CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
D. RUIZ-JARABO COLOMER
van 26 juni 2001 ( 1 )
De feiten en de procedure
1.
De relevante feiten van het geding, zoals uiteengezet in de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 29 september 1999 ( 2 ), waartegen de hogere voorziening is ingesteld, kunnen als volgt worden samengevat.
2.
South Wales Small Mines Association (Vereniging van kleine mijnbouwondernemers in Zuid-Wales; hierna: „SWSMA”) is een niet geregistreerde vereniging naar Engels recht („unincorporated”), zonder rechtspersoonlijkheid, die de behartiging van de belangen van kleine mijnbouwondernemers in Zuid-Wales tot doel heeft.
3.
Een aantal van die kleine ondernemers heeft gezamenlijk, en op naam van de SWSMA, op 5 juni 1990 een klacht ingediend over de toepassing van discriminerende handelsvoorwaarden, die in strijd zouden zijn met de desbetreffende bepalingen van het EGKS-Verdrag.
4.
Bij beschikking nr. 15656 (hierna: „beschikking”), vervat in een brief van 30 juli 1998, verklaarde de Commissie, geen gevolg te kunnen geven aan die klacht.
5.
De beschikking is op 5 augustus 1998 bij aangetekend schrijven met ontvangstbevestiging ter kennis gebracht van de SWSMA.
6.
Bij brief van 18 augustus 1998, bevestigd op 26 augustus daaraanvolgend, verzochten verscheidene kleine ondernemers de Commissie om formele kennisgeving van de beschikking aan elk hunner, hetgeen door de Commissie bij brief van 24 augustus 1998 werd geweigerd.
7.
Na op 16 september 1998 te hebben vernomen dat de SWSMA niet tijdig tegen de beschikking was opgekomen, stelden de belanghebbenden bij op 21 september 1998 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift krachtens de artikelen 33, tweede alinea, en 35 EGKS-Verdrag beroep in tegen de beschikking (zaak T-148/98). In hun verzoekschrift hebben verzoekers verduidelijkt dat een afschrift van de beschikking als bijlage was bijgevoegd. Dit beroep ligt aan de basis van de onderhavige procedure.
8.
Bij op 6 oktober 1998 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft ook de SWSMA krachtens artikel 33, tweede alinea, EGKS-Verdrag beroep tot nietigverklaring van de beschikking ingesteld (zaakT-162/98).
9.
Overeenkomstig artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht heeft de Commissie in beide zaken een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen.
Nadat de verzoekende partijen hun opmerkingen hadden ingediend, heeft het Gerecht geoordeeld dat het voldoende was voorgelicht, en heeft het overeenkomstig artikel 114, lid 3, besloten dat er geen reden was om tot mondelinge behandeling over te gaan.
10.
Overeenkomstig artikel 50 van zijn Reglement voor de procesvoering heeft het Gerecht geoordeeld dat de twee zaken dienden te worden gevoegd voor de beschikking, die het op 29 september 1999 heeft gegeven.
11.
De hogere voorziening is op 20 december 1999 ingesteld.
De bestreden beschikking
12.
Bij de bestreden beschikking heeft het Gerecht het beroep in zaak T-162/98 niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat was ingesteld. In die zaak had de verzoekende partij met name aangevoerd dat Bernard John Llewellyn, in zijn hoedanigheid van secretaris van SWSMA, in zijn beëdigde verklaring („sworn affidavit”) van 4 januari 1999 had verklaard dat hij na ontvangst van de brief van de Commissie er verder niets mee had gedaan. ( 3 )
13.
Het in zaak T-148/98 ingestelde beroep kon slechts als tijdig worden aangemerkt indien het Gerecht geloof hechtte aan de verklaring van verzoekers — aan wie de beschikking niet was betekend — volgens welke zij niet van het bestaan van de beschikking afwisten tot 10 augustus 1998, toen een hunner „toevallig” van een derde een afschrift van de brief met de beschikking kreeg.
14.
Om de geloofwaardigheid van de verklaring van de verzoekers te controleren, heeft het Gerecht hun verzocht, aan te geven wie de derde was en welke verzoeker de brief had ontvangen, en precies te beschrijven hoe dat in zijn werk is gegaan en hoe de andere verzoekers kennis van de beschikking hebben gekregen.
15.
Op die vragen hebben verzoekers het volgende geantwoord:
Op de eerste vraag hebben zij geantwoord: „Verzoeker Mostyn Jones herinnert zich niet, wie die derde was; hij denkt dat hij [de brief] gekregen heeft van een van de personen die Sarah Llewellyn Jones [advocaat van de SWSMA] vertegenwoordigt.”
Op de tweede vraag hebben zij geantwoord dat het ging om „Mostyn Jones”.
Op de derde vraag, ten slotte, hebben zij geantwoord: „Verzoeker Jones herinnert zich de precieze omstandigheden niet. De andere verzoekers hebben het gehoord van de heer Jones, die met sommigen van hen over de beschikking heeft gesproken, en verder hebben verzoekers rechtstreeks elkaar geïnformeerd. ” ( 4 )
16.
Het Gerecht heeft deze gegevens als volgt beoordeeld:
„Aangezien de Commissie enkel aan de SWSMA kennis van de beschikking heeft gegeven en deze zelfs niet gezonden is aan de advocaten van de vereniging, die er pas op 8 september 1998 van op de hoogte zijn gesteld, lijkt het onwaarschijnlijk dat een van de verzoekers op 10 augustus 1998 van een derde persoon een afschrift van de beschikking zou hebben gekregen.
Dit wordt nog ongeloofwaardiger door de antwoorden op de door het Gerecht gestelde vragen. Volgens die summiere en ontwijkende antwoorden is verzoeker Mostyn Jones, die zich wel precies weet te herinneren, op welke dag hij een afschrift van de beschikking heeft gekregen — de dag waarop de beroepstermijn dan zou ingaan —, zowel vergeten wie de betrokken persoon was, als onder welke omstandigheden dat is gebeurd.
Het enige wat verzoeker Mostyn Jones weet te melden, is dat hij meent het stuk te hebben gekregen van iemand die wordt vertegenwoordigd door Sarah Llewellyn Jones, de advocaat van de SWSMA. Dit is echter in tegenspraak met de verklaring van Bernard John Llewellyn, die zegt na de ontvangst van de brief met de beschikking er verder niets mee te hebben gedaan, en met het feit dat de beschikking eerst op 8 september 1998 ter kennis van de advocaten van de SWSMA is gekomen.
Verzoekers hebben derhalve niet aannemelijk weten te maken, dat de beroepstermijn is gaan lopen op een dusdanig moment, dat hun beroep geacht zou kunnen worden nog tijdig te zijn ingesteld.
Noodzakelijkerwijs volgt hieruit, dat het beroep in zaak T-148/98 als tardief is te beschouwen.” ( 5 )
17.
Het Gerecht heeft het beroep mitsdien niet-ontvankelijk verklaard, zonder te beslissen op de andere door de Commissie aangevoerde niet-ontvankelijkheidsmiddelen.
De middelen in hogere voorziening
18.
Ter staving van hun hogere voorziening voeren rekwiranten drie middelen aan, respectievelijk ontleend aan kennelijk onjuiste rechtsopvatting, schending van de rechten van de verdediging en verdraaiing van het bewijsmateriaal.
19.
De Commissie meent dat de hogere voorziening in haar geheel niet-ontvankelijk is, omdat het Gerecht zich in de bestreden beschikking ertoe heeft beperkt op grond van een loutere beoordeling van de feiten het beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk te verklaren omdat het te laat was ingesteld. Subsidiair verzoekt zij het Hof, alle ter staving van de hogere voorziening aangevoerde middelen af te wijzen.
20.
Vooraf dient te worden onderstreept dat de redenering van het Gerecht weliswaar op een beoordeling van de feiten berust, maar dat de door de bestreden beschikking uitgesproken niet-ontvankelijkheid een juridische beslissing is en als zodanig vatbaar is voor hogere voorziening. De door de Commissie opgeworpen algemene exceptie van niet-ontvankelijkheid van de hogere voorziening kan dus niet worden aanvaard.
Het eerste middel van de hogere voorziening: kennelijk onjuiste rechtsopvatting
21.
Volgens rekwiranten lijkt het Gerecht impliciet aan te nemen dat de verzoekende partijen zich door de beschikking betroffen konden achten in de zin van artikel 33, tweede alinea, EGKS-Verdrag, maar heeft het zich hierover niet uitdrukkelijk uitgesproken. Indien het dit punt had onderzocht, had het moeten vaststellen dat de Commissie verplicht was hun de beschikking te betekenen, en had het, wegens het ontbreken van deze betekening, de beroepstermijn moeten berekenen vanaf de dag waarop de betrokkenen kennis hadden gekregen van de beschikking. Door anders te handelen heeft het Gerecht blijk gegeven van een kennelijk onjuiste rechtsopvatting.
22.
Het EGKS-Verdrag maakt geen enkel onderscheid tussen degenen tot wie een beschikking is gericht, en belanghebbende derden. Het is niet nodig, de gevolgen van het ontbreken van dit onderscheid voor de procedure te analyseren, of de gevolgen te onderzoeken van de ruimere definitie van de partijen die krachtens artikel 33, tweede alinea, KS beroep kunnen instellen in vergelijking met de partijen die dit krachtens artikel 230, vierde alinea, EG kunnen doen, om te concluderen dat dit middel kennelijk faalt.
Ongeacht of het Gerecht heeft verklaard dat de beschikking verzoekers betrof, het heeft de vraag of het beroep tijdig was ingesteld, immers behandeld alsof de beschikking hen betrof, en het heeft de stelling dat verzoekers pas kennis hebben gekregen van de beschikking nadat deze aan de SWSMA was betekend, onderzocht en vervolgens verworpen. De verzoekers zouden geen gunstigere behandeling hebben gekregen indien het Gerecht expressis verbis had erkend dat zij door de beschikking waren betroffen.
23.
Voorzover de gestelde onjuiste rechtsopvatting erin zou bestaan dat het Gerecht niet heeft erkend dat de verzoekers aanspraak hadden op betekening van de beschikking door de Commissie, is het middel nieuw: rekwiranten zouden hun vordering dan in hoofdzaak instellen in hun hoedanigheid van personen tot wie de beschikking is gericht, en niet in hun hoedanigheid van personen die erdoor worden betroffen.
24.
Ten slotte voeren rekwiranten aan dat de Commissie niet heeft betwist dat zij op 10 augustus 1998 kennis hadden gekregen van de beschikking. Dit argument is kennelijk ongegrond, aangezien de berekening van de termijnen een vraag van openbare orde is en derhalve niet ter discretie van de partijen staat. De houding van de Commissie tijdens de procedure is dan ook irrelevant.
25.
Het middel dient dan ook te worden afgewezen.
Het tweede middel in hogere voorziening: schending van de rechten van de verdediging
26.
Rekwiranten betogen dat het Gerecht zijn beoordeling van de tardiviteit van het beroep heeft gebaseerd op gegevens die hem zijn ter kennis gebracht in het kader van zaak T-162/98, die was ingesteld door de SWSMA. Aangezien deze gegevens hun niet waren meegedeeld, hebben zij hiertegen geen verweer kunnen voeren. Het Gerecht heeft aldus een elementaire billijkheidsregel geschonden die inherent is aan het recht op een eerlijke behandeling in rechte.
27.
Volgens de Commissie is dit middel niet-ontvankelijk omdat het een nieuw onderzoek van de feiten wil uitlokken. In ieder geval heeft het Gerecht geoordeeld dat verzoekers hem „summiere en ontwijkende” antwoorden hebben gegeven op de vragen die het hun had gesteld. In het verzoekschrift in hogere voorziening wordt niet aangegeven welke opmerkingen zij zouden hebben gemaakt indien zij hiertoe de gelegenheid hadden gekregen.
28.
Het is duidelijk dat het Gerecht bij het onderzoek van de bewijzen op grond waarvan het diende uit te maken of het beroep tijdig was ingesteld, de vereisten van een contradictoire procedure niet heeft nageleefd.
29.
Er zij aan herinnerd dat twee verschillende beroepen zijn ingesteld en dat het Gerecht, op verzoek van de Commissie, in beide zaken heeft beslist een exceptie van niet-ontvankelijkheid te behandelen waaromtrent de verschillende verzoekende partijen de gelegenheid hebben gehad om opmerkingen in te dienen. Aangezien het Gerecht in dezelfde beschikking heeft beslist de zaken te voegen en niet tot een mondelinge behandeling over te gaan omdat het meende voldoende te zijn voorgelicht, zijn de stukken van de zaak Gerry Plant e.a./Commissie nooit aan de SWSMA meegedeeld en hebben de verzoekende partijen in deze tweede zaak ook nooit toegang gehad tot het dossier in de eerste zaak.
30.
Om de juistheid na te gaan van de datum waarop de verzoekende partijen naar eigen zeggen voor het eerst kennis hadden gekregen van de beschikking, heefthet Gerecht hun de hierboven aangehaalde vragen gesteld. Na analyse van de antwoorden heeft het Gerecht geoordeeld dat deze niet geloofwaardig waren, en heeft het verklaard dat verzoekers er niet in waren geslaagd gedetailleerde en overtuigende antwoorden te geven ter staving van hun stelling. Het beroep is om die reden niet-ontvankelijk verklaard.
31.
Met betrekking tot de antwoorden heeft het Gerecht om te beginnen overwogen dat de verklaring dat een van de verzoekende partijen van een niet-gcïdentificeerde derde persoon een afschrift van de beschikking van 10 augustus 1998 had gekregen, onwaarschijnlijk was, aangezien de Commissie alleen aan de SWSMA kennis had gegeven van de beschikking en deze zelfs niet had meegedeeld aan de „solicitors” van de vereniging, die er pas op 8 september 1998 van op de hoogte zijn gesteld.
Het Gerecht heeft deze gegevens evenwel verkregen uit de in het kader van zaak T-162/98 ingediende opmerkingen. ( 6 )
32.
Het Gerecht heeft vervolgens geoordeeld dat de summiere en ontwijkende antwoorden van Jones in schrille tegenstelling staan met de nauwkeurigheid waarmee hij zich herinnert op welke dag hij een afschrift van de beschikking heeft gekregen. Dit maakte de antwoorden nog ongeloofwaardiger.
33.
Ten slotte heeft het Gerecht de verklaring van Mostyn Jones dat hij het document meende te hebben gekregen van iemand die wordt vertegenwoordigd door de advocaat van de SWSMA, onderuit gehaald door ze te vergelijken met de beëdigde verklaring van Bernard John Llewellyn, dat hij met de brief van de Commissie verder niets had gedaan en dat de advocaten van de SWSMA pas op 8 september 1998 kennis hebben gekregen van de beschikking.
De verklaring van Bernard John Llewellyn was alleen in het dossier in zaak T-162/9 8 opgenomen.
34.
Voor de techniek om de verklaringen van partijen en de bewijzen die zij aanvoeren, aan een contradictoir debat te onderwerpen, gelden uiteraard geen absolute vereisten. Het kan slechts een middel zijn om de rechtsbedeling te vergemakkelijken en het geheel van de vragen, zowel feitelijk als rechtens, waarover de rechter zich dient uit te spreken, samen te behandelen. Dit is typisch de werkwijze in het Angelsaksische rechtsstelsel, waar er in de „adversial proceedings” een grote weerstand bestaat tegen al wat als „inquisitori-aal” wordt beschouwd en invloed zou kunnen hebben op de uitkomst van de procedure zonder door de partijen te zijn opgeworpen. In de continentale rechtsstelsels is het voorwerp van tegenspraak in de procedure veel beperkter: enerzijds geldt daar de regel iura novit curia, waardoor vragen die louter betrekking hebben op de toepassing van het recht, van de contradictoire procedure kunnen worden uitgesloten; anderzijds strekt het vermoeden van onpartijdigheid van de rechter zich uit tot handelingen als het verzoek om een intern rapport of het leveren van een bepaald bewijs, wat eveneens de noodzaak van een debat vermindert.
35.
Volgens mij is ter zake van de eis van een contradictoire procedure slechts een bijzondere rechtsbescherming nodig wanneer de niet-naleving ervan schending van een fundamenteel recht meebrengt, dit wil zeggen leidt tot een situatie waarin de rechten van de verdediging worden geschonden.
36.
Het Europees Hof voor de rechten van de mens heeft evenwel de Angelsaksische opvatting van een contradictoire procedure aanvaard en heeft in zijn arrest Vermeulen/België van 20 februari 1996 ( 7 ) geoordeeld dat het recht op een contradictoire procedure „voor de partijen de mogelijkheid omvat om in een burgerlijke procedure of een strafprocedure kennis te nemen van alle stukken of opmerkingen die, zelfs door een onpartijdige magistraat, aan de rechter worden voorgelegd met het doel ze te bespreken en de beslissing van de rechter te beïnvloeden”. Deze rechtspraak is herhaaldelijk bevestigd ( 8 ), zonder dat de volledige onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de verschillende bij de zaak betrokken magistraten, onpartijdigheid en onafhankelijkheid waarvan de door hen gestelde handelingen vervuld zijn, ook maar de minste invloed hebben gehad op deze argumentatie.
Het lijkt erop alsof men een uniforme visie op de rechtsbedeling wil opleggen zonder de noodzaak hiervan anders te verklaren dan met de „theorie van de schijn”. ( 9 )
37.
De regel van hoor en wederhoor geldt vooral voor de bewijzen die een partij aan de rechter overlegt. Voor dergelijke bewijzen, die per definitie extern zijn aan het gerecht, geldt niet het vermoeden van onpartijdigheid en onafhankelijkheid. Indien zij in aanmerking worden genomen zonder dat de partijen hierover zijn gehoord, worden de rechten van de verdediging geschonden.
38.
Dit is het geval in de onderhavige zaak: het Gerecht heeft zijn oordeel gebaseerd op de door een partij in één procedure aangevoerde bewijzen om een vraag met betrekking tot een andere procedure te beantwoorden, zonder dat deze bewijzen aan de partijen in de andere procedure zijn meegedeeld en, bijgevolg, zonder dat dezen de gelegenheid hebben gekregen daartegen verweer te voeren.
39.
Van de drie overwegingen op basis waarvan het Gerecht de verklaring van de verzoekende partijen met betrekking tot de datum waarop zij kennis hebben gekregen van de beschikking, van de hand heeft gewezen, zijn er op zijn minst twee door de genoemde schending aangetast. Aangezien het niet aan het Hof staat de relatieve bewijskracht van elk van die bewijsmiddelen te beoordelen — dit houdt immers een beoordeling van de feiten in — dient het tweede middel van de hogere voorziening te worden aanvaard.
Het derde middel van de hogere voorziening: verdraaiing of verkeerde beoordeling vati bewijzen
40.
Rekwiranten vermelden in dit verband slechts een aantal feiten zonder op enigerlei wijze aan te geven in welk opzicht het Gerecht de bewijzen heeft verdraaid of kennelijk verkeerd heeft beoordeeld.
41.
Aangezien dit derde middel slechts een nieuw onderzoek van de feiten tracht uit te lokken, dient het niet-ontvankelijk te worden verklaard.
De verdere behandeling van de zaak
42.
Mijn voorstel tot aanvaarding van het tweede middel moet leiden tot de vernietiging van de bestreden beschikking en, bijgevolg, tot een nieuwe beoordeling van de feiten waarop zij was gegrond. Aangezien het Hof in geen geval tot deze nieuwe beoordeling kan overgaan, kan de zaak niet worden afgedaan en dient zij naar het Gerecht te worden verwezen voor een nieuwe behandeling.
Kosten
43.
Overeenkomstig artikel 122, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering, dient niet te worden beslist over de kosten.
Conclusie
44.
Gelet op hetgeen hierboven is uiteengezet, geef ik het Hof in overweging de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 29 september 1999 in de gevoegde zaken T-148/98 en T-162/98, te vernietigen, de zaak terug te verwijzen, en de beslissing omtrent de kosten aan te houden.
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Spaans.
( 2 ) Evans e.a./Commissie (T-148/98 en T-162/98, Jurispr. blz. 1I-2837; hierna: „bestreden beschikking”).
( 3 ) Punt 21 van de bestreden beschikking.
( 4 ) Punt 43 van de bestreden beschikking.
( 5 ) Punten 44 tot en met 48 van de bestreden beschikking.
( 6 ) Zie punt 22 van de bestreden beschikking.
( 7 ) Recueil des arrêts et décisions 1996-I. Zie eveneens arrest van dezelfde datum, Lobo Machado/Portugal.
( 8 ) Zie met name arresten Bulut/Oostenriįk van 22 februari 1996 (Recueil des arrêts et décisions 1996-11); Niederöst-Huber/Zwitserland van 18 februari 1997 {Recueil des arrêts et décisions 1997-1); Van Orshoven/België van 25 juni 1997 (Recueil des arrêts et décisions 1997-III), en J.T./Nederland en K.D.B./Nederland van 27 juni 1998 {Recueil des arrêts et décisions 1998-II). Zie eveneens arrest Kress/Frankrijk van 7 juni 2001, waarin het Hof dit beginsel heeft versoepeld en heeft erkend dat andere procedurehandelingen het recht van repliek kunnen waarborgen.
( 9 ) Door het Europees Hof voor de rechten van de mens uitgewerkte theorie, die erin bestaat beslissend juridisch belane te hechten aan de indruk die een leek kan hebben over de billijkheid van een procedure. Zij is terecht sterk bekritiseerd geworden, zelfs door leden van het Hof zelf. Zie bijvoorbeeld de briljante dissenting opinion van rechter Martens bij het arrest Borgers van 30 oktober 1991 (Serie A nr. 214-B).
Full & Egal Universal Law Academy