Conclusie van de advocaat generaal
1. Deze hogere voorziening is ingesteld (hierna: Bank") tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 28 september 1999, Hautem/Europese Investeringsbank (T-140/97, JurAmbt. blz. II-897, hierna: bestreden arrest"). Het Gerecht verklaarde het besluit van de Bank van 31 januari 1997 nietig waarbij M. Hautem tuchtrechtelijk was ontslagen, en veroordeelde de Bank tot betaling van de bezoldiging die deze sedert zijn ontslag had moeten ontvangen. De Bank vordert thans gedeeltelijke vernietiging van dit oordeel.
Rechtskader
2. De statuten van de Bank zijn opgenomen in een protocol dat is gehecht aan het oorspronkelijke EEG-Verdrag (thans het EG-Verdrag) en daarvan een integraal onderdeel uitmaakt. Krachtens de statuten heeft de Raad van gouverneurs op 4 december 1958 het Reglement van orde van de Bank goedgekeurd, en vervolgens regelmatig herzien. Op basis van artikel 29 van het Reglement van orde dient de Raad van bewind een personeelsreglement vast te stellen, hetgeen is gebeurd op 20 april 1960 (hierna: Personeelsreglement"). Het personeel van de Bank is onderworpen aan de voorschriften die het Personeelsreglement bevat.
3. In de onderhavige procedure zijn met name de artikelen 1, 4, 5, 13, 38, 41 en 44 van het Personeelsreglement van belang.
Artikel 1 van het Personeelsreglement luidt:
De leden van het personeel dienen tijdens de uitoefening van hun functies en buiten de dienst, een houding in acht te nemen die overeenkomt met het internationale karakter van de Bank en met hun functies."
In artikel 4 van het Personeelsreglement is de volgende verplichting neergelegd:
De leden van het personeel dienen hun activiteiten in dienst van de Bank te stellen. Zonder voorafgaande toestemming van de Bank, kunnen zij niet:
1) er buiten enige beroepsactiviteit uitoefenen, in het bijzonder van commerciële aard [...]
[...]."
Voor de gezinsleden van het personeel van de Bank verklaart artikel 5 van het Personeelsreglement:
De leden van het personeel maken een keer per jaar, en telkens wanneer een verandering heeft plaatsgevonden, de situatie van hun gezin bekend en, in voorkomend geval, de beroepsactiviteiten die door hun echtgenoot worden uitgeoefend, dan wel de betrekkingen of de bezoldigde werkzaamheden die door laatstgenoemde worden verricht.
[...]."
Artikel 38 van het Personeelsreglement vermeldt de disciplinaire maatregelen die kunnen worden genomen tegen personeelsleden van de Bank:
De leden van het personeel die hun verplichtingen niet nakomen kunnen worden veroordeeld, afhankelijk van het geval, tot de volgende maatregelen:
[...]
3) ontslag op staande voet wegens dringende redenen, met of zonder inhouding van de vertrektoelage;
[...]."
Artikel 13 van het Personeelsreglement bepaalt over de verhouding tussen de Bank en haar personeel:
De betrekkingen tussen de Bank en de leden van het personeel worden in beginsel door individuele overeenkomsten in het kader van het onderhavige reglement geregeld. Het reglement vormt een integrerend onderdeel van deze overeenkomsten."
Artikel 44 van het Personeelsreglement stelt bovendien:
Op de individuele overeenkomsten gesloten in het kader van het onderhavige reglement, krachtens artikel 13, zijn de algemene rechtsbeginselen van toepassing welke de lidstaten van de Bank gemeen hebben."
In artikel 41 van het Personeelsreglement wordt de rechtsmacht van het Hof geregeld:
Alle individuele geschillen tussen de Bank en haar personeel worden beslist door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen."
4. Het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: Ambtenarenstatuut") bevat in artikel 91 het volgende over de bevoegdheid van het Hof:
1. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is bevoegd uitspraak te doen in elk geschil tussen de Gemeenschappen en een van de in dit Statuut bedoelde personen, dat betrekking heeft op de wettigheid van een besluit waardoor deze persoon zich bezwaard acht in de zin van artikel 90, lid 2. Bij geschillen van geldelijke aard heeft het Hof van Justitie volledige rechtsmacht.
[...]."
De feiten en de procedure
5. De aan de hogere voorziening ten grondslag liggende feiten worden in de punten 6 tot en met 24 van het bestreden arrest uiteengezet. Zij kunnen als volgt worden weergegeven.
6. Hautem is sinds 16 december 1994 in dienst van de Bank en werkzaam als bode. Hautem en Yasse, eveneens bode bij de Bank, zijn medeoprichters en aandeelhouders van elk 16 % van de onderneming Mon de l'Evasió. De onderneming, opgericht in Andorra in april 1996, houdt zich bezig met het invoeren, uitvoeren en de groot- en kleinhandel, alsmede de promotie, van boeken, publicaties en reclamemateriaal. Per 1 juli 1996 is het management van de onderneming formeel in handen van de echtgenote van Hautem.
7. Op 28 oktober 1996 ontving de Bank per fax een brief gedateerd 1 oktober 1996, met als briefhoofd de SARL Skit-Ball, gevestigd te Marseille, en ondertekend door Ingargiola. De brief was gericht aan het hoofd van de personeelsafdeling van de Bank, Chevlin. Het onderwerp van de brief luidde:
Litige concernant un transaction commerciale entre la société Skit-Ball et les personnes citées: M. Yasse Bernard se disant directeur financier, M. Hautem Michel se disant responsable du secteur informatique de cette dite Banque."
Ingargiola sommeerde geadresseerde er voor te zorgen dat een bedrag van 46 500 FFR zou worden overgemaakt aan de onderneming van de afzender, ter betaling van de aankoop van een Skit-Ball, een mobiele tentoonstellingsstand die dient voor verkoop, promotiedoeleinden, informatievoorziening of animatie. In het andere geval dreigde hij juridische stappen te ondernemen tegen Yasse en Hautem. De brief ging vergezeld van de kopieën van een aantal documenten:
- een brief gedateerd 6 september 1996 van Yasse, met als briefhoofd de onderneming Mon de l'Evasió, Yasse Bernard, administrateur délégué-Département juridique, délégation commerciale Benelux, 5 rue de l'Église, L-4994 Schouweiler". In deze brief verstrekt Yasse informatie betreffende de onderneming Mon de l'Evasió, te weten een handelsregistratienummer, een BTW-nummer en het adres van een intermediaire onderneming;
- een cheque ten gunste van de onderneming Skit-Ball in opdracht van de onderneming Mon de l'Evasió, Crédit Andorrà, ondertekend door Yasse op 9 september 1996 ten bedrage van 46 500 FFR;
- een brief van 27 september 1996, gericht aan Ingargiola, kennelijk geschreven en ondertekend door Hautem, waarin hij blijk geeft van enige problemen met een stand Skit-Ball verkregen door de onderneming Mon de l'Evasió.
- een mededeling van de Société marseillaise de crédit van 30 september 1996 waarin de onderneming Skit-Ball op de hoogte wordt gesteld van de afwijzing van een cheque van 46 500 FFR.
8. Op 4 november 1996 heeft de Bank het telebericht van Ingargiola van 28 oktober 1996 medegedeeld aan Hautem, evenals de bijlagen, en hem om een verklaring gevraagd. Per brief van 6 november 1996 heeft Hautem geantwoord dat de beweringen van Ingargiola in het telebericht vals waren, en met betrekking tot de brief van 27 september 1996, kennelijk door hem geschreven, dat zijn echtgenote zijn naam en zijn handtekening heeft gebruikt om te proberen de problemen te regelen die waren gerezen met de onderneming Skit-Ball.
9. De Bank heeft vervolgens het private beveiligingsbedrijf International Security Company BV (Interseco) (hierna: Interseco") opdracht gegeven een onderzoek in te stellen naar deze zaak. Interseco heeft de Bank op 28 november 1996 een rapport gestuurd (hierna: rapport Interseco").
10. Bij brief van 7 november 1996 stelt de Bank Hautem voor drie maanden op non-actief. In die drie maanden zou een paritaire commissie conform artikel 38 van het Personeelsreglement zich over de zaak buigen. Zijn salaris zou worden gehandhaafd, maar de toegang tot de kantoren van de Bank wordt hem ontzegd.
11. Bij brief van 19 november 1996, gericht aan de Bank, is Ingargiola teruggekomen op zijn beschuldigingen tegen Hautem en Yasse in het telebericht van 28 oktober 1996. Ingargiola verklaart dat Hautem en Yasse nooit gebruik hebben gemaakt van de hoedanigheid of de naam van de Bank en dat zij geen commerciële contacten hebben gehad met de onderneming Skit-Ball voor eigen rekening of voor rekening van de Bank.
12. Een intern onderzoek binnen de Bank bracht, naast een aantal compromitterende telefoongesprekken, het bestaan aan het licht van vier documenten op de harde schijf van de computer die werd gebruikt door Yasse en die betrekking hadden op activiteiten welke geen verband hielden met zijn beroep:
- een telebericht, met als briefhoofd World Escape - Mon de l'Evasió", geadresseerd aan Crédit Andorrà, de heer Miguel Muntadas, waarbij deze de instructie werd gegeven om het bedrag van 20 000 FFR over te maken op de rekening van de onderneming Skit-Ball. Onder de rubriek afzender" stond vermeld Yasse Bernard - administrateur";
- een identiek telebericht als het voorgaande qua formaat, afzender, datum en handtekening, geadresseerd aan een expositieruimte, betreffende de deelname van de onderneming Mon de l'Evasió aan een jaarbeurs;
- een telebericht gericht aan mevrouw Schruger, Pegastar SA, gedateerd 7 november 1996, met als briefhoofd World Escape - Mon de l'Evasió" en betreffende de zending van 12 boeken. Onder de rubriek afzender" stond vermeld Yasse Bernard-Mon de l'Evasió SL";
- een getuigschrift bestemd voor Crédit Andorrà, waarbij Yasse en Hautem als cliënten werden aanbevolen.
13. Het overzicht van de telefoongesprekken toonde aan dat Yasse in de maanden augustus en september 1996, vanaf zijn werkplek op de Bank, vijf keer heeft getelefoneerd met de onderneming Skit-Ball en acht keer met de Crédit Andorrà. Hautem heeft een keer in augustus en een keer in september gebeld met de onderneming Skit-Ball.
14. Op 31 januari 1997 neemt de president van de Bank het besluit, gebaseerd op het unanieme oordeel van de paritaire commissie, om Hautem krachtens artikel 38, derde alinea, van het Personeelsreglement op staande voet te ontslaan, met behoud van de vertrektoelage, wegens schending van de artikelen 1, 4 en 5 van het Personeelsreglement (hierna: ontslagbesluit"). Het ontslagbesluit zet de volgende punten uiteen:
- Hautem heeft samen met een collega een onderneming opgericht onder de naam Mon de l'Evasió, en heeft, zonder de Bank daarover in te lichten, commerciële activiteiten verricht voor rekening van deze onderneming.
- Hautem heeft zich bij de uitoefening van deze activiteiten beroepen op het feit dat hij onderdeel uitmaakt van de Bank.
- Hautem heeft voor zijn commerciële activiteiten gebruik gemaakt van de materiële middelen van de Bank. In bepaalde gevallen, zoals bij het gebruik van de telefax, zijn de eigen kenmerken van de Bank niet bedekt, waardoor bij de correspondenten de indruk kan zijn gewekt dat de Bank bij zijn activiteiten is betrokken.
- De uitleg van Hautem van de wijziging in de houding van Ingargiola en de verklaring van Hautem volgens welke hij niet persoonlijk faxen vanuit de Bank op naam van de onderneming Mon de l'Evasió zou hebben verzonden, zijn in tegenspraak met zijn gedraging en de logische samenhang van het dossier.
- Hautem heeft de Bank niet ingelicht over de activiteiten van zijn echtgenote in het kader van de onderneming Mon de l'Evasió.
- Deze omstandigheden in overweging genomen, brengt de president tot de vaststelling dat er voldoende aanwijzingen bestaan om aan te nemen dat de feiten een schending opleveren van het Personeelsreglement.
- Zoals de paritaire commissie heeft opgemerkt, levert de uitoefening van Hautem van een commerciële activiteit, zonder daarvoor toestemming te hebben verkregen van de Bank, een schending op van artikel 4 van het Personeelsreglement. Deze inbreuk is des te ernstiger omdat Hautem zich bij de uitoefening van deze commerciële activiteit heeft beroepen op zijn verbondenheid met de Bank en gebruik heeft gemaakt van de communicatiemiddelen van de Bank.
- Het niet aanmelden van de functies die de echtgenote van Hautem vervult, levert een schending op van artikel 5 van het Personeelsreglement.
- Bovendien is zijn algemene houding zoals die uit de vermelde omstandigheden blijkt, niet in overeenstemming met de houding die men mag verwachten van een agent van de Bank. Deze houding levert een schending op van artikel 1 van het Personeelsreglement.
15. In het ontslagbesluit wordt verder geen melding gemaakt van het gebruik van de telefoonvoorzieningen van de Bank door Hautem.
16. Op 31 januari 1997 heeft de president een soortgelijk besluit tot ontslag genomen met betrekking tot Yasse. Hem wordt schending van de artikelen 1 en 4 van het Personeelsreglement verweten.
17. Op 29 april 1997 is Hautem tegen het ontslagbesluit in beroep gegaan bij het Gerecht. Het beroep is geregistreerd onder zaaknummer T-140/97. Yasse is op dezelfde dag in beroep gegaan tegen zijn besluit tot ontslag. In de uitspraak van 28 september 1999 in zaak T-141/97 verwerpt het Gerecht de vordering van Yasse tot nietigverklaring van het besluit tot ontslag en tot schadevergoeding (JurAmbt. blz. II-929; hierna arrest Yasse").
18. De zaken T-140/97 en T-141/97 zijn door het Gerecht gevoegd voor de hoorzitting. Tijdens de procedure werden Hautem en Yasse oorspronkelijk vertegenwoordigd door dezelfde raadslieden, maar door gerezen tegengestelde belangen van beide heren is de verdediging van Hautem overgenomen door een nieuwe raadsman.
Het bestreden arrest
19. In zaak T-140/97 is het beroep van Hautem onder meer gericht op, enerzijds, nietigverklaring van het besluit van de Bank van 31 januari 1997 waarbij hij tuchtrechtelijk is ontslagen, zonder verlies van vertrektoelage, en herplaatsing in zijn ambt, en, anderzijds, de veroordeling van de Bank tot vergoeding van de schade die hij heeft geleden. In het geval van herplaatsing, verzoekt Hautem onder meer betaling van achterstallig salaris. Hautem heeft ter staving van zijn vordering zes middelen aangevoerd. Het Gerecht is in het bestreden arrest inhoudelijk slechts ingegaan op het tweede middel, gebaseerd op een klaarblijkelijk onjuiste beoordeling van de feiten. Hierna volgen, in enigszins samengevatte vorm, de voornaamste overwegingen van het Gerecht ten aanzien van dit middel.
20. Het Gerecht stelt vast dat het moet onderzoeken of de Bank de feiten klaarblijkelijk onjuist heeft beoordeeld bij het nemen van het ontslagbesluit. Een dergelijk besluit houdt noodzakelijkerwijs een nauwgezette beoordeling in van de instelling, die rekening moet houden met de serieuze en onherroepelijke gevolgen die uit het besluit voortvloeien. De instelling beschikt, op dat punt, over een ruime beoordelingsbevoegdheid, en de rechterlijke controle beperkt zich tot een verificatie van de materiële feiten die in aanmerking zijn genomen en de afwezigheid van een klaarblijkelijke beoordelingsfout van de feiten (bestreden arrest, punt 66).
21. In het bestreden besluit heeft de Bank ten opzichte van verzoeker verschillende grieven in aanmerking genomen, zonder uitdrukkelijk aan te voeren op welke elementen ze zijn gegrond. Om vast te stellen of er een klaarblijkelijke fout is gemaakt bij de beoordeling van de feiten, moeten de aan verzoeker verweten feiten en de door de Bank aangevoerde documenten worden onderzocht (bestreden arrest, punt 67).
22. Zijn hoedanigheid als oprichter van de onderneming Mon de l'Evasió, met een deelname van 16 %, levert, aldus het Gerecht, geen bewijs op voor de uitoefening van een commerciële activiteit. De hoedanigheid van oprichter-aandeelhouder staat niet gelijk aan die van beheerder en derhalve moet worden geverifieerd of verzoeker daadwerkelijk heeft deelgenomen aan de activiteiten van de onderneming (bestreden arrest, punt 68).
23. In tegenstelling tot hetgeen is aangevoerd in het bestreden besluit en door de Bank, is volgens het Gerecht niet vastgesteld dat verzoeker op onrechtmatige wijze de naam van de Bank heeft gebruikt of dat hij zich heeft laten voorstaan op zijn verbondenheid met de Bank op een wijze die strijdig is met het Personeelsreglement. In zijn brief, verzonden per fax op 28 oktober 1996, kwalificeert Ingargiola Hautem als verantwoordelijk voor de sector informatica" van de Bank. Ingargiola heeft echter zelf in zijn verklaring aan Interseco toegegeven dat, tijdens hun enige ontmoeting, Hautem hem had verteld dat hij was tewerkgesteld als bode van de Bank". Bovendien bevestigt Ingargiola: Yasse deed zich voor als een belangrijk iemand van de financiële afdeling, vandaar dat ik de functie van Hautem heb verondersteld". Zijn vrouw had bij gelegenheid verteld dat haar echtgenoot iets met computers deed" (bestreden arrest, punt 69).
24. Wat betreft het gebruik van de materiële middelen van de Bank voor financiële doeleinden, stelt het Gerecht vast dat de deelname van Hautem aan het opstellen van de vier documenten die zijn aangetroffen in de computer van Yasse niet kan worden gekwalificeerd als gebruik van middelen voor commerciële doeleinden met een systematisch karakter. Het enkele feit dat Hautem heeft deelgenomen aan de totstandkoming van deze documenten, zelfs als dat kan worden beschouwd als hulp aan de uitoefening van een commerciële activiteit, betekent geen uitoefening van een commerciële beroepsactiviteit in de zin van artikel 4 van het Personeelsreglement. Tot slot, en anders dan in het bestreden besluit is aangegeven, kon het gedrag van Hautem niet doen geloven aan de betrokkenheid van de Bank bij zijn activiteiten. Immers, de betrokken documenten zijn door verzoeker niet naar de geadresseerden gezonden, en zijn handtekening ontbreekt eronder (bestreden arrest, punt 70).
25. Het Gerecht merkt op over de consequenties die moeten worden getrokken uit de brief van Ingargiola, verstuurd per fax op 28 oktober 1996, dat verzoeker inderdaad zelf zijn deelname heeft toegegeven aan de commerciële transactie die door Ingargiola aan het licht is gebracht. Echter, deze heeft aan Interseco verklaard dat Yasse en mevrouw Hautem zich hadden gepresenteerd als de eigenaren van de onderneming Mon de l'Invasió", en dat zij een stand Skit-Ball hadden gekocht. Ingargiola heeft benadrukt dat hij verzoeker niet meer dan één keer heeft ontmoet en dat, bij die gelegenheid, deze hem had uitgelegd dat zijn vrouw de zaken in het bedrijf Mon de l'Evasió regelde samen met Yasse". Ingargiola heeft eveneens aangegeven dat hij de indruk had dat verzoeker niets te maken had met de onderneming Mon de l'Evasió". Derhalve kon de brief die Ingargiola heeft gefaxt op 28 oktober 1996 niet voldoende bewijs opleveren voor de uitoefening van een commerciële beroepsactiviteit door Hautem (bestreden arrest, punt 71).
26. Aangaande de herroepingsbrief van Ingargiola van 19 november 1996, benadrukt het Gerecht dat, wat Hautem betreft, zijn inhoud wordt bevestigd door de voornoemde verklaringen van Ingargiola en daarmee in overeenstemming zijn. Bovendien heeft de Bank daar geen enkel bewijselement tegenover gesteld (bestreden arrest, punt 72).
27. Wat betreft de brief van 27 september 1996 die aan Hautem wordt toegerekend, stelt het Gerecht vast dat die geen enkel bewijs oplevert dat, zoals hij heeft gesteld, deze is geschreven en ondertekend door zijn echtgenote. De redenen die, volgens Hautem, zijn echtgenote ertoe hebben gebracht om deze brief te schrijven alsof hij de auteur was, zijn niet aannemelijk. Immers, tijdens de hoorzitting heeft Hautem opgemerkt dat zijn echtgenote er de voorkeur aan had gegeven zo te handelen omdat hij degene was die had geantwoord op het telefoongesprek van Ingargiola betreffende de stand Skit-Ball. Ingargiola, op zijn beurt, heeft het bestaan toegegeven van dit telefoongesprek met Hautem, waarin deze hem had verklaard dat zijn vrouw, verantwoordelijk voor deze zaak, op dat moment afwezig was. Welnu, het is onlogisch om te veronderstellen dat, terwijl op 24 september verzoeker deze verklaring had afgelegd tegenover Ingargiola, mevrouw Hautem heeft geloofd dat zij de brief moest schrijven die aan Ingargiola is geadresseerd op 27 september 1996, dat wil zeggen drie dagen later, en met betrekking tot de stand Skit-Ball, alsof die afkomstig was van haar echtgenoot in de functie van administrateur délégué, management et marketing" van de onderneming Mon de l'Evasió. De brief van 27 september 1996 bevestigt, door te veronderstellen dat die was geschreven en ondertekend door mevrouw Hautem, de deelname van Hautem aan deze commerciële handeling. Daarentegen is deze deelname niet van dien aard om vast te stellen dat Hautem een commerciële beroepsactiviteit heeft uitgeoefend (bestreden arrest, punt 73).
28. Bovendien moet worden opgemerkt dat zowel de documenten die in de bijlage bij de brief van Ingargiola is verzonden per fax van 28 oktober 1996, te weten de brief van 6 september 1996 van Yasse en cheque nr. 6 555 542, ondertekend door laatstgenoemde, als de documenten die door de Bank zijn gepresenteerd in de bijlage bij de dupliek, te weten de telexberichten van 24 september en van 2 oktober 1996, beide ondertekend door Yasse, op geen enkele wijze de uitoefening door Hautem van commerciële activiteiten vaststellen (bestreden arrest, punt 74).
29. Uit het voorgaande leidt het Gerecht af dat de bewijselementen die door de Bank zijn aangevoerd, in hun samenhang bekeken, aantonen dat verzoeker, zoals hij zelf ook heeft toegegeven, bij gelegenheid ondersteuning heeft gegeven aan zowel zijn echtgenote als aan Yasse bij de uitoefening van een commerciële activiteit en dat hij heeft deelgenomen aan een commerciële handeling - te weten de aankoop van de stand Skit-Ball door de onderneming Mon de l'Evasió. Niettemin kan vanwege het incidentele karakter en de beperkte reikwijdte ervan, deze medewerking van verzoeker niet worden gekwalificeerd als de uitoefening van een commerciële beroepsactiviteit in de zin van artikel 4 van het Personeelsreglement. Evenzo is niet bewezen dat verzoeker zich heeft laten voorstaan op zijn verbondenheid aan de Bank, dat hij de Bank bij zijn activiteiten heeft betrokken noch dat hij persoonlijk gebruik heeft gemaakt van de materiële middelen ervan (bestreden arrest, punt 75).
30. De Bank heeft dus een klaarblijkelijke beoordelingsfout gemaakt van de feiten. Daarom aanvaardt het Gerecht het beroep en wordt het bestreden besluit nietig verklaard, zonder dat het Gerecht het nodig acht om de grief te onderzoeken betreffende het verzuim van verzoeker om de activiteit van zijn echtgenote in het kader van de onderneming Mon de l'Evasió te melden, noch de overige middelen die in het onderhavige beroep tot nietigverklaring zijn aangevoerd (bestreden arrest, punt 76).
31. Aangezien het Gerecht bevoegd is volgens artikel 41 van het Personeelsreglement uitspraak te doen over alle individuele geschillen tussen de Bank en zijn ambtenaren, is het passend om, bij analogie, de regeling toe te passen die is neergelegd in artikel 91, lid 1, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, volgens hetwelk het Gerecht volledige rechtsmacht heeft bij geschillen van geldelijke aard. Dientengevolge wordt de Bank veroordeeld tot betaling aan Hautem van de bezoldiging die deze sedert zijn ontslag had moeten ontvangen (bestreden arrest, punt 77).
32. Het Gerecht verklaart voor recht:
1) Het besluit van de Europese Investeringsbank van 31 januari 1997 waarbij verzoeker is ontslagen zonder verlies van de vertrektoelage, wordt nietig verklaard.
2) De Europese Investeringsbank wordt veroordeeld tot betaling aan verzoeker van de bezoldiging die deze sedert zijn ontslag had moeten ontvangen.
3) De door verzoeker ingestelde vorderingen tot schadevergoeding worden afgewezen.
4) De door de Europese Investeringsbank ingestelde vordering tot schadevergoeding wordt niet-ontvankelijk verklaard.
5) De Europese Investeringsbank zal haar eigen kosten alsmede die van verzoeker dragen.
De hogere voorziening
33. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 26 november 1999, heeft de Bank krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld tegen het genoemde arrest van het Gerecht van 28 september 1999 in zaak T-140/97. In deze hogere voorziening heeft, op grond van artikel 120 van het Reglement voor de procesvoering, geen mondelinge behandeling plaatsgevonden.
34. De Bank vordert met haar hogere voorziening:
- vernietiging van de punten 1 en 2 van het dictum van het arrest dat het Gerecht van eerste aanleg op 28 september 1999 in zaak T-140/97 heeft gewezen;
- verwijzing van verweerder in zijn eigen kosten.
Hautem concludeert dat het den Hove behage:
- primair, de hogere voorziening niet-ontvankelijk te verklaren, en subsidiair om de hogere voorziening niet gegrond te verklaren;
- de punten 1 en 2 van het dictum van het arrest dat het Gerecht van eerste aanleg op 28 september 1999 in zaak T-140/97 heeft gewezen, te bevestigen;
- rekwirante in hogere voorziening in alle kosten te verwijzen in de twee instanties;
- verweerder alle overige middelen, rechten en vorderingen voor te behouden.
35. Tot staving van haar hogere voorziening voert de Bank twee middelen aan. Het eerste middel is gebaseerd op een onjuiste kwalificatie van de feiten door het Gerecht in het bestreden arrest, alsmede op een onjuiste motivering. Het tweede middel behelst een schending van de contractuele bepalingen die de betrekkingen tussen de Europese Investeringsbank en haar persooneelsleden beheersen.
Ten aanzien van het eerste middel
36. De Bank voert in wezen aan dat het Gerecht een juridisch onjuiste beoordeling heeft gegeven van de feiten, alsmede een gebrekkige motivering, ten aanzien van de artikelen 1, 4 en 5 van het Personeelsreglement. De grieven komen op het volgende neer.
a) Het Gerecht heeft ten onrechte geoordeeld dat de handelingen die zijn verricht door Hautem niet kunnen worden beschouwd als commerciële beroepsactiviteiten in de zin van artikel 4 van het Personeelsreglement.
b) Het Gerecht heeft, door niet alleen te stellen dat Hautem geen commerciële beroepsactiviteiten heeft uitgeoefend, maar ook door aan te nemen dat hij de Bank niet bij zijn activiteiten heeft betrokken en dat hij geen oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van de materiële middelen van de Bank, alsmede door zijn houding gedurende de procedure, ten onrechte geweigerd te erkennen dat Hautem de gedragsregel van artikel 1 van het Personeelsreglement heeft geschonden.
c) Het Gerecht heeft ten onrechte geen belang gehecht aan de niet-geautoriseerde uitoefening van commerciële activiteiten in Andorra door de echtgenote van Hautem, die daarmee in strijd handelde met artikel 5 van het Personeelsreglement.
37. Hautem stelt dat het eerste middel niet-ontvankelijk is omdat het onderdeel een hernieuwd onderzoek van de feiten door het Hof veronderstelt en de grieven zich niet richten op de juridische analyse van het Hof. Ten gronde betoogt Hautem dat het Gerecht het Personeelsreglement op een correcte manier heeft uitgelegd.
38. Voordat ik verder ga met het uiteenzetten van de argumenten van de Bank, is het nuttig om eerst de vaste rechtspraak van het Hof over de ontvankelijkheid van de hogere voorziening in herinnering te roepen.
39. Uit artikel 225 EG en artikel 51, lid 1, van 's Hofs Statuut-EG volgt dat de hogere voorziening beperkt moet blijven tot de rechtsvragen. Zij moet zijn gebaseerd op middelen ontleend aan onbevoegdheid van het Gerecht, onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht, waardoor aan de belangen van de verzoekende partij afbreuk is gedaan, dan wel schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht. De hogere voorziening kan dus alleen zijn gebaseerd op middelen, ontleend aan de schending van rechtsregels door het Gerecht. Het Hof is niet bevoegd om de feiten vast te stellen of te beoordelen, noch, in beginsel, om de bewijzen te onderzoeken die het Gerecht tot staving van die feiten in aanmerking heeft genomen.
40. Niettemin heeft het Hof een aantal omstandigheden aangenomen waarin de feitelijke beoordeling in de hogere voorziening toch aan de orde kan komen. Dit is met name het geval wanneer de feitelijke onjuistheid van hetgeen het Gerecht heeft vastgesteld, voortvloeit uit de hem overgelegde processtukken. Het Hof is bevoegd toezicht uit te oefenen op de wijze waarop het Gerecht de feiten juridisch heeft gekwalificeerd en daaraan rechtsgevolgen heeft verbonden. Ook de vraag of de motivering van een arrest van het Gerecht tegenstrijdig dan wel ontoereikend is, is een rechtsvraag die als zodanig in het kader van een hogere voorziening kan worden aangevoerd.
41. Maar in beginsel kunnen de feiten in de zaak Hautem in de hogere voorziening niet meer ter discussie staan. Die zijn door het Gerecht in het bestreden arrest vastgesteld. Ik leg daar de nadruk op, omdat door de Bank in het verzoekschrift - zoals door Hautem terecht is opgemerkt - een groot aantal omstandigheden is aangevoerd dat ik niet anders kan beoordelen dan een poging van de kant van de Bank om het Hof te vragen alsnog over de feiten te oordelen, een handeling die exclusief aan het Gerecht is toevertrouwd. Ik zal hierna ten aanzien van respectievelijk de artikelen 4, 1 en 5 van het Personeelsreglement eerst de argumenten filteren die in mijn ogen niet-ontvankelijk zijn vanwege het feitelijke karakter ervan, alvorens eventueel ten gronde in te gaan op het betoog van de Bank.
A - De vermeende schending van artikel 4 van het Personeelsreglement
42. Het Gerecht oordeelt dat Hautem niet meer dan incidentele en beperkte bijstand heeft verleend aan zowel zijn vrouw als aan Yasse bij de uitoefening van een commerciële activiteit (bestreden arrest, punten 70-73). Hiertegenover stelt de Bank dat de documenten die door het Gerecht zijn onderzocht, de kern van de handelsactiviteiten vormen van de onderneming Mon de l'Evasió en van de vennoten op het moment waarop de brief van Ingargiola per fax van 28 oktober 1996 aan de Bank werd verzonden. De voorbereiding, de besluitvorming en de uitvoering van deze handelingen brengen noodzakelijkerwijs de uitoefening van een commerciële beroepsactiviteit met zich mee, zowel voor Hautem als voor Yasse. Het Gerecht heeft deze kwalificatie wel toegekend aan de handelingen van Yasse, maar niet aan die van Hautem. Meer concreet betoogt de Bank dat het Gerecht de handelingen van Hautem rechtens onjuist heeft gekwalificeerd op grond van de hierna te noemen omstandigheden.
43. In de eerste plaats heeft het Gerecht ten onrechte de actieve betrokkenheid van Hautem ontkend bij de documenten die zijn aangetroffen in de computer van Yasse. Dit gold met name de aanbeveling van Hautem en Yasse als cliënten bij Crédit Andorrà, voor het openen van een kredietlijn. Voor wat betreft het opstellen en het gebruik van de overige documenten, wijst de Bank erop dat Hautem in zijn verweer met de waarheid strijdige verklaringen over deze documenten heeft afgelegd. Die onjuiste verklaringen zijn naar haar overtuiging nodig geweest om het persoonlijk belang van Hautem bij de activiteiten van de onderneming te verdoezelen. Het Gerecht heeft in punt 70 van het bestreden arrest de activiteiten van Hautem rechtens echter niet op gelijke wijze gekwalificeerd als de identieke handelingen ten opzichte van Yasse in de punten 65 en 77 van het arrest Yasse. De motivering in het bestreden arrest moet op dit punt bovendien als ontoereikend en tegenstrijdig worden beschouwd, aangezien het Gerecht geen rekening heeft gehouden met het feit dat de verklaringen van Hautem inzake deze documenten eveneens, zoals die van Yasse, op geen enkele wijze overeenkomen met de werkelijkheid van de feiten" (arrest Yasse, punt 66).
44. In de tweede plaats betoogt de Bank dat, hoewel Hautem geen documenten heeft ondertekend die naar de Crédit Andorrà zijn gezonden, er, aan de andere kant, geen enkele aanwijzing bestaat dat hij niet heeft deelgenomen aan het besluitvormingsproces omtrent de verzending en het gebruik ervan. Hij heeft immers een direct belang gehad bij de verzending en gebruik van ten minste twee documenten die verband hielden met het getuigschrift waarbij hij en Yasse werden aanbevolen als cliënten voor Crédit Andorrà, met het oogmerk om een kredietlijn te openen, en die vanuit de Bank zijn gefaxt. Ten onrechte is het aandeel van Hautem niet gekwalificeerd als een concrete deelname aan de verwezenlijking van handelingen van duidelijke commerciële aard", zoals de handelingen in punt 65 van het arrest Yasse zijn gedefinieerd. Het Gerecht heeft daarmee een onacceptabele beperking aangebracht op het begrip commerciële handeling" en de Bank vraagt het Hof dit punt ten gronde te herzien.
45. In de derde plaats is de verklaring van Ingargiola aan Interseco (zie bestreden arrest, punt 71), bedoeld om de rol van Hautem in de zaak Skit-Ball te bagatelliseren, volgens de Bank in tegenspraak met de fax die door Ingargiola is verzonden op 28 oktober 1996. Deze verklaring is evenmin verenigbaar met de brief van 27 september 1996 die is opgesteld om te laten geloven dat hij afkomstig is van Hautem als administrateur délégué, management et marketing" van de onderneming Mon de l'Evasió.
46. Wat, in de vierde plaats, de coherentie betreft tussen de fax van 28 oktober 1996 en de herroepingsbrief van Ingargiola van 19 november 1996 (zie bestreden arrest, punt 72), verwijst de Bank naar punt 70 van het arrest Yasse, waaruit zou volgen dat het Gerecht niet gelooft aan de spontaniteit van deze herroeping. Er zou derhalve een tegenstrijdigheid bestaan tussen de waarde die is toegekend aan deze herroeping in de context van het arrest betreffende Hautem, en die betreffende dezelfde herroeping van Ingargiola in de zaak Yasse.
47. Tot slot betoogt de Bank dat de motivering van het Gerecht in punt 73 van het bestreden arrest als ontoereikend en tegenstrijdig moet worden beschouwd. Logisch en coherent redenerend, had het Gerecht rekening moeten houden met het feit dat de brief van 27 september 1996 niet anders dan van Hautem afkomstig kon zijn en bovendien gelezen moet worden in de context van de hem verweten feiten.
- Beoordeling ten aanzien van de ontvankelijkheid
48. Het hierboven in punt 43 vermelde verwijt van de Bank komt erop neer dat het Gerecht, door de assistentie van Hautem bij het verzenden van documenten naar de Crédit Andorrà niet als een commerciële handeling te kwalificeren, onvoldoende heeft gemotiveerd en bovendien een rechtens onjuiste beoordeling van de feiten heeft gegeven. Het Gerecht zou een te enge reikwijdte van het begrip commerciële activiteit" in de zin van artikel 4 van het Personeelsreglement aannemen.
49. In punt 70 van het bestreden arrest heeft het Gerecht echter reeds op grond van de voorliggende bewijzen geoordeeld dat de beperkte betrokkenheid van Hautem aan de totstandkoming van de vier documenten in de computer van Yasse niet als een systematisch gebruik van de middelen van de Bank voor commerciële doeleinden moet worden gekwalificeerd. Dat het Gerecht niet is ingegaan op de eventuele bedoelingen van Hautem aangaande de documenten, is op zichzelf een feitelijke beoordeling die in hogere voorziening niet aan de orde kan worden gesteld. De Bank heeft overigens geen enkel juridisch argument aangevoerd waaruit blijkt waarom het begrip commerciële activiteit door het Gerecht ten onrechte te beperkt zou zijn uitgelegd.
50. In de hierboven in de punten 45 en 47 weergegeven onderdelen van het eerste middel - die erop neerkomen dat het Gerecht ten onrechte aan de aan Hautem verweten feiten niet de conclusie heeft verbonden dat zij een commerciële beroepsactiviteit behelsden - staan de beoordeling van de verklaringen van Ingargiola en het auteurschap van de brief van 27 september 1996 centraal. In het bestreden arrest wordt aan de opeenvolgende verklaringen van Ingargiola aandacht besteed, zowel bij de uiteenzetting van het feitelijke kader als in de beoordeling van dat kader door het Gerecht. Uit de brief van Ingargiola van 19 november 1996, waarbij deze zijn verwijten in het faxbericht van 28 oktober 1996 herroept, en uit gelijkluidende verklaringen tegenover Interseco, leidt het Gerecht af dat het faxbericht van 28 oktober 1996 geen voldoende aanwijzing oplevert dat Hautem een commerciële beroepsactiviteit heeft uitgeoefend. Ten aanzien van de brief van 27 september 1996 aan Ingargiola stelt het Gerecht vast dat Hautem geen enkel bewijs heeft geleverd ter staving van zijn stelling dat deze door zijn echtgenote geschreven en ondertekend zou zijn. Het oordeelt de redenen die, volgens Hautem, zijn echtgenote ertoe zouden hebben gebracht deze brief te schrijven als ware hij daarvan de auteur, als onwaarschijnlijk. Hoe dan ook, zou deze brief de betrokkenheid bevestigen van Hautem bij een commerciële handeling, bestaande uit de aankoop van een stand Skit-Ball. Die betrokkenheid is echter naar het oordeel van het Gerecht niet voldoende om vast te stellen dat Hautem een commerciële beroepsactiviteit heeft uitgeoefend. In essentie concludeert het Gerecht hiermee dat de feiten zoals het die heeft vastgesteld niet de gevolgtrekking toelaten dat Hautem zich aan een verboden beroepsmatig uitgeoefende commerciële activiteit in de zin van artikel 4 van het Personeelsreglement heeft schuldig gemaakt. Dat op de feiten gebaseerde oordeel is in hogere voorziening onaantastbaar.
51. Deze onderdelen van het middel acht ik daarom niet-ontvankelijk.
52. Daarentegen komt het betoog van de Bank in de punten 44 en 46 van deze conclusie erop neer dat het Gerecht in de arresten Hautem en Yasse aan dezelfde of vergelijkbare feiten in beide zaken een onderling tegenstrijdige gevolgtrekking heeft verbonden, respectievelijk inzake de (valse) verklaringen van Yasse en Hautem en de waarde die in beide uitspraken wordt toegekend aan de verklaringen van Ingargiola. Deze tegenstrijdigheden kunnen als mogelijk motiveringsgebrek worden beoordeeld en dat is op zichzelf een rechtsvraag die in het kader van de hogere voorziening kan worden aangevoerd.
- Beoordeling ten gronde
53. Het betoog van de Bank kan ten gronde echter niet worden aanvaard.
54. Een schijnbare tegenstrijdigheid valt aan te treffen in de wijze waarop de valse verklaringen in beide zaken worden beoordeeld. Het betreft de onjuiste verklaringen van Yasse en Hautem over de documenten die in de computer van Yasse zijn aangetroffen. Het Gerecht stelt vast dat deze verklaringen in geen enkel opzicht met de werkelijkheid overeenkomen (arrest Yasse, punten 65 en 66). Echter, anders dan de Bank meent, verbindt het Gerecht geen verschillende rechtsgevolgen aan deze onjuiste verklaringen, maar aan de toedracht van de feiten bij de voorbereiding en verwezenlijking van de betrokken documenten. Op basis daarvan stelt het Gerecht vast dat de betrokkenheid van Yasse bij de zaken van Mon de l'Evasió intensiever en meer structureel van aard was dan die van Hautem.
55. Uit punt 65 van het arrest Yasse blijkt dat deze oud-werknemer heeft toegegeven dat hij de betrokken documenten, die van duidelijke commerciële aard waren, heeft geredigeerd en dat hij ze per fax vanuit de Bank heeft verzonden. Hij betwist evenwel dat hij zelf de verzonden documenten zou hebben ondertekend, aangezien dat het werk zou zijn geweest van mevrouw Hautem. In punt 66 van het arrest Yasse stelt het Gerecht vast dat deze laatste stellingname op geen enkele wijze overeenkomst met de werkelijke feiten. Vervolgens worden in de punten 67 tot en met 76 van het arrest Yasse de actieve betrokkenheid en het commerciële belang van Yasse omstandig uiteengezet. De conclusie luidt in punt 77 van het arrest Yasse dat de Bank geen feitelijke beoordelingsfout heeft begaan door aan te nemen dat Yasse commerciële activiteiten had uitgeoefend zonder de toestemming van de Bank, dat hij daartoe het materiaal van de Bank heeft gebruikt en dat hij bij de buitenwereld de indruk heeft gewekt dat de Bank zelf daarbij betrokken is geweest. De Bank heeft derhalve, volgens het Gerecht, terecht aangenomen dat Yasse een commerciële beroepsactiviteit heeft uitgeoefend in de zin van artikel 4 van het Personeelsreglement.
56. Ten aanzien van Hautem constateert het Gerecht in punt 70 van het bestreden arrest dat deze heeft samengewerkt met Yasse bij het redigeren van de documenten die in de computer van laatstgenoemde zijn aangetroffen. Het Gerecht heeft daaraan evenwel de kwalificatie verbonden dat de loutere deelname aan het opstellen van de betrokken documenten, zelfs indien dit kan worden beschouwd als een hulp aan de uitoefening van een commerciële activiteit, niet kan worden gekwalificeerd als een uitoefening van een commerciële beroepsactiviteit in de zin van artikel 4 van het Personeelsreglement.
57. Het Gerecht heeft op grond van de samenhang van de feiten mogen vaststellen dat de betrokkenheid van Yasse ten aanzien van de bewuste documenten die zijn aangetroffen in zijn computer, van een andere aard is geweest dan de betrokkenheid van Hautem. Yasse heeft zich aantoonbaar intensiever beziggehouden met de zaken van Mon de l'Evasió dan Hautem. Dit wordt onder meer bevestigd door de verklaringen van Ingargiola, zoals vermeld in de punten 71 en 73 van het bestreden arrest. Het Gerecht maakt in zijn juridische beoordeling onder artikel 4 van het Personeelsreglement een onderscheid tussen het structureel ondernemen van commerciële beroepsactiviteiten en het incidenteel ondersteunen van deze activiteiten, en trekt daar vervolgens op grond van de feiten een andersluidende conclusie uit voor Yasse en Hautem. Deze motivering is begrijpelijk, coherent en toereikend. In deze context heeft de Bank overigens het onderscheid dat het Gerecht maakt tussen het beroepsmatig uitoefenen van een commerciële activiteit en het incidenteel ondersteunen daarvan, en de rechtsgevolgen die het daaraan verbindt voor wat betreft de toepassing van artikel 4 van het Personeelsreglement, niet inhoudelijk bestreden.
58. Het Gerecht heeft derhalve geen ontoereikende of tegenstrijdige motivering gegeven. Het onderdeel van dit middel inzake schending van artikel 4 van het Personeelsreglement is niet gegrond.
B - De vermeende schending van artikel 1 van het Personeelsreglement
59. De Bank voert aan dat het Gerecht heeft verzuimd om vast te stellen dat Hautem, als personeelslid van de Bank, zich heeft gedragen op een wijze die indruist tegen de loyaliteitsverplichting van artikel 1 van het Personeelsreglement.
60. De Bank richt zich met deze stelling in de eerste plaats tegen punt 69 van het bestreden arrest, waar het Gerecht constateert dat niet is vastgesteld dat Hautem de naam van de Bank voor eigen doeleinden heeft gebruikt noch dat hij oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van zijn positie als personeelslid van de Bank. Daarmee zou het Gerecht hebben miskend dat Hautem, door zijn betrokkenheid bij het besluit om de faxen die zijn aangetroffen in de computer van Yasse te verzenden aan Crédit Andorrà, in het bijzonder de fax met een verzoek om een kredietlijn ten behoeve van hemzelf, heeft bijgedragen aan het opwekken van de schijn dat de Bank betrokken zou zijn bij een commerciële activiteit. Door dit bezwaar van de Bank te verwerpen, zou het Gerecht een inbreuk op artikel 1 van het Personeelsreglement hebben miskend. Immers, in het licht van het arrest Williams/Rekenkamer moet de loyaliteitsverplichting niet enkel worden nagekomen bij de uitvoering van de specifieke taken die aan de ambtenaar zijn opgedragen, maar strekt deze zich uit tot alle relaties tussen de ambtenaar en zijn instelling.
61. Betreffende het vermeende oneigenlijke gebruik van het materieel van de Bank door Hautem en de overwegingen van het Gerecht in punt 70 van het bestreden arrest, stelt de Bank, in de tweede plaats, dat Hautem bij twee documenten een concreet belang heeft gehad om niet alleen de betrokken teksten samen te stellen, maar ook om ze te verzenden, dus bij de afhandeling ervan. Dit zou eveneens een schending opleveren van artikel 1 van het Personeelsreglement.
62. In de derde plaats betoogt de Bank dat het Gerecht de zwaarwegende redenen die in het bijzonder het ontslag van Hautem zouden rechtvaardigen, niet heeft onderkend en erkend. Het ontslagbesluit onderstreept dat het ontslag met name is gebaseerd op het verdachte klimaat waarin de verdediging van Hautem heeft plaatsgevonden. De Bank verwijst in concreto naar tegenstrijdige en zelfs valse verklaringen van Hautem. Door te miskennen dat dit gedrag strijdig is met de loyaliteitsverplichting die een personeelslid jegens zijn instelling heeft, zou het Gerecht artikel 1 van het Personeelsreglement onjuist hebben uitgelegd.
- Beoordeling ten aanzien van de ontvankelijkheid
63. De eerste grief is zonder meer niet-ontvankelijk. Aangezien het Gerecht feitelijk constateert dat niet is aangetoond dat Hautem de naam van de Bank voor eigen doeleinden heeft gebruikt, noch dat hij oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van zijn positie als personeelslid van de Bank, kan er geen sprake zijn van een inbreuk op de loyaliteitsverplichting van artikel 1 van het Personeelsreglement. In wezen beoogt de Bank met deze grief een hernieuwd onderzoek van de feiten te entameren. De verwijzing naar het arrest Williams/Rekenkamer is in deze strikt feitelijke context wat misplaatst.
64. De tweede grief is evenmin ontvankelijk. Zij is erop gericht de feitelijke constatering van het Gerecht aan te vechten, dat Hautem geen oneigenlijk gebruik voor commerciële doeleinden van het materieel van de Bank heeft gemaakt, door de vermeende belangen van Hautem bij de verzending van twee documenten te benadrukken.
65. De derde grief poogt aan het feitelijke gedrag van Hautem tijdens het onderzoek dat aan het ontslagbesluit vooraf ging - en dat in eerste aanleg uitvoerig aan de orde is geweest - een andere kwalificatie te verbinden dan het Gerecht daaraan, zij het impliciet, heeft verbonden. In het bestreden arrest heeft het Gerecht dat feitelijke gedrag wel opgemerkt, maar het hoefde op dit element van het besluit tot ontslag niet uitdrukkelijk in te gaan, nadat het had vastgesteld dat de feitelijke gronden waarop dat besluit berustte onvoldoende waren om het te kunnen dragen. Met deze grief beweegt de Bank zich derhalve buiten het door het aangevochten arrest gestelde feitelijke en juridische kader. Daarom acht ik haar niet-ontvankelijk. Dat laatste geldt a fortiori voor de feitelijke argumenten die de Bank ontleent aan de houding van Hautem als procespartij in eerste aanleg. Deze kunnen per definitie niet worden aangevoerd om een besluit te motiveren dat het object was van het rechtsgeding in eerste aanleg.
66. Dit onderdeel dient dan ook in zijn geheel niet-ontvankelijk te worden verklaard.
C - De vermeende schending van artikel 5 van het Personeelsreglement
67. De Bank voert bovendien aan dat ten aanzien van de schending door Hautem van artikel 5 van het Personeelsreglement, het bestreden arrest in punt 76 onvoldoende is gemotiveerd en een rechtsdwaling oplevert. Het wordt echter aan het Hof overgelaten om, in de context van de aan Hautem verweten feiten, het belang van deze schending te beoordelen, met name ten aanzien van de overweging dat de echtgenote van Hautem zelf heeft toegegeven dat zij heeft deelgenomen aan het beheer van de onderneming Mon de l'Evasió in de maand voorafgaand aan het ontslag van haar echtgenoot.
68. Hautem acht dit middel niet-ontvankelijk, omdat het Gerecht in punt 76 van het bestreden arrest heeft aangegeven dat een onderzoek naar de schending van artikel 5 van het Personeelsreglement niet noodzakelijk was.
- Beoordeling ten aanzien van de ontvankelijkheid
69. Het Gerecht overweegt in punt 76 van het bestreden arrest dat het niet nodig is een oordeel te geven over het eventuele verzuim van Hautem de zakelijke activiteiten van zijn echtgenote te melden aan de Bank, omdat reeds op andere gronden is vastgesteld dat een klaarblijkelijke beoordelingsfout is gemaakt, waardoor het ontslagbesluit nietig moet worden verklaard. Door dit middel poogt de Bank aan het Hof een oordeel ten gronde te ontlokken over een element van het in eerste instantie bestreden besluit, waarover het Gerecht zich niet meer hoefde uit te spreken nadat het had vastgesteld dat het besluit al op andere gronden moest worden vernietigd.
70. Deze poging van de Bank is, zo meen ik, kennelijk niet-ontvankelijk.
71. Ten overvloede voeg ik hieraan toe dat uit het ontslagbesluit kan worden afgeleid dat de Bank het ontslag op staande voet voornamelijk heeft gebaseerd op de vermeende schending van artikel 4 van het Personeelsreglement. Niet duidelijk is of de nalatigheid ten aanzien van de in artikel 5 van het Personeelsreglement vervatte meldingsplicht ook zelfstandig het ontslag van Hautem zou hebben opgeleverd, met andere woorden, of dit verzuim reeds op zichzelf de zware disciplinaire sanctie van ontslag had kunnen rechtvaardigen. Het is met name de vraag in hoeverre de specifieke omstandigheden van het geval Hautem, namelijk de betrokkenheid van zijn vrouw bij commerciële activiteiten in de zin van artikel 4 van het Personeelsreglement die vanuit de Bank hebben plaatsgevonden, daarbij een rol spelen.
Ten aanzien van het tweede middel
72. Het tweede middel richt zich op punt 77 van het bestreden arrest, waar het Gerecht bij analogie in het geschil tussen de Bank en Hautem een voorschrift aanwendt uit het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de Bank veroordeelt tot betaling van de sedert het ontslag verschuldigde bezoldiging. De Bank bestrijdt de rechtmatigheid van deze analoge redenering.
73. Volgens de Bank verschillen de structuur en het functioneren van de Europese instellingen met die van de Europese Investeringsbank, en dat gaat ook op voor de rechtsbetrekkingen met het personeel. Zich baserend op de artikelen 13 en 44 van haar Personeelsreglement en het tussenarrest van het Hof in de zaak Mills/EIB, betoogt verzoekster dat onderscheid gemaakt moet worden tussen het Personeelsreglement van de Bank, dat een contractueel karakter heeft, en het regime van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, dat van statutaire aard is. Door de Bank te veroordelen tot betaling van het achterstallige salaris vanaf de dag van ontslag, heeft het Gerecht een statutaire logica toegepast die niet op haar toegepast had mogen worden, zoals het Hof dat, aldus de Bank, uitdrukkelijk zou hebben vastgesteld in het arrest Mills/EIB.
74. Bovendien wijst de Bank op een vermeende tegenstrijdigheid in het bestreden arrest. Het Gerecht heeft zich niet uitgesproken over de herplaatsing van verweerder. Dit kan zijn omdat het van oordeel is dat uitsluitend de Bank bevoegd is om een dergelijk besluit te nemen en niet het Gerecht, of omdat het van mening is dat zo'n maatregel niet past binnen het juridisch karakter van een contractueel regime, waar de werkgever - in dit geval de Bank - niet kan worden gedwongen tot het aangaan van een nieuwe overeenkomst met de belanghebbende. De tegenstrijdigheid bestaat eruit dat het Gerecht zich richt op een statutaire logica om de Bank tot betaling van het achterstallige loon te veroordelen, maar zich niet uitlaat over de herplaatsing. Immers, de enige juridisch correcte redenering in het onderhavige geval, in de hypothese van een ontslag zonder titel, zou bestaan uit de eventuele veroordeling van de Bank tot schadevergoeding voor de schade die is geleden door de ontslagen werknemer, conform de algemene beginselen van het recht van de lidstaten.
75. Hautem stelt hier tegenover dat het tweede middel nooit is vermeld noch ontwikkeld in het kader van de procedure voor het Gerecht. Het vormt een nieuw middel dat als niet-ontvankelijk moet worden beschouwd.
- Beoordeling
76. De kern van dit tweede middel is het verwijt dat het Gerecht in punt 77 van het bestreden arrest het bijzondere contractuele rechtsregime miskent dat de betrekkingen tussen de Bank en haar personeel beheerst, met name door met een beroep bij analogie op artikel 91, lid 1, van het Ambtenarenstatuut de Bank te veroordelen tot betaling van een schadeloosstelling in de vorm van achterstallig salaris.
77. Het middel is mijns inziens ontvankelijk. Ingevolge artikel 42, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof mogen nieuwe middelen in de loop van het geding niet worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, rechtelijk of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. De Bank heeft in de procedure voor het Gerecht geen kennis kunnen nemen van de redenering zoals die in punt 77 van het bestreden arrest is gevolgd. Er is dan ook geen sprake van een nieuw middel, dat niet-ontvankelijk zou zijn.
78. Het staat vast dat artikel 41 van het Personeelsreglement het Hof bevoegd verklaard ter zake van alle individuele gevallen tussen de Bank en haar personeel. Dit artikel kent geen beperking naar de aard van deze geschillen, en zo'n beperking is ook elders in het Personeelsreglement niet te vinden.
79. In het arrest Mills/EIB heeft het Hof uitgemaakt dat bij beëindiging van een arbeidsovereenkomst in strijd met de bepalingen van de individuele overeenkomst of van het reglement dat geacht wordt daarvan een integrerend onderdeel te vormen, termen aanwezig zijn om de partij die het dienstverband op onrechtmatige wijze heeft beëindigd te veroordelen tot vergoeding van de materiële en morele schade die de wederpartij door die onrechtmatige handeling heeft geleden" (punt 24). Voorts overweegt het Hof dat [...] ofschoon de voortzetting van de overeenkomst vóór alles afhangt van de wil van beide partijen - een wezensvoorwaarde voor het bestaan van de overeenkomst - deze partijwil niettemin wordt ingeperkt zowel door de bepalingen van het contract als door de algemene beginselen van het arbeidsrecht, waarnaar in het slotartikel van het Personeelsreglement wordt verwezen" (punt 25). Vervolgens stelt het Hof vast dat een beëindiging in strijd met die beperkingen nietig kan zijn, waarbij de vaststelling van die nietigheid aan de bevoegde rechter, in casu het Hof van Justitie, is voorbehouden" (punt 26). Het Hof besluit dat met name beëindiging van de overeenkomst in de vorm van ,ontslag wegens dringende redenen als bedoeld in artikel 38 van het reglement, onder omstandigheden nietig kan worden verklaard, indien de rechter het ontbreken van een gegronde reden daarvoor zou vaststellen" (punt 27).
80. In het geding in eerste aanleg heeft het Gerecht het ontslagbesluit van Hautem wegens dringende redenen" nietig verklaard, omdat daarvoor naar zijn oordeel voldoende gegronde redenen" ontbreken. Bijgevolg moest hij zich ook uitspreken over de vergoeding van de schade die het ontslagen personeelslid door dit onrechtmatig gedrag van de Bank had geleden. Deze vergoeding was door Hautem immers gevorderd. Noch in het Personeelsreglement, noch in de hierboven aangehaalde overwegingen van het arrest Mills/EIB zijn bijzondere regels of beginselen te vinden die de rechter bij zijn oordeel over de in concreto toe te kennen schadeloosstelling beperken. Hij zal daarbij hoogstens, zoals advocaat-generaal Warner in zijn conclusie bij het arrest Mills/EIB terecht opmerkt, een beperkt houvast kunnen vinden in de algemene regels van het arbeidsrecht die de lidstaten van de Bank gemeen hebben.
81. Het feit dat in het Personeelsreglement die de rechtsbetrekkingen tussen de Bank en haar personeel beheersen geen beperkingen van de rechtsmacht van het Hof voorkomen, vormt overigens een argument om de volledige rechtsmacht van het Hof in rechtsgedingen van geldelijke aard tussen de Bank en haar personeel te veronderstellen.
82. Ik vind mij in deze veronderstelling bevestigd door de onlangs tot stand gekomen Conditions of Employment for Staff of the European Central Bank". De rechtsbetrekkingen tussen de Europese Centrale Bank (ECB) en haar personeel zijn eveneens van contractuele aard, in samenhang met de Voorwaarden, die op dit punt sterke gelijkenissen vertonen met het Personeelsreglement van de Europese Investeringsbank. Echter, in de Voorwaarden wordt de bevoegdheid van het Hof van Justitie in geschillen tussen de ECB en haar personeel beperkt tot de beoordeling van de rechtmatigheid van de litigieuze maatregel of besluit, tenzij het een geschil betreft van geldelijke aard, in welk geval het Hof van Justitie volledige rechtsmacht heeft.
83. Op grond van het voorstaande kom ik tot de conclusie dat het Gerecht voor de vaststelling van zijn volledige rechtsmacht over de geldelijke vorderingen in casu strikt genomen niet bij analogie" naar het Ambtenarenstatuut had hoeven te verwijzen.
84. Blijft over de vraag of het Gerecht, door de Bank te veroordelen tot een schadeloosstelling in de vorm van achterstallig salaris, de bijzondere contractuele rechtsbetrekkingen tussen de Bank en haar personeelsleden zou hebben miskend. Die vraag verdient mijns inziens een ontkennend antwoord.
85. Waar het Gerecht blijkens het bovenstaande over een volledige rechtsmacht beschikt bij de beoordeling van vorderingen tot schadevergoeding, kan hij ook vergoeding toekennen van schade die bestaat uit gederfde inkomsten ten gevolge van een onrechtmatig verleend ontslag. De vordering tot betaling van achterstallig salaris is - ook in arbeidsrechtelijke geschillen van privaatrechtelijke aard - een veel voorkomend onderdeel van een vordering tot schadevergoeding. Inkomstenderving is de primaire schade die een werknemer door een hem verleend onrechtmatig ontslag lijdt. Aan de toekenning van een schadeloosstelling in de vorm van achterstallige inkomsten valt dan ook, als zodanig, geen argument te ontlenen voor de beweerde miskenning van de bijzondere contractuele rechtsbetrekkingen tussen de Bank en haar personeel.
86. Ook overigens biedt het aangevochten punt 77 van het arrest geen aanknopingspunten waarop die stelling zou kunnen worden gebaseerd.
87. Mitsdien is mijn conclusie dat het tweede middel van de Bank ongegrond is.
Kosten
88. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat ingevolge artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dat is gevorderd. Hautem heeft het Hof verzocht om de Bank in alle kosten te verwijzen in de twee instanties. Het Gerecht heeft in zaak T-140/97 de Bank al veroordeeld tot het dragen van de kosten van Hautem in die procedure. Aangezien de hogere voorziening niet-ontvankelijk dan wel ongegrond is, moet de Europese Investeringsbank ook in de kosten van de hogere voorziening worden verwezen.
Conclusie
89. Ik geef het Hof op grond van het voorgaande in overweging:
- de hogere voorziening deels niet-ontvankelijk te verklaren;
- de in hogere voorziening ontvankelijke middelen te verwerpen;
- de Europese Investeringsbank te veroordelen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy