Conclusie van de advocaat generaal
1. Cordis Obst und Gemüse Großhandel GmbH (hierna: Cordis") heeft hoger beroep ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Vijfde kamer) van 28 september 1999, Cordis/Commissie (T-612/97, Jurispr. blz. II-2771; hierna: bestreden arrest").
I - Het rechtskader
2. Met betrekking tot het rechtskader heeft het Gerecht vastgesteld:
1 Bij verordening (EEG) nr. 404/93 van de Raad van 13 februari 1993 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen (PB L 47, blz. 1; hierna: ,verordening nr. 404/93), is een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van bananen ingesteld, die in de plaats is gekomen van de verschillende nationale regelingen. Met het oog op een bevredigende afzet van de in de Gemeenschap geoogste bananen alsmede van producten van oorsprong uit de staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS-staten) en andere derde landen, voorziet verordening nr. 404/93 in de jaarlijkse opening van een tariefcontingent voor de invoer van ,bananen uit derde landen en ,niet-traditionele ACS-bananen. Onder niet-traditionele ACS-bananen wordt verstaan de hoeveelheden bananen die door de ACS-staten worden geëxporteerd boven de traditioneel door elk van deze staten uitgevoerde hoeveelheden, zoals die zijn vastgesteld in de bijlage bij verordening nr. 404/93.
2 Ieder jaar wordt een geraamde balans opgesteld van de productie en het verbruik in de Gemeenschap en van de in- en uitvoer. Het op basis van die geraamde balans bepaalde tariefcontingent wordt tussen de in de Gemeenschap gevestigde marktdeelnemers verdeeld op basis van de herkomst en de gemiddelde hoeveelheden bananen die de betrokken marktdeelnemer gedurende de laatste drie jaren waarover statistische gegevens bekend zijn, in de handel heeft gebracht. Op basis van die verdeling worden invoercertificaten afgegeven, zodat de importeurs met vrijstelling van rechten of tegen preferentiële douanetarieven bananen kunnen invoeren.
3 In de tweeëntwintigste overweging van de considerans van verordening nr. 404/93 heet het,
,dat de vervanging van de diverse nationale regelingen door de gemeenschappelijke marktordening bij de inwerkingtreding van deze verordening kan resulteren in verstoring van de interne markt; dat derhalve met ingang van 1 juli 1993 dient te worden voorzien in de mogelijkheid voor de Commissie om alle overgangsmaatregelen te nemen die nodig zijn om de moeilijkheden in de aanloopfase van de nieuwe regeling te overwinnen.
4 Artikel 30 van verordening nr. 404/93 luidt:
,Indien vanaf juli 1993 specifieke maatregelen nodig zijn om de overgang van de vóór de inwerkingtreding van deze verordening bestaande regelingen naar de regeling in het kader van deze verordening te vergemakkelijken, en met name om ernstige moeilijkheden te overwinnen, stelt de Commissie [...] alle nodig geachte overgangsmaatregelen vast."
II - De feiten
3. Met betrekking tot de aan het beroep ten grondslag liggende feiten heeft het Gerecht vastgesteld:
5 [Cordis] is opgericht op 1 november 1990, dus na de hereniging van Duitsland. Zij is gevestigd op het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek (hierna: ,voormalige DDR). Zij houdt zich bezig met de groothandel in fruit en in het bijzonder met de rijping en de verpakking van bananen.
6 In het kader van de centraal geleide planeconomie van de voormalige DDR beschikte een staatsorgaan over het monopolie van de invoer van bananen, en waren genationaliseerde ondernemingen met de rijping daarvan belast. Later zijn de rijpingsinstallaties van de voormalige DDR aan dochterondernemingen van fruitondernemingen in de Bondsrepubliek Duitsland verkocht.
7 Toen verzoekster haar activiteiten aanvatte, waren er in haar verzorgingsgebied weinig mogelijkheden om zich met bananen te bevoorraden, en de vraag naar bananen overtrof zowel het aanbod als verzoeksters rijpingscapaciteit. Daarom besloot verzoekster in 1991 haar bedrijf uit te breiden en bouwde zij nieuwe rijpingsinstallaties. Zij kreeg daarvoor geen overheidssteun.
8 Verzoekster stelt, dat de capaciteit van haar nieuwe installaties niet volledig werd benut. Volgens haar was dit het gevolg van het feit dat verordening nr. 404/93 de invoer van groene bananen afhankelijk stelt van het verkrijgen van certificaten, zodat haar leveranciers de kosten van die certificaten in de prijs van de bananen doorberekenden, en de consumptie is gedaald. Nu de certificaten worden toegekend op basis van de hoeveelheden verkochte bananen, kon verzoekster slechts certificaten verkrijgen voor ontoereikende hoeveelheden.
9 Daarom heeft verzoekster op 7 april 1996 de Commissie op grond van artikel 30 van verordening nr. 404/93 verzocht, haar zo spoedig mogelijk extra certificaten toe te kennen, bij wege van overgangsmaatregel, om de onbillijke situatie te verhelpen die het gevolg was van de bij verordening nr. 404/93 ingestelde regeling.
10 Bij beschikking van 24 oktober 1997 (hierna: ,bestreden beschikking) wees de Commissie dat verzoek af, onder meer op de volgende gronden (zevende, achtste, negende en elfde overweging):
,[...]
Cordis heeft niet aangetoond, dat zij om de capaciteit van haar rijpingsinstallatie volledig te kunnen benutten, niet bij andere marktdeelnemers of leveranciers bananen had kunnen kopen, in plaats van ze zelf in te voeren. De gemeenschappelijke marktordening voor bananen verzet zich daar niet tegen. Cordis heeft immers grote hoeveelheden bananen bij andere marktdeelnemers of leveranciers gekocht om ze in haar installaties te laten rijpen, zonder ze zelf in te voeren. Bijgevolg is niet aangetoond, dat de gestelde onvolledige benutting van de rijpingsinstallatie en de mogelijke gevolgen daarvan, namelijk de stagnatie van de omzet, het verlies van klanten en de personeelsvermindering, door de overgang van de vóór de gemeenschappelijke marktordening bestaande nationale regeling naar de nieuwe regeling zijn veroorzaakt;
Cordis heeft niet aangetoond, dat zij alvorens in de rijpingsinstallatie te investeren, over een gegarandeerde bevoorradingsbron beschikte. Zij heeft het risico aanvaard dat zij in voorkomend geval onvoldoende bananen zou kunnen verkrijgen om haar installatie volledig te kunnen benutten. Los van wat in de voorgaande alinea's is gezegd, is de omstandigheid dat Cordis niet bij andere marktdeelnemers of leveranciers voldoende bananen heeft kunnen kopen om haar rijpingsinstallatie volledig te kunnen benutten zonder de bananen zelf in te voeren, het gevolg van haar eigen onzorgvuldigheid: alvorens in de rijpingsinstallatie te investeren, had zij voor een gegarandeerde bevoorrading moeten zorgen;
Cordis heeft van Dole grote hoeveelheden bananen voor rijping verkregen. Bovendien heeft zij voldoende rijpe bananen verkregen om aan de vraag te kunnen voldoen. De rijping van bananen is slechts één van haar talrijke activiteiten. Cordis heeft dus niet aangetoond, dat de gestelde achteruitgang van de rijpingsactiviteiten haar voortbestaan bedreigde;
[...]
Cordis heeft niet aangetoond dat zij vóór voormelde data andere maatregelen had genomen die - ingevolge de moeilijkheden die inherent zijn aan de overgang van de voordien geldende nationale regeling naar de bij de betrokken verordening ingevoerde regeling - tot onbillijkheden in de zin van het arrest van het Hof van Justitie in zaak C-68/95 hebben geleid;
[...]"
III - Het bestreden arrest
4. Uit het bestreden arrest blijkt dat Cordis bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 29 december 1997, om nietigverklaring van de bestreden beschikking verzocht. Bij beschikking van 6 juli 1998 werd de interventie van de Franse Republiek ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie toegestaan.
5. Tot staving van haar beroep bij het Gerecht voerde Cordis twee middelen aan, te weten schending van artikel 30 van verordening nr. 404/93 en misbruik van bevoegdheid alsmede inzake schending van de motiveringsplicht.
6. Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep van Cordis verworpen. Het Gerecht heeft in zijn antwoord op het eerste middel van Cordis de volgende redenering gevolgd, waartegen Cordis in deze hogere voorziening opkomt:
32 Artikel 30 van verordening nr. 404/93 verleent de Commissie de bevoegdheid, specifieke overgangsmaatregelen te treffen ,om de overgang van de vóór de inwerkingtreding van deze verordening bestaande regelingen naar de regeling in het kader van deze verordening te vergemakkelijken, en met name om ernstige moeilijkheden te overwinnen [...] die door die overgang worden veroorzaakt. Volgens vaste rechtspraak zijn deze overgangsmaatregelen bedoeld om het hoofd te bieden aan verstoringen van de interne markt als gevolg van de vervanging van de diverse nationale regelingen door de gemeenschappelijke marktordening, en moeten zij het mogelijk maken, de moeilijkheden op te lossen waarmee de marktdeelnemers na de instelling van de gemeenschappelijke marktordening te maken krijgen, maar die hun oorsprong vinden in de toestand van de nationale markten vóór verordening nr. 404/93 (zie beschikking Duitsland/Raad, reeds aangehaald, punten 46 en 47; arresten van het Hof T. Port, reeds aangehaald, punt 34, en van 4 februari 1997, België en Duitsland/Commissie, C-9/95, C-23/95 en C-156/95, Jurispr. blz. I-645, punt 22, alsmede beschikking Camar/Commissie, reeds aangehaald, punt 42).
33 Het Hof overwoog, dat de Commissie in dat verband ook rekening moet houden met de situatie van marktdeelnemers die in het kader van een vóór verordening nr. 404/93 bestaande nationale regeling op een bepaalde wijze hebben gehandeld zonder dat zij konden voorzien, welke gevolgen die handelwijze zou hebben na de instelling van de gemeenschappelijke ordening der markten (arrest T. Port, reeds aangehaald, punt 37).
34 Daaruit volgt, dat dit artikel de overgang naar de gemeenschappelijke marktordening in de sector bananen beoogt te vergemakkelijken voor de ondernemingen die ten gevolge van die overgang bijzondere en onvoorzienbare moeilijkheden hebben ondervonden.
35 Onderzocht moet dus worden, of verzoeksters problemen door de overgang naar de gemeenschappelijke marktordening worden veroorzaakt.
36 Opgemerkt zij, dat verzoekster is opgericht op 1 november 1990, dus na de hereniging van Duitsland. In 1991 besloot zij haar bedrijf uit te breiden en nieuwe rijpingsinstallaties te bouwen, waarbij zij op de hoogte was van de situatie in Duitsland na de hereniging.
37 Vastgesteld moet worden, dat verzoekster geen argumenten heeft aangevoerd waaruit kan worden opgemaakt dat de structurele problemen die de hereniging van Duitsland heeft meegebracht, haar voor een bijzonder en onvoorzienbaar, uit de instelling van de gemeenschappelijke marktordening in de sector bananen voortvloeiend probleem hebben geplaatst. Daaraan zij toegevoegd, dat partijen ter terechtzitting hebben bevestigd, dat vóór de instelling van de gemeenschappelijke marktordening de rijpingsondernemingen van de voormalige DDR zelf geen bananen mochten invoeren. De Commissie stelt dus terecht, dat de instelling van de gemeenschappelijke markt de door verzoekster aangevoerde structurele nadelen niet heeft verergerd (zie punt 27 supra).
38 Verzoekster is echter van mening, dat de Commissie maatregelen moet nemen om de naleving van het beginsel van gelijke behandeling te garanderen. De in verordening nr. 404/93 neergelegde methode, namelijk de toekenning van certificaten op basis van de gemiddelde hoeveelheden bananen die tijdens de referentieperiode zijn afgezet, heeft tot gevolg, dat de aanvankelijke mededingingssituatie wordt bevroren, in die zin dat de nieuwe ondernemingen wordt belet hun achterstand in te halen.
39 Dat argument faalt. Artikel 30 van verordening nr. 404/93 houdt een afwijking van de geldende algemene regeling in en moet als zodanig strikt worden uitgelegd; op die bepaling mag dus geen beroep worden gedaan ter compensatie van de nadelige concurrentiepositie waarin de nieuwe ondernemingen ten gevolge van de ongelijkheid van kansen in Duitsland verkeren. Die nadelige situatie is immers niet het gevolg van de instelling van de gemeenschappelijke marktordening.
40 Ofschoon niet alle ondernemingen op dezelfde wijze door verordening nr. 404/93 worden geraakt, heeft het Hof in zijn arrest van 5 oktober 1994, Duitsland/Raad (C-280/93, Jurispr. blz. I-4973, punten 73 en 74), bovendien reeds geoordeeld, dat gelet op de uiteenlopende situaties waarin de verschillende categorieën van marktdeelnemers zich vóór de invoering van de gemeenschappelijke marktordening bevonden, dit verschil in behandeling inherent lijkt aan het doel om voordien gecompartimenteerde markten te integreren."
IV - De hogere voorziening
7. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 22 november 1999 heeft Cordis hogere voorziening tegen het bestreden arrest ingesteld.
8. Tot staving van haar hogere voorziening voert Cordis twee middelen aan, respectievelijk schending van de voorwaarden voor toepassing van artikel 30 van verordening nr. 404/93 en schending van het beginsel van gelijke behandeling.
Schending van de voorwaarden voor toepassing van artikel 30 van verordening nr. 404/93
Argumenten van partijen
9. Cordis stelt dat het bestreden arrest de voorwaarden voor toepassing van artikel 30 van verordening nr. 404/93 schendt. In het bijzonder kan punt 37 van arrest T. Port - dat het Gerecht in punt 33 van het bestreden arrest aanhaalt - niet aldus worden uitgelegd, dat toepassing van artikel 30 van verordening nr. 404/93 ten gunste van een marktdeelnemer slechts mogelijk zou zijn in geval van bijzondere en onvoorzienbare problemen voor de betrokken marktdeelnemer, die het gevolg zijn van de invoering van de gemeenschappelijke marktordening (hierna: GMO") in de sector bananen.
10. Volgens rekwirante is artikel 30 van verordening nr. 404/93 van toepassing wanneer gemeenschapsmaatregelen noodzakelijk zijn om de overgang van de nationale regelingen inzake bananen naar de GMO te vergemakkelijken. De voorwaarden zijn dus dat de maatregelen de overgang naar de GMO vergemakkelijken en dat dit noodzakelijk is.
11. Volgens haar bevat artikel 30 van verordening nr. 404/93 geen algemene criteria die bepalen wanneer het noodzakelijk is de overgang van de nationale regelingen inzake bananen naar de GMO te vergemakkelijken. Het artikel vereist dus niet dat de verstoringen onvoorzienbare problemen opleveren voor de betrokken marktdeelnemers. Door te verwijzen naar vermeld arrest T. Port heeft het Gerecht op rekwirante rechtspraak van het Hof toegepast die een onbillijkheid betreft, terwijl dit slechts een van de toepassingsmogelijkheden van artikel 30 is en rekwirante zich niet in die situatie bevond.
12. Volgens Cordis verschaft punt 41 van het voormeld arrest T. Port echter meer duidelijkheid met betrekking tot de criteria die op het gedrag van de marktdeelnemer moeten worden toegepast. Zij verklaart dat de moeilijkheden bij de overgang in casu niet uit haar gedrag voortkwamen [...] - deze beoordeling is de fundamentele onjuistheid in het bestreden arrest - maar structurele moeilijkheden waren die zich voor nieuwe ondernemingen, als die van rekwirante, voordeden en die door de instelling van de gemeenschappelijke marktordening voor bananen waren verergerd. Het gedrag van rekwirante vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 404/93 [...] speelt in casu absoluut geen rol." Volgens rekwirante oordeelt het Gerecht verder ten onrechte, dat de door verzoekster ingeroepen structurele nadelen niet zijn verergerd omdat de rijpingsondernemingen van de voormalige DDR vóór de instelling van de gemeenschappelijke marktordening zelf geen bananen mochten invoeren".
13. Rekwirante verklaart dat het structurele nadeel dat zij als nieuwe onderneming van de nieuwe Länder ondervond - zoals voor alle overige nieuwe ondernemingen - te maken had met de omstandigheid dat zij zich niet met rijping heeft kunnen bezighouden tijdens de bij verordening nr. 404/93 voor de jaren 1993 en 1994 vastgestelde referentieperiode, namelijk de jaren 1989 en 1990.
14. In de voormalige Duitse Democratische Republiek bestonden alleen volksondernemingen" (Volkseigene Betriebe"), zodat particuliere activiteiten in groothandel en rijping, zoals sinds 1991 door rekwirante verricht, vóór 1990 onmogelijk waren. In de Duitse Democratische Republiek beschikten ongeveer 40 groothandelsondernemingen over rijpingsinstallaties. Voorzover deze groothandelsondernemingen tijdens de referentieperiode bananen hebben gerijpt, diende deze rijpingsactiviteit als referentie voor de toekenning van eigen invoercertificaten overeenkomstig artikel 3, lid 1, sub c, van verordening (EEG) nr. 1442/93 van de Commissie van 10 juni 1993 houdende bepalingen ter toepassing van de regeling voor de invoer van bananen in de Gemeenschap.
15. Cordis beklemtoont in dit verband, dat rijping een andere activiteit is dan invoer: de invoer werd verricht door het staatsmonopolie voor buitenlandse handel van de Duitse Democratische Republiek. Het Gerecht heeft waarschijnlijk geen rekening gehouden met artikel 3, lid 1, sub c, van verordening nr. 1442/93 toen het zich baseerde op de invoer en niet op de rijping van bananen door rijpingsondernemingen. Hoewel invoer- en rijpingsactiviteiten kunnen samenvallen, is dat niet noodzakelijkerwijs het geval.
16. De Commissie meent dat het Gerecht het toepassingsgebied van artikel 30 van verordening nr. 404/93 correct heeft afgebakend, gelet in het bijzonder op voormeld arrest T. Port (punten 35-41). De krachtens artikel 30 vastgestelde maatregelen dienen uitsluitend om de overgang van de nationale regelingen naar de GMO te vergemakkelijken en verhelpen alleen de moeilijkheden die zich na de instelling van de GMO voordoen, maar hun oorsprong vinden in de toestand van de nationale markten vóór verordening nr. 404/93 en voor de betrokken marktdeelnemers onvoorzienbaar zijn. Voorts moeten deze maatregelen nodig zijn om dergelijke moeilijkheden te verhelpen.
17. De Commissie meent dan ook dat het Gerecht in punt 34 van het bestreden arrest de door artikel 30 van verordening nr. 404/93 beoogde doelstelling juist heeft uitgelegd.
18. Het argument van rekwirante dat de structurele nadelen ten gevolge van de Duitse hereniging door de GMO zijn verergerd, heeft het Gerecht volgens de Commissie correct onderzocht in de punten 35 tot en met 37 van het bestreden arrest.
19. Volgens haar leidt de eerste grief van rekwirante gewoon tot een nieuw onderzoek van het bij het Gerecht neergelegde verzoekschrift en moet zij bijgevolg niet-ontvankelijk worden verklaard.
20. Subsidiair wijst de Commissie op de irrelevantie van het door rekwirante geformuleerde verwijt, dat het Gerecht geen rekening zou hebben gehouden met de omstandigheid dat het in casu geen invoer, maar rijping van bananen betrof. Dit punt is correct besproken in punt 37 van het bestreden arrest, waarin wordt vastgesteld dat rijpingsondernemingen die zich in de situatie van rekwirante bevonden, door de GMO betere ontwikkelingsmogelijkheden hebben gekregen. De Commissie vermeldt in dit verband dat de GMO geen belemmering is geweest voor de rijpingsondernemingen die zich zelfs zonder eigen invoercertificaten met rijpingsactiviteiten hebben kunnen bezighouden. Alleen de ondernemingen die zelf bananen willen invoeren om ze vervolgens te rijpen, hebben certificaten nodig. Cordis erkent evenwel dat het vóór de invoering van de GMO onmogelijk was bananen in te voeren, zodat haar situatie nadien niet is verslechterd. Overigens hebben de rijpingsondernemingen dankzij de GMO eigen referentiehoeveelheden kunnen opbouwen voor in hun rijpingsinstallaties gerijpte bananen uit derde landen of niet-traditionele bananen (artikelen 3, lid 1, sub c, en 5, lid 2, van verordening nr. 1442/93).
21. De Commissie stelt voor het eerste middel ongegrond dan wel niet-ontvankelijk te verklaren.
22. Volgens de Franse regering is de hogere voorziening niet-ontvankelijk voorzover ermee wordt beoogd, de wijze waarop het Gerecht in de punten 35 en volgende de materiële situatie van rekwirante in het licht van de GMO heeft beoordeeld, opnieuw in het geding te brengen.
23. Volgens haar wijzigt Cordis bovendien het voorwerp van het geschil door te stellen, dat de moeilijkheden bij de overgang niet te maken hebben met de houding van de onderneming, maar van structurele aard zijn.
24. Subsidiair merkt de Franse regering op dat artikel 30 van verordening nr. 404/93 blijkens voormeld arrest T. Port niet tot doel heeft, alle problemen te regelen waarvoor ondernemingen uit de bananenhandel zich gesteld kunnen zien. Deze bepaling heeft betrekking op onbillijkheden die de draagkracht van de betrokken marktdeelnemers aantasten en het gevolg zijn van de inwerkingtreding van de GMO.
25. Voorts merkt zij op dat artikel 30 van verordening nr. 404/93 een onderzoek van geval tot geval vereist van de situatie van marktdeelnemers die zich op deze bepaling beroepen, maar geen grond kan zijn voor een collectieve behandeling van ondernemingen die een bepaald punt gemeen hebben, met name hun geografische oorsprong. Een dergelijke benadering zou bovendien in strijd zijn met artikel 230 EG, ingevolge hetwelk de verzoeker adressaat moet zijn van de litigieuze gemeenschapshandeling of rechtstreeks en individueel door deze handeling moeten worden geraakt. Overigens zou deze benadering de rechtszekerheid schaden aangezien verordening nr. 404/93 erdoor in het gedrang zou komen.
Bespreking
26. Blijkens het bestreden arrest heeft het Gerecht hoofdzakelijk onderzocht of verzoeksters problemen door de overgang naar de gemeenschappelijke marktordening worden veroorzaakt".
27. Mijns inziens kan de gegrondheid van dit onderzoek niet worden betwist in het licht van artikel 30 van verordening nr. 404/93. Voorwaarde voor toepassing van artikel 30 is," zoals het Hof in het voormeld arrest T. Port heeft opgemerkt, dat de specifieke maatregelen die de Commissie dient vast te stellen, de overgang van de nationale regelingen naar de gemeenschappelijke ordening der markten vergemakkelijken, en dat zij daartoe noodzakelijk zijn". Indien artikel 30 tot doel heeft de overgang [...] te vergemakkelijken", dient mijn inziens daaronder te worden begrepen dat het van toepassing is ingeval deze overgang moeilijkheden meebrengt. Zowel de bewoordingen van artikel 30 als de bestaansreden ervan in het kader van verordening nr. 404/93 rechtvaardigen dan ook de conclusie, dat deze bepaling louter dient om problemen ten gevolge van de overgang naar de GMO en niet problemen met een andere oorzaak te verhelpen.
28. Zoals gezegd, meent rekwirante dat het Gerecht in het kader van zijn onderzoek van het causale verband tussen de door haar ingeroepen problemen en de overgang naar de GMO, rekening had moeten houden met de structurele moeilijkheden die nieuwe ondernemingen als rekwirante hebben ondervonden en die verergerd zijn door de invoering van de GMO".
29. In punt 37 van het bestreden arrest heeft het Gerecht dit argument in de beschouwing betrokken, zonder het evenwel te aanvaarden.
30. De argumenten van rekwirante komen dus neer op een betwisting van een feitelijke beoordeling van het Gerecht.
31. Zoals de Franse regering doet opmerken, is de hogere voorziening echter beperkt tot rechtsvragen. Volgens vaste rechtspraak is immers enkel het Gerecht [...] bevoegd de feiten vast te stellen - tenzij uit de overgelegde stukken blijkt, dat zijn bevindingen materieel onjuist zijn - en deze vervolgens te beoordelen. De beoordeling van de feiten levert dus geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof, behoudens in het geval van een verkeerde interpretatie van de voorgelegde bewijsmiddelen."
32. Evenals de beoordeling door het Gerecht van de vraag of het gedrag van een instelling een partij de beweerde schade heeft veroorzaakt, voor het Hof niet ter discussie kan worden gesteld, is het Hof in de onderhavige hogere voorziening bijgevolg niet bevoegd om zich uit te spreken over het oordeel van het Gerecht, dat de moeilijkheden waarmee Cordis af te rekenen had, niet voortvloeiden uit de overgang naar de GMO.
33. In dit verband zij vermeld dat rekwirante geen enkel element aanbrengt ten bewijze dat het Gerecht een verkeerde voorstelling van de feiten zou hebben gegeven. Aangenomen moet juist worden, dat wat door rekwirante als moeilijkheid wordt voorgesteld, geen verband houdt met de overgang naar de GMO.
34. Zoals ik al zei, verklaart rekwirante met klem geen eigen probleem maar een collectieve onbillijkheid in te roepen. Zij zou te maken hebben gehad met een structurele moeilijkheid" die alle in de nieuwe Länder gevestigde ondernemingen gemeen hadden en die voortvloeide uit de omstandigheid dat zij zich niet met rijping heeft kunnen bezighouden tijdens de bij verordening nr. 404/93 vastgestelde referentieperiode, namelijk de jaren 1989 en 1990.
35. Ter terechtzitting heeft zij erop gewezen dat de kern van het probleem was gelegen in de omstandigheid dat zij was behandeld zoals elke andere nieuwe rijpingsonderneming die om het even waar in Duitsland op 1 november 1990 haar activiteiten had gestart.
36. Ongetwijfeld bevond Cordis zich inderdaad in deze situatie.
37. In de eerste plaats is zij niet de rechtsopvolger, door middel van privatisering, van een voormalige rijpingsonderneming van de Duitse Democratische Republiek die het statuut van volksonderneming" (Volkseigener Betrieb") had.
38. In de tweede plaats heeft zij evenmin de technische installaties van een dergelijke rijpingsonderneming overgenomen. Blijkens haar bij het Gerecht ingediend verzoekschrift heeft zij enkel een deel van het personeel van een voormalige landbouwcoöperatie zonder activiteiten in de bananensector in dienst genomen.
39. In werkelijkheid volgt Cordis dus de volgende redenering.
40. Indien de onderneming in 1989 had bestaan, had zij bananen gerijpt. Dus zou zij nu kunnen verwijzen naar de in 1989 en 1990 verhandelde hoeveelheden bananen om certificaten te vragen. De politieke situatie in de Duitse Democratische Republiek maakte het bestaan van de onderneming op dat tijdstip evenwel onmogelijk. De Commissie had er dan ook van uit moeten gaan, dat de onderneming had kunnen bestaan, en zij had een referentiehoeveelheid van 5 000 ton bananen moeten verlenen.
41. Op het bezwaar dat elke nieuwe onderneming die sinds november 1990 in enig voormalig Land is opgericht, ook zou kunnen verwijzen naar wat zij zou hebben gedaan indien zij eerder had bestaan, heeft Cordis ter terechtzitting geantwoord, dat ondernemers van de voormalige Länder in volle vrijheid hebben beslist niet eerder bijkomende rijpingsinstallaties op te richten, terwijl zij zelf daartoe niet in staat was door het politiek-maatschappelijk bestel in de voormalige Duitse Democratische Republiek.
42. Daarmee is echter geenszins bewezen, dat de onderneming Cordis zonder dit bestel als zodanig zou hebben bestaan, dat zij haar huidige rijpingscapaciteit reeds zou hebben gehad en dat zij in staat zou zijn geweest deze ten volle te exploiteren. Aangezien de door rekwirante ingeroepen structurele moeilijkheid" dus niet is bewezen, volgt hieruit a fortiori dat de verergering hiervan door de overgang naar de GMO evenmin is bewezen.
43. Concluderend meen ik dus inzake het eerste middel, dat het Gerecht artikel 30 van verordening nr. 404/93 correct heeft toegepast door te onderzoeken of de door rekwirante aangevoerde problemen werden veroorzaakt door de overgang naar de GMO. De conclusie van het Gerecht dat die problemen niet door de overgang naar het GMO werden veroorzaakt, is bovendien een feitelijke beoordeling die buiten het kader van de onderhavige hogere voorziening valt. Hoe dan ook is gebleken, dat de gehele redenering die rekwirante baseert op zogenaamde structurele problemen, niet overtuigend is.
44. Ik geef het Hof dan ook in overweging het eerste middel van rekwirante af te wijzen.
Schending van het beginsel van gelijke behandeling
Argumenten van partijen
45. Onder dit tweede middel voert Cordis hoofdzakelijk dezelfde argumenten aan als onder het eerste. Volgens rekwirante miskent het bestreden arrest het gelijkheidsbeginsel, dat niet alleen verbiedt vergelijkbare situaties verschillend, maar ook verschillende situaties gelijk te behandelen. Cordis merkt in dit verband op dat de nieuwe ondernemingen op het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek zich alle in dezelfde situatie bevonden: wegens de deling van Duitsland en de politieke en juridische situatie in de Duitse Democratische Republiek tijdens de jaren 1989 en 1990 konden alleen zij geen als referentie dienende rijping verrichten. Volgens het gelijkheidsbeginsel moeten de gemeenschapsinstellingen evenwel rekening houden met deze uitzonderlijke omstandigheden. Zo de Commissie al in het kader van verordening nr. 1442/93 geen rekening wenste te houden met dit bijzonder geval, moest zij ten minste op basis van artikel 30 van verordening nr. 404/93 een overgangsmaatregel nemen. Indien de Commissie een dergelijke regeling had getroffen ter vrijwaring van de fundamentele rechten van de nieuwe ondernemingen, zou de overgang van de nieuwe ondernemingen naar de uit de GMO voortvloeiende situatie gemakkelijker zijn verlopen en zou de doelstelling van artikel 30 zijn bereikt.
46. Anders dan rekwirante stelt, meent de Commissie dat het Gerecht het gelijkheidsbeginsel heeft toegepast als beginsel dat gelijke behandeling van ongelijke situaties verbiedt, zodat het tweede middel op deze enkele grond moet worden afgewezen.
47. Anders dan rekwirante stelt, is ook de stelling ongegrond dat krachtens het beginsel van gelijke behandeling de uitzonderlijke situatie van de na de hereniging opgerichte ondernemingen moet worden bekeken in het raam van de GMO.
48. De Franse regering merkt op, dat dit verschil in behandeling volgens de rechtspraak inherent is aan het doel om voordien gecompartimenteerde markten te integreren. In casu is Cordis niet alleen niet anders behandeld dan de ondernemingen die handel drijven in bananen, maar is haar situatie bovendien niet verergerd ten gevolge van de invoering van de GMO, zoals in het bestreden arrest terecht is vastgesteld.
Beoordeling
49. Vermeld zij, zoals Cordis in herinnering brengt, dat [d]e instellingen van de Gemeenschap [...] met name [moeten] optreden wanneer de overgang naar de gemeenschappelijke ordening der markten inbreuk maakt op de door het gemeenschapsrecht gewaarborgde fundamentele rechten van bepaalde marktdeelnemers, zoals het eigendomsrecht en het recht van vrije beroepsuitoefening".
50. Ofschoon hieruit valt af te leiden, dat de marktdeelnemer eveneens recht heeft op bescherming van zijn fundamenteel recht op gelijke behandeling, moet ook hier worden vastgesteld, dat deze bescherming slechts geldt ingeval de overgang naar de GMO inbreuk maakt op een van de fundamentele rechten.
51. Nu het Gerecht in punt 39 van het bestreden arrest echter heeft vastgesteld, dat het door Cordis ingeroepen nadeel, en dus haar ongelijke" behandeling, niet het gevolg is van de overgang naar de GMO, heeft het het beginsel van gelijke behandeling niet miskend door te oordelen dat op artikel 30 van verordening nr. 404/93 geen beroep kan worden gedaan ter compensatie van dit nadeel.
52. Voorzover nodig breng ik in herinnering, dat het oordeel van het Gerecht dat het door Cordis ingeroepen nadeel niet het gevolg is van de overgang naar de GMO, een feitelijke beoordeling is die buiten het kader van de onderhavige hogere voorziening valt.
53. Ten slotte merk ik vooral op, dat Cordis niet minder gunstig is behandeld dan enige andere rijpingsonderneming die op dezelfde datum elders in de Gemeenschap zou zijn opgericht.
54. Ik geef het Hof dus in overweging het tweede middel af te wijzen.
V - Conclusie
Mitsdien geef ik het Hof in overweging:
- de hogere voorziening af te wijzen;
- Cordis Obst und Gemüse Großhandel GmbH te verwijzen in haar eigen kosten en in die van de Commissie van de Europese Gemeenschappen;
- te verstaan dat de Franse Republiek haar eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy