeft geëist dat zij rechtstreeks en individueel zou worden geraakt door de handeling die zij de Commissie verzocht te verrichten.
63 Het Gerecht heeft, volgens de Commissie, immers de ontvankelijkheid van het beroep afhankelijk gesteld van de uitsluitende voorwaarden, dat de klager een concurrent op de betreffende markt is, zich in zijn klacht op andere bepalingen beroept, stelt dat inbreuken op de mededingingsregels worden gemaakt of twee concurrerende marktdeelnemers noemt die voordeel hebben van de wet waarover hij klaagt.
64 Men moet echter vaststellen dat het Gerecht nergens een uitdrukkelijk onderzoek wijdt aan verzoeksters procesbevoegdheid, zoals deze in de hierboven beschreven rechtspraak van het Hof is bepaald. Het Gerecht gebruikt immers nergens de woorden "rechtstreeks en individueel geraakt".
65 Het heeft daarentegen een analyse van de situatie van verzoekster gemaakt in een op het eerste gezicht verschillende context. Zoals gezegd, heeft het immers onderzocht of er geen sprake was van een "uitzonderingssituatie" in de zin van het voornoemde arrest Bundesverband der Bilanzbuchhalter/Commissie.
66 Punt 25 van dit arrest luidt als volgt: "Het is niet a priori uitgesloten, dat er uitzonderingssituaties kunnen bestaan waarin een particulier of eventueel een vereniging die is opgericht ter behartiging van de collectieve belangen van een groep justitiabelen, in rechte kan optreden tegen een weigering van de Commissie om een beschikking te geven in het kader van haar toezichthoudende taak als bedoeld in artikel 90, leden 1 en 3."
67 Ik ben echter van mening dat het Hof door middel van dit obiter dictum de door artikel 175 van het Verdrag vastgestelde voorwaarden niet heeft willen - en trouwens ook niet heeft kunnen - herzien.
68 Ik begrijp de redenering van het Hof als volgt.
69 In punt 24 van het voornoemde arrest Bundesverband der Bilanzbuchhalter/Commissie heeft het Hof eraan herinnerd dat uit het arrest Nederland e.a./Commissie blijkt dat een particulier, in voorkomend geval, het recht kan hebben een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag in te stellen tegen een beschikking van de Commissie die op grondslag van artikel 90, lid 3, van het Verdrag is gegeven. Dit is zeer goed te begrijpen, want in die zaak ging het om een beschikking van de Commissie, gericht tot het Koninkrijk der Nederlanden, waarin de door een wet aan PTT Nederland toegekende exclusieve concessie voor het vervoer van brieven tot 500 gram werd bestreden. Aangezien die beschikking de situatie beoogde te wijzigen waarin deze overheidsonderneming haar functie kon uitoefenen, raakte zij dus, rechtstreeks en individueel, de Nederlandse PTT. De ontvankelijkheid van dat beroep tot nietigverklaring was dus probleemloos.
70 Het Hof heeft vervolgens in punt 25 van het aangehaalde arrest er alleen de aandacht op willen vestigen, dat men niet kan uitsluiten dat zich in de toekomst ook een uitzonderingssituatie kan voordoen, waarin een particulier de voorwaarden van artikel 175 van het Verdrag vervult met betrekking tot een handeling die een instelling uit hoofde van artikel 90 van het Verdrag heeft nagelaten aan een lidstaat te richten.
71 Deze passage van het arrest dient echter niet te worden uitgelegd alsof voortaan een onderneming, tenminste in bepaalde uitzonderingssituaties, een beroep wegens nalaten zou kunnen instellen tegen het verzuim van een instelling om een handeling te verrichten die haar geenszins rechtstreeks en individueel zou raken.
72 Ik ben trouwens, evenals rekwiranten, van mening dat de door het Gerecht in aanmerking genomen elementen niet van uitzonderlijke aard zijn.
73 Het Gerecht lijkt in de eerste plaats te hebben willen aantonen dat er een bijzonder belang bestond bij degene die het beroep wegens nalaten had ingesteld.
74 Daarom ook heeft het Gerecht er de nadruk op gelegd dat verzoekster in eerste aanleg de belangrijkste particuliere televisiezender in Frankrijk is, dat zij door haar programma's van algemene aard in rechtstreekse concurrentie staat met de zenders van France Télévision en hetzelfde publiek bereikt, en dat dit ook het geval is met de verwerving van exploitatierechten op films en televisieprogramma's en uitzendrechten voor sportevenementen alsmede met de verkoop van reclametijd aan adverteerders.
75 Zoals rekwiranten hebben aangetoond, blijkt de uitzonderlijke aard van de situatie waarin verzoekster zich bevindt, echter niet uit de door het Gerecht beschreven elementen. Weliswaar zou haar concurrentiepositie door eventuele Commissiemaatregelen kunnen verbeteren, maar men kan niet zeggen dat de door het Gerecht beschreven toestand zodanig zeldzaam is dat hij als uitzonderlijk kan worden gekwalificeerd.
76 Deze toestand lijkt mij eerder normaal in een markt waar een beperkt aantal concurrenten elkaar bestrijdt, waaronder ondernemingen die onder de werking van artikel 90 van het Verdrag vallen en waarvan wordt beweerd dat zij voordeel hebben van met dit artikel strijdige staatsmaatregelen.
77 Hetzelfde geldt voor de vaststelling door het Gerecht, dat de verschillende in de klacht ter discussie gestelde subsidies, voordelen, gedragingen, afspraken en regelingen onderling verbonden zijn, tot doel of gevolg hebben de mededinging tussen verzoekster en de zenders van France-Télévision te vervalsen en haar economische situatie merkbaar ongunstig beïnvloeden.
78 Het Gerecht heeft in de tweede plaats vastgesteld dat het beroep bedoeld was om van de Commissie een standpunt inzake staatsmaatregelen betreffende duidelijk geïdentificeerde marktdeelnemers en niet een handeling van algemene strekking te verkrijgen.
79 Zoals de Franse Republiek, die dienaangaande een aantal voorbeelden uit de beschikkingspraktijk van de Commissie heeft aangehaald, terecht heeft beklemtoond, kan een dergelijke situatie niet als uitzonderlijk worden beschouwd in de context van de toepassing van artikel 90 van het Verdrag, die vaak een geheel van maatregelen betreft waarvan gesteld wordt dat zij een of meer marktdeelnemers bevoordelen waarvan de identiteit bij name is vastgesteld.
80 Ik ben derhalve van mening dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat het hem voorgelegde geschil een "uitzonderingssituatie" in de zin van het voornoemde arrest Bundesverband der Bilanzbuchhalter/Commissie vormde.
81 Men kan hieruit echter nog niet concluderen dat het Gerecht zijn plicht zou hebben verzaakt om vast te stellen dat verzoekster rechtstreeks en individueel door de gevraagde handeling werd geraakt. Het zou immers denkbaar kunnen zijn, dat de door het Gerecht beschreven kenmerken van verzoeksters situatie van die aard zijn dat het bestaan van een rechtstreeks en individueel belang kan worden aanvaard, zelfs indien het bestreden arrest, zoals wij hebben gezien, dit niet uitdrukkelijk vermeldt.
82 Ik moet echter reeds op grond van het voorafgaande vaststellen dat dit niet het geval is.
83 De door mij zojuist geanalyseerde overwegingen van het Gerecht tonen zeker aan dat verzoekster een rechtstreeks belang zou hebben bij de maatregelen die de Commissie naar aanleiding van haar klacht zou kunnen nemen.
84 De situatie is daarentegen verschillend wat betreft het vereiste van een individueel belang.
85 Met uitzondering van de verwijzing naar "de belangrijkste" zender, kunnen de andere genoemde feiten immers a priori worden toegepast op om het even welke particuliere televisiezender die uitzendt ten behoeve van een in Frankrijk gevestigd publiek. Men zou er tevergeefs naar een element zoeken dat verzoekster onderscheidt van iedere andere huidige of potentiële particuliere marktdeelnemer.
86 De omstandigheid dat het hier gaat om "de belangrijkste" concurrent van de betrokken publieke zenders, is op zich niet voldoende om verzoekster, met betrekking tot de maatregelen die de Commissie zou kunnen nemen, in een situatie te brengen die kwalitatief verschilt van die van iedere andere huidige of potentiële marktdeelnemer.
87 Volgens vaste rechtspraak bestaat voor personen die geen adressaat van de handeling zijn, het individueel belang slechts wanneer de handeling "hen betreft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie, welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en daardoor derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat".(15)
88 Het Gerecht heeft dus het beroep wegens nalaten ontvankelijk verklaard, zonder te hebben vastgesteld of verzoekster rechtstreeks en individueel door de bestreden handeling werd geraakt.
89 Derhalve dient, subsidiair, de hogere voorziening op dit punt aanvaard te worden en het arrest van het Gerecht te worden vernietigd, nu dit het beroep wegens nalaten ontvankelijk heeft verklaard voorzover het gericht is tegen het verzuim van de Commissie om te handelen uit hoofde van artikel 90 van het Verdrag.
90 Het zou dus niet meer nodig zijn om de overige, bovenvermelde, argumenten van rekwiranten te onderzoeken. Het is dus enkel nog meer subsidiair dat ik in dit verband het volgende uiteenzet.
91 Deze argumenten hebben hoofdzakelijk betrekking op de gevolgen van de beoordelingsbevoegdheid die de rechtspraak aan de Commissie bij de toepassing van artikel 90, lid 3, van het Verdrag toekent.
92 Ik zeg terstond dat de omvang van deze bevoegdheid, die volgens rekwiranten zowel uit de tekst zelf van deze bepaling als uit een vergelijking met de artikelen 169, 85, 86 en 93 van het Verdrag, alsmede uit vaste rechtspraak blijkt, niet betwistbaar is.
93 Zodoende is de vraag, in hoeverre artikel 90 van het Verdrag de belangen van particulieren beoogt te beschermen, niet bepalend, omdat in elk geval de omvang van de beoordelingsbevoegdheid van de Commissie reeds vele malen door het Hof is bevestigd(16). Dat impliceert echter noodzakelijk het ontbreken van een verplichting voor de Commissie om te handelen.
94 Naar mijn mening heeft het Gerecht dus ten onrechte in de punten 50 en 51 van zijn arrest overwogen dat het beginsel, dat eenieder moet beschikken over een effectieve mogelijkheid van beroep, voorrang heeft boven de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de Commissie bij de tenuitvoerlegging van artikel 90 van het Verdrag beschikt. De auteurs van het Verdrag hebben bepaald welke de effectieve mogelijkheden van beroep zijn waarvan particulieren gebruik kunnen maken, en het zijn zij die besloten hebben dat een beroep wegens nalaten niet kan slagen zonder een verplichting tot handelen. De gemeenschapsrechter mag zijn analyse van de vereisten van een effectieve bescherming van de belangen van particulieren niet in de plaats stellen van die van de auteurs van het Verdrag.
95 Ik wil erop wijzen dat het bestaan van een ruime beoordelingsbevoegdheid van de Commissie op zichzelf niet volstaat om tot niet-ontvankelijkheid van het beroep te concluderen.
96 Het is immers vaste rechtspraak dat wat betreft de toepassing van artikel 90, lid 3, van het Verdrag de bevoegdheid van de Commissie niet discretionair is, in tegenstelling tot hetgeen geldt voor haar beslissing om een beroep wegens niet-nakoming op grond van artikel 169 van het Verdrag wel of niet aanhangig te maken, welke hypothese het voorwerp was van het voornoemde arrest Star Fruit/Commissie waarop de Franse Republiek zich beroept.
97 Hieruit volgt dus dat de beoordelingsbevoegdheid van de Commissie, hoe ruim die ook is, aan een - weliswaar minimaal - rechterlijk toezicht onderworpen is. In de rechtspraak zijn daarvan overigens vele voorbeelden te vinden(17).
98 Dit houdt in dat het bestaan van een ruime, maar niet discretionaire, beoordelingsbevoegdheid zich enerzijds niet verzet tegen de mogelijkheid een beroep tot nietigverklaring in te stellen wanneer er een beslissing is, en anderzijds ook niet tegen de mogelijkheid een beroep wegens nalaten in te stellen bij afwezigheid van een dergelijke beslissing.
99 Ik meen bovendien dat het in elk geval onjuist zou zijn, zich te willen beroepen op de omvang van de bewegingsvrijheid van de Commissie om daaruit conclusies wat betreft de ontvankelijkheid van een beroep tegen haar beslissingen of de afwezigheid daarvan, te trekken.
100 Een samenhangende en stelselmatige benadering vereist immers, naar mijn mening, dat het vraagstuk van de omvang van de verplichtingen van de verwerende instelling wordt beschouwd als betrekking hebbend niet op het geschil betreffende de ontvankelijkheid, maar op het geschil ten gronde.
101 Indien men in dit verband de rechtspraak betreffende het beroep tot nietigverklaring onderzoekt, laat zij nauwelijks plaats voor twijfel. Daaruit blijkt immers dat, wanneer een beroep tot nietigverklaring tegen de Raad of de Commissie is ingesteld op een gebied waar het Hof hun een ruime beoordelingsbevoegdheid heeft toegekend, een dergelijk beroep geenszins niet-ontvankelijk is. Het heeft daarentegen ten gronde weinig kans van slagen.
102 Hetzelfde is het geval wat betreft het beroep wegens niet-nakoming: een door de Commissie ingesteld beroep op een gebied waar het gemeenschapsrecht aan de lidstaten een ruime beoordelingsbevoegdheid laat, is niet niet-ontvankelijk, maar is ten gronde niet veelbelovend.
103 Toegepast op het beroep wegens nalaten, houdt deze analyse in dat het bestaan van een uit de beoordelingsbevoegdheid van de Commissie voortvloeiende verplichting tot handelen, een vraagstuk is dat de grond en niet de ontvankelijkheid van het beroep betreft.
104 In dit verband moet er bovendien op gewezen worden dat het Hof in verschillende arresten(18), soms zeer expliciet, heeft overwogen dat in het kader van het onderzoek ten gronde moest worden bepaald of de verwerende instelling in het beroep wegens nalaten wel of niet een verplichting tot handelen had.
105 Zo heeft het Hof in punt 26 van het arrest Parlement/Raad(19) over het gemeenschappelijk vervoersbeleid overwogen "dat in casu de opmerkingen van de Raad betreffende de discretionaire bevoegdheid waarover hij bij de totstandbrenging van het gemeenschappelijk vervoerbeleid zou beschikken, geen verband houden met de vraag of aan de specifieke voorwaarden van artikel 175 is voldaan, maar met het meer algemene probleem of het ontbreken van een gemeenschappelijk beleid in de vervoersector een verzuim in de zin van die bepaling kan opleveren. Dit probleem zal verderop in dit arrest worden onderzocht".
106 Deze benadering vindt trouwens veel steun in de literatuur.(20)
107 Hieruit volgt dat de argumenten van rekwiranten betreffende de omvang van de beoordelingsbevoegdheid van de Commissie ons alleen kunnen leiden tot conclusies over de grond van het geschil. Zij maken het ons, daarentegen, niet mogelijk te beslissen over de prealabele vraag van de ontvankelijkheid van het beroep, die het voorwerp van de hogere voorziening uitmaakt.
108 Rekwiranten laken het Gerecht eveneens omdat het ten onrechte heeft gesteld dat de bescherming van de rechten van particulieren nodig was, terwijl deze in elk geval waren gewaarborgd door de mogelijkheid om voor de nationale rechter een beroep te doen op de directe werking van artikel 90 van het Verdrag. Men moet echter wel vaststellen dat het Gerecht niet heeft overwogen dat het beroep wegens nalaten de enige manier was om de rechten van de particulieren te beschermen.
Gevolgen
109 Aangezien ik dus - zoals gezegd, subsidiair - tot de conclusie ben gekomen dat het bestreden arrest vernietigd dient te worden voorzover het stilzwijgend het beroep wegens nalaten ontvankelijk heeft verklaard, moet ik nu onderzoeken wat hiervan de gevolgen zijn.
110 Al aanstonds zij gezegd, dat het geschil in dit geval, naar mijn mening, rijp is voor een beslissing.
111 Ik heb immers reeds opgemerkt, dat het Gerecht rechtens voldoende heeft vastgesteld dat de Commissie de handeling waarvan het verzuim het voorwerp uitmaakte van het beroep wegens nalaten, heeft vastgesteld na de instelling van het beroep maar voordat het arrest was gewezen. Hieruit volgt, conform de rechtspraak, dat het voorwerp van het beroep wegens nalaten niet meer bestaat. Zelfs indien het Hof mijn subsidiaire stelling aanvaardt, zou het derhalve niet meer nodig zijn, hierover uitspraak te doen.
112 Wij zouden dus in elk geval terugkomen bij het dictum van het Gerecht, hetgeen de stelling bevestigt die ik primair heb ontwikkeld, tenzij men zou willen ingaan tegen de vaste rechtspraak volgens welke het beroep zonder voorwerp is en zijn ontvankelijkheid niet behoeft te worden onderzocht, wanneer de verwerende instelling de litigieuze handeling na de instelling van het beroep en vóór het wijzen van het arrest heeft vastgesteld.
113 Ik wijs er bovendien op, dat dit betekent dat, zelfs indien de zaak zou worden terugverwezen naar het Gerecht, dit, volgens mij, niet tot een anders geformuleerd dictum zou kunnen komen.
De kosten ten laste van de Franse Republiek
114 De Franse Republiek, op dit punt door de Commissie en het Koninkrijk Spanje gesteund, verzoekt het Hof eveneens het arrest van het Gerecht te vernietigen voorzover het haar heeft verwezen, niet alleen, krachtens artikel 87, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, in haar eigen kosten, maar ook in de kosten die de verzoekende partij in eerste aanleg als gevolg van de interventie van de Franse Republiek zijn opgekomen.
115 Zij stelt in dit verband dat het niet mogelijk is, met zekerheid uit het bestreden arrest af te leiden op grond van welke bepaling het Gerecht tot deze veroordeling is gekomen. Of het nu gaat om lid 4, lid 2 of lid 6 van artikel 87 van zijn Reglement voor de procesvoering, het Gerecht heeft in elk geval blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
116 Deze teksten luiden als volgt:
"Artikel 87
[...]
2. Voorzover dit is gevorderd, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Indien meer partijen in het ongelijk zijn gesteld, bepaalt het Gerecht het door elk hunner te dragen deel van de proceskosten.
4. De lidstaten en de instellingen die in het geding zijn tussengekomen, dragen hun eigen kosten.
[...]
6. Wanneer het geding zonder voorwerp is geraakt, beslist het Gerecht vrijelijk over de kosten."
117 Wat betreft artikel 87, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht vestigt de Franse Republiek er de aandacht op, dat deze bepaling beoogt op het stuk van de kosten de gevolgen van een interventie door een lidstaat of een instelling op te heffen. Hieruit zou volgen dat de door dergelijke interveniënten gemaakte kosten niet meer met het lot van het verzoek van de ondersteunde partij zijn verbonden. Een gelijkvormige en billijke toepassing van deze bepaling zou, volgens Frankrijk, vereisen dat een lidstaat die intervenieert om de verwerende partij te ondersteunen, niet verwezen kan worden in de kosten die de rekwirant wegens zijn interventie heeft moeten maken.
118 Een andere oplossing zou bovendien, wegens de daaraan klevende gevolgen voor de begrotingen van de lidstaten, hun mogelijkheden van interventie kunnen beperken in geschillen waarin zij daarbij toch een werkelijk belang zouden hebben.
119 Ten aanzien van artikel 87, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, merkt rekwirante op, dat het zonder voorwerp raken van het geding in casu slechts een deel van de in eerste instantie aangevoerde middelen betreft, terwijl het Gerecht haar alle door rekwirante vanwege haar interventie gemaakte kosten in rekening heeft gebracht, ook die betreffende de middelen die het gegrond of niet ontvankelijk heeft geoordeeld.
120 Met betrekking tot artikel 87, lid 2, van voornoemd Reglement wijst de Franse Republiek erop dat deze bepaling van toepassing is op de partijen ten principale en niet op de interveniënten.
121 Ten slotte voert zij aan dat het Gerecht ultra petita heeft beslist, omdat verzoekster niet had geconcludeerd in de zin waarin het Gerecht heeft beslist.
122 Uit de memorie inzake de interventie van de Franse regering blijkt echter dat TF1 wat betreft de kosten het Gerecht heeft verzocht een beslissing te nemen "als naar recht".
123 Ik deel in elk geval de analyse van de Franse regering wat betreft de beslissing van het Gerecht inzake de kosten.
124 In 1990 heeft het Hof de Raad voorgesteld in zijn Reglement voor de procesvoering een artikel 69, lid 4, op te nemen dat zou luiden als volgt:
"De lidstaten en de instellingen die in het geding zijn tussengekomen, dragen hun eigen kosten.
Het Hof kan bepalen, dat andere interveniënten dan de in de voorgaande alinea bedoelde, hun eigen kosten zullen dragen."
125 De Raad heeft deze wijziging aanvaard, die vervolgens eveneens in het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht als artikel 87, lid 4, is opgenomen.
126 In de motivering van zijn voorstel - een openbaar document - heeft het Hof als volgt de noodzaak van dit amendement uiteengezet:
"Wat het nieuwe lid 4 betreft, moet erop gewezen worden dat, bij gebreke van bijzondere bepalingen, artikel 69, lid 2, de kosten in geval van interventie regelt. Indien de door een interveniënt ondersteunde partij in het gelijk wordt gesteld, wordt de partij die in het ongelijk wordt gesteld dus in de kosten, niet alleen van de in het gelijk gestelde partij ten principale, maar ook van de interveniënt verwezen.
Deze oplossing heeft ten gevolge dat de lasten die een veroordeling in de kosten voor de in het ongelijk gestelde partij ten principale meebrengt, disproportioneel kunnen toenemen wegens de interventie door lidstaten of instellingen die geen enkel rechtstreeks belang hebben bij de beslechting van het geschil. Een dergelijke oplossing is strijdig met een billijke verdeling van de lasten. De eerste alinea bepaalt derhalve dat de lidstaten en de instellingen die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten dragen.
Daar particuliere interveniënten een belang bij het beslechten van het geschil moeten aantonen, kan de regel van artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof in beginsel in dit geval worden toegepast. Gelet echter op de verscheidenheid van belangen die een interventie kunnen rechtvaardigen en van de situaties die zich kunnen voordoen, blijkt het noodzakelijk het Hof de mogelijkheid te geven op deze regel een uitzondering te maken wanneer de billijkheid zulks vereist en te bepalen dat een particuliere interveniënt zijn eigen kosten moet dragen."
127 Uit deze tekst blijkt dat alleen particuliere interveniënten, behoudens uitzondering, onder artikel 69, lid 2 (voor het Gerecht: artikel 87, lid 2) blijven vallen.
128 De positie van de publieke interveniënten, lidstaten en instellingen, wordt sedert deze wijziging uitsluitend door lid 4 geregeld.
129 Deze bepaling beoogt de in het ongelijk gestelde particulieren te beschermen tegen het risico, de kosten te moeten vergoeden van lidstaten die in "hun geding" zijn tussengekomen om de wederpartij te ondersteunen. Er is echter symmetrie: wanneer een lidstaat is tussengekomen om de stellingen van de in het ongelijk gestelde partij te ondersteunen, heeft hij ook niet een deel van de kosten van de wederpartij te dragen.
130 Lid 4 heeft niet ten doel, deze in het gelijk gestelde wederpartij het aanzienlijk lagere risico van de vergoeding van enkele bijkomende kosten wegens de interventie door een lidstaat te besparen. In een dergelijk geval zou de toepassing van het Reglement voor de procesvoering immers altijd nadelig uitvallen voor de interveniërende lidstaten en instellingen, aangezien deze, enerzijds, nooit voordeel zouden kunnen hebben van een eventueel welslagen van de partij die zij ondersteunen en, anderzijds, altijd het risico zouden lopen een deel van de kosten van de wederpartij te moeten betalen.
131 Een dergelijke oplossing zou onevenwichtig en onbillijk zijn.
132 Het risico dat ten laste van een particulier blijft, namelijk de door de tussenkomst van een lidstaat veroorzaakte bijkomende kosten te moeten dragen, zal in elk geval beperkt zijn, omdat een interveniënt per definitie alleen argumenten ter ondersteuning van een partij ten principale naar voren kan brengen.
133 Uit het voorafgaande zou voortvloeien dat er termen aanwezig zijn om de hogere voorziening van de Franse Republiek gegrond te verklaren en het bestreden arrest te vernietigen, voorzover het haar de wegens haar tussenkomst opgekomen kosten van verzoekster in eerste instantie ten laste heeft gelegd.
134 Ik geef dus, nogmaals uitsluitend subsidiair, in overweging de punten 5 en 6 van het bestreden arrest te vernietigen om rekening te houden, enerzijds, met de gevolgen van de gedeeltelijke vernietiging van het arrest van het Gerecht als gevolg van de onderhavige hogere voorziening en, anderzijds, met het beroep van de Franse Republiek op dit punt.
135 Met betrekking tot de eerste overweging waarmee de Commissie vraagt rekening te houden, ben ik van mening dat er termen aanwezig zijn om de eigen kosten van de Commissie voor haar rekening te laten, alsmede die van verzoekster in eerste instantie. Zelfs indien de onderhavige hogere voorziening zou worden toegewezen, zou zij immers de conclusies van het Gerecht wat betreft het verzuim van de Commissie om de bepalingen van het Verdrag inzake staatssteun toe te passen, geenszins wijzigen.
136 Daarentegen vind ik het terecht, om de hierboven aangevoerde redenen, de Franse Republiek alleen haar eigen kosten te doen dragen.
137 Wat betreft de kosten van de procedure voor het Hof, moet ik vaststellen dat in ieder geval slechts een deel van de argumenten van rekwiranten doel treft. Ik zou derhalve in overweging willen geven dat, in beide zaken, iedere partij ten principale zijn eigen kosten draagt en dat dit eveneens geldt voor de interveniënten, zulks overeenkomstig artikel 69, leden 3 en 4, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
138 Ik herhaal echter dat het hier subsidiaire conclusies betreft en dat de hogere voorzieningen, naar mijn mening, om de in de punten 28 tot 51 uiteengezette redenen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.
Conclusie
139 Rekening houdend met wat ik hierboven primair heb uiteengezet, geef ik het Hof in overweging:
- de door de Franse Republiek en de Commissie ingestelde hogere voorzieningen niet-ontvankelijk te verklaren;
- rekwiranten te verwijzen in de kosten, behalve die van interveniënten;
- interveniënten te verwijzen in hun eigen kosten.
(1) - Arrest van 3 juni 1999 (T-17/96, Jurispr. blz. II-1757).
(2) - PB 1963, 127, blz. 2268.
(3) - PB 1962, 13, blz. 204.
(4) - Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag.
(5) - Arrest van 17 juli 1998 (T-111/96, Jurispr. blz. II-2937).
(6) - Arrest van 8 juli 1999 (T-266/97, Jurispr. blz. II-2329).
(7) - Beschikking van 16 september 1997 (C-59/96, Jurispr. blz. I-4809).
(8) - Zie bijvoorbeeld arrest van 24 november 1992, Buckl e.a./Commissie (C-15/91 en C-108/91, Jurispr. blz. I-6061, punten 14-17), alsmede de beschikking van 10 juni 1993, The Liberal Democrats/Parlement (C 41/92, Jurispr. blz. I-3153, punt 4).
(9) - Arrest van 21 januari 1999 (C-73/97 P, Jurispr. blz. I-185).
(10) - Arrest van 11 december 1996, Comafrica en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie (T-70/94, Jurispr. blz. II-1741).
(11) - Zie als voorbeeld van de omvangrijke rechtspraak: arrest van 18 maart 1993, Parlement/ Frederiksen (C-35/92 P, Jurispr. blz. I-991).
(12) - Zie, als voorbeelden, arresten van 14 september 1995, Henrichs/Commissie (C-396/93 P, Jurispr. blz. I-2611), en 18 maart 1999, De Compte/Parlement (C-2/98 P, Jurispr. blz. I-1787).
(13) - Zie arrest van 26 november 1996, T. Port (C68/95, Jurispr. blz. I-6065, punten 58 en 59).
(14) - Arrest van 16 februari 1993 (C-107/91, Jurispr. blz. I-599).
(15) - Zie bijvoorbeeld arrest van 14 juli 1983, Spijker/Commissie (231/82, Jurispr. blz. 2559).
(16) - Zie voornoemd arrest Bundesverband der Bilanzbuchhalter/Commissie.
(17) - Zie als voorbeelden van een vaste rechtspraak: arresten van 29 oktober 1980, Roquette Frères/Raad (138/79, Jurispr. blz. 3333), alsmede van 15 juni 1993, Matra/Commissie (C-225/91, Jurispr. blz. I-3203, punten 23 en 25).
(18) - Arresten van 4 maart 1982, Gauff/Commissie (182/80, Jurispr. blz. 799), en van 15 maart 1984, Tradax/Commissie (64/82, Jurispr. blz. 1359).
(19) - Arrest van 22 mei 1985 (13/83, Jurispr. blz. 1513).
(20) - Zie bijvoorbeeld: Léger, P., Commentaire article par article des traités UE et CE, Helbing & Lichtenhahn, Dalloz, Bruylant, 2000, blz. 1658; Lenz, C.O., EG-Vertrag Kommentar, Bundesanzeiger, Helbing & Lichtenhahn, Ueberreuter, 1994, blz. 1154; Von der Groeben-Thiesing-Ehlermann, Kommentar zum EU-/EG-Vertrag, Nomos, 5e druk, 1997, volume 4, blz. 593, alsmede Jurisclasseur Europe, volume 2, fascikel 340.
Full & Egal Universal Law Academy