Conclusie van de advocaat generaal
1. Op 23 augustus 1999 heeft de Commissie krachtens artikel 169 EG-Verdrag (thans artikel 226 EG) een beroep wegens niet-nakoming tegen de Franse Republiek ingesteld. Met dit beroep verzoekt zij het Hof vast te stellen dat de Franse Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen mee te delen of de maatregelen te treffen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 95/47/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 inzake het gebruik van normen voor het uitzenden van televisiesignalen, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen. De Commissie verzoekt tevens, de Franse Republiek in de kosten te verwijzen.
Toepasselijke communautaire regeling
2. Richtlijn 95/47 van 24 oktober 1995 (hierna: richtlijn") heeft betrekking op de normen voor het uitzenden van televisiesignalen. Volgens artikel 8, lid 1, moeten [de lidstaten] uiterlijk negen maanden na de datum van de inwerkingtreding van deze richtlijn (...) de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking [doen] treden om aan [de] richtlijn te voldoen" en de Commissie (...) onverwijld [daarvan] in kennis [stellen]". De richtlijn is in werking getreden op de dag van de publicatie ervan, namelijk op 23 november 1995. Bijgevolg was 23 augustus 1996 de uiterste datum voor de uitvoering van de richtlijn door de lidstaten.
3. Bij artikel 7 van de richtlijn wordt richtlijn 92/38/EEG van de Raad van 11 mei 1992 inzake de vaststelling van normen voor het per satelliet uitzenden van televisiesignalen ingetrokken. Deze intrekking is effectief geworden bij het verstrijken van de uiterste aan de lidstaten gestelde termijn voor de uitvoering van de richtlijn van 1995.
Niet-nakomingsprocedure en conclusies van de partijen
4. Aangezien de Commissie geen bericht van de Franse regering had ontvangen omtrent de maatregelen die waren genomen ter uitvoering van de richtlijn en zij over geen andere informatie beschikte waaruit kon worden opgemaakt dat de Franse Republiek alle nodige maatregelen daartoe had genomen, zond zij haar op 16 januari 1997 krachtens artikel 169, eerste alinea, EG-Verdrag (thans artikel 226, eerste alinea, EG) een aanmaningsbrief, waarin zij haar onder meer verzocht om binnen een termijn van twee maanden haar opmerkingen te maken.
5. De Franse regering beantwoordde deze brief niet binnen de gestelde termijn. Bijgevolg zond de Commissie op 14 oktober 1998 krachtens artikel 169, eerste alinea, EG-Verdrag (thans artikel 226, eerste alinea, EG) een met redenen omkleed advies aan de Franse Republiek, waarin zij vaststelde dat deze de krachtens de richtlijn en het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet was nagekomen, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen of mee te delen die nodig waren om aan de richtlijn te voldoen. Bijgevolg verzocht zij de Franse regering, binnen een termijn van twee maanden na de betekening ervan de nodige maatregelen te nemen om aan dit advies te voldoen.
6. De Franse autoriteiten antwoordden een eerste maal op het met redenen omklede advies bij brief van 15 december 1998. Hierin erkenden zij dat er vertraging was bij de uitvoering van de richtlijn, maar voerden zij ter rechtvaardiging aan, dat het normale verloop van de wetgevende activiteit door een regeringswissel vertraging had opgelopen. Zij vroegen nog eens twee maanden uitstel om een precies tijdsschema voor de uitvoering van de richtlijn op te stellen, en verzochten bovendien om een gesprek met de bevoegde diensten van de Commissie om de ontwerpteksten ter uitvoering van de richtlijn voor te stellen. Deze bijeenkomst had volgens de memories van de Commissie en de Franse Republiek plaats op 22 januari 1999.
Op 8 juni 1999 zonden de Franse autoriteiten de Commissie een tweede brief, waarin zij onder meer meedeelden dat de procedure tot uitvoering van de richtlijn aan de gang was en dat de regering, om deze procedure zo snel mogelijk tot een goed eind te brengen, in het kader van de eerste lezing van een wetsontwerp inzake de audiovisuele media een amendement had ingediend, dat precies de uitvoering van de richtlijn tot doel had. De Franse autoriteiten voegden hieraan toe, dat de senaat zich in het najaar van 1999 over dit wetsontwerp zou buigen.
7. De Commissie ontving evenwel geen bericht over de definitieve goedkeuring van het wetsontwerp. Zij concludeerde, dat de richtlijn niet was uitgevoerd en stelde derhalve krachtens artikel 169, tweede alinea, EG-Verdrag (thans artikel 226, tweede alinea, EG) het onderhavige beroep in tegen de Franse Republiek. Tot staving van haar beroep voert zij aan dat, aangezien de lidstaten volgens 's Hofs rechtspraak hun nationale wetgeving binnen de gestelde termijnen in overeenstemming moeten brengen met de richtlijnen en zich niet op nationale bepalingen, praktijken of situaties kunnen beroepen ter rechtvaardiging van de niet-nakoming, de Franse Republiek de op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, aangezien zij bij het verstrijken van de in de richtlijn gestelde termijn geen enkele maatregel ter uitvoering van de richtlijn had genomen.
8. In haar verweerschrift betwist de Franse regering niet, dat de nodige nationale uitvoeringsbepalingen niet zijn vastgesteld. Zij bevestigt enkel dat de uitvoeringsprocedure aan de gang is en zal leiden tot de definitieve vaststelling van de reeds in haar brief van 8 juni 1999 in antwoord op het met redenen omklede advies beschreven wettelijke regeling, alsook van een reeks administratieve besluiten. Zij verzekert dat zij in elk geval al het nodige doet om de richtlijn tegen juni 2000 uit te voeren.
In haar verweerschrift merkt de Franse regering verder op, dat de door artikel 8 van de richtlijn gestelde termijn van negen maanden voor de omzetting van de richtlijn door de lidstaten bijzonder kort was, in het bijzonder gelet op het feit dat krachtens artikel 7 ervan de richtlijn van 1992 wordt ingetrokken en vervangen. Volgens de Franse regering is deze situatie allesbehalve eenvoudig uit een oogpunt van rechtszekerheid en maakt zij de omzetting van de richtlijn in nationaal recht tot een bijzonder ingewikkelde zaak. Zij erkent evenwel uitdrukkelijk, dat de korte termijn die aan de lidstaten voor de uitvoering van de richtlijn is gegund, de vertraging bij het vaststellen van de nodige nationale uitvoeringsbepalingen niet kan rechtvaardigen.
De niet-nakoming
9. Ik ben van mening, dat het onderhavige beroep gegrond is. Het lijdt immers geen twijfel dat de Franse Republiek de krachtens de richtlijn en het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen. Zoals de Franse regering zelf erkent, is de uitvoeringsprocedure nog niet beëindigd en heeft zij tot op heden de richtlijn nog niet uitgevoerd. Het feit dat de procedure tot vaststelling van de nodige nationale uitvoeringsmaatregelen aan de gang is en dat de Franse autoriteiten het nodige doen om deze procedure tegen juni 2000 tot een goed eind te brengen, kan de niet-nakoming niet meer wegnemen. Zoals duidelijk uit 's Hofs rechtspraak blijkt, moet het bestaan van een niet-nakoming [immers] worden beoordeeld naar de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omklede advies gestelde termijn, en kan het Hof met sedertdien opgetreden wijzigingen geen rekening houden".
10. De niet-nakoming door de Franse Republiek vindt evenmin haar rechtvaardiging in de korte duur van de door artikel 8 van de richtlijn gestelde termijn voor de omzetting van de richtlijn. Ook dienaangaande stelt de rechtspraak duidelijk, dat de regeringen van de lidstaten deelnemen aan de voorbereiding van de richtlijnen en dan ook in staat moeten zijn binnen de gestelde termijn de voor de tenuitvoerlegging ervan noodzakelijke wettelijke regeling op te stellen".
Kosten
11. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dat is gevorderd. Aangezien de Franse Republiek in het ongelijk is gesteld, stel ik voor dat zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten wordt verwezen.
Conclusie
12. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, te beslissen als volgt:
1) Door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 95/47/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 inzake het gebruik van normen voor het uitzenden van televisiesignalen, is de Franse Republiek de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Franse Republiek wordt in de kosten verwezen."
Full & Egal Universal Law Academy