Conclusie van de advocaat generaal
1. Met het onderhavige beroep verzoekt de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof vast te stellen dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te treffen die nodig zijn om te voldoen aan de artikelen 8, lid 3, en 9, lid 2, van richtlijn 97/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 april 1997 betreffende een gemeenschappelijk kader voor algemene machtigingen en individuele vergunningen op het gebied van telecommunicatiediensten, de krachtens die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen. De Commissie verzoekt bovendien, dat het Groothertogdom Luxemburg in de kosten wordt verwezen.
2. Enkele bepalingen van het Luxemburgse recht zouden niet in overeenstemming zijn met de richtlijn en er zouden nog enkele maatregelen moeten worden genomen om volledige uitvoering van de richtlijn te verzekeren.
3. Bij brief van 24 juli 1998 maande de Commissie de Luxemburgse regering aan binnen een termijn van twee maanden haar opmerkingen in te dienen.
4. De Luxemburgse regering diende bij brief van 18 september 1998 haar opmerkingen in. Zij stelde de Commissie vervolgens in kennis van een groothertogelijke verordening die ten dele op de richtlijn betrekking heeft.
5. Van mening dat de Luxemburgse autoriteiten geen toereikend antwoord hadden gegeven op de in de aanmaningsbrief geformuleerde grieven, zond de Commissie de Luxemburgse regering bij brief van 8 februari 1999 een met redenen omkleed advies, waarop die regering bij brief van 13 april 1999 heeft geantwoord.
6. De Commissie formuleert twee grieven jegens het Groothertogdom Luxemburg.
7. Zij stelt, dat laatstgenoemde de in artikel 8, lid 3, neergelegde verplichting dat de lidstaten er zorg voor dragen dat de informatie over de voorwaarden die aan enigerlei individuele vergunning worden verbonden, op geëigende wijze wordt bekendgemaakt, niet is nagekomen.
8. Niet alle door dat artikel voorgeschreven informatie zou zijn bekendgemaakt. De groothertogelijke verordening betreffende de voorwaarden van het bestek voor het exploiteren van een semafoondienst, die wordt bedoeld in artikel 7, lid 2, sub e, van de Luxemburgse wet van 21 maart 1997 inzake de telecommunicatie, zou niet zijn vastgesteld.
9. Bovendien is de Commissie van oordeel, dat de in artikel 9, lid 2, tweede streepje, van de richtlijn, geformuleerde verplichting volgens welke de lidstaten die voornemens zijn individuele vergunningen te verlenen, redelijke termijnen moeten vaststellen die niet meer dan zes weken na ontvangst van de aanvraag mogen bedragen, niet correct is nagekomen.
10. Volgens artikel 4, lid 4, van de groothertogelijke verordening van 2 juli 1998 houdende vaststelling van de criteria en de procedures voor het verlenen van telecommunicatievergunningen op aanvraag, bedraagt de termijn voor onderzoek door het Institut luxembourgeois des télécommunications zes weken. Daarbij komt nog een termijn van dertig dagen, die aan de aanvrager wordt verleend om zijn opmerkingen in te dienen, en een termijn van vijftien dagen na ontvangst van die opmerkingen, voor een antwoord van het ILT. De minister beschikt vervolgens over een termijn van vijftien dagen om zijn besluit te nemen, waarmee de totale termijn drie en een halve maand of meer bedraagt.
11. De Commissie merkt op, dat volgens artikel 9, lid 2, van de richtlijn een dergelijke uitbreiding van de wettelijke termijn niet systematisch mag gebeuren, maar slechts in specifieke gevallen mag worden toegestaan. Volgens haar is het Groothertogdom Luxemburg, door niet te bepalen dat een aanvrager binnen een termijn van zes weken wordt ingelicht over het besluit omtrent zijn vergunningaanvraag, de in de richtlijn geformuleerde verplichting niet nagekomen.
12. In haar verweerschrift verklaart de Luxemburgse regering, dat een ontwerp van groothertogelijke verordening die de voorwaarden van het bestek voor het opzetten en exploiteren van een semafoondienst vaststelt, op 7 december 1999 voor advies naar de Conseil d'État is gezonden, en dat de Commissie daarvan begin december 1999 in kennis is gesteld. Zij voegt daaraan toe, dat het advies van de raadgevende instanties waaraan het ontwerp is voorgelegd, weinig tijd vergt, zodat de uitvoering in de loop van het eerste semester van 2000 zal zijn voltooid.
13. Aangaande de grief inzake onjuiste uitvoering van de richtlijn stelt de Luxemburgse regering, dat artikel 5 van de verordening van 1998 in overeenstemming is met artikel 9, lid 2, van genoemde richtlijn. Zij betoogt, dat die tekst aldus dient te worden gelezen dat de betrokken lidstaat verplicht is om de aanvrager binnen de gestelde termijn over het lot van zijn aanvraag in te lichten, maar niet om hem binnen die termijn een definitieve vergunning te verlenen. Artikel 5 van de verordening van 1998 bepaalt dan ook, dat de aanvrager een ontwerp-vergunning of een ontwerp-weigering ontvangt.
14. In repliek wijst de Commissie erop, dat de Luxemburgse autoriteiten de inbreuk niet betwisten. Zij voegt daaraan toe, dat de richtlijn de verplichting oplegt om de aanvrager binnen een termijn van zes weken een besluit mee te delen waarbij hem een vergunning wordt verleend of geweigerd. De procedure waarin het Luxemburgse recht voorziet, mondt daarentegen uit in een termijn van drie en een halve maand of meer, en overschrijdt derhalve ruimschoots de in de richtlijn bepaalde termijn van zes weken.
De niet-nakoming
15. De richtlijn regelt de procedures die samenhangen met de verlening van, en de voorwaarden die verbonden zijn aan, machtigingen voor de verstrekking van telecommunicatiediensten, daaronder begrepen machtigingen voor de totstandbrenging en de exploitatie van de voor het verlenen van die diensten benodigde telecommunicatienetwerken.
16. Volgens artikel 25, eerste alinea, van de richtlijn, doen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden en maken zij de aan machtigingen verbonden voorwaarden en procedures bekend, teneinde zo spoedig mogelijk en uiterlijk op 31 december 1997 aan de richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
17. Aangaande de eerste grief van de Commissie moet worden vastgesteld, dat de Luxemburgse regering op nogal tegenstrijdige wijze concludeert tot afwijzing van het verzoek terwijl zij toegeeft, dat zij de Commissie pas in december 1999, dus twee jaar na het verstrijken van de in artikel 25 van de richtlijn gestelde termijn, in kennis heeft gesteld van een ontwerp-verordening. Uit het verweerschrift blijkt verder, dat de verordening waarnaar de Luxemburgse regering verwijst, geen definitieve tekst is en derhalve niet als een daadwerkelijke omzetting van de richtlijn in het positieve recht van deze lidstaat kan worden aangemerkt.
18. Derhalve moet worden vastgesteld, dat bij gebreke van een tekst die de voorwaarden van het bestek voor de exploitatie van een semafoondienst vaststelt, of in elk geval bij gebreke van vaststelling van een dergelijke tekst binnen de in de richtlijn gestelde termijn, artikel 8, lid 3, van de richtlijn niet volledig in nationaal recht is omgezet.
19. Aangaande de tweede grief, niet-inachtneming van artikel 9, lid 2, van de richtlijn door het Groothertogdom Luxemburg, moeten de exacte bewoordingen van die bepaling in herinnering worden geroepen.
20. Artikel 9, lid 2, luidt als volgt:
Indien een lidstaat voornemens is individuele vergunningen te verlenen:
- geschiedt dit door middel van open, niet-discriminerende en transparante procedures en door daartoe alle aanvragers aan dezelfde procedures te onderwerpen, tenzij er een objectieve reden voor het maken van onderscheid is,
en
- stelt hij redelijke termijnen vast; de lidstaat dient, onder andere, zo spoedig mogelijk doch niet later dan zes weken nadat hij de aanvraag heeft ontvangen, aan de aanvrager een besluit over de aanvraag mede te delen. In de bepalingen die voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn worden aangenomen, mogen de lidstaten deze termijn tot vier maanden verlengen in objectief gerechtvaardigde gevallen die specifiek in die bepalingen worden omschreven. Met name in het geval van een procedure van openbare aanbesteding mogen de lidstaten deze termijn met maximaal vier maanden verlengen. Deze termijnen doen geen afbreuk aan eventuele internationale overeenkomsten betreffende internationale frequentie- en satellietcoördinatie."
21. Door te preciseren dat de lidstaat redelijke termijnen" vaststelt, geeft artikel 9, lid 2, tweede streepje, van de richtlijn op ondubbelzinnige wijze uiting aan de bedoeling van de gemeenschapswetgever om de door de lidstaten aan het onderzoek van de individuele vergunningaanvragen bestede tijd te beperken.
22. Blijkens deze bepaling is de lidstaat gehouden, de aanvrager binnen een termijn van ten hoogste zes weken zijn besluit mee te delen. De door de richtlijn verlangde snelle besluitvorming van de bevoegde autoriteiten en het ontbreken van enige verwijzing naar het eventueel voorlopige karakter van het besluit, rechtvaardigen dat artikel 9, lid 2, tweede streepje, aldus wordt uitgelegd, dat de besluiten die binnen de door dat artikel gestelde termijn moeten worden genomen, een definitief karakter hebben.
23. Uit het verweerschrift blijkt evenwel, dat volgens de Luxemburgse regering, de lidstaten de aanvrager over het lot van aanvraag" moeten inlichten, maar dat zij niet gehouden zijn hem binnen die termijn een definitieve vergunning te verlenen. Wanneer deze uitdrukking tegen de achtergrond van de artikelen 4 en 5 van de verordening van 1998 wordt gelezen, blijkt daaruit, dat volgens die tekst het door de nationale autoriteiten binnen de daartoe gestelde termijn van zes weken aan de aanvrager mee te delen besluit niet noodzakelijk definitief is.
24. Artikel 4, lid 4, van de verordening van 1998 bepaalt immers, dat het ILT over een termijn van zes weken beschikt om een ontwerp-vergunning of een ontwerp-weigering voor te bereiden en aan de aanvrager toe te zenden", hetgeen impliceert dat het besluit, naar zijn aard, kan worden gewijzigd. Deze interpretatie wordt bevestigd door artikel 5 van die verordening, volgens hetwelk de minister over de toekenning van de vergunning beslist, zonder dat uit dat artikel blijkt dat hij aan het ontwerp of aan het oorspronkelijke besluit van het ILT is gebonden, een bevoegdheid die, veronderstellenderwijs, wordt uitgeoefend na het verstrijken van de termijn van zes weken waarover het ILT beschikt om de aanvrager in te lichten.
25. Derhalve blijkt, dat het Groothertogdom Luxemburg de richtlijn niet volledig in zijn nationale recht heeft omgezet.
26. Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien het Groothertogdom Luxemburg in het ongelijk is gesteld, dient het overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.
Conclusie
27. Mitsdien geef ik het Hof in overweging:
1) vast te stellen dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 97/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 april 1997 betreffende een gemeenschappelijk kader voor algemene machtigingen en individuele vergunningen op het gebied van telecommunicatiediensten, de krachtens die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;
2) het Groothertogdom Luxemburg in de kosten te verwijzen.
Full & Egal Universal Law Academy