CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
L. A. GEELHOED
van 27 september 2001 (1)
Gevoegde zaken C-328/99 en C-399/00
Italiaanse Republiek
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
SIM 2 Multimedia SpA
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Beroep – beschikking 2000/536/EG – staatssteun ten gunste van Seleco SpA”
I ─ Inleiding
1. Op 2 juni 1999 heeft de Commissie beschikking 2000/536/EG betreffende de door Italië aan Seleco SpA verleende overheidssteun (2) genomen (hierna ook: bestreden beschikking). In essentie wordt hierin bepaald dat sprake is van steun, dat deze steun onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, en dat deze onrechtmatige steun teruggevorderd moet worden.
2. Tegen deze beschikking heeft de Italiaanse regering beroep ingesteld bij het Hof (zaak C-328/99). SIM 2 Multimedia SpA heeft bij het Gerecht tegen dezelfde beschikking beroep ingesteld (zaak T-195/99). Het Gerecht heeft zich bij beschikking van 16 oktober 2000 onbevoegd verklaard en de zaak naar het Hof verwezen. Deze zaak is op 31 oktober 2000 bij de griffie van het Hof ingeschreven onder nummer C-399/00. Gezien de verknochtheid van beide zaken zijn deze bij beschikking van de president van het Hof van 5 februari 2001 gevoegd.
3. In deze gevoegde zaken spitst het geschil zich toe op de interpretatie van het beginsel van een particuliere investeerder bij de beoordeling van staatssteun en op de vraag of steun teruggevorderd kan worden bij de onderneming die met een deel van de activa de activiteiten van de oorspronkelijk begunstigde onderneming gedeeltelijk heeft voortgezet.
II ─ De feitelijke en juridische voorgeschiedenis
De belanghebbende partijen
4. De hoofdrolspelers in de onderhavige zaak zijn Seleco SpA (hierna: Seleco) als steunontvanger, twee overheidsinstanties, Friulia SpA (hierna: Friulia) en Ristrutturazione Elettronica SpA (hierna: REL), als steunverleners en SIM 2 Multimedia SpA (hierna: SIM 2 Multimedia) als partij die in het bijzonder wordt getroffen door de in de bestreden beschikking aan de Italiaanse regering opgelegde verplichting tot terugvordering.
5. Seleco was, totdat zij op 17 april 1997 failliet is verklaard, actief op de markt voor consumentenelektronica, meer in het bijzonder in de segmenten kleurentelevisies, decoders voor versleutelde programma's (sector betaaltelevisie) en producten voor professioneel gebruik (videoprojectoren en monitoren). In de laatste tien jaar vóór haar faillissement heeft Seleco regelmatig overheidssteun ontvangen. In de onderhavige zaak gaat het om een steunoperatie uit 1994 en 1996.
6. Multimedia is in 1995 opgericht. In maart 1996 zijn de meest rendabele activiteiten (videoprojectoren en monitoren) van Seleco in Multimedia ondergebracht en is zij omgevormd tot Seleco Multimedia Srl. De aandelen waren op dat moment voor 100 % in handen van Seleco. In juli 1996 zijn de aandelen voor een derde aan Italtel en een derde aan Friulia verkocht. Een derde bleef in handen van een tot de Seleco-groep behorende vennootschap. Het pakket Seleco Multimedia Srl-aandelen waarover Seleco via deze vennootschap zelf zeggenschap uitoefende is in december 1997 via gerechtelijke verkoop aan een andere particuliere onderneming verkocht. De benaming van deze onderneming luidt thans SIM 2 Multimedia.
7. De door de Commissie als staatssteun gekwalificeerde operaties zijn verricht door Friulia en REL.
8. Friulia is een financiële instelling die onder zeggenschap staat van de regio Friulia-Venezia Giulia en die belast is met de economische ontwikkeling van deze regio.
9. REL wordt gecontroleerd door de minister van Industrie, Handel en Ambacht. Deze in 1982 opgerichte staatsonderneming had als opdracht de sector consumentenelektronica te reorganiseren door middel van het oprichten van ondernemingen, het verwerven van participaties in bestaande ondernemingen en het verzorgen van de financiering ten behoeve van ondernemingen waarin zij participeert. Uit eerdere staatssteunprocedures blijkt dat de Commissie de Italiaanse autoriteiten heeft verzocht REL te liquideren. De Commissie heeft nota genomen van de toezegging van de Italiaanse autoriteiten dat REL de belangen die zij in de sector consumentenelektronica heeft zou verkopen aan particuliere aandeelhouders voor het einde van 1995. Tevens is in deze beschikking van 20 mei 1992 (PB C 166, blz. 6) aangegeven dat voor nieuwe steunoperaties geen goedkeuring meer zou worden gegeven.
Aanleiding tot de bestreden beschikking
10. Eind 1993 waren de verliezen van Seleco dermate opgelopen dat de toenmalige aandeelhouders van Seleco (Sofin, een particuliere onderneming, Friulia en REL, in de verhouding van respectievelijk 37 %, 3,7 % en 59,3 %) krachtens de Italiaanse wetgeving gedwongen waren te kiezen voor liquidatie of herkapitalisatie. De totale schulden overschreden het maatschappelijk kapitaal namelijk aanzienlijk. In die situatie opteerden de aandeelhouders aanvankelijk voor liquidatie, echter, na interventie van de Italiaanse overheid wegens de sociale onrust die het besluit tot liquidatie teweegbracht, werd uiteindelijk alsnog gekozen voor herkapitalisatie. Dit overheidsoptreden strekte ertoe dat REL alle schulden zou dekken die het maatschappelijk kapitaal overschreden, met inbegrip van het gedeelte dat ten laste had moeten komen van de overige aandeelhouders en dat de overige aandeelhouders het maatschappelijk kapitaal opnieuw zouden volstorten. Hiermee stemde REL in, mits de overige aandeelhouders het maatschappelijk kapitaal opnieuw zouden volstorten. Het tussen REL en de overige aandeelhouders gesloten akkoord werd bekrachtigd door een aanwijzing van de Italiaanse ministerraad en is nadien aan de onderneming medegedeeld. Aldus zag REL gedeeltelijk af van de vorderingen die zij op Seleco bezat (16,8 miljard ITL op 82 miljard ITL), bracht Friulia 13 miljard ITL in (7 miljard nieuw kapitaal, omzetting van het krediet van 6 miljard in Seleco-aandelen), Sofin 19 miljard ITL, en werd de resterende 10,5 miljard ITL door een pool van banken ingebracht.
11. De verdeling van het aandelenkapitaal na bovengenoemde maatregelen was als volgt: 42,64 % in handen van Sofin, 28,89 % in handen van Friulia, 23,33 % in handen van private en publieke banken en 5,13 % in handen van werknemers.
12. In 1994 en 1995 werden echter nog steeds ernstige verliezen geleden, zodat eind 1995 wederom gekozen moest worden tussen liquidatie of herkapitalisatie. Opnieuw werd besloten tot herkapitalisatie. Sorec, een nieuwe aandeelhouder, bracht 28,8 miljard ITL in. Aanvullend deed REL afstand van haar restschuld van 65,2 miljard ITL voor 20 miljard ITL. Aangezien dit nog niet afdoende was om Seleco ─ wettelijk gezien ─ te redden, werd daarnaast door Seleco een obligatielening uitgeschreven (waarop door een pool van private en publieke banken werd ingeschreven), kende Friulia een converteerbare lening van 12 miljard ITL toe en werd twee derde van de aandelen van Seleco in Multimedia Srl voor 20 miljard ITL verkocht.
13. Na deze herkapitalisatie was de verdeling als volgt: Sorec 87,91 %, Sofin 5,22 %, Friulia 3,49 %, banken 2,82 % en werknemers 0,56 %.
14. Uiteindelijk is Seleco op 17 april 1997 failliet verklaard. De curator van het faillissement heeft beroep tot nietigverklaring ingesteld tegen de transactie waarbij Seleco haar restschuld van 65,2 miljard ITL voor 20 miljard van REL afkocht. De rechter heeft het bevoorrechte karakter van de 13 miljard ITL aan schulden van Seleco bij Friulia geannuleerd. Friulia heeft een vergoeding (van 1 miljard ITL) ontvangen ter compensatie van het verlies van het onderpand, bestaand uit vier bedrijfsmerken die als garantie waren gegeven.
De bestreden beschikking
15. Op 27 september 1994 heeft de Commissie de procedure van artikel 88, lid 2, EG ingeleid. Op 10 oktober 1994 heeft de Commissie de Italiaanse autoriteiten hiervan officieel in kennis gesteld. De aanleiding hiervoor was dat haar ter kennis was gekomen dat de aanvankelijk door de autonome regio Friulia-Venezia Giulia aangemelde steun ten gunste van Seleco reeds was uitgevoerd en dat zij vernomen had dat REL gedeeltelijk had afgezien van haar vorderingen op Seleco op grond van een in 1994 gesloten overeenkomst tot dekking van de verliezen over het boekjaar 1993. Middels een bekendmaking in het Publicatieblad van 29 december 1994 heeft zij belanghebbenden verzocht hun opmerkingen kenbaar te maken.Bij besluit van 3 februari 1998 heeft de Commissie de procedure van artikel 88, lid 2, EG uitgebreid. Hiervoor was de aanleiding dat de Commissie ─ via de pers ─ had vernomen dat er inmiddels nieuwe steunmaatregelen ten gunste van Seleco waren genomen. Tevens wilde de Commissie de overname van een deel van het aandelenpakket door Friulia en Italtel in Seleco Multimedia nader onderzoeken. Bij schrijven van 18 februari 1998 is de Italiaanse regering hiervan in kennis gesteld. In het Publicatieblad van 20 mei 1998 zijn belanghebbenden uitgenodigd hun opmerkingen kenbaar te maken.
16. De Commissie heeft de volgende maatregelen onderzocht:
─ de gedeeltelijke afstand door REL van haar vorderingen op Seleco (16,8 miljard ITL op 82 miljard ITL in 1994);
─ de omzetting in Seleco-aandelen van het krediet van 6 miljard ITL en de inbreng van 7 miljard ITL nieuw kapitaal door Friulia in het kader van de herkapitalisatie in 1994;
─ het aandeel van 10,5 miljard ITL dat de pool van ─ grotendeels particuliere ─ banken had in de herkapitalisatie van Seleco in 1994;
─ de transactie waarbij Seleco in juli 1996 haar restschuld van 66 miljard ITL aan REL voldeed tegen een prijs van 20 miljard ITL;
─ de converteerbare lening van 12 miljard ITL die Friulia in april 1996 had toegekend voor een periode van 5 jaar en een jaarlijkse rente van 7 %, met als garantie de vier bedrijfsmerken van Seleco;
─ de converteerbare obligatielening van 12 miljard ITL die in 1996 door een pool ─ van grotendeels particuliere ─ banken werd toegekend voor de duur van vier jaar en tien maanden, tegen een rente van 5 % per jaar;
─ de overname door Friulia en Italtel van een derde van het pakket van de aandelen van Multimedia tegen 10 miljard ITL per aandelenpakket.
17. Voor wat betreft de participatie van de pool van banken heeft de Commissie enerzijds geconstateerd dat het deels om private partijen gaat waarvan het optreden buiten de toepassing van artikel 87, lid 1, EG valt, en anderzijds dat hun optreden onvermijdelijk was en het veiligstellen van hun vorderingen tot doel had en dat dit ook gold voor de overheidsbanken, die dezelfde voorwaarden (operatie 1996) hadden gesteld als de particuliere banken. Deze maatregelen werden derhalve niet als steunmaatregelen aangemerkt.
18. Ook ten aanzien van de investeringen van Friulia en Italtel in Multimedia concludeert de Commissie dat deze geen overheidssteun zijn in de zin van artikel 87, lid 1, EG. Daarbij speelde een rol dat Italtel (dat voor 50 % in handen is van Siemens en voor 50 % in handen van de staatsonderneming Stet) van haar particuliere aandeelhouder toestemming moest verkrijgen en dat het een participatie betreft in een onderneming die actief is in een bijzonder dynamische en veelbelovende sector.
19. Voor wat betreft de overige, hierboven genoemde, maatregelen heeft de Commissie geconstateerd dat zij steun in de zin van artikel 87, lid 1, EG vormen.
20. Het dictum, voorzover relevant, van de beschikking luidt als volgt.Artikel 1 bepaalt: Volgende steunmaatregelen die Italië ten behoeve van Seleco SpA ten uitvoer heeft gelegd, zijn onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt:
a) de gedeeltelijke afstand van vorderingen in 1994 door Ristrutturazione Elettronica SpA voor een bedrag van 16,8 miljard ITL op 82 miljard ITL;
b) de transactie waarbij Seleco SpA in 1996 haar 65,2 miljard ITL bedragende restschuld tegenover Ristrutturazione Elettronica SpA afkocht voor 20 miljard ITL;
c) de omzetting in aandelen door Friulia SpA van het krediet van 6 miljard ITL dat zij in 1992 had toegekend;
d) de inbreng van 7 miljard ITL aan kapitaal door Friulia SpA in 1994;
e) de in 1996 door Friulia SpA toegekende converteerbare lening van 12 miljard ITL tegen een rente van 7 %, en met vier bedrijfsmerken van Seleco SpA als onderpand.
Artikel 2, lid 1, luidt:Italië treft alle nodige maatregelen om de in artikel 1 genoemde steun terug te vorderen die onrechtmatig reeds ter beschikking werd gesteld van de begunstigden, Seleco SpA en, subsidiair voor het gedeelte dat niet van Seleco SpA kan worden teruggevorderd, Seleco Multimedia Srl en iedere andere onderneming waaraan de activa zijn overgedragen om de gevolgen van de onderhavige beschikking teniet te doen.
21. De Commissie heeft de in het eerste artikel van het besluit genoemde maatregelen gekwalificeerd als steun, aangezien het optreden van zowel Friulia als REL niet voldoen aan dat van een normale particuliere investeerder. De Commissie heeft de maatregelen tevens aan de criteria uit de Communautaire kaderregeling voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (3) getoetst om te beoordelen of de steun voor een vrijstelling in de zin van artikel 87, lid 3, onder c, EG in aanmerking kon komen en geoordeeld dat deze criteria niet in acht zijn genomen. Derhalve gaat het om onverenigbare steun met de gemeenschappelijke markt.
22. Aangezien de Commissie deze steunmaatregelen onrechtmatig achtte en voorts ook onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, eiste zij de terugvordering daarvan. De Commissie beschikte voorts dat voorzover de steun niet of niet geheel bij Seleco teruggevorderd kan worden, deze verhaald dient te worden bij Seleco Multimedia.
23. Voor wat betreft dit deel van het dictum heeft de Commissie in de considerans van de bestreden beschikking toegelicht dat om te vermijden dat ieder gunstig effect van de beschikking teniet wordt gedaan en de verstoring van de markt blijft aanhouden, zij zich verplicht kan zien te eisen dat de terugbetaling niet beperkt blijft tot de oorspronkelijke onderneming, maar wordt uitgebreid tot de onderneming die met de overgedragen productiemiddelen de activiteit van de oorspronkelijke onderneming voortzet. Elementen die hierbij van belang zijn, zijn het voorwerp van de overdracht (activa en passiva, continuïteit inzake werknemers, bundled activa), de verkoopprijs, de identiteit van de aandeelhouders of de eigenaren van de overnemende onderneming en van de oorspronkelijke onderneming, het tijdstip waarop de overname plaatsvond (na het begin van het onderzoek, de inleiding van de procedure of de eindbeschikking) of ten slotte de economische logica van de transactie.
24. De Commissie wijst in deze context op de herstructurering die in maart 1996 binnen Seleco plaatsvond, namelijk de inbreng van activa en bijbehorende activiteiten in de eerder opgerichte onderneming, Multimedia. Deze inbreng vond plaats na de opening van de procedure van artikel 88, lid 2, EG. Kort daarna, juli 1996, werd deze transactie gevolgd door de verkoop van twee aandelenpakketten.
III ─ Middelen van partijen
25. Zoals reeds in de inleiding van deze conclusie al is aangegeven, hebben zowel de Italiaanse regering als SIM 2 Multimedia tegen deze beschikking beroep aangetekend.
26. De Italiaanse regering heeft in zaak C-328/99 primair verzocht de beschikking te vernietigen, subsidiair op dat onderdeel dat betrekking heeft op de interventie van REL in 1996 en meer subsidiair op dat deel dat betrekking heeft op de terugvordering bij Seleco Multimedia Srl en iedere andere onderneming waaraan Seleco activa heeft overgedragen. Tot slot verzoekt zij de Commissie te veroordelen in de kosten.
27. SIM 2 Multimedia heeft in zaak C-399/00 verzocht artikel 2, lid 1, van het bestreden besluit te vernietigen en de Commissie te veroordelen in de kosten.
28. De Commissie heeft verzocht het beroep tot vernietiging in zaak C-328/99 en gedeeltelijke vernietiging in zaak C-399/00 ongegrond te verklaren en de Italiaanse republiek, respectievelijk SIM 2 Multimedia in de kosten te veroordelen.
29. De belangrijkste argumenten die de Italiaanse regering ter staving van haar grieven heeft aangevoerd hebben betrekking op onjuiste toepassing van de artikelen 87 EG en 88 EG, ontoereikende motivering en schending van de procedureregels ten aanzien van de terugvordering van de steun.
30. De door SIM 2 Multimedia tot staving van haar beroep aangevoerde middelen zijn ontleend aan schending van de rechten van de verdediging, onjuiste toepassing van de artikelen 87 EG en 88 EG, schending van artikel 253 EG en onjuiste motivering.
IV ─ Beoordeling
31. In deze zaken staan twee vragen centraal. De eerste vraag is of, getoetst aan het principe van de particuliere investeerder als maatstaf, er in casu sprake kan zijn van staatssteun. De Italiaanse regering bestrijdt dat, de Commissie is een tegenovergestelde opvatting toegedaan.De tweede vraag is of, indien terugvordering van ten onrechte verleende staatssteun wordt geëist, de terugvordering zich kan uitstrekken tot andere rechtspersonen dan de oorspronkelijk begunstigde onderneming.
32. Hieronder zal ik eerst de eerste vraag beoordelen, het eerste middel in zaak C-328/99. De tweede vraag zal ik beoordelen bij de behandeling van het tweede en het derde middel in zaak C-328/99 en de in zaak C-399/00 naar voren gebrachte middelen.
A ─ De primaire vordering van de Italiaanse regering (zaak C-328/99)
33. De Italiaanse regering heeft met name betoogd, refererend aan de richtsnoeren uit 1984 betreffende deelnemingen van overheidsinstanties in het kapitaal van ondernemingen (4) , dat de door REL en Friulia gedane transacties overeenkomen met die van een particulier investeerder en dat dus derhalve geen sprake zou zijn van staatssteun. Zij geeft toe dat aan beide herkapitalisaties in 1994 en 1996 een zeker risico was verbonden, maar er zou een redelijk perspectief op succes zijn, gebaseerd op een waardering ex ante. In dat kader merkt de Italiaanse regering op dat in 1994 de publieke kapitaalinjecties circa 30 miljard ITL bedroegen en de private circa 32 miljard ITL. In 1996 bedroeg de bijdrage van Friulia 12 miljard ITL, die van REL 45 miljard ITL, de particuliere sector nam 40,8 miljard ITL voor zijn rekening. Deze omvangrijke kapitaalinbreng met een relatief groot aantal particuliere investeerders zou aantonen dat de twee operaties met als doel het weer levensvatbaar maken van de activiteiten van Seleco, als redelijk kansrijk worden beschouwd door een particulier investeerder handelend volgens de in een markteconomie normale voorwaarden.
34. De stelling van de Commissie, namelijk dat de particuliere investeerders zich hadden laten verleiden om mee te doen, wordt niet door de Italiaanse regering gedeeld. Zij wijst erop dat de publieke instellingen hadden besloten alleen bij te dragen, indien ook particuliere investeerders daartoe bereid zouden zijn.
35. Met betrekking tot de interventie van REL in 1994 merkt de Italiaanse regering op dat tegenover de vordering van 82 miljard ITL geen enkele garantie stond, en dat in geval van de liquidatie van Seleco REL geen enkele kans had, zelfs niet gedeeltelijk, haar vorderingen te realiseren. Derhalve zou het niet vreemd zijn dat REL voor de vijfde keer, maar dan op voorwaarde dat andere investeerders geheel de herkapitalisatie voor hun rekening zouden nemen, nogmaals een bijdrage verleende in de vorm van een gedeeltelijke kwijtschelding van haar vorderingen. Zodoende kon zij zich terugtrekken uit het kapitaal van Seleco, terwijl de kans op voldoening van de rest van haar vorderingen bleef bestaan. Ook haar instemming met de afkoop van de resterende vordering van 65,2 miljard ITL voor een bedrag van 20 miljard ITL in 1996, werd door dergelijke beweegredenen ingegeven.
36. Over de interventies van Friulia houdt de Italiaanse regering staande dat voor wat betreft de interventie uit 1994 Friulia bij een mogelijke liquidatie van Seleco op zijn hoogst de helft van haar vordering van 6 miljard ITL had kunnen realiseren. De door Friulia in 1996 toegekende converteerbare lening van 12 miljard ITL tegen een rente van 7 %, met als onderpand vier bedrijfsmerken van Seleco, acht de Italiaanse regering, gezien de aanzienlijke waarde van deze merken, marktconform. Het feit dat in het stadium van het faillissement de merken verkocht zijn voor slechts één miljard ITL doet daaraan niet af en is te wijten aan de belangrijke vermindering van hun waarde na de faillietverklaring. Anderzijds wijst de Italiaanse regering erop dat de Commissie wel een obligatielening ter hoogte van hetzelfde bedrag, verleend door de banken, waaronder publieke banken, geoorloofd heeft geacht, ondanks het feit dat deze bancaire lening verstrekt is tegen een lager rentepercentage en daartegenover geen enkele garantie stond. In tegenstelling tot hetgeen staat vermeld onder punt 91 van de bestreden beschikking, wordt krachtens Italiaanse wetgeving bij liquidatie van een failliete onderneming geen voorrang verleend aan obligatieleningen boven andere niet-preferente schuldvorderingen.
37. De Commissie, verwijzend naar de Communautaire kaderregeling voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (5) , meent dat de maatregelen ten gunste van Seleco niet passen binnen de logica van een normale particuliere investeerder. Volgens de Commissie hebben de steunmaatregelen die aan Seleco zijn toegekend enkel tot doel de ondergang van Seleco zo veel mogelijk te vertragen en de sociale gevolgen te vermijden die zouden voortvloeien uit het afvloeiingsplan.
38. In essentie wijst zij op de, reeds lang bestaande, kritieke financiële situatie van Seleco en op de afwezigheid van enig geloofwaardig herstructureringsplan. Het in 1994 gepresenteerde herstructureringsplan is niet vergezeld gegaan met adequate financiële sanerings- of reorganisatiemaatregelen. De zwakte van het plan is ook bevestigd in een door KPMG Peat Marwick Corporate Finance (hierna: KPMG) opgesteld rapport. Hetzelfde gaat op voor het in 1996 opgestelde herstructureringsplan, dat geheel is gebaseerd op dat van 1994, zonder enige noemenswaardige wijzigingen of actualisering.
39. Volgens de Commissie is de beslissing om Seleco niet te liquideren, met name in 1994, en de deelname van particuliere investeerders in een herkapitalisatie in werkelijkheid door de Italiaanse overheid gedicteerd en vormt het geen beslissing genomen door een particuliere investeerder handelend volgens normale marktprincipes. Het feit dat particuliere investeerders aan beide herkapitalisaties hebben deelgenomen kan, aldus de Commissie, niet automatisch het optreden door publieke instellingen rechtvaardigen. Deze instellingen behoren zich niet in te laten met onbezonnen investeringen, waaraan ten onrechte ook, slecht voorgelichte, particuliere investeerders hebben deelgenomen.Beoordeling
40. In het communautaire richtsnoer inzake kapitaalinbreng door de overheid en de Communautaire kaderregeling voor reddings- en herstructureringssteun aan bedrijven in moeilijkheden (6) heeft de Commissie haar maatstaven omschreven die zij hanteert bij het bepalen of een staatsdeelneming al dan niet als staatssteun moet worden aangemerkt. Het communautaire richtsnoer inzake kapitaalinbreng door de overheid vermeldt dat geen sprake is van staatssteun bij het inbrengen van nieuw kapitaal in ondernemingen, indien die inbreng geschiedt onder omstandigheden welke aanvaardbaar zouden zijn voor een particulier investeerder die volgens in een markteconomie normale gebruiken handelt. Daarentegen bepaalt punt 3.3 van dit richtsnoer dat er sprake is van staatssteun, indien dat niet het geval is.
41. Punt 3.3 preciseert vervolgens dat sprake is van staatssteun wanneer:
─ de financiële positie van de onderneming en met name de structuur en de omvang van de schuldenlast zodanig zijn dat het niet gerechtvaardigd lijkt, binnen een redelijke termijn, te rekenen op een normaal rendement van de geïnvesteerde kapitalen;
─ de onderneming, alleen uit hoofde van een te kleine bruto-financieringsmarge, niet in staat zou zijn op de kapitaalmarkt de nodige financiële middelen voor het investeringsprogramma te krijgen;
─ de participatie een tijdelijke participatie is, waarvan de duur en de prijs van overdracht vooraf vastgesteld zijn, zodat het voor een kapitaalverstrekker resulterende rendement aanzienlijk kleiner is dan de vergoeding die hij terecht had mogen verwachten van een belegging voor een vergelijkbare termijn op de kapitaalmarkt;
─ de overheidsparticipatie de totale of gedeeltelijke overname of voortzetting betreft van de niet-levensvatbare activiteiten van een onderneming in moeilijkheden, via de oprichting van een nieuwe juridische entiteit;
─ bij een kapitaalinjectie ten behoeve van ondernemingen waarvan het kapitaal tussen de particuliere en openbare aandeelhouders is verdeeld, de overheidsparticipatie naar verhouding aanzienlijk groter is dan die van haar oorspronkelijke aandeel en de relatief kleinere deelneming van de particuliere aandeelhouders in hoofdzaak moet worden toegeschreven aan de slechte rentabiliteitsvooruitzichten van de onderneming;
─ de omvang van de participatie de reële waarde van de betrokken onderneming (netto-activa eventueel met inbegrip van de goodwill- of knowhowwaarde) overschrijdt ...
.
42. De communautaire kaderregeling voor reddings- en herstructureringssteun somt een aantal voorwaarden op die in acht moeten worden genomen wil de steun voor goedkeuring in aanmerking komen. Zo wordt daar bepaald dat de conditio sine qua non van elk herstructureringsplan is dat het de levensvatbaarheid en gezondheid op lange termijn van de onderneming dient te herstellen binnen een redelijk tijdsbestek en dat op grond van realistische veronderstellingen inzake de omstandigheden waaronder deze in de toekomst zal functioneren. Dit betekent dat er een gedetailleerd herstructureringsplan dient te zijn dat, wil de steun voor goedkeuring in aanmerking kunnen komen, aan de Commissie dient te worden voorgelegd, dat het plan het concurrentievermogen van het bedrijf binnen een redelijk tijdsbestek herstelt en dat de verbetering van de levensvatbaarheid voornamelijk voortvloeit uit interne maatregelen van het herstructureringsplan en het alleen op externe factoren mag berusten, zoals hogere prijzen of stijging van de vraag, indien de gemaakte marktveronderstellingen algemeen worden erkend. Voorts geldt dat structureel verliesgevende activiteiten moeten worden afgestoten.
43. Deze uitgangspunten vormen als het ware een codificatie van de eerdere rechtspraak van het Hof. Zij zijn in de latere rechtspraak bevestigd. Volgens deze rechtspraak dient om na te gaan of de betreffende maatregel staatssteun oplevert gelet te worden op de mogelijkheden voor de begunstigde onderneming om de betrokken middelen op de gewone kapitaalmarkt te verkrijgen. Indien de aandelen vooral in handen van de overheid zijn moet worden nagegaan of een particuliere aandeelhouder in gelijkaardige omstandigheden, op grond van de te verwachten rentabiliteit en afgezien van elke overweging van sociale aard of regionaal of sectoraal beleid, een dergelijke kapitaalinbreng zou hebben gedaan. (7) Is dat het geval, dan brengt het beginsel van gelijke behandeling van particuliere en openbare ondernemingen met zich mee dat de betrokken kapitaalinbreng niet als steun te beschouwen is. (8) Is dat echter niet het geval, dan is sprake van steun.
44. De publieke investeerder moet dus met de particuliere investeerder worden vergeleken, waarbij de publieke investeerder zich niet noodzakelijkerwijs behoeft te gedragen als een gewone investeerder, die doorgaans snel rendement wil, doch wel geldt dat deze publieke investeerder zich ten minste zal moeten gedragen als een particuliere holding of een particuliere groep van ondernemingen met een algemene of sectoriële structuurpolitiek, die wordt geleid door het uitzicht op rendement op langere termijn. (9) Indien het om een kapitaalinbreng gaat die noodzakelijk is voor het voortbestaan van een tijdelijk in moeilijkheden verkerende onderneming, maar die ─ zo nodig na herstructurering ─ opnieuw rendabel kan worden, hoeft nog geen sprake te zijn van steun. Er is echter wel sprake van steun in de zin van artikel 87 EG wanneer de kapitaalinbreng van een publieke investeerder ook op lange termijn ieder uitzicht op rentabiliteit ontbeert. (10)
45. Het principe van de particuliere investeerder, zoals vervat in de diverse communautaire regelingen, wordt door de betrokken partijen niet betwist. Echter in het onderhavige geval waarderen zij de relevante feiten en omstandigheden anders. Derhalve dient te worden nagegaan of de Commissie redelijkerwijze kon vaststellen dat het gedrag van REL en Friulia niet overeenkomt met dat van een particuliere investeerder op het moment dat zij deze investeringsbeslissingen namen.
46. Voorts geldt dat de beoordeling of sprake is van een particuliere investeerder, met andere woorden of de staat al dan niet gehandeld heeft als een gewone ondernemer, en dus of sprake is van een steunmaatregel in de zin van artikel 87, lid 1, een grondige economische analyse vergt. Bij de vaststelling hiervan beschikt de Commissie over een ruime beoordelingsbevoegdheid, hetgeen volgens het Gerecht en het Hof inhoudt dat de rechterlijke toetsing van die handeling beperkt dient te worden tot de vraag of de procedure- en motiveringsvoorschriften in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt, juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijke onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheden. (11)
47. Mijns inziens volgt uit het bovenstaande dat in het bijzonder gelet dient te worden op de financiële situatie van een onderneming en de rendementsvooruitzichten op lange termijn. Betreft het een bedrijf in moeilijkheden, zoals in casu, dan dient daar nog aan te worden toegevoegd dat er een voldoende uitgewerkt, geloofwaardig en realistisch herstructureringsplan moet zijn. Zonder een dergelijk plan zal geen enkele rationele investeerder nog in een dergelijke onderneming willen investeren.
48. Het betoog van de Italiaanse regering, namelijk dat REL en Friulia handelden volgens het principe van een normale particuliere investeerder, is moeilijk te aanvaarden als wordt gelet op de financiële situatie waarin Seleco zich bevond en op de vooruitzichten op rendementsherstel op een acceptabel niveau. Met uitzondering van 1991 en 1992, waarin een bescheiden winst werd geboekt, had deze onderneming het decennium vóór 1994 alleen cumulerende verliezen laten zien. Zij heeft in deze periode regelmatig overheidssteun ontvangen, zonder dat substantiële verbeteringen zijn opgetreden. In feite kan worden gesteld dat Seleco volledig afhankelijk was van overheidssteun. De situatie eind 1993 was zelfs zo ernstig ─ de gecumuleerde verliezen bedroegen anderhalf maal het maatschappelijk kapitaal ─ dat liquidatie aanvankelijk de enige rationele oplossing leek.
49. Een normale particuliere investeerder zal alleen kapitaal inbrengen indien er een redelijke kans bestaat dat zijn geïnvesteerd vermogen binnen een redelijke termijn rendeert, of als het een bedrijf in moeilijkheden betreft, zoals in casu, indien er een redelijke verwachting bestaat dat de onderneming, na herstructurering, opnieuw rendabel kan worden. Daarvoor is een goed uitgewerkt, geloofwaardig en realistisch herstructureringsplan essentieel. In casu ontbrak echter een plan dat aan die voorwaarden voldeed.
50. Het rapport van KPMG, dat op verzoek van Friulia was opgesteld om het herstructureringsplan 1993-1996 te onderzoeken, concludeert echter dat het herstructureringsplan van Seleco veel te ambitieus was, zowel door de situatie van de onderneming als door de hypothesen waarop het was gebaseerd. Gezien de marktomstandigheden (verzadigde markt, hevige prijsconcurrentie, sterke tegenspelers aan de vraagzijde van de markt met veel onderhandelingsmacht) kon de Commissie derhalve tot de conclusie komen dat de uitgangspunten waarop het bedrijfsplan was gebaseerd, niet realistisch waren, en dat het gedrag van Friulia niet overeenkwam met dat van een rationele particuliere investeerder.
51. Alleen al op basis van deze gegevens kan worden verondersteld dat een rationele particuliere investeerder niet zou hebben besloten nogmaals in Seleco te investeren.
52. Tot slot: Seleco was een bedrijf dat in ernstige moeilijkheden verkeerde. Volgens de hierboven reeds aangehaalde communautaire kaderregeling is een financiële overheidsinterventie dan bijna altijd steunverlening.
53. Het argument van de Italiaanse regering, namelijk dat ook particuliere partijen hebben deelgenomen aan de twee steunoperaties in 1994 en 1996, doet niet af aan het feit dat hier sprake was van steun. Hierboven is al aangegeven dat ex ante geen enkele particuliere investeerder kapitaal in de onderneming zou steken. Aannemelijk is namelijk dat deze particuliere investeerders pas hiertoe bereid waren, nadat de overheid had besloten tot nieuwe steunmaatregelen. Het feit dat dan tevens particuliere investeerders bereid zijn om mee te doen, is dan niet meer relevant. De vraag is veeleer wat een particuliere investeerder zou hebben gedaan, indien REL en Friulia niet bereid zouden zijn geweest tot nieuwe financiële injecties. Het antwoord luidt ontkennend, hetgeen ik bevestigd zie in het aanvankelijke besluit om niet tot herkapitalisatie over te gaan, maar om te liquideren. Het argument van de Italiaanse regering ziet op het moment nadat de Italiaanse overheid al had bekendgemaakt financiële steun te willen geven. De volgorde der feiten ligt echter anders.
54. Ten overvloede merk ik nog op dat uit de betrokkenheid van particuliere financiers bij een financieringsoperatie van een bedrijf dat evident in moeilijkheden verkeert, niet zonder meer mag worden afgeleid dat de betrokken publieke instelling heeft gehandeld volgens de maatstaven van een particuliere investeerder.
55. De stelling van de Italiaanse regering dat de Commissie voor publieke en particuliere investeerders met twee maten zou meten is mijns inziens onhoudbaar. De Commissie heeft de leningen van de betrokken particuliere en overheidsbanken terecht niet als steun aangemerkt, omdat deze daartoe pas besloten, nadat de betrokken Italiaanse overheden al het initiatief tot een reddingsoperatie hadden genomen. Dat gaf hun alsnog een kans hun vorderingen, die zij bij onmiddellijke liquidatie zonder meer hadden verloren, vooralsnog veilig te stellen. De overheidsbanken en de betrokken particuliere banken hebben overigens de aanvullende leningen onder dezelfde voorwaarden verstrekt.
56. Het argument van de Italiaanse regering doelt op het verschil in waardering tussen de als steunverlening aangemerkte lening die Friulia in 1996 heeft verstrekt en de niet als zodanig aangemerkte leningen van de banken. Dat verschil in waardering wordt mijns inziens gerechtvaardigd door het gegeven dat Friulia op dat moment nog geen vorderingen op Seleco had uitstaan, en dat derhalve door het verschaffen van deze lening aan Seleco zij een uiterst riskante stap nam, terwijl de banken, die reeds in een kwetsbare positie verkeerden, konden hopen dat zij door een additionele lening te verstrekken, nog iets van hun vorderingen zouden terugzien. Terwijl het gedrag van de banken is te verklaren uit de wens hun belangen zo veel mogelijk te redden, kan dat niet van Friulia worden gezegd. Friulia wist in 1996, naar de Commissie terecht opmerkt, dat gezien de penibele situatie van Seleco haar converteerbare lening van 12 miljard ITL nooit een aanvaardbaar rendement zou halen. Voorts was zij ervan op de hoogte dat vlak daarvóór de meest rendabele activiteiten van Seleco naar Multimedia waren overgeheveld. Het feit dat zij aanvankelijk als aandeelhouders van Seleco hadden besloten tot liquidatie, en zij dit besluit uiteindelijk, vermoedelijk onder druk van de Italiaanse overheid, hebben teruggedraaid, pleit niet voor een marktconforme gedraging die van particuliere investeerders wordt verwacht.
57. Onder deze omstandigheden heeft de Commissie kunnen concluderen dat de betreffende overheidsmaatregelen niet te kwalificeren zijn als het gedrag van een normale particuliere investeerder en dat er derhalve sprake is van staatssteun. De Commissie heeft ook genoegzaam aangetoond ─ overigens hier niet in het geding ─ dat in casu de steun niet verenigbaar was met de gemeenschappelijke markt, aangezien niet aan de voorwaarden was voldaan van de communautaire kaderregeling voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden en mitsdien niet aan artikel 87, lid 3, EG.
B ─ Het subsidiaire verzoek van de Italiaanse regering (zaak C-328/99)
58. De Italiaanse regering heeft subsidiair gevorderd dat deel van de bestreden beschikking te vernietigen dat betrekking heeft op de steunverlening door REL in 1996.Zij wijst erop dat de aan REL opgelegde verplichting om de 20 miljard ITL terug te storten, die zij in ruil voor het opgeven van haar vordering van 65,2 miljard ITL had ontvangen, en alsnog haar volledige vordering in te dienen, niet zinvol is. Een dergelijke volledige terugvordering zou geen enkel redelijk belang dienen.
59. Hierover kan ik kort zijn. Nu vaststaat dat de steun die bestaat uit het grotendeels opgeven van haar resterende vorderingen van REL op Seleco onrechtmatig is verleend, dient deze ongedaan te worden gemaakt. Naar vaste rechtspraak (12) is de ongedaanmaking van onwettige steun een logisch gevolg van de vaststelling dat zij onwettig is. Er is geen reden van dit principe af te wijken in een faillissementsprocedure, waarin de belangen van de betrokken partijen mogelijk wat anders zijn komen te liggen.
C ─ Het meer subsidiaire verzoek van de Italiaanse regering (zaak C-328/99) en het verzoek van SIM 2 Multimedia (zaak C-399/00)
60. In dit deel van mijn conclusie zal ik, nadat ik kort de argumenten van partijen heb weergegeven, eerst ingaan op de vraag of een terugvordering uitgebreid kan worden tot de onderneming die de activiteiten van de oorspronkelijk begunstigde onderneming heeft voortgezet. Vervolgens zal ik ingaan op de vraag of SIM 2 Multimedia kan worden gezien als rechtsopvolger van Seleco Multimedia/Seleco om ten slotte nog in te gaan op de overige, vooral procedurele aspecten.Terugvordering bij Multimedia
61. SIM 2 Multimedia en de Italiaanse regering beweren dat zij in hun rechten van verdediging zijn geschonden, aangezien de Commissie in de administratieve procedure nooit heeft laten blijken van de mogelijkheid tot terugvordering bij Multimedia. De discussies tussen de Commissie en de Italiaanse autoriteiten hadden enkel betrekking op de participaties van Italtel en Friulia in Multimedia. Derhalve heeft Multimedia nooit kunnen voorzien dat zij mogelijk de adressaat zou kunnen zijn van een terugvordering van de aan Seleco verleende steun. Bovendien, als hierover een discussie op tegenspraak zou hebben plaatsgevonden, hadden SIM 2 Multimedia en/of de Italiaanse regering onder andere kunnen aantonen dat de prijs die betaald is voor de multimedia-branche van Seleco marktconform is.
62. Voorts betoogt SIM 2 Multimedia dat de Commissie niet heeft bewezen dat de afgescheiden activiteiten die waren ondergebracht in Seleco Multimedia van de steun hebben geprofiteerd. Een hoofdelijke aansprakelijkheid van Seleco en Seleco Multimedia zou zelfs tegen de geest van de artikelen 87 EG en 88 EG ingaan, gegeven het feit dat de terugbetaling van een onwettige steunmaatregel geen sanctie maar een privaatrechtelijke schuld is. Het zou zelfs onmogelijk zijn dat zij van de transacties die in 1996 hebben plaatsgevonden, heeft geprofiteerd, gezien het feit dat de vennootschap Multimedia al was opgericht voor de datum van de herkapitalisatie in 1996. Een in 1995 uitgewerkt herstructureringsplan, Herstructureringsplan september 1995 ─ ten behoeve van de multimedia-activiteiten ─ zou kunnen hebben aantonen dat de multimedia-branche niet heeft geprofiteerd van de steun van 1994. Voorts onderstreept SIM 2 Multimedia dat Seleco Multimedia niet kan worden gezien als een filiaal van Seleco, maar meer als een project, in een nieuw marktsegment, dat tezamen met andere marktpartijen is ontwikkeld. In dat kader heeft SIM 2 Multimedia in haar repliek toegelicht dat Seleco aanvang 1995 een nieuw industrieel plan had uitgewerkt ─ met als doel het herstel van de onderneming ─ dat erin voorzag haar activiteiten op het gebied van televisies te concentreren en de multimedia-activiteiten daarvan te scheiden door het oprichten van een zelfstandige onderneming in samenwerking met andere partners. Een onderzoek naar nieuwe investeerders zou geleid hebben tot een intentieverklaring de dato 12 december 1995 met Italtel, om deze later uit te breiden tot Friulia. In deze context heeft een buitengewone vergadering van Seleco Multimedia besloten het kapitaal van de onderneming te verhogen tot 30 miljard ITL. Op 13 februari 1996 heeft de Raad van Bestuur van Seleco besloten op deze kapitaalverhoging in te schrijven door haar multimedia-branche over te dragen. Ingevolge de afspraken die betrokken partners hadden gemaakt over de verdeling van het aandeelhouderschap, hebben Italtel en Friulia ieder een derde van de aandelen Seleco Multimedia gekocht, terwijl het andere deel door een door Seleco gecontroleerde vennootschap werd overgenomen. In het kader van deze operaties is Seleco Multimedia verzelfstandigd tot een aandelenvennootschap. Na het faillissement van Seleco heeft deze onderneming haar huidige naam gekregen, te weten SIM 2 Multimedia.
63. In de derde plaats benadrukt SIM 2 Multimedia dat er een marktconforme prijs betaald is voor de multimedia-branche, te weten 23,415 miljard ITL, en dat deze prijs door een onafhankelijke deskundige is vastgesteld. Zelfs al zou de multimedia-branche van de in het geding zijnde steun hebben geprofiteerd, dan zou zich dat vertaald hebben in de prijs voor de aandelen Multimedia en zo weer bij Seleco zijn teruggekomen.
64. Tot slot merkt SIM 2 Multimedia op dat de terugvorderingsmaatregel disproportioneel is, aangezien zij het totale bedrag van de ontvangen steun moet terug betalen, terwijl de multimedia-branche minder dan 10 % van de activiteiten van de Seleco-groep uitmaakt.
65. Met betrekking tot de vraag of de multimedia-branche van de steun heeft genoten, heeft de Commissie aangevoerd dat deze branche tot ten minste 18 juli 1996 integraal deel heeft uitgemaakt van het Seleco-concern. Zij staaft dit door te verwijzen naar een brief van betrokken partijen van 28 juni 1996 aan de Italiaanse mededingingsautoriteit waarin vermeld wordt dat Seleco Multimedia ─ op dat tijdstip nog ─ deel uitmaakte van Seleco, en volledig onder haar zeggenschap stond. Tevens verwijst de Commissie naar het arrest Boch 4II (arrest van 10 juli 1986, België/Commissie, 40/85, aangehaald in voetnoot 7), waarin het Hof heeft uitgemaakt dat het van geen belang is dat een onderneming uit twee afdelingen bestond, waarvan er een betere exploitatieresultaten behaalde dan de andere en zelfs een bescheiden winst boekte in het jaar waarin de litigieuze kapitaalinbreng plaatsvond. Beide afdelingen maakten deel uit van dezelfde onderneming, en de aard van de litigieuze inbreng moet tegen de achtergrond van deze ene onderneming worden beoordeeld.
66. De Commissie wijst erop dat het Herstructureringsplan september 1995 haar nooit tijdens de formele procedure is overgelegd, zodat de ontvankelijkheid daarvan betwist kan worden. Inhoudelijk is de Commissie van mening dat dit plan ook niet voldoet aan de vereisten die aan een herstructureringsplan gesteld kunnen worden en het geen maatregelen bevat waardoor in de toekomst een rendabel beleid kan worden gewaarborgd.
67. De Commissie wijst erop dat de belangrijkste activa van Seleco zijn overgedragen aan Seleco Multimedia en dat deze geprofiteerd hebben van de steun uit 1994 en 1996 en dat deze activa zijn overgedragen met alle schulden en schuldvorderingen. Hoewel formeel gesproken de steun aan Seleco is verleend, heeft feitelijk het geheel van het bedrijfsvermogen van de onderneming hiervan voordeel gehad. Door haar meest rendabele activiteiten (decoders, monitoren en videoprojectoren) in het kader van een hergroepering in te brengen in Multimedia, heeft Seleco zich zowel van kapitaal als activa ontdaan. Deze branche functioneerde namelijk goed en beschikte over opmerkelijke rendementsperspectieven.Ermee rekening houdend dat in het filiaal Seleco Multimedia de belangrijkste bedrijfsactiva van de onderneming waren ondergebracht met alle dankzij de steunverlening verkregen voordelen, moet zeker ook deze vennootschap rechtens kunnen instaan voor de moedermaatschappij Seleco.
68. Deze inbreng vond plaats tijdens de formele onderzoeksprocedure en voor het afsluiten daarvan. Indien men toestaat dat een onderneming in moeilijkheden die op het punt van faillissement staat tijdens de formele onderzoeksprocedure een filiaal creëert, teneinde daarin vervolgens, voor het einde van die procedure, haar meest rendabele activiteiten in te brengen, komt dat neer op de mogelijkheid dat elke onderneming activa aan het vermogen van de moedermaatschappij kan onttrekken op het moment van terugvordering van steun.
69. De ontmanteling van een onderneming middels de verkoop van activa ontneemt tevens aan schuldeisers en/of concurrenten de mogelijkheid om de betrokken productiemiddelen liquide te maken of deze te verwerven teneinde ze op een efficiëntere wijze in te zetten. Derhalve kan men niet toestaan dat een onderneming die gehouden is de ten onrechte ontvangen steun terug te betalen, een deel van de activa aan zijn eigen industrieel vermogen onttrekt om deze in te brengen in een tot dezelfde groep behorend filiaal.
70. Voorts veronderstelt de Commissie dat de overdrachtsprijs voor de multimedia-branche door de omstandigheden zijn beïnvloed en gedicteerd. Met andere woorden, in de vaststelling van de verkoopprijs en de waarde van de betreffende activa zullen partijen zeker niet onkundig zijn geweest van de risico’s eigen aan een procedure op basis van artikel 88, lid 2, EG, en dan met name de verplichting om, op termijn, de als onrechtmatig aangemerkte steun terug te moeten betalen. Dit was een bekende en niet te verwaarlozen mogelijkheid, waarvan partijen ook wisten, gezien het feit dat het openen van de onderzoeksprocedure was medegedeeld in het Publicatieblad (PB 1994, C 373, blz. 5) en Seleco hiervan al eerder op de hoogte was.
71. Hoe dan ook, de Commissie wijst erop dat de hoogte van de verkoopprijs niet ter zake doende is, aangezien het om een aandelentransactie gaat.
72. Wat betreft de gepretendeerde disproportionaliteit tussen de terugvordering en de dimensie van de multimedia-branche, beweert de Commissie dat het technisch onmogelijk is om door middel van een gedetailleerde analyse te becijferen en te identificeren in welke mate de verschillende activiteiten van een onderneming met een unitaire structuur en met één gezamenlijke leiding van ten onrechte gegeven steun hebben geprofiteerd. Men moet hierbij het risico van ontoelaatbare vertraging van het administratieve werk van de Commissie niet onderschatten aangezien deze niet beschikt over onderzoeksbevoegdheden vis-à-vis ondernemingen om de noodzakelijke documenten te verkrijgen.
73. Voor wat betreft de beweerde schending van het recht van verdediging, merkt de Commissie in de eerste plaats op dat noch de nationale autoriteiten, noch de betrokken ondernemingen hun verplichting tot een loyale medewerking hebben vervuld. In de tweede plaats is de Commissie van mening dat Multimedia, die op economisch en organisatorisch vlak zich vereenzelvigde met Seleco, niet onkundig ervan kon zijn dat zij ook aan een eventuele verplichting tot terugbetaling blootgesteld kon worden. Ten derde onderstreept de Commissie dat Multimedia direct genoemd was in de in 1998 gepubliceerde mededeling aangaande de uitbreiding van het onderzoek tegenover haar. Tot slot merkt de Commissie op dat een schending van de rechten van de verdediging enkel de vernietiging tot gevolg kan hebben als, bij afwezigheid van deze onregelmatigheid, de procedure tot een andere uitkomst zou hebben geleid.Beoordeling
74. Het is vaste rechtspraak dat de terugvordering van de onrechtmatige steun van de begunstigde onderneming ertoe strekt de status quo ex ante te herstellen. (13) Dit doel is bereikt zodra de betrokken steun, vermeerderd met rente, door de begunstigde is terugbetaald. Door deze terugbetaling verliest de begunstigde immers het voordeel dat hij op de markt ten opzichte van zijn concurrenten genoot en wordt de toestand van vóór de steunverlening hersteld. (14)
75. Dit doel, herstel van de situatie ex ante, zou echter gefrustreerd kunnen worden als een begunstigde onderneming hangende de administratieve procedure, waarvan een negatieve uitkomst wordt verwacht, of na het doen van de negatieve uitspraak de meest rendabele vermogensbestanddelen van deze onderneming in veiligheid brengt.
76. De vraag die zich dan stelt is of, en zo ja, bij wie de steun kan worden teruggevorderd ingeval de onderneming is vervreemd. Er kunnen zich verschillende situaties voordoen.
77. Betreft het een aandelentransactie dan is het antwoord betrekkelijk eenvoudig. Immers, uit de rechtspraak blijkt dat in het geval van verkoop van aandelen de terugvorderingsactie de onderneming volgt. Met andere woorden, de steun moet worden teruggevorderd bij de onderneming die de steun werkelijk heeft ontvangen. (15) Wie de aandelen bezit speelt hierbij geen rol. Het voortbestaan van het terugvorderingsrecht, ook bij verkoop van aandelen, is logisch, aangezien dezelfde onderneming slechts met nieuwe aandeelhouders haar met staatssteun gefinancierde activiteiten op de markt voortzet en voordeel heeft genoten van de onrechtmatige steun, zodat ook de concurrentievoorwaarden vervalst blijven.
78. Bij de verkoop via een activa-(passiva) transactie van de onderneming, of een deel daarvan, geldt naar mijn mening het volgende.
79. Betreft het een groep van rechtspersonen (holding) die samen een economische eenheid, dus één onderneming, vormen, dan geldt dat de genoten steun, zowel in de opgaande als de neergaande lijn van de moeder-dochterverhoudingen tussen de betrokken vennootschappen binnen deze economische eenheid verhaald kunnen worden, en niet enkel bij de begunstigde entiteit binnen de groep. Een binnen die economische eenheid plaatsvindende herstructurering is in dat opzicht niet ter zake doende. (16) Terzijde wil ik nog opmerken dat als in het kader van een herstructurering een deel van de economische activiteit als going concern in een nieuwe juridische entiteit wordt geplaatst en die vervolgens juridisch en functioneel buiten de oorspronkelijke eenheid wordt geplaatst, dan blijft naar mijn mening deze nieuwe onderneming onder bepaalde randvoorwaarden eveneens begunstigde, met name indien het aannemelijk is dat de door haar gevoerde activiteiten voordien van de steun hebben geprofiteerd. Ware dit anders dan zou het nuttige effect van steuntoezicht en de terugvordering van onwettig genoten staatssteun gemakkelijk te ontduiken zijn door (hangende een lopende onderzoeksprocedure of afsluiting daarvan) een intra-concern herstructurering te doen plaats vinden.
80. Tot slot kan zich ook nog de situatie voordoen dat het geheel of een deel van de begunstigde onderneming wordt vervreemd aan buiten de holding staande derden.
81. Recente rechtspraak heeft vastgesteld dat in beginsel geldt dat als een onderneming die voorheen staatssteun heeft genoten wordt verkocht tegen de marktprijs, de verkoopprijs de gevolgen van de eerder genoten steun zal weerspiegelen, en dat dus de verkoper van deze onderneming het voordeel van die steun blijft houden. In een dergelijk geval dient deze in eerste instantie de eerdere toestand door terugbetaling te herstellen. (17) Eerdere rechtspraak heeft dit al uitgemaakt voor het geval dat alleen specifieke activa worden overgenomen, mits de betaalde prijs marktconform is. (18)
82. Er kunnen zich echter situaties voordoen waarin naar mijn mening, afhankelijk van de omstandigheden, ook de kopende partij kan worden aangesproken om de genoten steun terug te betalen. Dit kan zich voordoen als de vervreemding plaatsvindt hangende de formele onderzoeksprocedure. Betreft het de overdracht van de onderneming als going concern dan zullen normaliter de activa en passiva worden overgenomen en moet de nieuwe eigenaar van deze onderneming instaan voor de overgenomen schulden en verplichtingen. In een dergelijk geval kan een verplichting tot terugbetaling ontstaan voor onrechtmatige of met de gemeenschappelijke markt onverenigbare steun die voordien aan de overgenomen onderneming is toegekend. Indien met de overgenomen activa de activiteiten van de oorspronkelijk begunstigde onderneming worden voortgezet, pleit er veel voor om hier eveneens een economisch criterium te hanteren en aansluiting te zoeken bij de entiteit die de economische activiteiten voortzet. Immers, ook hier geldt dat met publieke middelen gesubsidieerde activiteiten, met alle gevolgen van dien, in stand blijven. Dit geldt met name indien de opbrengst van de verzelfstandiging vloeit naar de onderneming waarvan het waarschijnlijk is dat zij op korte termijn failliet zal gaan. In zo'n situatie zal de verkoopprijs door dat vooruitzicht worden beïnvloed, en blijft althans een deel van de voordelen van de steunoperatie behouden voor de verzelfstandigde onderneming, terwijl de vervreemdende eigenaar daaruit niet een corresponderende en naar alle waarschijnlijkheid blijvend voordeel geniet. Andere contextuele omstandigheden, zoals het moment waarop een dergelijke transactie plaatsvindt, bijvoorbeeld al dan niet in de loop van een onderzoek, de identiteit van de daarbij betrokken partijen en het voorwerp van de transactie, kunnen daarbij ook een rol spelen.
83. Keren wij terug naar het onderhavige geval dan blijkt dat Seleco, althans haar belangrijkste aandeelhouder, eerst (in juli 1995) een juridisch vehikel heeft opgericht. Vervolgens brengt Seleco, die inmiddels 100 % aandeelhouder is geworden, in dat vehikel haar belangrijkste winstgevende activiteiten onder (februari/maart 1996). De verlieslatende activiteiten worden elders binnen het concern ondergebracht. Een en ander vindt plaats nog steeds binnen het concern Seleco. Ten slotte worden enkele maanden daarna, juli 1996, twee aandelenpakketten verkocht, één aan Friulia (tevens aandeelhouder in Seleco) en één aan Italtel. Het derde pakket bleef via een door Seleco gecontroleerde dochtervennootschap in handen van Seleco. Deze tweede transactie betreft een aandelentransactie waarbij Seleco Multimedia wordt losgemaakt van het concern Seleco.Uit deze feitelijke constellatie valt af te leiden dat Seleco in het vooruitzicht van een welhaast zeker lijdend faillissement de renderende activiteiten gesepareerd heeft van de verlieslatende activiteiten, met andere woorden een zogenoemde sterfhuisconstructie heeft toegepast.
84. Er vond dus eerst een herstructurering plaats binnen het concern, waarbij de gezonde delen in een aparte juridische entiteit werden gebracht. De Commissie heeft mijns inziens voldoende aannemelijk gemaakt dat het hier om een overdracht van activa en activiteiten binnen eenzelfde groep ging. Dezelfde activiteiten werden voortgezet op dezelfde productielocatie en met inzet van dezelfde productiemiddelen, manskracht en management.Hierbij zij opgemerkt dat, anders dan in het communautaire mededingingsrecht waar juridisch zelfstandige natuurlijke of rechtspersonen die een economische eenheid vormen als één enkele onderneming worden behandeld, dat niet automatisch het geval is bij staatssteun. Deze vraag, namelijk of sprake is van een economische eenheid, rijst op het gebied van staatssteun, onder meer voor het bepalen van de begunstigde van de steun. De Commissie beschikt bij het bepalen of vennootschappen die deel uitmaken van een holding, als een economische eenheid dan wel als juridisch en financieel zelfstandige ondernemingen moeten worden aangemerkt echter over een ruime beoordelingsvrijheid. In het onderhavige geval heeft de Commissie voldoende aannemelijk gemaakt dat ook na de inbreng van de activiteiten in een aparte vennootschap nog steeds sprake was van één onderneming, zodat ook deze vennootschap in principe tot de kring van begunstigde behoort. Zelfs al zou de conclusie anders luiden, dan gaat in dit geval hetgeen ik gesteld heb onder punt 79 hier naar mijn mening op.
85. Vervolgens vond kort daarna een tweede transactie plaats, namelijk een aandelentransactie. Op dat moment ging de zeggenschap over op de nieuwe aandeelhouders.
86. Gezien de aard van deze transacties (overdracht van activa en activiteiten als going concern en de daaropvolgende aandelentransactie van deze onderneming) en de omstandigheid waaronder zij plaatsvond, acht ik het in lijn met de rechtspraak dat SIM 2 Multimedia de genoten steun moet terugbetalen. Ik wijs hier op de eerder aangehaalde rechtspraak waarbij steunverlening binnen een groep terug te vorderen is bij de gehele groep en dat de verkoop van aandelen geen invloed heeft op de genoten steun van de onderneming als zodanig. Van belang in deze zaak is dat sprake is van een ononderbroken voortgezette activiteit en dat beide transacties plaatsvonden op het moment dat er een formele procedure ex artikel 88, lid 2, EG naar de steunverlening aan het Seleco-concern als geheel liep.
87. De Italiaanse regering en SIM 2 Multimedia hebben gewezen op het arrest Alfa Romeo. (19) Hier ging het eveneens om een overdracht aan derden, waarbij de overdrachtsprijs bepaald was door een onafhankelijke deskundige en het een afsplitsing van een klein deel van de onderneming betrof. In die zaak werd niet bij de koper maar de verkopende partij de steun teruggevorderd. De parallel met deze zaak gaat echter niet op. Weliswaar bepaalde het Hof hier dat Finmeccanica, als holding waarvan de onderneming Alfa Romeo ten tijde van de betwiste feiten deel uitmaakte, als begunstigde van de betwiste steun moest worden beschouwd en dus uit dien hoofde verplicht was de steun terug te betalen, maar de omstandigheden waaronder deze transactie plaatsvond lagen anders. Ten eerste vond deze transactie plaats ver voordat de Commissie een procedure opende, zodat het aspect van een omzeiling van de terugvordering hier niet speelde. Ten tweede heeft het verkoopproces zich geheel op transparante wijze afgespeeld en is er een redelijke prijs betaald voor de overgenomen activa. De verkoop van Alfa Romeo had voldoende inkomsten gegenereerd om de schuld ten gevolge van de onrechtmatige steun te voldoen. Bovendien werden in deze zaak slechts bepaalde activa overgenomen, terwijl de overige activa en passiva verbleven bij Finmeccanica.
88. Ik ben derhalve van mening dat onder bepaalde omstandigheden bij de overnemende partij de steun kan worden teruggevorderd, met name is dat het geval als via de creatie van een sterfhuisconstructie tijdens of kort na het openen c.q. afsluiten van de onderzoeksprocedure ex artikel 88, lid 2, EG de meest rendabele delen van de onderneming eruit worden gelicht om deze vervolgens te vervreemden.
89. In casu heeft de Commissie voldoende aannemelijk gemaakt dat hiervan sprake is.Rechten van de verdediging
90. Partijen zijn van mening dat zij in hun rechten van verdediging zijn geschonden, omdat zij niet gehoord zijn, omdat de Commissie niet bewezen heeft dat Multimedia daadwerkelijk van de steun heeft genoten en omdat de terugvordering disproportioneel zou zijn.
91. Het is vaste rechtspraak dat het recht op verweer een essentieel onderdeel uitmaakt in staatssteunprocedures. (20) Dit recht komt primair toe aan de lidstaat, aangezien het om een procedure gaat tussen de Commissie en de lidstaat. Dat neemt niet weg dat geen rekening gehouden moet worden met de overige belanghebbenden. Artikel 88, lid 2, EG bepaalt dat de Commissie een beschikking neemt na de belanghebbenden te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken. Volgens vaste rechtspraak volstaat een bekendmaking in het Publicatieblad. (21) Ik ben het derhalve niet eens met het door SIM 2 Multimedia gevoerde verweer dat haar rechten zijn geschonden. Zij heeft de gelegenheid gehad te worden gehoord. Ten eerste hadden zij dat kunnen doen naar aanleiding van de mededelingen in het Publicatieblad. Zij behoorde immers tot de kring van belanghebbenden. Ten tweede hadden zij uit eigen beweging stukken kunnen indienen of opmerkingen kunnen maken, hetgeen de Commissie had kunnen helpen bij haar uiteindelijke oordeelsvorming. Van geen van de mogelijkheden heeft zij gebruik gemaakt.
92. Het betoog van SIM 2 Multimedia dat de Commissie haar een afschrift van de beschikking tot het uitbreiden van het onderzoek had moeten sturen gaat niet op. Zij wijst hier onder andere op de procedurevoorschriften die gelden in het communautaire mededingingsrecht, waar partijen hun standpunt naar aanleiding van de punten van bezwaar naar voren kunnen brengen. De procedure van artikel 88, lid 2, EG bepaalt, zoals hierboven reeds aangegeven, dat de Commissie ter zake van steunmaatregelen een beslissing neemt na de belanghebbenden te hebben aangemaand hun opmerkingen in te dienen. Artikel 88, lid 2, vereist geen tot particulieren gerichte aanmaning. Een mededeling in het Publicatieblad volstaat om alle belanghebbenden op de hoogte te brengen van het feit dat de procedure is ingeleid. Verordening van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (22) nr. 659/1999 EG heeft hierin geen wijziging gebracht. Weliswaar bepaalt artikel 20 van deze verordening dat elke ontvanger van individuele steun (of elke belanghebbende die opmerkingen heeft ingediend) een afschrift krijgt van de door de Commissie genomen beschikking, maar dat heeft betrekking op de finale beschikking ( overeenkomstig artikel 7 gegeven beschikkingen) en niet op de beschikking tot inleiding van de procedure. De opvatting van SIM 2 Multimedia, namelijk dat de Commissie haar afzonderlijk op de hoogte had moeten brengen, deel ik derhalve niet.
93. Het argument dat zij niet had kunnen voorzien dat zij mogelijk de steun zou moeten terugbetalen, gaat niet op. Het is een bekend feit dat steun die als onrechtmatig of als onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt aangemerkt, teruggevorderd kan worden. Voorts waren alle partijen ervan op de hoogte dat er een formele onderzoeksprocedure liep naar de steun die in 1994 aan Seleco was verleend. Dit geldt niet alleen voor de lidstaat Italië, maar ook voor de begunstigde onderneming van de steun, Seleco, later Seleco Multimedia (onderdeel van het Seleco-concern) en uiteindelijk SIM 2 Multimedia, en voor de aandeelhouders in SIM 2 Multimedia, Friulia (tevens aandeelhouder in Seleco) en Italtel. Voorzover Italtel al niet op de hoogte was bij aanvang, mag zeker verondersteld zijn dat zij hierover tijdens de besprekingen aangaande het samenwerkingsverband hiervan op de hoogte is gebracht, dan wel dat dit tijdens het due-diligence-onderzoek, eigen aan dergelijke transacties, naar voren was gekomen. Elke partij had dus rekening kunnen houden met een mogelijke claim. Dit onderzoek is in 1998 uitgebreid tot de steunverlening aan Seleco in 1996. Ook hiervan is mededeling gedaan in het Publicatieblad, waarbij er nog eens expliciet op gewezen is dat alle onrechtmatige steun van de begunstigde onderneming kan worden teruggevorderd. In elk geval heeft geen van betrokkenen, noch in 1994, noch in 1998, noch uit eigen beweging opmerkingen ingediend of contact met de diensten van de Commissie opgenomen.
94. Tot slot, zoals ook opgemerkt door de Commissie, geldt dat een eventuele schending van de rechten van de verdediging slechts tot nietigverklaring kan leiden, indien de procedure zonder die onregelmatigheid een ander verloop had kunnen hebben. De door SIM 2 Multimedia ingediende en toegelichte stukken kunnen niet tot het oordeel leiden dat hierdoor de uitkomst een andere zou zijn geweest.
95. Ik stel derhalve vast dat het middel ontleend aan schending van de rechten van de verdediging ongegrond is.Met betrekking tot de proportionaliteit
96. SIM 2 Multimedia heeft ten eerste betoogd dat de Commissie niet heeft bewezen dat zij van de steun heeft genoten en ten tweede, dat zelfs dan het ongerechtvaardigd is dat zij alle door Seleco genoten steun zou moeten terugbetalen.
97. Mijns inziens heeft de Commissie voldoende aannemelijk gemaakt dat de multimedia-activiteiten hebben geprofiteerd van de steunoperaties. Ten eerste, zoals ook door de Commissie opgemerkt, heeft Seleco Multimedia tot ten minste 18 juli 1996 deel uitgemaakt van Seleco. Zij heeft dus tot die tijd ten volle meegeprofiteerd van de aan Seleco toegekende steun. Mogelijk kan zelfs gezegd worden dat zij haar bestaan zelfs aan de steun te danken heeft, omdat zij zonder de herkapitalisatie in 1994 mee in liquidatie was gegaan. Dat de cijfers van deze divisie een beter beeld vertonen doet daar niet aan af. Ook het betoog van SIM 2 Multimedia dat zij geen begunstigde van de steun uit 1996 is, aangezien de converteerbare lening in mei 1996 en de herkapitalisatie in juni 1996 heeft plaatsgevonden, gaat niet op. Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, en door SIM 2 Multimedia niet is weersproken, gaat het bij deze steunoperatie om het dekken van de verliezen die in 1994 en 1995 waren geboekt, dus om steun achteraf voor een moment dat Seleco haar multimedia-activiteiten nog niet had verzelfstandigd, en bijvoorbeeld niet om steun voor de toekomst, zoals bijvoorbeeld bij investeringssteun het geval kan zijn.
98. SIM 2 Multimedia heeft gesteld dat zij het disproportioneel acht, indien zij de gehele steun zou moeten terugbetalen, aangezien de multimedia-branche slechts 10 % van de totale omzet zou hebben gegenereerd.
99. Zoals al eerder uiteengezet gaat het hier in wezen om een sterfhuisconstructie waarbij de meest levensvatbare delen en de niet-levensvatbare delen zijn gesplitst, om vervolgens enige tijd daarna het niet-levensvatbare deel ter ziele te laten gaan. In een dergelijke situatie mag worden aangenomen dat niet alleen de activa, maar ook de bedrijfsactiviteiten van het gezonde deel zijn overgedragen. De Commissie heeft dit ook voldoende aannemelijk gemaakt. In dat geval mag de Commissie verlangen dat de gehele steun bij deze onderneming wordt teruggevorderd.
100. Tot slot, het feit, zoals partijen betogen, dat zij voor de aandelen in deze onderneming een redelijke prijs hebben betaald, is niet ter zake doende, aangezien het om een aandelentransactie gaat en niet om een activa of activa-passiva transactie.Terugvorderingsverplichting van de lidstaat Italië
101. Tot slot wil ik nog ingaan op het verweer dat door de Italiaanse regering en SIM 2 Multimedia is gevoerd met betrekking tot de bevoegdheid van de Commissie om van Italië te verlangen dat zij de steun bij Seleco Multimedia of bij iedere andere onderneming waaraan de activa zijn overgedragen terug te vorderen. De Italiaanse regering heeft er ook op gewezen dat zij naar Italiaanse recht geen titel heeft om de bedragen, die niet in aanmerking zijn genomen in de verkoopvoorwaarden, te recupereren. Voorts zou het gaan om een privaatrechtelijke schuldvordering.
102. Uit het voorgaande volgt dat naar mijn mening onder bepaalde omstandigheden de terugbetaling niet beperkt blijft tot de oorspronkelijk begunstigde onderneming, maar kan worden uitgebreid tot de onderneming die met de overgedragen productiemiddelen de activiteiten voortzet. Hieruit vloeit voort dat de Commissie, teneinde te voorkomen dat de uitvoerbaarheid van haar terugvorderingsbeschikking in het gedrang komt, dan ook kan bepalen dat de lidstaat alle nodige maatregelen moet treffen om de steun bij de eerste ontvanger en desnoods bij de opvolger hiervan te verhalen. Anders gezegd, zij kan een lidstaat de instructie geven om niet alleen op te treden tegen Seleco, maar ook tegen die onderneming die met de overgenomen activa de activiteiten heeft voortgezet.
103. Vervolgens ligt op de lidstaat in kwestie de verplichting om onverwijld tot de terugvordering van de onrechtmatige steun over te gaan. Hierbij dient deze lidstaat gebruik te maken van alle mogelijke juridische middelen die haar ter beschikking staan. Dit volgt niet alleen uit de jurisprudentie, maar is thans ook gecodificeerd in verordening nr. 659/1999.Van een vermeende inbreuk op artikel 14 van verordening nr. 659/1999, zoals door SIM 2 Multimedia en Italië is gesteld, is dan ook geen sprake. De Commissie heeft enkel bepaald dat het bedrag moet worden teruggevorderd, dat bij een eventueel ontoereikend saldo van Seleco dit subsidiair teruggevorderd dient te worden bij Seleco Multimedia Srl (thans SIM 2 Multimedia) of iedere andere onderneming waaraan de activa zijn overgedragen, en dat (zie punten 113 en 115 van de bestreden beschikking) de lidstaat Italië zich voortvarend, als een oplettend particuliere schuldeiser, met alle mogelijke juridische middelen, hiervoor dient in te zetten.
104. Wat betreft de zijdens de Italiaanse regering gemaakte opmerking dat het op grond van het Italiaanse recht niet mogelijk zou zijn de bedragen bij SIM 2 Multimedia terug te vorderen, zij opgemerkt dat op grond van vaste rechtspraak geldt dat eventuele procesrechtelijke of andere moeilijkheden met betrekking tot de uitvoering van de beschikking deze de wettigheid van de beschikking niet beïnvloeden. (23) Voorts heeft het Hof reeds eerder uitgemaakt dat ook al kan naar Italiaans recht geen bedragen worden teruggevorderd die niet in aanmerking zijn genomen bij de voorwaarden waaronder de onderneming is verkocht, dit een volledige toepassing van het gemeenschapsrecht niet in de weg kan staan en derhalve geen invloed kan hebben op de verplichting om de betrokken steun terug te vorderen. (24)
V ─ Conclusie
105. Op grond van het bovenstaande geef ik het Hof in overweging de beroepen te verwerpen en verzoeksters, hoofdelijk, ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering in de proceskosten te veroordelen.
1 – Oorspronkelijke taal: Nederlands.
2 – PB L 227, blz. 24.
3 – PB 1994, C 368, blz. 12. Deze kaderregeling is inmiddels vervangen door een nieuwe mededeling gepubliceerd in PB 1999, C 288, blz. 2.
4 – Bulletin EG, nr. 9-1984.
5 – Aangehaald in voetnoot 3.
6 – Aangehaald in voetnoot 4, resp. 3.
7 – Zie onder andere arresten van 13 maart 1985, Nederland en Leeuwarder Papierfabriek/Commissie (296/82 en 318/82, Jurispr. blz. 809); 10 juli 1986, België/Commissie ( Meura) (234/84, Jurispr. blz. 2263); 10 juli 1986, België/Commissie ( Boch II) (40/85, Jurispr. blz. 2321), en 14 februari 1990, Frankrijk/Commissie ( Boussac) (C-301/87, Jurispr. blz. I-307).
8 – Arrest van 21 maart 1991, Italië/Commissie ( ENI-Lanerossi) (C-303/88, Jurispr. blz. I-1433, punt 20).
9 – Arrest van 21 maart 1991, Italië/Commissie ( Alfa Romeo) (C-305/89, Jurispr. blz. I-1603, punt 20).
10 – Zie zaak C-303/88, Italië/Commissie ( ENI-Lanerossi) (aangehaald in voetnoot 8, punten 21 en 22).
11 – Zie bijvoorbeeld arrest van 29 februari 1996, België/Commissie, (C-56/93, Jurispr. blz. I-723, punt 11) en de daar genoemde rechtspraak; arrest Gerecht van 12 december 1996, Air France/Commissie (T-358/94, Jurispr. blz. II-2109, punt 71), en arrest van 5 oktober 2000, Duitsland/Commissie (C-288/96, Jurispr. blz. I-8237, punt 26), en de daar vermelde jurisprudentie.
12 – Arresten van 24 februari 1987, Deufil/Commissie (310/85, Jurispr. blz. 901); 21 maart 1990, België/Commissie ( Tubemeuse) (C-142/87, Jurispr. blz. I-959, punt 66), en 14 januari 1997, Spanje/Commissie (C-169/95, Jurispr. blz. I-135, punt 47).
13 – Zie arresten van 14 september 1994, Spanje/Commissie (C-278/92, C-279/92 en C-280/92, Jurispr. blz. I-4103, punt 73), en 4 april 1995, Commissie/Italië (C-350/93, Jurispr. blz. I-699).
14 – Arrest van 4 april 1995, Commissie/Italië (C-350/93, aangehaald in voetnoot 13, punt 22).
15 – Arrest van 21 maart 1991, Italië/Commissie ( ENI-Lanerossi) (C-303/88, aangehaald in voetnoot 8, punt 57).
16 – Arresten van 14 november 1984, Intermills/Commissie (323/82, Jurispr. blz. 3809), en 21 maart 1999, Italië/Commissie ( ENI-Lanerossi) C-303/88, (aangehaald in voetnoot 8).
17 – Arrest van 20 september 2001, Banks (C-390/98, Jurispr. blz. I-6117, punt 78).
18 – Arrest van 21 maart 1991, Italië/Commissie ( Alfa Romeo) (C-305/89, aangehaald in voetnoot 9).
19 – Arrest van 21 maart 1991, Italië/Commissie ( Alfa Romeo) (C-305/89, aangehaald in voetnoot 9).
20 – Zie onder andere arresten van 14 februari 1990, Frankrijk/Commissie ( Boussac) (C-301/87, aangehaald in voetnoot 7); 10 juli 1986, België/Commissie ( Boch II) (40/85, aangehaald in voetnoot 7), en 11 november 1987, Frankrijk/Commissie (259/85, Jurispr. blz. 4393).
21 – Zie onder andere arrest van 14 november 1984, Intermills/Commissie (323/82, aangehaald in voetnoot 16, punten 16 en 17).
22 – PB L 83, blz. 1.
23 – Arrest van 21 maart 1990, België/Commissie ( Tubemeuse) (C-142/87, aangehaald in voetnoot 12).
24 – Arrest van 21 maart 1991, Italië/Commissie ( ENI-Lanerossi) (C-303/88, aangehaald in voetnoot 8).
Full & Egal Universal Law Academy