Conclusie van de advocaat generaal
1. In deze zaak verzoekt de Commissie van de Europese Gemeenschappen conform artikel 226 EG het Hof vast te stellen dat de Italiaanse Republiek de krachtens richtlijn 92/106/EEG van de Raad van 7 december 1992 houdende vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor bepaalde vormen van gecombineerd vervoer van goederen tussen lidstaten op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2. Artikel 2 van deze richtlijn bepaalt dat elke lidstaat gecombineerd vervoer, als gedefinieerd in artikel 1 van die richtlijn, uiterlijk op 1 juli 1993 moet vrijstellen van ieder contingenterings- en vergunningsstelsel.
3. Op 28 juli 1998 heeft de Commissie een met redenen omkleed advies uitgebracht omdat in Italië nog steeds een contingenterings- en vergunningsstelsel voor gecombineerd vervoer van kracht was. Op 22 november 1999 is de onderhavige zaak bij het Hof aanhangig gemaakt. De Italiaanse regering heeft haar niet-nakoming ook erkend. In haar verweerschrift, evenals in dupliek, wijst de Italiaanse regering er op dat door het aanvaarden van decreet nr. 85 van 14 maart 1998, in werking getreden op 22 mei 1998, zij per 1 januari 2001 aan haar verplichtingen zal voldoen. Deze wet voorziet in een volledige liberalisatie per 1 januari 2001 en in een overgangsregeling tot die tijd. Volgens de Italiaanse regering komt daarmee het voorwerp van de onderhavige procedure te vervallen.
4. De Commissie daarentegen stelt zich op het standpunt dat de Italiaanse Republiek nog steeds, althans in elk geval tot 2001, in gebreke is. Zowel de voor inwerkingtreding van decreet nr. 85 geldende regelgeving als het in deze regeling vervatte overgangsregime (van april 1998 tot 1 januari 2001) zijn strijdig met de richtlijn. De Italiaanse Republiek had al per 1 juli 1993 aan haar verplichtingen moeten voldoen; de richtlijn staat bovendien geen overgangsregime toe.
5. In het kader van een beroep krachtens artikel 226 EG moet de vraag of verplichtingen niet zijn nagekomen, worden beoordeeld naar de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het eind van de in het met reden omkleed advies gestelde termijn, en kan het Hof met sedertdien opgetreden wijzigingen geen rekening houden. Nu de Commissie geen afstand van instantie heeft gedaan, moet haar verzoek worden toegewezen.
Conclusie
In het licht van de hier weergegeven feiten en omstandigheden geef ik het Hof in overweging:
a) te verklaren dat de Italiaanse Republiek, door na te laten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen tijdig te treffen ter uitvoering van richtlijn 92/106/EEG van de Raad van 7 december 1992 houdende vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor bepaalde vormen van gecombineerd vervoer tussen lidstaten, haar verplichtingen ingevolge bedoelde richtlijn niet is nagekomen;
b) de Italiaanse Republiek ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering in de proceskosten te veroordelen.
Full & Egal Universal Law Academy