Conclusie van de advocaat generaal
1. Beschikking 98/653/EG van de Commissie van 18 november 1998 inzake spoedmaatregelen die noodzakelijk zijn geworden wegens het voorkomen van boviene spongiforme encefalopathie in Portugal, bepaalt in artikel 4:
Portugal draagt ervoor zorg dat van de onderstaande producten, voorzover die van in Portugal geslachte runderen zijn verkregen, tot 1 augustus 1999 vanaf zijn grondgebied geen verzending naar andere lidstaten of naar derde landen geschiedt:
a) vlees;
b) producten die in de voedselketen voor de mens respectievelijk in de voederketen voor het dier kunnen komen;
c) materiaal dat bestemd is voor gebruik in cosmetische of in medicinale producten of in medische hulpmiddelen."
2. Deze beschikking berust op het EG-Verdrag, op richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt, laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 92/118/EEG van de Raad van 17 december 1992, in het bijzonder op artikel 10, lid 4, ervan, alsmede op richtlijn 89/662/EEG van de Raad van 11 december 1989 inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt, laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 92/118, in het bijzonder op artikel 9 ervan.
3. In de considerans van beschikking 98/653 wordt met name erop gewezen:
- dat in de periode van 1 januari 1998 tot en met 14 oktober 1998 in Portugal 66 gevallen van boviene spongiforme encefalopathie (hierna: BSE") zijn voorgekomen, derhalve een BSE-incidentie voor de laatste twaalf maanden van 105,6 gevallen per miljoen dieren van meer dan twee jaar (tweede overweging van de considerans) en inzonderheid een sterke stijging van de BSE-incidentie sedert juni 1998 (derde overweging);
- dat het Voedsel- en Veterinair Bureau van de Commissie bij een inspectiebezoek van 28 september tot en met 2 oktober 1998 de bevindingen van de vorige inspecties heeft bevestigd, namelijk dat er ondanks een algemene verbetering van de situatie nog steeds bepaalde tekortkomingen bestonden bij het doen naleven van de maatregelen die ertoe dienen om de risicofactoren in de greep te krijgen (derde overweging).
4. Artikel 2 van de beschikking verbiedt eveneens de uitvoer naar andere lidstaten en naar derde landen van levende runderen en runderembryo's, en van vleesmeel, beendermeel en vleesbeendermeel afkomstig van zoogdieren.
5. Artikel 13 van de beschikking bepaalt met name dat Portugal een programma ten uitvoer dient te leggen om aan te tonen dat daadwerkelijk aan alle relevante communautaire wetgeving inzake identificatie en registratie van dieren, de melding van dierziekten en de epizoötiebewaking ten aanzien van overdraagbare spongiforme encefalopathie (hierna: TSE"), en aan alle andere communautaire regelgeving ter bescherming tegen BSE wordt voldaan. Portugal diende voorts een programma vast te stellen waarin wordt aangetoond dat daadwerkelijk wordt voldaan aan de beschikking en aan de relevante nationale maatregelen ter bescherming tegen BSE.
6. Ingevolge artikel 14 van de beschikking dient Portugal de Commissie om de vier weken een verslag te zenden over de toepassing van de maatregelen ter bescherming tegen TSE's overeenkomstig de communautaire en de nationale voorschriften, alsmede over de resultaten van de in artikel 13 van de beschikking bedoelde programma's.
7. Artikel 15 bepaalt eveneens:
De Commissie verricht in Portugal communautaire controles ter plaatse om:
a) de toepassing van de bepalingen van deze beschikking te verifiëren, met name wat de uitvoering van de officiële controles betreft;
b) de ontwikkeling van de incidentie van de ziekte en de daadwerkelijke toepassing van de relevante nationale maatregelen te onderzoeken en een risico-evaluatie uit te voeren waaruit moet blijken of de passende maatregelen zijn genomen om elk risico te ondervangen."
8. Artikel 16 luidt als volgt:
1. Deze beschikking wordt uiterlijk binnen achttien maanden nadat zij is gegeven, in afwachting van een algemeen onderzoek van de situatie, met name met het oog op de ontwikkeling van de incidentie van de ziekte en het daadwerkelijk doen naleven van de relevante maatregelen, en in het licht van nieuwe wetenschappelijke informatie opnieuw bezien.
2. [...]
3. Deze beschikking wordt, in voorkomend geval, aangepast na raadpleging van het geëigende wetenschappelijk comité, volgens de procedure van artikel 17 van richtlijn 89/662/EEG."
9. De Portugese Republiek heeft tegen beschikking 98/653 geen beroep tot nietigverklaring ingesteld.
10. Op 28 juli 1999 heeft de Commissie beschikking 1999/517/EG gegeven, houdende wijziging van beschikking 98/653 inzake spoedmaatregelen die noodzakelijk zijn geworden wegens het voorkomen van boviene spongiforme encefalopathie in Portugal.
11. Artikel 1, punt 2, van deze beschikking bepaalt:
In artikel 4 wordt ,tot 1 augustus 1999 vervangen door ,tot 1 februari 2000."
12. Tegen deze bepaling, die het verbod van artikel 4 van beschikking 98/653 met zes maanden verlengt, is het op 4 oktober 1999 door de Portugese Republiek ingestelde beroep tot nietigverklaring gericht, dat ik thans zal onderzoeken.
13. Ik wijs erop dat dit onderzoek plaatsvindt in het kader van een verstekprocedure.
14. Aangezien de Commissie namelijk niet binnen de gestelde termijn een verweerschrift heeft ingediend, heeft de Portugese Republiek met een beroep op artikel 38 van 's Hofs Statuut-EG en artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering het Hof verzocht haar conclusies toe te wijzen.
15. Alvorens daartoe over te gaan, dient het Hof echter op grond van artikel 94, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering eerst de ontvankelijkheid van het verzoekschrift te onderzoeken, alsmede of de vormvoorschriften behoorlijk in acht zijn genomen en of de conclusies van verzoekster gegrond voorkomen.
16. Derhalve kan ten aanzien van de verklaringen van verzoekster niet zonder meer het vermoeden gelden dat zij juist zijn.
17. In feite wordt de taak van de rechter door de verstekprocedure geenszins verlicht, maar eerder verzwaard, omdat nu verweerster de gegrondheid van de conclusies van verzoekster in het geheel niet heeft betwist, het alleen aan hem is om te onderzoeken welke tegenwerpingen tegen de in het beroep aangevoerde middelen kunnen worden ingebracht.
18. In casu worden in het verzoekschrift van de Portugese Republiek, dat ontvankelijk is, vier gronden voor nietigverklaring ontwikkeld. Betoogd wordt dat de beschikking feitelijk en rechtens ontoereikend is gemotiveerd, dat zij in strijd is met de diergezondheidscode van het Internationaal Bureau voor besmettelijke veeziekten (hierna: IOE"), dat bij de vaststelling ervan procedurele voorschriften en het beginsel van behoorlijk bestuur zijn geschonden, en ten slotte dat zij het evenredigheidsbeginsel schendt. Ik zal deze middelen achtereenvolgens en in de genoemde volgorde onderzoeken teneinde de gegrondheid ervan na te gaan.
Het eerste middel
19. In het eerste middel betoogt de Portugese regering dat spoedmaatregelen, zoals het verbod van artikel 4 van beschikking 98/653, uitzonderingen invoeren op het beginsel van het vrij verkeer van goederen en daarom slechts kunnen worden toegepast wanneer wordt aangetoond dat zij werkelijk noodzakelijk zijn.
20. Zij is van mening dat dit niet het geval was met de verlenging van het verbod met zes maanden krachtens beschikking 1999/517.
21. Daarbij dient rekening te worden gehouden met het feit dat de BSE-incidentie in Portugal in 1998 105,6 gevallen per miljoen dieren van meer dan twee jaar bedroeg, zodat Portugal daarmee volgens de criteria van het IOE in de categorie van landen met een lage BSE-incidentie viel, en met het feit dat de Portugese regering sindsdien maatregelen had genomen om BSE te voorkomen en uit te roeien.
22. In het verzoekschrift wordt eveneens verwezen naar de rapporten die zijn opgesteld na de verschillende inspectiebezoeken van het Voedsel- en Veterinair Bureau van de Gemeenschap, waaruit zou blijken dat de situatie, die in 1998 nog te wensen overliet, in 1999 zeer aanzienlijk was verbeterd, aangezien de in de communautaire voorschriften vastgestelde maatregelen voortvarend waren uitgevoerd en de door de deskundigen geformuleerde aanbevelingen naar behoren in acht waren genomen.
23. De Portugese regering betwist niet dat bij het laatste inspectiebezoek vóór de vaststelling van de bestreden beschikking, dat wil zeggen dat van 14 tot en met 18 juni 1999, gebleken is dat bepaalde verbeteringen nog moesten worden uitgevoerd, maar is van mening dat deze slechts betrekking hadden op details.
24. Tussen 1998 en 1999 was de situatie volledig veranderd, zodat, anders dan wellicht het geval was ten aanzien van beschikking 98/653, de verlenging van het verbod met zes maanden bij beschikking 1999/517 volstrekt ongerechtvaardigd was.
25. Ik merk terstond op dat dit betoog mij om diverse redenen niet overtuigt. Alvorens deze uiteen te zetten, wijs ik allereerst erop dat het in het kader van het onderhavige beroep niet gaat om een onderzoek van de gegrondheid van beschikking 98/653.
26. Die beschikking is destijds niet door de Portugese Republiek bestreden en thans moet ervan worden uitgegaan dat zij wettig is. De enige vraag die moet worden onderzocht is of de verlenging van het verbod met zes maanden krachtens beschikking 1999/517 feitelijk en rechtens gemotiveerd is.
27. Het betoog van de Portugese regering berust op een onjuist uitgangspunt. Zo wordt gesteld dat volgens de IOE-criteria Portugal zowel in 1998 als in 1999 een gebied met een lage BSE-incidentie was.
28. Baseert men zich evenwel op de door deze organisatie vastgestelde diergezondheidscode in zijn opeenvolgende versies, dan moet geconstateerd worden dat die code in 1998 nog geen definitie bevatte van regio's met een lage incidentie, evenmin trouwens van regio's met een hoge incidentie, omdat die definities toen nog onderwerp van studie waren. Die definities zijn eerst in de versie 1999 van deze code opgenomen.
29. Om een regio als regio met een lage incidentie te kunnen aanmerken, moet naast andere voorwaarden zijn voldaan aan de voorwaarde dat zich in de laatste twaalf maanden minder dan 100 BSE-gevallen per miljoen dieren van meer dan twee jaar hebben voorgedaan. Om een regio als regio met een hoge incidentie te kunnen aanmerken, moet onder meer het aantal BSE-gevallen voor de genoemde periode meer dan 100 per miljoen dieren van meer dan twee jaar bedragen.
30. Vaststaat derhalve dat Portugal noch in 1998, toen nog geen definitie bestond, noch in 1999, wegens een onbestreden aantal van 211 gevallen per miljoen dieren (zie de vijfde overweging van de considerans van de bestreden beschikking), als een regio met een lage incidentie kon worden aangemerkt.
31. Voorts wordt aangevoerd dat uit de rapporten met betrekking tot de inspectiebezoeken van 22 februari tot en met 3 maart 1999 en van 14 tot en met 18 juni van datzelfde jaar blijkt dat de situatie bevredigend was, behoudens enkele alsnog te regelen details.
32. Ofwel baseren de Commissie en de Portugese regering zich op verschillende rapporten, ofwel, zoals meer voor de hand ligt, gaan zij uit van verschillende opvattingen van wat onder een detail moet worden verstaan.
33. De zesde overweging van de considerans van de bestreden beschikking vermeldt immers dat bij de genoemde inspectiebezoeken, alsmede bij een inspectiebezoek van 19 tot en met 23 april 1999, waarvan de Portugese regering met geen woord melding maakt, is geconstateerd dat ernstige inspanningen zijn gedaan en aanzienlijke vooruitgang is geboekt bij de tenuitvoerlegging van risicobeheersmaatregelen op korte termijn, ofschoon niet voor alle maatregelen een adequate toepassing kon worden gegarandeerd".
34. Ik erken gaarne het recht van de Portugese regering om van mening te zijn dat, gezien de uitgangssituatie, de bij de genoemde inspectiebezoeken geconstateerde vooruitgang in wezen beantwoordde aan hetgeen van de Portugese autoriteiten werd verwacht, en dat de inspanningen die alsnog moesten worden gedaan van geringe betekenis konden worden geacht in verhouding tot hetgeen al was verricht. Maar dit neemt geenszins weg dat het door hen bereikte resultaat nog niet dat was dat van hen werd verwacht.
35. Overigens kan ik mij over het door de Portugese regering tentoongespreide optimisme alleen maar verbazen.
36. Het rapport dat is opgesteld in aansluiting aan het inspectiebezoek van 22 februari tot en met 3 maart 1999 toont weliswaar een zeer duidelijke verbetering aan, zowel wat de vaststelling als wat de toepassing van wettelijke regelingen betreft, doch spreekt eveneens van nog te verwezenlijken vooruitgang op het gebied van de inachtneming van het exportverbod (onvoldoende en slecht georganiseerde wegcontroles), de afvoer van gespecificeerde risicomaterialen, de inachtneming van het verbod op het gebruik van dierenmeel (geen controles bij de landbouwbedrijven), en controles op de verplaatsing van dieren (tijdsverloop tussen de geboorte van het dier en het merken daarvan, problemen bij de registratie van geboortecohorten).
37. In het syntheserapport betreffende het inspectiebezoek van het Voedsel- en Veterinair Bureau dat van 19 tot en met 23 april 1999 in Portugal werd verricht met het oog op de controle van de versvleesbedrijven (richtlijn 64/433/EEG van de Raad van 26 juni 1964 inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees, PB B 121, blz. 2012), en het handelsverkeer in vers vlees (richtlijn 89/662), valt onder meer te lezen dat niet-erkende versvleesbedrijven illegaal functioneren zonder dat de bevoegde autoriteiten, die daarvan volledig op de hoogte zijn, maatregelen hebben genomen om daaraan een einde te maken, dat op het gebied van de slachthygiëne ernstige tekortkomingen bestaan en dat de identificatie van de dieren niet voldoet aan de in de communautaire voorschriften gestelde eisen.
38. Deze verschillende tekortkomingen worden door de opstellers van het rapport zo ernstig geacht dat zij de Commissie aanbevelen serieus in overweging te nemen een procedure tegen de Portugese Republiek in te leiden teneinde te doen vaststellen dat Portugal tal van bepalingen van de communautaire regeling niet in acht heeft genomen.
39. Het rapport dat na het inspectiebezoek van 14 tot en met 18 juni 1999 is opgesteld, vermeldt dergelijke zwaarwegende tekortkomingen niet meer, doch wijst wel erop dat het nog niet mogelijk is om in concreto te beoordelen of de maatregelen die de Portugese autoriteiten hebben getroffen op grond van de in de vorige rapporten vervatte aanbevelingen, op adequate wijze zijn uitgevoerd en het daarvan verwachte effect hebben gesorteerd.
40. Men begrijpe mij goed: ik heb geenszins de bedoeling mij denigrerend uit te laten over het optreden van de Portugese autoriteiten. Ik moet evenwel constateren dat in de zesde overweging van de considerans van beschikking 98/653 uitdrukkelijk erop werd gewezen dat het verbod op de verzending van producten van runderen [...] in de tijd kan worden beperkt op voorwaarde dat uit een risico-evaluatie op basis van de bevindingen in het kader van een inspectiebezoek van het Voedsel- en Veterinair Bureau, waarbij ook rekening wordt gehouden met de ontwikkeling van de ziektesituatie, blijkt dat passende maatregelen zijn getroffen om de risico's onder controle te houden en dat de relevante communautaire en nationale maatregelen worden nageleefd en het nodige wordt gedaan om die maatregelen daadwerkelijk te doen naleven". In de vijfde en de zesde overweging van de considerans van de bestreden beschikking heeft de Commissie evenwel vastgesteld dat tussen 1998 en 1999 het aantal gevallen per miljoen dieren van meer dan twee jaar was gestegen van 105,6 naar 211 en dat in de rapporten over de uitgevoerde inspectiebezoeken niet werd gesproken van een situatie die volledig onder controle was, omdat bij die inspectiebezoeken is geconstateerd dat ernstige inspanningen zijn gedaan en aanzienlijke vooruitgang is geboekt bij de tenuitvoerlegging van risicobeheersmaatregelen op korte termijn, ofschoon niet voor alle maatregelen een adequate toepassing kon worden gegarandeerd". Derhalve moet worden vastgesteld dat de Commissie overtuigende gronden heeft aangevoerd ter rechtvaardiging van de verlenging van het verbod met nog eens zes maanden.
41. Ten slotte wil ik erop wijzen - ofschoon dit voor de beoordeling van de wettigheid van de bestreden beschikking op de vaststellingsdatum niet relevant is - dat de Commissie gezien het feit dat de voorwaarden voor de hervatting van de Portugese uitvoer van rundvlees nog steeds niet waren vervuld, de beperking van het uitvoerverbod tot 1 februari 2000 heeft moeten intrekken bij beschikking 2000/104/EG van 31 januari 2000 tot wijziging van beschikking 98/653 inzake spoedmaatregelen die noodzakelijk zijn wegens het voorkomen van boviene spongiforme encefalopathie in Portugal. Mijns inziens dient het eerste middel van de Portugese Republiek daarom te worden afgewezen.
Het tweede middel
42. Aangaande het tweede middel van de Portugese regering dient een principiële opmerking te worden gemaakt. Door te stellen dat de diergezondheidscode van het IOE is geschonden, geeft de Portugese regering te kennen dat de Commissie gehouden was die code in acht te nemen. Dat valt echter nog te bezien.
43. De voorschriften die de Commissie in acht moest nemen, zijn mijns inziens de voorschriften die de rechtsgrondslag van haar beschikking vormen, dat wil zeggen de richtlijnen 90/425 en 89/662. De diergezondheidscode van het IOE bevat daarentegen geen regels die voor de communautaire instellingen verbindend zijn.
44. Het spreekt vanzelf dat bij de beoordeling van de vraag of de communautaire maatregelen binnen de door het evenredigheidsbeginsel gestelde grenzen blijven, de regels van de IOE-code in aanmerking kunnen, en volgens mij zelfs moeten, worden genomen. Men zou zich zeker moeten afvragen waardoor zou kunnen worden gerechtvaardigd dat de Gemeenschap in een bepaald geval draconische verbodsmaatregelen vaststelt, terwijl de genoemde code bijvoorbeeld slechts een aanbeveling voor een versterkt toezicht bevat.
45. Het kan echter niet geheel worden uitgesloten dat de Gemeenschap geldige redenen heeft om in bepaalde gevallen verder te gaan dan de aanbevelingen van het IOE; wanneer dergelijke redenen bestaan, zou de betrokkene zich niet met succes mogen beroepen op schending van de diergezondheidscode, die voor de communautaire rechtsorde geen enkele verbindende kracht heeft.
46. In casu hoeft een dergelijke vraag echter niet eens gesteld te worden, omdat de aanbevelingen van de diergezondheidscode niet in tegenspraak zijn met het bij de bestreden beschikking opgelegde verbod. Anders dan de Portugese regering stelt, was Portugal ten tijde van de vaststelling van de beschikking een gebied met een hoge BSE-incidentie, waaruit volgens de code alleen dan rundvlees mag worden uitgevoerd wanneer wordt voldaan aan bepaalde strenge voorwaarden, die zijn opgesomd in artikel 3.2.13.10 van de code.
47. Die voorwaarden zijn onder meer het feitelijke verbod van vervoedering van vleesmeel, het bestaan van een permanent identificatiesysteem van runderen waardoor kan worden bepaald van welk moederdier en uit welk beslag het dier afkomstig is, de verwijdering van gespecificeerd risicomateriaal en de ruiming van dieren met een bepaald hoog risico, zoals nakomelingen en geboortecohorten van met BSE besmette dieren.
48. In feite mag rundvlees alleen worden uitgevoerd op grond van twee regelingen: een regeling die berust op certificering van kuddes, die aangeeft dat de producten afkomstig zijn van dieren geboren, opgekweekt en gehouden in kuddes waarin zich gedurende de laatste zeven jaren geen enkel geval van BSE heeft voorgedaan, of een op de datum gebaseerde regeling die aangeeft dat de producten afkomstig zijn van dieren die zijn geboren na de datum waarop het feitelijke verbod van vervoedering van vleesmeel in werking is getreden.
49. Aan de in de IOE-diergezondheidscode vastgestelde voorwaarden was, gezien de rapporten over de in het eerste halfjaar van 1999 uitgevoerde inspectiebezoeken, kennelijk in het geval van Portugal niet voldaan op de datum waarop de bestreden beschikking werd gegeven.
50. Indien nog nader bewijs nodig ware, zou dit kunnen worden gevonden in beschikking 2000/104, waarvan de vijfde en de zesde overweging van de considerans luiden als volgt:
Op 3 december 1999 heeft Portugal een eerste voorstel voor een ,date-based scheme bij de Commissie ingediend. Die regeling moet worden onderzocht in het licht van de door Portugal genomen maatregelen inzake het vervoederverbod, de traceerbaarheid van runderen, het uitstoten van nakomelingen van met BSE besmette dieren en dieren die tot dezelfde geboortecohort als een met BSE besmet dier behoren, en de verwijdering van gespecificeerd risicomateriaal. Bovendien moet de tenuitvoerlegging van deze maatregelen door een inspectieteam van de Gemeenschap worden gecontroleerd, voordat de Commissie aan het Permanent Veterinair Comité kan voorstellen het verbod gedeeltelijk in te trekken.
Derhalve is het passend het verbod op het verzenden van rundveeproducten te handhaven totdat de door Portugal voorgestelde regeling kan worden goedgekeurd."
51. Ik kan derhalve niet anders dan concluderen dat het tweede middel van de Portugese regering eveneens moet worden afgewezen.
Het derde middel
52. Met het derde middel betoogt de Portugese regering in wezen dat de raadpleging van het Permanent Veterinair Comité voorafgaande aan de vaststelling van de bestreden beschikking onregelmatig is geweest, aangezien dit Comité niet beschikte over het rapport dat was opgesteld in aansluiting aan het inspectiebezoek aan Portugal van 14 tot en met 19 juni 1999 en evenmin over de periodieke rapporten die de Portugese autoriteiten overeenkomstig artikel 14 van beschikking 98/653 naar de Commissie hadden gezonden. Dit achterhouden van inlichtingen heeft advies van het Comité, dat zich uitsprak voor de door de Commissie voorgelegde ontwerpbeschikking, gevitieerd.
53. Niet kan worden betwist dat het rapport van het inspectiebezoek niet ter beschikking van het Comité is gesteld, hetgeen verklaart dat de considerans van de bestreden beschikking slechts melding maakt van de inspectiebezoeken van februari-maart en van april 1999.
54. Mijns inziens zou dit middel van de Portugese Republiek zeker gegrond zijn wanneer het rapport van het inspectiebezoek van juni op 16 juli, toen het Permanent Veterinair Comité bijeenkwam, beschikbaar was geweest.
55. Zoals de Portugese regering trouwens erkent, bestond op die datum echter slechts een voorlopige versie van dit rapport. Artikel 7, lid 1, van beschikking 98/139/EG van de Commissie van 4 februari 1998 houdende enige bepalingen inzake de door deskundigen van de Commissie in de lidstaten op veterinair gebied verrichte controles ter plaatse, bepaalt namelijk: Binnen 20 werkdagen bevestigt de Commissie de resultaten van de controles in een schriftelijk verslag [...]. De betrokken lidstaat deelt binnen 25 werkdagen na ontvangst van het schriftelijk verslag van de Commissie, zijn opmerkingen mede."
56. Concreet betekent dit in het onderhavige geval dat het rapport tijdig aan de Portugese Republiek is toegezonden - op 14 juli 1999, als door haar erkend - en dat het op 19 juli, dat wil zeggen na de vergadering van het Permanent Veterinair Comité, bij de permanente vertegenwoordiging van Portugal is binnengekomen.
57. Vanaf 19 juli kon de Portugese regering binnen de termijn van artikel 7, lid 1, haar opmerkingen indienen. Er was derhalve geen sprake van dat een definitief rapport ter beschikking van het Permanent Veterinair Comité kon worden gesteld op de datum dat het vergaderde.
58. Zoals door de Portugese regering erkend, heeft de Commissie tijdens de vergadering voorgesteld een mondelinge uiteenzetting te geven van het rapport, waartegen de Portugese Republiek zich heeft verzet, zoals haar goed recht was.
59. Daarom kan niet worden gesteld dat het Comité niet in het bezit was van het laatste werkelijk beschikbare rapport.
60. De vraag is evenwel waarom de Commissie het inspectiebezoek niet zo tijdig heeft georganiseerd dat het desbetreffende rapport wel ter beschikking van het Comité had gestaan, of de vergadering van het Permanent Veterinair Comité niet heeft uitgesteld.
61. Zoals de Portugese regering impliciet erkent wanneer zij stelt dat het inspectiebezoek van februari-maart, dat drie maanden na de vaststelling van beschikking 98/653 werd gebracht, te vroeg plaatsvond om positieve resultaten te kunnen constateren, zou een inspectiebezoek in Portugal in de loop van mei 1999 niets hebben opgeleverd, omdat het hoogst onwaarschijnlijk was dat op dat moment de in februari-maart en in april geconstateerde tekortkomingen konden zijn verholpen. Ook een uitstel van de vergadering van het Permanent Veterinair Comité zou geen zin hebben gehad, omdat, gezien de in artikel 7, lid 1, vastgestelde termijnen, niet erop kon worden gerekend dat vóór eind juli een definitief rapport ter beschikking zou staan, en de Commissie uiterlijk op 31 juli een nieuwe beschikking moest vaststellen, omdat het verbod van artikel 4 van beschikking 98/653 op 1 augustus 1999 kwam te vervallen.
62. De maandelijks door Portugal ingediende rapporten zijn eenzijdige documenten, die weliswaar voor de Commissie zeer nuttig zijn omdat zij haar juist in staat stellen de ter plaatse uit te voeren inspecties te plannen en het doel daarvan vast te stellen, maar mijns inziens niet de grondslag kunnen vormen voor de opinievorming van het Permanent Veterinair Comité aangaande de BSE-situatie in Portugal.
63. Anders dan de Portugese regering meent, kan derhalve niet worden gesteld dat de Commissie de voor haar geldende procedurele verplichtingen heeft veronachtzaamd voordat zij de bestreden beschikking heeft gegeven.
64. Derhalve moet ik concluderen dat het derde middel van de Portugese regering niet gegrond is.
Het vierde middel
65. Op het vierde middel behoef ik slechts betrekkelijk kort in te gaan, omdat het onderzoek van de eerste twee middelen aan het licht heeft gebracht dat de Commissie met de bestreden beschikking een beschikking heeft vastgesteld die aansloot bij de concrete BSE-situatie in Portugal.
66. De Portugese regering stelt dat Portugal geen belangrijke exporteur van rundvlees is en dat zijn uitvoer daarom eenvoudig kan worden gecontroleerd. Dit argument overtuigt mij geenszins.
67. Om te beginnen dient bij de beoordeling van het risico dat met BSE besmette producten in levensmiddelen voorkomen, namelijk geen rekening te worden gehouden met de uitgevoerde hoeveelheden, doch veeleer met de garanties die kunnen worden gegeven voor de afwezigheid van besmette producten. Voorts vormt een uitvoerverbod kennelijk geen onevenredig offer voor een lidstaat die zichzelf een kleine exporteur noemt.
68. De Portugese regering betoogt eveneens dat het het Verenigd Koninkrijk, ondanks een zeer hoge BSE-incidentie, werd toegestaan zijn uitvoer te hervatten, en dat de uitvoer van rundvlees uit Zwitserland naar de Gemeenschap niet werd verboden ofschoon dit land geenszins BSE-vrij is.
69. Bij het Verenigd Koninkrijk gaat het weliswaar om de lidstaat die het meest door BSE is getroffen, maar de hervatting van de uitvoer werd toegestaan omdat het Verenigd Koninkrijk heeft aangetoond dat het een van de door het IOE aanbevolen regelingen had ingevoerd, waarop ik bij het onderzoek van het tweede middel van de Portugese regering heb gewezen. Ik herinner eveneens eraan dat de hervatting van die uitvoer eerst werd toegestaan geruime tijd nadat de in de diergezondheidscode voorziene maatregelen waren uitgevoerd, terwijl op het moment waarop de bestreden beschikking werd vastgesteld de Portugese autoriteiten nog doende waren de modaliteiten te bestuderen van de regeling die zij wilden invoeren en die zij, zoals supra gesteld, op 3 december 1999 aan de Commissie hebben voorgelegd. De Portugese situatie in juli 1999 kon derhalve niet worden vergeleken met die van het Verenigd Koninkrijk in dezelfde periode.
70. Ook Zwitserland is weliswaar door BSE getroffen, maar niet kan worden gesteld dat de problemen aldaar op enig moment dezelfde ernstige omvang hebben bereikt als in Portugal. Bij het inspectiebezoek van het Voedsel- en Veterinair Bureau van 8 tot en met 12 februari 1999 hebben de deskundigen inderdaad enige tekortkomingen vastgesteld en aanbevelingen geformuleerd; hun rapport bevat evenwel geen aanbeveling voor een verbod van Zwitserse uitvoer naar de Gemeenschap, maar wel een zeer positieve waardering van de door de Zwitserse autoriteiten uitgevoerde controle- en uitroeiingsmaatregelen.
71. Bijgevolg kan de door de Portugese regering als vierde middel geformuleerde grief over de schending van het evenredigheidsbeginsel niet gegrond worden geacht.
Conclusie
72. Aangezien geen van de door de Portugese Republiek voorgestelde middelen mij gegrond voorkomt, kan ik het Hof slechts in overweging geven:
- het beroep te verwerpen;
- de Portugese Republiek in haar eigen kosten te verwijzen.
Full & Egal Universal Law Academy