Conclusie van de advocaat generaal
I - Feiten, rechtskader en prejudiciële vraag
1. Het Landesgericht für Zivilrechtssachen Wien heeft krachtens artikel 234 EG het Hof verzocht om opheldering over de wijze waarop artikel 104, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Reglement voor de procesvoering") moet worden uitgelegd indien een lidstaat geen specifieke nationale regels kent betreffende de toewijzing van de kosten die zijn gemaakt in de prejudiciële procedure, maar in plaats daarvan de in het gelijk gestelde partij een algemene forfaitaire vergoeding toekent die is gebaseerd op nationale procedures en die niet toereikend is om de werkelijk gemaakte kosten in een prejudiciële procedure voor het Hof van Justitie te dekken.
2. Artikel 104, lid 5, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering luidt, in de gecodificeerde versie van 6 maart 1999, als volgt: De nationale rechterlijke instantie beslist over de kosten van de prejudiciële procedure."
3. Het Hof heeft in zijn arrest van 7 mei 1998 in zaak C-350/96 prejudiciële vragen beantwoord van het Oostenrijkse Verwaltungsgerichtshof in een geding tussen Clean Car Autoservice GesmbH (hierna: Clean Car") en de Landeshauptmann von Wien, over de afwijzing door de Landeshauptmann van een aanmelding van Clean Car met het oog op uitoefening van een bedrijf, daar zij een bedrijfsleider had aangesteld die niet in Oostenrijk woonde. Het Hof verklaarde in punt 2 van het dictum voor recht:
Artikel 48 EG-Verdrag verzet zich ertegen, dat een lidstaat bepaalt, dat de eigenaar van een onderneming die op het grondgebied van die staat een ambachtelijke, commerciële of industriële activiteit uitoefent, enkel een persoon die ingezetene is als bedrijfsleider kan aanstellen."
4. In punt 44 van dit arrest overwoog het Hof betreffende de kosten:
[...] Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen."
5. Bij arrest van het Verwaltungsgerichtshof van 24 juni 1998 is de nationale beschikking wegens onwettigheid nietig verklaard en is aan Clean Car een bedrag van 12 860 ATS als vergoeding voor haar kosten toegewezen.
6. Uit de stukken kan worden afgeleid dat de beslissing van het Verwaltungsgerichtshof over de kostentoedeling is gebaseerd op het Verwaltungsgerichtshofgesetz (wet inzake het Verwaltungsgerichtshof; hierna: VwGG") van 1985 en de Verordnung des Bundeskanzlers über die Pauschalierung der Aufwandersätze im Verfahren vor dem Verwaltungsgerichtshof (verordening van de bondskanselier betreffende de forfaitaire vergoeding van kosten in procedures voor het Verwaltungsgerichtshof; hierna verordening") van 1994.
7. In een procedure voor het Verwaltungsgerichtshof bestaat voor de winnende partij uitsluitend recht op een vergoeding van de kosten voorzover daarin is voorzien in de §§ 47 tot en met 60 VwGG. In de gevallen waarin §§ 47 tot en met 60 VwGG geen concrete regeling bevat, bepaalt § 58 VwGG dat iedere partij de eigen kosten zal dragen. Het VwGG kent een regeling voor bepaalde vaste proceslasten en overige proceskosten, waarvoor een bij de verordening nader omschreven forfaitaire vergoeding geldt. Deze heeft als basis gegolden voor het aan Clean Car toegekende bedrag van 12 860 ATS. Het VwGG en de verordening voorzien niet in een afzonderlijke regeling van de kosten in verband met prejudiciële procedures bij het Hof van Justitie.
8. Bij een op 18 februari 1999 bij het Landesgericht für Zivilrechtssachen Wien ingediend verzoekschrift vorderde Clean Car van Stadt Wien en de Republiek Oostenrijk (hierna: verweersters") de betaling van een schadevergoedingsbedrag wegens aansprakelijkheid van de staat van 60 000 ATS, vermeerderd met 5 % rente met ingang van 8 mei 1998, zijnde de kosten die voor haar zijn ontstaan door de prejudiciële procedure die heeft geleid tot het arrest van het Hof in zaak C-350/96. In een aanvullend verzoekschrift van 17 mei 1999 heeft Clean Car de vordering ondersteund met een beroep op het leerstuk van de overheidsaansprakelijkheid wegens de niet-nakoming van het gemeenschapsrecht.
9. Daarop heeft het Landesgericht für Zivielrechtssachen Wien bij beschikking van 26 november 1999, ingeschreven in het register van de griffie op 9 december 1999, het Hof verzocht om antwoord op de volgende vraag:
Hoe moet artikel 104, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen worden uitgelegd, wanneer zoals in casu een lidstaat (Oostenrijk) geen nationale regels kent om de nationale rechterlijke instantie over de toewijzing, respectievelijk de verdeling van de kosten van de prejudiciële procedure over de betrokken partijen te laten beslissen?"
10. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door Clean Car, de verweersters Stadt Wien en de Republiek Oostenrijk, de regering van de Republiek Oostenrijk en de Commissie. Op 10 mei 2001 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden.
II - Ontvankelijkheid
11. De verweersters hebben de ontvankelijkheid van het verzoek ter discussie gesteld. Stadt Wien betoogt dat de gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht geen enkel verband houdt met het reële geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding. Voor de beoordeling van het betalingsverzoek van Clean Car van 18 februari 1999 is een nadere uitlegging van artikel 104, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering haar inziens niet noodzakelijk. De uitbreiding van de gronden in het aanvullende verzoekschrift van 17 mei 1999 zou door de rechter niet zijn erkend en om die reden zou de interpretatie van genoemde bepaling evenmin aan de orde zijn. Voorts stelt Stadt Wien dat artikel 104, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering slechts een bevoegdheidsnorm bevat. De bepaling regelt niet of een recht op kostenvergoeding bestaat en wat de hoogte van een dergelijke vergoeding zou moeten zijn. De Republiek Oostenrijk overweegt daarnaast dat het Hof in zijn arrest van 7 mei 1998 in zaak C-350/96 niet heeft beslist over de proceskosten van Clean Car, maar een dergelijk besluit heeft overgelaten aan de nationale rechter. Het Verwaltungsgerichtshof heeft inmiddels aan Clean Car een bedrag als vergoeding van de kosten toegewezen, waardoor het prejudiciële verzoek om uitlegging van artikel 104, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering zonder voorwerp is geraakt.
12. Volgens vaste rechtspraak is het in het kader van de in artikel 234 EG neergelegde samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen. Het Hof kan, voorzover hier van belang, slechts weigeren een uitspraak te doen over een prejudiciële vraag van een nationale rechter, wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht geen enkel verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding.
13. Daarvan is naar mijn mening in casu geen sprake. Uit de verwijzingsbeschikking blijkt dat het Landesgericht geconfronteerd wordt met een daadwerkelijk geschil over de vergoeding van de kosten die zijn gemaakt in het kader van een prejudiciële procedure voor het Hof . Artikel 104, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering heeft uitdrukkelijk betrekking op de toewijzing van deze kosten, waardoor een verband met het hoofdgeding is gelegd. Het argument dat deze bepaling niet meer dan een bevoegdheidsverdeling zou inhouden, past in het betoog ten gronde. Het gegeven dat Clean Car inmiddels al een vergoeding van de kosten is toegekend, is niet relevant omdat Clean Car in het hoofdgeding de grondslag en de hoogte van deze vergoeding juist met een beroep op artikel 104, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering aanvecht.
14. Het verzoek van het Landesgericht is mijns inziens dan ook ontvankelijk.
III - Ten gronde
A - Argumenten van partijen
15. Clean Car stelt het Hof voor om artikel 104, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering zo uit te leggen dat het zich verzet tegen de toepassing van een nationale regeling zoals die in het Oostenrijkse recht welke geen voorziening kent voor de toewijzing van de kosten in een prejudiciële procedure. Aangezien in casu is vastgesteld dat de Oostenrijkse autoriteiten rechtstreeks werkend gemeenschapsrecht hebben geschonden, dient de vraag wie de kosten moet dragen voor de prejudiciële procedure beantwoord te worden aan de hand van de voorwaarden voor de staatsaansprakelijkheid die door het Hof van Justitie en in het Oostenrijkse recht zijn vastgesteld, alsmede in het licht van de kostenregeling van de artikelen 72 en 73 van het Reglement voor de procesvoering zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Hof.
16. De bestaande Oostenrijkse regelingen voor de toewijzing en verdeling van proceskosten zijn niet expliciet toegesneden op de prejudiciële procedure van artikel 234 EG en in het bijzonder de forfaitaire regeling van de kosten voor het Verwaltungsgerichtshof is niet toereikend in de zin van artikel 104, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering. Daaruit volgt, aldus Clean Car, dat de nationale kostenregeling niet kan volstaan, omdat deze geen rekening houdt met de extra kosten die in het kader van een prejudiciële procedure in de zin van artikel 234 EG worden gemaakt. Een tegengesteld oordeel zou artikel 104, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering van elke betekenis ontdoen in de gevallen waarin het recht van een lidstaat niet voorziet in de toewijzing van de extra kosten die zijn gemaakt in verband met de prejudiciële procedure als een incident in de nationale procedure.
17. Een dergelijke uitlegging is naar het oordeel van Clean Car ook in strijd met de artikelen 72 en 73 van het Reglement voor de procesvoering, die als invorderbare kosten de door partijen in verband met de procedure gemaakte noodzakelijke kosten aanmerken, in het bijzonder van de gemachtigde, de raadsman of de advocaat. Daarnaast zouden, door uitsluitend de Oostenrijkse regelgeving toe te passen, niet de door het Hof aanvaarde relevante principes op het gebied van de hoogte van de invorderbare kosten worden gerespecteerd.
18. De verweersters en de Oostenrijkse regering geven het Hof in overweging artikel 104, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering in die zin uit te leggen dat het op het hoofdgeding toepasselijke nationale recht de vergoeding van de kosten in de prejudiciële procedure regelt, en dat deze bepaling op geen enkele wijze de lidstaten verplicht om een regeling te treffen waardoor de in het gelijk gestelde partij het recht krijgt op een vergoeding van de werkelijke kosten in de prejudiciële procedure.
19. De Commissie wijst erop dat het volgens de bewoordingen van artikel 104, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering aan de nationale rechterlijke instantie is overgelaten om te beslissen over de kosten in een prejudiciële procedure. Niettemin dient de nationale rechter bij de toedeling van de kosten rekening te houden met de vaste rechtspraak van het Hof, volgens welke elke discriminatie tussen regelingen tot vergoeding van kosten bij de prejudiciële procedure krachtens artikel 234 EG en bij vergelijkbare incidenten in nationale procedures moet worden voorkomen.
B - Beoordeling
20. Om te beginnen kan worden vastgesteld dat het prejudiciële verzoek van de verwijzende rechter zich beperkt tot de uitlegging van artikel 104, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering. De problematiek die aan de orde is, zo blijkt ook uit de ingediende opmerkingen, rechtvaardigt niettemin een breder antwoord. De vraag die achter het prejudiciële verzoek schuilt is in wezen in hoeverre het gemeenschapsrecht de lidstaten verplicht te voorzien in een recht op vergoeding van de extra proceskosten die door de in het hoofdgeding in het gelijk gestelde partij zijn gemaakt vanwege een prejudiciële procedure in de zin van artikel 234 EG. Voor een antwoord op die vraag kan niet worden volstaan met een interpretatie van het Reglement voor de procesvoering. De kwestie betreft de procesrechtelijke autonomie van de lidstaten. Daarom behoort ook aansluiting gezocht te worden bij de rechtspraak van het Hof die deze autonomie begrenst.
21. Anderzijds meen ik dat het antwoord van het Hof op het prejudiciële verzoek van het Landesgericht binnen het door dit verzoek gestelde kader moet blijven. Het procesrecht en de vordering van de extra kosten vanwege de prejudiciële procedure moeten niet op voorhand worden gelijkgesteld met het aansprakelijkheidsrecht en een vordering tot schadevergoeding in verband met de schade die een justitiabele heeft geleden omdat een lidstaat inbreuk heeft gemaakt op een rechtstreeks werkende communautaire bepaling. Het is natuurlijk denkbaar dat de vorderingen elkaar overlappen, in de zin dat de vordering tot vergoeding van de extra proceskosten onderdeel uitmaakt van een ruimere schadevergoedingsactie tegen de overheid wegens overtreding van het rechtstreeks werkende gemeenschapsrecht. Ter terechtzitting heeft Clean Car erop gewezen dat het in de nationale procedure primair om een vordering tot vergoeding van de proceskosten gaat, en secundair - indien mocht blijken dat de rechter de vordering tot volledige vergoeding van de proceskosten niet zou toewijzen - om een vordering tot schadevergoeding. Hoe begrijpelijk de subsidiaire vordering ook is, en hoe interessant een oordeel van het Hof terzake ook zou kunnen zijn, in het onderhavige prejudiciële verzoek kan het antwoord zich mijns inziens beperken tot de procesrechtelijke aspecten en hoeft het Hof zich niet uit te laten over het leerstuk van de overheidsaansprakelijkheid. Uit de processtukken blijkt nergens dat Clean Car naast de vordering tot vergoeding van de proceskosten nog andere aansprakelijkheidsacties tegen de Oostenrijkse overheid heeft ingesteld in verband met het arrest in zaak C-350/96. Belangrijker nog is dat de verwijzingsbeschikking geen enkel aanknopingspunt bevat om te veronderstellen dat de verwijzende rechter behoefte zou hebben aan een nadere uitlegging van de rechtspraak ter zake van het beginsel van overheidsaansprakelijkheid wegens schending van het gemeenschapsrecht.
22. Het Hof heeft zich al in de eerste zaak die het kreeg voorgelegd krachtens artikel 177 EEG-Verdrag (thans artikel 234 EG) gebogen over de vraag wie tot betaling van de proceskosten veroordeeld moest worden. In zijn conclusie gaf advocaat-generaal Lagrange de voorkeur aan de oplossing dat iedere partij haar eigen kosten zou dragen. Het Hof oordeelde echter dat de onderhavige procedure ten aanzien van de betrokken partijen het karakter draagt van een incident in het tussen hen aanhangige geding voor het Gerechtshof te 's-Gravenhage, zodat de beslissing over de gemaakt kosten bij dat Gerechtshof moet verblijven". Sindsdien is het in procedures uit hoofde van artikel 234 EG vaste rechtspraak dat de verwijzende rechter over de kosten dient te beslissen, omdat de prejudiciële procedure als een incident in het hoofdgeding moet worden beschouwd. Inmiddels is deze formule gecodificeerd in het huidige artikel 104, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering.
23. Eveneens volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat de nationale rechterlijke instantie, bij afwezigheid van een gemeenschapsregeling, op grond van nationale rechtsregels moet besluiten over de toedeling van de proceskosten. In het arrest Bollmann uit 1973 overwoog het Hof dat naar de toenmalige stand van het gemeenschapsrecht ten aanzien van de vereffening en de invorderbaarheid van de door partijen in het hoofdgeding gemaakte noodzakelijke kosten de op die procedure toepasselijke nationale rechtsvoorschriften moesten worden aangehouden. De gemeenschapswetgever heeft over de toewijzing van de kosten die zijn gemaakt in het kader van het hoofdgeding en de prejudiciële procedure nooit regels vastgesteld, zoals het dat ook niet heeft gedaan voor bijvoorbeeld verval- en verjaringstermijnen of de hoogte van de schadevergoedingen.
24. In het licht van deze rechtspraak en de bewoordingen van artikel 104, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering is het mijns inziens duidelijk dat de nationale rechter in het hoofdgeding en op basis van het nationale procesrecht dient te beslissen over de toedeling van de extra proceskosten die in de prejudiciële procedure zijn gemaakt. De vraag of een recht op vergoeding van de volledige kosten bestaat moet in beginsel aan de hand van dit nationale recht worden beoordeeld.
25. De door Clean Car ingeroepen argumenten ten aanzien van artikelen 72 en 73 van het Reglement voor de procesvoering zijn in dit verband niet relevant. Artikel 72 van het Reglement voor de procesvoering legt het beginsel vast dat de procedure voor het Hof, behoudens een aantal specifiek omschreven situaties, kosteloos is. In casu gaat het echter niet om de kosten die het Hof in rekening brengt, maar om de proceskosten die door Clean Car zijn gemaakt vanwege de juridische bijstand in de prejudiciële procedure. Artikel 73 van het Reglement voor de procesvoering preciseert het begrip invorderbare kosten", maar deze bepaling is slechts van belang in situaties waarin het Hof zelf een oordeel geeft over de kosten. Zoals gezegd, wordt in een prejudiciële procedure krachtens artikel 234 EG deze beslissing overgelaten aan de nationale rechter in het hoofdgeding.
26. Het gemeenschapsrecht laat de lidstaten echter niet geheel vrij in hun beslissing over de toewijzing van de proceskosten in een prejudiciële procedure in de zin van artikel 234 EG. Volgens vaste rechtspraak is het bij het ontbreken van een gemeenschapsregeling terzake een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat om de procesregels te geven voor rechtsvorderingen die ertoe strekken, de rechten te beschermen die voor de justitiabelen voortvloeien uit de rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht. De nationale wetgever is hier niettemin gebonden aan twee algemene beginselen van gemeenschapsrecht die erop gericht zijn de justitiabele in de nationale rechtsorde het instrumentarium te verschaffen waarmee hij de rechten die het gemeenschapsrecht hem biedt kan uitoefenen. Het eerste beginsel luidt dat een vordering wegens schending van het gemeenschapsrecht niet ongunstiger mag worden behandeld dan vergelijkbare vorderingen op basis van nationaal recht (gelijkwaardigheidsbeginsel). Het tweede beginsel bepaalt dat de nationale regels het uitoefenen van aan het gemeenschapsrecht ontleende rechten in de praktijk niet onmogelijk mogen maken (effectiviteitsbeginsel). Deze rechtspraak kan, zo meen ik, ook worden toegepast op nationale regelingen die betrekking hebben op vorderingen tot toewijzing van proceskosten.
27. De beoordeling of in een concreet geval aan de gemeenschapsrechtelijke randvoorwaarden is voldaan, laat het Hof exclusief over aan de nationale rechter. Bij de uitoefening van die bevoegdheid kan het Hof de nationale rechterlijke instantie wel nadere criteria verstrekken die hem een objectief houvast geven bij de toepassing en de uitlegging van de twee beginselen.
28. In het onderhavige geval kan het onderzoek van de nationale rechter zich naar mijn mening beperken tot het gelijkwaardigheidsbeginsel. Ik zie niet goed in hoe een forfaitaire regeling voor proceskosten afbreuk kan doen aan het effectiviteitsbeginsel, dat door het Hof in het bijzonder is uitgewerkt in verband met de vaststelling van nationaalrechtelijke beroepstermijnen. Daarvoor moet worden aangetoond dat door deze regeling van de proceskosten de uitoefening van - in dit geval - het recht op vrij werknemersverkeer onmogelijk of uiterst moeilijk is gemaakt. Welnu, in casu heeft de rechter de nationale beschikking die in strijd met artikel 39 EG was vastgesteld, al nietig verklaard. Hoewel daarvoor een prejudiciële procedure voor het Hof noodzakelijk is geweest, volstaat het feit dat daarvoor het maken van extra proceskosten nodig was mijns inziens niet om aan te nemen dat de uitoefening van het gemeenschapsrecht erdoor onmogelijk of uiterst moeilijk is gemaakt.
29. Bij de beoordeling of het gelijkwaardigheidsbeginsel is gerespecteerd, zal de nationale rechter moeten nagaan of in het Oostenrijkse recht de regeling voor vergoeding van de kosten in verband met prejudiciële procedures voor het Hof van Justitie niet ongunstiger is dan die voor de vergoeding van de kosten in vergelijkbare nationale procedures. Hierbij zijn twee subvragen van belang. Allereerst dient de rechter te onderzoeken wat de adequate vergelijkingsmaatstaf is, met andere woorden, met welke nationale procedure de prejudiciële procedure in de zin van artikel 234 EG vergeleken moeten worden. De nationale rechter moet daarbij de voornaamste kenmerken van beide procedures onderzoeken. Vervolgens moet de nationale rechter beoordelen of de vergoeding van de kosten in verband met de prejudiciële procedure niet ongunstiger is dan die bij de vergelijkbare nationale procedure. Dit moet eveneens worden bekeken met inachtneming van de bijzondere kenmerken van de betrokken regelgeving.
30. Dat het bepalen van een geschikte vergelijkingsmaatstaf in een concreet geval lastig kan zijn, blijkt uit het meningsverschil van partijen over de wijze waarop de met de prejudiciële procedure vergelijkbare nationale procedure moet worden bepaald. Volgens de Republiek Oostenrijk (als verweerster) - en overigens ook de Commissie - zou het voor de hand liggen om het prejudiciële verzoek van het Verwaltungsgerichtshof aan het Hof in de zin van artikel 234 EG te vergelijken met de nationale procedure waarin het Verwaltungsgerichtshof, als incident in het hoofdgeding, een verzoek aan het Verfassungsgerichtshof richt in het kader van een Gesetzprüfungsverfahren". Clean Car meent daarentegen dat voor de vergelijking aansluiting gezocht moet worden bij de situatie waarin het Oberste Gerichtshof het Hof van Justitie overeenkomstig artikel 234 EG om uitlegging vraagt van een bepaling van gemeenschapsrecht.
31. De partijen zijn het er echter wel over eens dat de Oostenrijkse regelgeving betreffende de vergoeding van de proceskosten gecompliceerd is. Ter terechtzitting heeft een gemachtigde van de Republiek Oostenrijk (als verweerster) uiteengezet dat het Oostenrijkse recht diverse regelingen kent voor de toewijzing van de proceskosten, die van toepassing zijn afhankelijk van de aard van de procedure en de geadieerde rechter. Zo zou in administratiefrechtelijke procedures iedere partij in principe de eigen kosten dragen. In procedures voor het Verwaltungsgerichtshof geldt echter een afwijkend regime, namelijk dat weliswaar in een kostenvergoeding is voorzien, maar op beperkte schaal: de kostentoedeling gebeurt aan de hand van een forfaitaire regeling. In civielrechtelijke zaken waarbij de vordering niet wordt betwist (vrijwillige rechtspraak), zou iedere partij in beginsel eveneens de eigen kosten dragen. Bij civielrechtelijke zaken waarbij de vordering wordt bestreden, zou het Oostenrijkse recht daarentegen als regel kennen dat de rechter de verliezende partij tot betaling van het volledige bedrag van de proceskosten kan veroordelen.
32. Clean Car heeft daarnaast betoogd dat het Oostenrijkse regime voor de vergoeding van proceskosten afbreuk zou doen aan het gelijkwaardigheidsbeginsel, aangezien in bepaalde gevallen wel en in andere gevallen niet is voorzien in een regeling voor vergoeding van de proceskosten bij prejudiciële procedures krachtens artikel 234 EG. Dit standpunt acht ik niet houdbaar. Het gelijkwaardigheidsbeginsel verplicht de lidstaten niet om voor alle nationale procedures te voorzien in een identieke regeling betreffende de vergoeding van de kosten in prejudiciële procedures voor het Hof van Justitie.
33. Mijns inziens moet voor de toepassing van het gelijkwaardigheidsbeginsel in de eerste plaats aansluiting worden gezocht bij het type procedure dat door het nationale recht is geregeld. Binnen elke specifieke procedure dient als vergelijkingsmaatstaf een aan de prejudiciële procedure voor het Hof van Justitie vergelijkbaar nationaal incident in het hoofdgeding te worden geïdentificeerd. Vervolgens moet aan de hand van het terzake geldende procesrecht worden beoordeeld of de regeling inzake de vergoeding van de proceskosten die geldt voor de prejudiciële procedure bij het Hof, niet ongunstiger is dan de regeling voor de vergelijkbare nationale procedure. Ingeval de regeling voor vergelijkbare nationale procedures bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten draagt, kan die regeling ook van toepassing zijn voor de gemaakte kosten in de prejudiciële procedure voor het Hof van Justitie. Wanneer de in het hoofdgeding in het gelijk gestelde partij de extra proceskosten vanwege het vergelijkbare nationale incident van de verliezende partij kan vorderen, dan moet deze regeling ook gelden ten aanzien van de kosten die zijn gemaakt in de prejudiciële procedure overeenkomstig artikel 234 EG.
34. Indien het nationale recht een forfaitaire regeling tot vergoeding van de kosten kent, behoort de rechter bij het bepalen van de gelijkwaardigheid naar mijn oordeel in acht te nemen dat bij de keuze van de elementen waaruit de forfaitaire vergoeding inzake de nationale procedure is samengesteld, wellicht geen rekening is gehouden met de extra kosten - bijvoorbeeld hogere reis- en verblijfskosten - die een procedure voor het Hof van Justitie te Luxemburg met zich kunnen meebrengen.
35. Zoals aangegeven, staat het echter aan de nationale rechterlijke instantie om aan de hand van de relevante omstandigheden van het geval een uiteindelijk oordeel over de eerbiediging van het gelijkwaardigheidsbeginsel te geven.
IV - Conclusie
36. Op grond van het voorgaande, geef ik het Hof in overweging de door het Landesgericht für Zivilrechtssachen Wien gestelde vraag als volgt te beantwoorden:
Indien een nationale rechterlijke instantie overeenkomstig artikel 104, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen beslist over de kosten van de prejudiciële procedure, dient deze beslissing niet ongunstiger te zijn dan een beslissing over de kostentoewijzing betreffende vergelijkbare nationale incidenten in het hoofdgeding."
Full & Egal Universal Law Academy