Conclusie van de advocaat generaal
1. De prejudiciële vragen die aan het Hof ter beoordeling zijn voorgelegd, betreffen de uitlegging van de gemeenschapsregeling voor de sector melk en zuivelproducten en meer in het bijzonder de uitlegging van de bepalingen over de referentiehoeveelheden die in 1984 zijn vastgesteld om de overproductie van melk in de Europese Gemeenschap te bestrijden.
2. Het hoofdgeding vloeit voort uit een meningsverschil tussen de partijen bij de overeenkomst over de toewijzing van de referentiehoeveelheid bij het verstrijken van de pachtovereenkomst en de teruggave van het verpachte landbouwbedrijf aan de eigenaars.
3. De pachter, Thomsen, wenst nu de referentiehoeveelheid te behouden, terwijl de verpachters, de erfgenamen van Henningsen, eisen dat deze aan hen wordt overgedragen.
4. De volgende feiten liggen ten grondslag aan dit geschil.
I - De feiten in het hoofdgeding
5. Thomsen exploiteerde sinds 1982 een zuivelbedrijf, aanvankelijk samen met zijn vader, in de vorm van een vennootschap naar burgerlijk recht, en na de ontbinding van deze vennootschap, alleen. Ingevolge een overeenkomst van 30 april 1981 met Henningsen, pachtte Thomsens vader landbouwgrond voor een periode die op 30 september 1993 afliep. Henningsen overleed in 1991 en zijn erfgenamen zegden bij brief van 20 augustus 1993 de pachtovereenkomst met onmiddellijke ingang op. Na een vergelijk, dat voorzag in een verlenging van de pachtovereenkomst, hebben Thomsen en zijn vader op 30 september 1995 de gepachte grond aan de erfgenamen van Henningsen teruggegeven.
6. Na een verzoek daartoe, ingediend door deze erfgenamen op 24 november 1995, heeft verweerder in het hoofdgeding, het Amt für ländliche Räume Husum, bij besluit van 16 januari 1996 verklaard dat per 1 oktober 1995 een referentiehoeveelheid was overgedragen aan de erfgenamen van Henningsen als verpachters van een deel van het bedrijf. Dit besluit werd vastgesteld op grond van § 7, leden 2 en 4, van de Milchgarantiemengenverordnung (Duitse regeling betreffende de gegarandeerde hoeveelheden melk) van 21 maart 1994.
7. Nadat verweerder in het hoofdgeding zijn bezwaar had afgewezen, heeft Thomsen beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van 16 januari 1996, in de vorm van de beschikking op bezwaar van 14 februari 1996. Thomsen betoogde dat overeenkomstig de relevante gemeenschapsrechtelijke bepalingen een referentiehoeveelheid alleen kon worden overgedragen aan een melkproducent. Volgens hem hebben de erfgenamen van Henningsen nooit melk geproduceerd en zijn zij ook nooit voornemens geweest dat in de toekomst te doen.
8. Bij vonnis van 23 maart 1998 heeft het bevoegde Verwaltungsgericht het beroep verworpen op grond dat, gelet op de overige bepalingen van verordening (EEG) nr. 3950/92, het begrip producent" in artikel 7, lid 2, van deze verordening ruim moet worden uitgelegd en zowel de voormalige als de potentiële producenten omvat. Volgens deze rechterlijke instantie kan onder melkproducent" worden verstaan een ieder die recht heeft op een referentiehoeveelheid, ook indien hij geen melk verkoopt of levert.
9. Verzoeker in het hoofdgeding heeft tegen het vonnis van het Verwaltungsgericht hoger beroep ingesteld bij het Schleswig-Holsteinische Oberverwaltungsgericht.
II - De juridische context
Het gemeenschapsrecht
10. In 1984 is wegens een aanhoudend onevenwicht tussen het aanbod en de vraag in de zuivelsector een regime van extra heffingen ingesteld bij verordening (EEG) nr. 856/84 van de Raad van 31 maart 1984 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten. Volgens artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968, zoals gewijzigd bij verordening nr. 856/84, is een extra heffing verschuldigd voor de hoeveelheden melk die een vast te stellen referentiehoeveelheid overschrijden.
11. De algemene voorschriften voor de toepassing van de extra heffing zijn vastgesteld in verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelproducten.
12. Verordening nr. 857/84 is ingetrokken bij verordening nr. 3950/92, waarbij deze regeling inzake de extra heffing werd verlengd tot 1 april 2000, terwijl aanvankelijk was bepaald dat zij zou gelden tot 1 april 1993.
13. Artikel 5, tweede alinea, van verordening nr. 3950/92 bepaalt:
[...] de referentiehoeveelheden die ter beschikking staan van de producenten die gedurende een periode van twaalf maanden geen melk of andere zuivelproducten in de handel hebben gebracht, worden gevoegd bij de nationale reserve en kunnen overeenkomstig de eerste alinea opnieuw worden toegewezen. Wanneer de producent de productie van melk of andere zuivelproducten hervat binnen een door de lidstaat vast te stellen termijn, wordt hem uiterlijk op de eerste april volgende op de datum van zijn verzoek, een referentiehoeveelheid toegekend overeenkomstig artikel 4, lid 1."
14. Artikel 7 van verordening nr. 3950/92 bepaalt:
1. In geval van verkoop, verhuur of overgang door vererving wordt de op een bedrijf beschikbare referentiehoeveelheid samen met het bedrijf overgedragen aan de producent die het bedrijf overneemt, op de wijze die door de lidstaten wordt bepaald rekening houdend met de voor de melkproductie gebruikte oppervlakten of met andere objectieve criteria en, in voorkomend geval, met de overeenkomst tussen de partijen. Het gedeelte van de referentiehoeveelheid dat in voorkomend geval niet samen met het bedrijf wordt overgedragen, wordt aan de nationale reserve toegevoegd.
[...]
2. Bij ontstentenis van een overeenkomst tussen de partijen worden in geval van het verstrijken van een pachtovereenkomst die niet op soortgelijke voorwaarden kan worden verlengd of in situaties met vergelijkbare rechtsgevolgen, de op het betrokken bedrijf beschikbare referentiehoeveelheden geheel of ten dele overgedragen aan de producent die het bedrijf overneemt, volgens door de lidstaten vastgestelde of nog vast te stellen bepalingen en met inachtneming van de legitieme belangen van de partijen."
15. Artikel 9, sub c, van verordening nr. 3950/92, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1560/93 van de Raad van 14 juni 1993, omschrijft het begrip producent als volgt:
In deze verordening wordt verstaan onder:
[...]
c) ,producent: de landbouwexploitant, natuurlijke of rechtspersoon of groepering van natuurlijke of rechtspersonen, waarvan het bedrijf op het geografische grondgebied van een lidstaat is gevestigd,
- die melk of andere zuivelproducten rechtstreeks aan de consument verkoopt,
- en/of levert aan de koper."
Het Duitse recht
16. De Bondsrepubliek Duitsland heeft de overdracht van referentiehoeveelheden geregeld bij de MGV.
17. Volgens § 7, lid 2, MGV wordt bij de overdracht van een deel van een bedrijf op basis van een pachtovereenkomst een overeenkomstige referentiehoeveelheid overgedragen aan de pachter. Dit deel stemt overeen met de verhouding van de voor de melkproductie gebruikte oppervlakte van het overgedragen deel van het bedrijf tot de totale oppervlakte van het bedrijf.
18. Indien de pachter geen recht heeft op verlenging van de pachtovereenkomst en hij de melkproductie wil voortzetten, wordt volgens § 7, lid 4, MGV de helft van de overeenkomstige referentiehoeveelheid, doch ten hoogste 2 500 kg per hectare, aan de verpachter overgedragen. Deze beperking tot de helft, dan wel 2 500 kg per hectare, geldt niet wanneer de verpachter de referentiehoeveelheden nodig heeft voor de melkproductie, ten behoeve van de verpachter zelf, zijn echtgenote of zijn kinderen.
19. Ingevolge § 9 MGV moet de melkproducent de koper een door de bevoegde dienst van de deelstaat - in casu het Amt für ländliche Räume Husum - afgegeven verklaring ter hand stellen, waaruit blijkt welke referentiehoeveelheid op welke datum aan hem is overgedragen, van welke melkproducent deze afkomstig is en wat het vetgehalte van de productie is.
20. In het geval dat de verpachter de teruggegeven grond onmiddellijk aan een andere pachter overdraagt, wordt eerst voor de overdracht van de referentiehoeveelheden van de voormalige pachter aan de verpachter een eerste verklaring opgesteld en vervolgens stelt de bevoegde instantie een tweede verklaring op met betrekking tot de overdracht van de referentiehoeveelheden van de verpachter aan de nieuwe pachter.
III - De prejudiciële vragen
21. De verwijzende rechter wijst er om te beginnen op dat volgens de uitlegging van het Verwaltungsgericht het begrip producent" in de zin van artikel 9, sub c, van verordening nr. 3950/92 zowel de voormalige melkproducenten als de toekomstige, en dus potentiële producenten" omvat.
22. Hij vraagt zich af of hij zich moet aansluiten bij deze uitlegging. Volgens hem zijn de bewoordingen van artikel 9, sub c, van verordening nr. 3950/92 duidelijk en houdt een letterlijke uitlegging in dat overeenkomstig artikel 7 van verordening nr. 3950/92 een overdracht van referentiehoeveelheden alleen kan plaatsvinden, wanneer de rechthebbende die het bedrijf overneemt, op de datum van overdracht al producent is, of in ieder geval op die datum producent wordt.
23. Daarentegen is niet aan de criteria van artikel 7 van verordening nr. 3950/92 voldaan, wanneer delen van een bedrijf waaraan referentiehoeveelheden zijn verbonden, door middel van koop, pacht of teruggave van verpachte grond worden overgedragen aan iemand die geen producent is en die niet voornemens is de melkproductie voort te zetten of de grond daartoe ter beschikking van derden te stellen.
24. Het Schleswig-Holsteinische Oberverwaltungsgericht heeft, omdat het van mening is dat voor de oplossing van het geschil een uitlegging van het gemeenschapsrecht nodig is, de volgende prejudiciële vragen aan het Hof voorgelegd:
1) Moet artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 3950/92 van de Raad van 28 december 1992 tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelproducten aldus worden uitgelegd, dat bij het verstrijken van een pachtovereenkomst de beschikbare referentiehoeveelheden van het betrokken bedrijf volgens de door de lidstaten vastgestelde of nog vast te stellen bepalingen en met inachtneming van de legitieme belangen van de partijen alleen dan geheel of gedeeltelijk kunnen worden overgedragen, wanneer de verpachters ten tijde van de teruggave producent zijn in de zin van artikel 9, sub c, van verordening (EEG) nr. 3950/92?
2) Zo het begrip producent in artikel 7, lid 2, ruimer moet worden uitgelegd, kan in dergelijke gevallen ook dan een overdracht plaatsvinden wanneer de verpachters niet voornemens zijn zich met de melkproductie bezig te houden, doch de referentiehoeveelheden tezamen met de gronden aan derden willen overdragen?
3) Zo ja: moeten dan in ieder geval de derden aan wie zij de referentiehoeveelheden zullen overdragen, producent zijn in de zin van artikel 9, sub c?"
IV - De prejudiciële vragen
25. Met zijn drie vragen, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 7, lid 2, van verordening nr. 3950/92 aldus moet worden uitgelegd, dat een referentiehoeveelheid die beschikbaar is bij het verstrijken van een pachtovereenkomst, alleen kan worden overgedragen aan de verpachter indien die ofwel zelf producent" is, ofwel de beschikbare referentiehoeveelheid overdraagt aan een derde die dat is.
26. Zoals de verwijzende rechter zelf opmerkt, is de tekst van de artikelen 7, lid 2, en 9, sub c, van verordening nr. 3950/92 ondubbelzinnig.
27. Krachtens artikel 7, lid 2, van verordening nr. 3950/92 worden de op de betrokken bedrijven beschikbare referentiehoeveelheden geheel of gedeeltelijk overgedragen aan de producenten die deze overnemen. Uit artikel 9, sub c, van verordening nr. 3950/92 volgt dat voor de doeleinden van deze verordening onder producent" wordt verstaan de landbouwexploitant die melk of andere zuivelproducten direct aan de consument verkoopt en/of die deze producten direct aan de koper levert.
28. Daaruit volgt dat een verpachter die geen melk verkoopt of levert op de dag dat de pachtovereenkomst verstrijkt, geen aanspraak kan maken op de beschikbare referentiehoeveelheid waarover de pachter beschikte.
29. Bovendien vloeit uit de algemene opzet van de regeling inzake de extra heffing op melk voort, dat een referentiehoeveelheid alleen aan een landbouwexploitant kan worden toegekend, voorzover deze de hoedanigheid van producent heeft. Wordt een referentiehoeveelheid met de grond waaraan zij verbonden is, door middel van pacht overgedragen, dan kan dit alleen overeenkomstig artikel 7, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 3950/92 gebeuren indien de pachter de hoedanigheid van producent heeft.
30. Het is waar, zoals de Duitse regering heeft verklaard, dat de referentiehoeveelheid waarvan sprake was in het arrest EARL de Kerlast, reeds aangehaald, was overgedragen aan de pachter en niet aan de verpachter.
31. Maar al is artikel 7, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 3950/92, de bepaling die door het Hof in dat arrest is uitgelegd, in het hoofdgeding niet aan de orde, dit artikel stelt een identieke voorwaarde. Daarom kan het arrest EARL de Kerlast, reeds aangehaald, toegepast worden op het onderhavige geval.
32. Artikel 7, lid 1, eerste alinea, voorziet immers in de gelijktijdige overdracht van de referentiehoeveelheid en het bedrijf in het geval van verkoop, verhuur of overgang door vererving van het bedrijf aan producenten die het bedrijf overnemen. Al gaat het niet om een teruggave aan de verpachter na het verstrijken van de pacht, de situatie is toch vergelijkbaar, aangezien de referentiehoeveelheid wordt overgedragen ten gunste van een ondernemer die, net als de verpachter, de eigenaar van het bedrijf kan zijn. Volgens dit artikel wordt de beschikbare referentiehoeveelheid van een bedrijf in het geval van verkoop, verhuur of overgang door vererving met het bedrijf overgedragen aan de producenten die het bedrijf overnemen. Indien de overdracht plaatsvindt ten gunste van een koper of een erfgenaam, dan geldt hiervoor de voorwaarde dat die personen producent zijn.
33. Het arrest EARL de Kerlast, reeds aangehaald, bevestigt dat deze noodzakelijke voorwaarde bestaat. In dat arrest heeft het Hof herinnerd aan de bewoordingen van het arrest Ballmann, reeds aangehaald, volgens hetwelk uit de algemene opzet van de regeling inzake de extra heffing op melk voortvloeit dat een referentiehoeveelheid niet kan worden toegekend aan een landbouwexploitant die geen producent is.
34. Ik zie geen reden om niet in dezelfde zin te concluderen.
35. In het onderhavige geval spreekt zowel artikel 7, lid 1, eerste alinea, als artikel 7, lid 2, van verordening nr. 3950/92 juist van overdrachten van beschikbare referentiehoeveelheden aan een producent die het bedrijf overneemt". Het lijkt mij niet gewenst om de twee teksten, waarvan de bewoordingen volkomen identiek zijn, verschillend uit te leggen, omdat anders een uitlegging wordt voorgestaan die het rechtszekerheidsbeginsel negeert.
De gewone uitlegging van de twee leden van artikel 7 wordt overigens voorgeschreven door de uitlegging die in artikel 7, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 3950/92 wordt gegeven van de drie in deze bepaling bedoelde gevallen. De hoedanigheid van producent, die in het arrest EARL de Kerlast, reeds aangehaald, wordt vereist in het geval van een overdracht van een referentiehoeveelheid door middel van verhuur, moet noodzakelijkerwijs ook gelden in het geval van verkoop of van erfopvolging, tenzij de formulering producent die het bedrijf overneemt" - nochtans de gemeenschappelijke factor in deze zin - verschillend wordt uitgelegd.
36. Het aldus aan de algemene opzet van de betrokken regeling ontleende beginsel wordt niet weerlegd door andere overwegingen die zouden rechtvaardigen dat voor de toepassing van de voorwaarde betreffende de hoedanigheid van producent onderscheid wordt gemaakt tussen, aan de ene kant, een pachter, een koper of een erfgenaam en, aan de andere kant, een verpachter die zijn bedrijf terugkrijgt. Net als de koper of de erfgenaam is de verpachter de eigenaar van het bedrijf. Het is dus vanzelfsprekend dat de hoedanigheid van producent die van de anderen vereist wordt, ook voor hem geldt.
37. De interveniënten in het hoofdgeding roepen in herinnering dat artikel 7, lid 1, van verordening nr. 857/84 bepaalde dat, in geval van verkoop, verhuur of overgang door vererving, de overdracht aan de koper, de huurder of de erfgenaam plaatsvond, zonder dat de betwiste voorwaarde werd genoemd. Deze verordening is ingetrokken bij verordening nr. 3950/92, maar volgens hen volgt uit de vijftiende overweging daarvan dat het niet wenselijk zou zijn om de aanvankelijke keuze te wijzigen, te weten [het] beginsel [...] dat, in geval van verkoop, verhuur of vererving van het bedrijf, de desbetreffende referentiehoeveelheid naar de koper, de huurder of de erfgenaam overging". De interveniënten in het hoofdgeding leiden uit deze overweging af dat de vervanging van het begrip producent" door de begrippen koper", huurder" of erfgenaam" geen voorwaarde zou opleggen in verband met de uitoefening van productie.
38. Deze uitlegging miskent het feit dat een tekst van de Commissie, verordening (EEG) nr. 1371/84, nadere voorschriften heeft vastgesteld voor de toepassing van de extra heffing zoals die net was ingesteld, waarbij zij in het bijzonder de wijze van uitvoering van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 857/84 heeft gepreciseerd. Artikel 5, eerste alinea, punt 1, van verordening nr. 1371/84 bepaalde dat in het geval van verkoop, verhuur of overgang door vererving de referentiehoeveelheid werd overgedragen aan de producent die het bedrijf overneemt. Dientengevolge moet de door de gemeenschapswetgever in de considerans van verordening nr. 3950/92 tot uiting gebrachte bedoeling om het oorspronkelijke mechanisme niet te wijzigen, niet alleen worden gelezen als de bedoeling om het principe van de overdracht aan de koper, de huurder of de erfgenaam te handhaven. Hierin komt ook de wil tot uiting om de betwiste voorwaarde te behouden. Als dit anders was geweest, mag men aannemen dat de gemeenschapswetgever dat zou hebben gepreciseerd door het in de considerans te vermelden en door die laatste voorwaarde uit artikel 7, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 3950/92 te halen. Welnu, die voorwaarde, die vervat is in verordening nr. 1371/84, een verordening van de Commissie, is inmiddels overgenomen in verordening nr. 3950/92, een verordening van de Raad.
39. Het staat dus niet vast dat de Raad bij verordening nr. 3950/92 de algemene opzet van de regeling inzake de extra heffing, zoals het Hof deze heeft beschreven in het arrest EARL de Kerlast, reeds aangehaald, heeft willen wijzigen.
40. Het arrest St. Martinus Elten, waarvan de Duitse regering beweert dat het bevestigt dat de teruggave van het bedrijf aan de verpachter de desbetreffende referentiehoeveelheden omvat, kan niet aldus worden gelezen dat het Hof erkent dat de verpachter niet de hoedanigheid van producent behoeft te hebben.
41. In dat arrest heeft het Hof voor recht verklaard dat bij het einde van de pacht de referentiehoeveelheid weer toevalt aan de verpachter, indien de voormalige pachter niet voornemens is de melkproductie voort te zetten". Hierin is in feite geen vermelding van de voorwaarde dat de verpachter zich bezighoudt met melkproductie te zien. Volgens de Duitse regering was de verpachter in deze zaak een katholieke parochie die niet voornemens was zelf melk te produceren.
42. Het is waar dat nergens in het arrest St. Martinus Elten, reeds aangehaald, sprake is van de betwiste voorwaarde, terwijl die toch al voorkwam in artikel 5, eerste alinea, punt 3, van verordening nr. 1371/84, die van toepassing was op het moment van de feiten in het hoofdgeding.
43. Toch lees ik in dit arrest niet hetzelfde als de Duitse regering in haar schriftelijke opmerkingen doet.
44. Zo het Hof in het arrest St. Martinus Elten, reeds aangehaald, de regeling heeft willen preciseren die van toepassing is op de referentiehoeveelheid in het geval van een beëindiging van een pachtovereenkomst, dan heeft het dit gedaan in verband met de omstandigheid dat de pachter niet voornemens was de melkproductie voort te zetten. Nergens komt de vraag ter sprake of de betrokken parochie de hoedanigheid van producent bezat of niet. Ik denk dan ook dat het Hof de toekenning van de referentiehoeveelheid heeft bepaald op basis van het enige feitelijke gegeven waarover het beschikte, namelijk het staken van de melkproductie door de pachter. Omdat zij geen producent meer was, mocht zij de betwiste referentiehoeveelheid in ieder geval niet behouden.
45. Deze vaststelling wordt bevestigd door het feit dat het Hof heeft verwezen naar de artikelen 7 van de verordeningen nr. 857/84 en nr. 1564/88, terwijl het eerste niet de voorwaarde van de hoedanigheid van producent kent en het tweede deze vermeldt, zonder de redenen aan te geven waarom het aan een van de twee teksten de voorkeur geeft. Het komt mij evenwel voor dat het Hof zich op dit punt niet van een precieze motivering had kunnen onthouden als het van oordeel was geweest dat artikel 7 van verordening nr. 1546/88, dat nochtans ter uitvoering van artikel 7 van verordening nr. 857/84 is vastgesteld, daaraan op onregelmatige wijze de betwiste voorwaarde had toegevoegd.
46. Dat de voorwaarde inzake de hoedanigheid van producent van de verpachter niet wordt genoemd, kan dus alleen worden verklaard doordat de prejudiciële vraag betreffende de juridische regeling die van toepassing is bij het beëindigen van een pachtovereenkomst ten aanzien van de activiteit van de pachter is onderzocht.
47. Thans moet worden bezien, welk gevolg het principe dat de referentiehoeveelheid wordt overgedragen met de gronden naar aanleiding waarvan zij zijn toegekend, voor het antwoord op de huidige prejudiciële vragen heeft. Volgens de rechtspraak van het Hof heeft de gemeenschapswetgever gewild dat de referentiehoeveelheid aan het einde van de pachtovereenkomst in principe toekomt aan de verpachter die weer de beschikking krijgt over het bedrijf. Op deze wijze formaliseert het het principe dat de referentiehoeveelheid aan de grond verbonden moet blijven, om speculatie met melkquota en een concentratie van deze quota bij producenten die geneigd zijn tot een intensieve bedrijfsvoering, te voorkomen.
48. De toepassing in het onderhavige geval van het principe dat de gronden gelijktijdig met de referentiehoeveelheden worden overgedragen, zal niet zonder gevolgen zijn. Op grond daarvan moet worden erkend dat de hoedanigheid van producent van de verpachter, wiens landbouwbedrijf niet meer is belast met een pachtovereenkomst, niet een voorwaarde is om de referentiehoeveelheid die voordien door de pachter werd gehouden, aan hem te kunnen overdragen.
49. Dat is niet de oplossing die ik in het onderhavige geval bepleit.
50. Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat dit principe uitzonderingen kent.
51. Dit blijkt uit de arresten Ballmann en EARL de Kerlast, beide reeds aangehaald, die voor de toewijzing en overdracht van een referentiehoeveelheid als voorwaarde stellen dat de landbouwexploitant producent is.
52. Ook in de arresten Wachauf en St. Martinus Elten, beide reeds aangehaald, heeft het Hof dit principe geformuleerd en gepreciseerd dat dit principe slechts geldt onverminderd de mogelijkheid die aan de lidstaten is gelaten om de referentiehoeveelheid geheel of gedeeltelijk toe te kennen aan de vertrekkende pachter. Deze uitzondering volgt uit de bepaling die destijds van toepassing was, dat ingeval de pacht verstrijkt [...] de lidstaten, indien de pachter geen recht heeft op verlenging van de pacht onder soortgelijke voorwaarden, [kunnen] bepalen dat de referentiehoeveelheid die overeenkomt met het bedrijf waarop de pacht betrekking heeft, geheel of gedeeltelijk ter beschikking wordt gesteld van de vertrekkende pachter, indien hij voornemens is de melkproductie voort te zetten".
53. Zo heeft het Hof de logische consequenties getrokken uit een wetgeving die het onderhavige principe beperkt, in dit geval ten gunste van de pachter.
54. Er is geen grond om anders te redeneren in het onderhavige geval, waar het begrip producent" moet worden gezien als de uitdrukking van de intentie van de gemeenschapswetgever om het recht van de verpachter om de referentiehoeveelheid over te nemen afhankelijk te maken van de voorwaarde dat hij kan aantonen dat hij een landbouwexploitant is die melk verkoopt of levert, dat wil zeggen dat hij de hoedanigheid van producent" bezit, in de zin van artikel 9, sub c, van verordening nr. 3950/92.
55. Het gaat om niets meer of minder dan om op de eigenaar zelf de regel toe te passen die de speculatieve kunstgrepen dient te voorkomen, waartoe de landbouwers zouden kunnen overgaan die ophouden met de melkproductie of niet voornemens zijn de melkproductie voort te zetten. Zoals volgt uit vaste rechtspraak van het Hof inzake de toekenning van referentiehoeveelheden [...] mag de toewijzing van een melkquotum [...] worden geweigerd aan een producent die deze niet aanvraagt met het doel om de levering van melk duurzaam te hervatten, maar om uit deze toewijzing een louter financieel voordeel te halen door de handelswaarde die de referentiehoeveelheden in de tussentijd hebben verkregen, te gelde te maken".
56. De betwiste voorwaarde geldt evenzeer voor derden aan wie een verpachter besluit zijn landbouwbedrijf toe te vertrouwen. Voorzover artikel 7, lid 2, van verordening nr. 3950/92 spreekt van producenten, beperkt dit artikel de overdracht van referentiehoeveelheden niet tot verpachters alleen. Op grond van dat artikel kunnen laatstgenoemden met een nieuwe pachter een contract sluiten op het moment dat zij het bezit van hun bedrijf terugkrijgen. Aan de nieuwe pachter kan bijgevolg de referentiehoeveelheid alleen toekomen als hij producent" is in de zin van artikel 9, sub c, van verordening nr. 3950/92.
57. De Commissie heeft de uitlegging van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 3950/92 bepleit die ik het Hof voorstel. Ter terechtzitting heeft de Commissie evenwel erkend dat een dergelijke oplossing de verpachter niet toestaat de referentiehoeveelheid terug te krijgen om de productie weer te hervatten wanneer hij die activiteit heeft onderbroken, in het bijzonder omdat hij zijn bedrijf verpacht heeft.
58. De voorgestelde lezing, hoe juridisch overtuigend deze ook moge zijn, staat het de verpachter die zich in deze situatie bevindt, namelijk niet toe de overdracht van de referentiehoeveelheid te verkrijgen. Dit is een zwak punt in de bestaande regeling, op grond waarvan het gerechtvaardigd is artikel 7, lid 2, van verordening nr. 3950/92 zodanig uit te leggen dat de letter en de algemene opzet van de regeling wordt verzoend met het streven om het de eigenaar die dat wenst, mogelijk te maken de overdracht van de referentiehoeveelheid te verkrijgen om de productie te hervatten.
59. Volgens de Duitse regering dient het begrip producent" te worden uitgelegd met inachtneming van artikel 5, tweede alinea, van verordening nr. 3950/92.
60. Krachtens deze bepaling worden de referentiehoeveelheden waarover de producenten beschikken die gedurende twaalf maanden geen melk in de handel hebben gebracht, bij de nationale reserve gevoegd met het oog op een nieuwe toekenning. Ook is bepaald dat de producent een referentiehoeveelheid ontvangt als hij de productie binnen een bepaalde termijn hervat.
61. De Duitse regering stelt dat volgens deze bepalingen een tijdelijke onderbreking van de melkproductie niet de hoedanigheid van producent teniet doet. Een landbouwer die gedurende een periode van twaalf maanden de productie en levering van melk staakt, wordt tijdens die periode als producent beschouwd.
62. De oplossing die de Duitse regering voorstaat, lijkt mij niet verenigbaar met artikel 9, sub c, van verordening nr. 3950/92.
63. De definitie van producent" in die tekst geldt voor deze verordening". Dat impliceert dat zonder een andere definitie, die eventueel in een artikel van de genoemde verordening wordt gegeven met het oog op een specifieke en afwijkende regel, elke verwijzing naar het begrip producent" moet worden gelezen als een toepassing van het begrip zoals gedefinieerd in artikel 9, sub c, van verordening nr. 3950/92.
64. Een producent in de zin van die bepaling is dus een landbouwexploitant die melk of andere zuivelproducten verkoopt aan de consument of levert aan de koper, en niet degene die dit niet meer doet. Deze laatste als producent kwalificeren zou erop neerkomen dat elke landbouwexploitant die in het verleden melk heeft geproduceerd, zelfs indien hij niet voornemens is die productie te hervatten, als producent wordt beschouwd, hetgeen in strijd zou zijn met de artikelen 7 en 9, sub c, van verordening nr. 3950/92. Op dezelfde wijze zou elke landbouwexploitant die het - al was het maar vage - voornemen kenbaar maakt om de productie te hervatten, profiteren van de overdracht van de referentiehoeveelheden, wanneer hij de verpachter van het bedrijf is.
65. De effecten van het genoemde zwakke punt kunnen mijns inziens echter worden verzacht. Daartoe nodig ik nu het Hof uit om de toepasselijke regels aldus uit te leggen dat meer de inhoud en de algemene opzet van de regeling wordt geëerbiedigd.
66. Zo kan het niet alleen de verpachter, landbouwexploitant, die melk of andere zuivelproducten rechtstreeks aan de consument verkoopt of levert aan de koper, als producent in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 3950/92 aanmerken, doch ook hij die zich ertoe verbindt dat te doen zodra de pachtovereenkomst verstrijkt.
67. Er bestaat volgens mij geen reden om onderscheid te maken tussen een verpachter die melk produceert en hij die op een of andere wijze stappen daartoe onderneemt.
68. De naleving van deze verbintenis kan door de lidstaten worden gegarandeerd onder de voorwaarden die zij vaststellen.
Conclusie
69. In het licht van deze overwegingen stel ik voor, op de prejudiciële vragen van het Schleswig-Holsteinische Oberverwaltungsgericht te antwoorden als volgt:
Artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 3950/92 van de Raad van 28 december 1992 tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelproducten, moet aldus worden uitgelegd, dat een bij het verstrijken van een pachtovereenkomst beschikbare referentiehoeveelheid alleen aan de verpachter kan worden overgedragen als die ofwel de hoedanigheid bezit van ,producent in de zin van artikel 9, sub c, van voornoemde verordening, ofwel bij het verstrijken van de pachtovereenkomst de beschikbare referentiehoeveelheid overdraagt aan een derde die deze hoedanigheid bezit. Het begrip ,producent in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 3950/92 omvat ook de verpachter die zich ertoe verbindt de activiteit van ,producent, in de zin van artikel 9, sub c, van voornoemde verordening te gaan uitoefenen zodra de pachtovereenkomst verstrijkt."
Full & Egal Universal Law Academy