Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Landbouw - Gemeenschappelijke ordening van markten - Granen - Rijst - Restituties bij productie - Door ethervorming of verestering gewijzigd zetmeel - Begrip betrokkene" in de zin van artikel 7, lid 5, van verordening nr. 2169/86 - Koper van door ethervorming of door verestering gewijzigd zetmeel die zich jegens leverancier heeft verbonden, gekocht product regelmatig te gebruiken - Daarvan uitgesloten - Niet-toepasselijkheid van voorziene sanctie
(Verordening nr. 2169/86 van de Commissie, art. 7, lid 5, zoals gewijzigd bij verordening nr. 165/89)
Samenvatting
$$Het woord betrokkene" in artikel 7, lid 5, van verordening nr. 2169/86 houdende nadere voorschriften voor de controle op en de betaling van de productierestituties in de sectoren granen en rijst, zoals gewijzigd bij verordening nr. 165/89, moet aldus worden uitgelegd dat het niet ziet op de koper van door ethervorming of door verestering gewijzigd zetmeel die zich jegens de leverancier heeft verbonden om het product slechts te gebruiken voor de bereiding van andere producten dan die welke in bijlage I bij die verordening zijn vermeld. Aan die koper kan dus niet de in artikel 7, lid 5, van deze verordening bepaalde sanctie, te weten betaling van een bedrag dat gelijk is aan 105 % van de hoogste productierestitutie die in de voorafgaande twaalf maanden voor het betrokken product gold, worden opgelegd.
( cf. punt 28 en dictum )
Partijen
In zaak C-2/99,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) van het Hessische Finanzgericht, Kassel (Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen
Döhler GmbH
en
Hauptzollamt Darmstadt,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 7, lid 5, van verordening (EEG) nr. 2169/86 van de Commissie van 10 juli 1986 houdende nadere voorschriften voor de controle op en de betaling van de productierestituties in de sectoren granen en rijst (PB L 189, blz. 12), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 165/89 van de Commissie van 24 januari 1989 (PB L 20, blz. 14, en, rectificatie, PB L 60, blz. 56),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: M. Wathelet, kamerpresident, P. Jann (rapporteur) en L. Sevón, rechters,
advocaat-generaal: G. Cosmas
griffier: D. Louterman-Hubeau, afdelingshoofd
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Döhler GmbH, vertegenwoordigd door J. Dietze, advocaat te Hamburg,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Niejahr, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Döhler GmbH en de Commissie ter terechtzitting van 16 maart 2000,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 mei 2000,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 7 mei 1998, ingekomen bij het Hof op 5 januari 1999, heeft het Hessische Finanzgericht, Kassel, krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 7, lid 5, van verordening (EEG) nr. 2169/86 van de Commissie van 10 juli 1986 houdende nadere voorschriften voor de controle op en de betaling van de productierestituties in de sectoren granen en rijst (PB L 189, blz. 12), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 165/89 van de Commissie van 24 januari 1989 (PB L 20, blz. 14, en, rectificatie, PB L 60, blz. 56; hierna: verordening nr. 2169/86, zoals gewijzigd").
2 Die vragen zijn gerezen in een geschil tussen Döhler GmbH (hierna: Döhler") en het Hauptzollamt Darmstadt (hierna: Hauptzollamt") betreffende de betaling bij wege van sanctie van een bedrag, berekend op basis van productierestituties aan producenten van door ethervorming of door verestering gewijzigd zetmeel.
De gemeenschapsregeling
3 Ondernemingen die bij de vervaardiging van bepaalde goederen zetmeel gebruiken kunnen daarvoor productierestituties ontvangen.
Verordening nr. 2169/86
4 Krachtens verordening nr. 2169/86 kan een fabrikant, die in artikel 1 wordt gedefinieerd als de gebruiker van het zetmeel voor de productie van de goedgekeurde producten", een productierestitutie aanvragen.
5 Volgens artikel 4 moet een fabrikant die een productierestitutie wenst te verkrijgen, een restitutiecertificaat" aanvragen.
6 Artikel 7 bepaalt:
1. Het certificaat wordt afgegeven onder voorwaarde dat de fabrikant bij de bevoegde autoriteit een zekerheid stelt van 25 ECU per ton basiszetmeel, in voorkomend geval vermenigvuldigd met de in de bijlage vermelde coëfficiënt voor de soort zetmeel die zal worden gebruikt.
2. De primaire eis in de zin van artikel 20 van verordening (EEG) nr. 2220/85 is de verwerking binnen de geldigheidsduur van het certificaat van de in de aanvraag aangegeven hoeveelheid zetmeel tot de als zodanig vermelde goedgekeurde producten. Wanneer een fabrikant evenwel ten minste 95 % van de in de aanvraag aangegeven hoeveelheid zetmeel heeft verwerkt, wordt aangenomen dat hij aan de voorgenoemde primaire eis heeft voldaan.
3. In geval van overmacht kan de gestelde zekerheid eveneens worden vrijgegeven."
Verordening (EEG) nr. 3642/87
7 Bij verordening (EEG) nr. 3642/87 van de Commissie van 2 december 1987 tot wijziging van verordening nr. 2169/86 (PB L 342, blz. 10) is aan artikel 7, lid 1, van verordening nr. 2169/86 een tweede alinea toegevoegd, die luidt:
Wanneer het op het certificaat vermelde product echter onder post 39.06 B I van het gemeenschappelijk douanetarief (GN-onderverdeling 3505 10 50) valt, bedraagt de zekerheid 105 % van de productierestitutie die voor de vervaardiging van het betrokken product wordt verleend."
8 Bij verordening nr. 3642/87 is aan artikel 7 van verordening nr. 2169/86 tevens een nieuw lid 4 toegevoegd, waarin is bepaald, dat de in lid 1, tweede alinea, van dat artikel bedoelde zekerheid eerst wordt vrijgegeven, wanneer ten genoegen van de bevoegde autoriteit is aangetoond dat het product van GN-onderverdeling 3505 10 50 - door ethervorming of door verestering gewijzigd zetmeel - werd gebruikt voor de bereiding van andere producten dan die welke in bijlage I bij verordening nr. 2169/86 zijn vermeld.
9 Volgens de eerste overweging van de considerans van verordening nr. 3642/87 waren die toevoegingen gerechtvaardigd omdat de ervaring had geleerd, dat de bijzondere aard van veresterd of veretherd zetmeel (dat tot subsidiabel basisproduct kan worden verwerkt) aanleiding kan geven tot speculatieve verwerking om meermaals de productierestitutie voor de oorspronkelijke hoeveelheid te ontvangen".
Verordening nr. 165/89
10 Bij verordening nr. 165/89 is artikel 7 van verordening nr. 2169/86 opnieuw gewijzigd. Lid 4 is vervangen door de volgende tekst:
Onverminderd het bepaalde in lid 2, wordt de in lid 1, tweede alinea, bedoelde zekerheid eerst vrijgegeven, wanneer ten genoegen van de bevoegde autoriteit is aangetoond dat het product van GN-code 3505 10 50
a) werd gebruikt voor de bereiding van andere producten dan die welke in bijlage I zijn vermeld of
b) werd uitgevoerd naar derde landen.
In het onder a genoemde geval wordt het bewijs geleverd wanneer de fabrikant de bevoegde autoriteiten een verklaring overlegt waarin staat:
- dat hij, ingeval het betrokken product verder wordt verwerkt, dat product slechts zal gebruiken voor de bereiding van andere producten dan die welke in bijlage I zijn vermeld, en
- dat hij het betrokken product slechts zal verkopen aan een afnemer die dezelfde verbintenis aangaat, en dat hij een afschrift van die verbintenis zal ontvangen en voor de bevoegde autoriteit ter inzage zal houden, en
- dat hij kennis heeft genomen van artikel 7, lid 5.
Bij rechtstreekse uitvoer uit de Gemeenschap naar derde landen wordt de zekerheid vrijgegeven, wanneer ten genoegen van de bevoegde autoriteit is aangetoond dat het betrokken product het douanegebied van de Gemeenschap heeft verlaten.
Wanneer het betrokken product naar een andere lidstaat wordt verzonden of over het grondgebied van een andere lidstaat naar derde landen wordt uitgevoerd, wordt het in dit lid bedoelde bewijs geleverd door overlegging van een controle-exemplaar T 5 (...)
Wanneer het controle-exemplaar T 5 wegens overmacht niet binnen 150 dagen na de datum van eerste afgifte aan het douanekantoor van afgifte of de bevoegde autoriteit wordt teruggezonden, kan de betrokkene de bevoegde autoriteit verzoeken andere documenten als gelijkwaardig te aanvaarden (...)"
11 Verder is een nieuw lid 5 toegevoegd:
De bevoegde autoriteit moet met geëigende middelen, met inbegrip van controles achteraf ter plaatse, nagaan of de in lid 4 bedoelde verklaring volledig in acht is genomen. Wanneer de betrokkene de in dit artikel vervatte voorwaarden niet nakomt, vordert de bevoegde autoriteit in de betrokken lidstaat, onverminderd nationale strafmaatregelen, de betaling door de betrokkene van een bedrag dat gelijk is aan 105 % van de hoogste productierestitutie die in de voorafgaande twaalf maanden voor het betrokken product gold."
Het hoofdgeding
12 Döhler produceert en verkoopt verschillende producten voor de voedingsmiddelenindustrie.
13 Volgens een controleverslag van de bevoegde Duitse autoriteit van december 1992 kocht verzoekster tussen 1 januari 1988 en 31 december 1990 bij de Belgische fabrikant Amylum NV (hierna: Amylum") en bij Cerestar Deutschland GmbH (hierna: Cerestar"), de Duitse distributeur van de Nederlandse fabrikant Cerestar Benelux BV, 916 925 kg door ethervorming of door verestering gewijzigd zetmeel van GN-code 3505 10 50.
14 Tegenover Amylum verklaarde Döhler voor het kalenderjaar 1989, dat het door haar gekochte zetmeel bestemd was voor eigen gebruik en voor de bereiding van andere dan de in bijlage I bij verordening nr. 2169/86, zoals gewijzigd, genoemde eindproducten, en dat dit zetmeel niet aan derden zou worden doorverkocht. Tegenover Cerestar verklaarde Döhler in een leveringsbon, dat de afgenomen producten waren gebruikt voor de bereiding van andere producten dan die vermeld in bijlage I bij verordening nr. 2169/86, zoals gewijzigd.
15 Volgens Döhler ontvingen Amylum en Cerestar productierestituties op grond van verordening nr. 2169/86, zoals gewijzigd.
16 Van de gekochte 916 925 kg door ethervorming of door verestering gewijzigd zetmeel verkocht Döhler 726 860 kg ongewijzigd door binnen de Gemeenschap, met name aan Döhler Food Service GmbH, haar volledige dochteronderneming, die de producten op haar beurt aan bakkerijen en banketbakkerijen leverde.
17 Döhler vroeg haar afnemers niet om verklaringen in de zin van artikel 7, lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 2169/86, zoals gewijzigd.
18 Bij besluit van 7 juni 1994 vorderde het Hauptzollamt, inzonderheid op grond van artikel 7, lid 5, van verordening nr. 2169/86, zoals gewijzigd, van Döhler betaling van 181 330,71 DEM. Voor de berekening van het in artikel 7, lid 5, bedoelde tijdvak van twaalf maanden werd uitgegaan van de datum waarop was vastgesteld, dat van het zetmeel geen regelmatig gebruik was gemaakt; dat tijdvak werd derhalve bepaald van mei 1991 tot april 1992.
19 Nadat haar klacht tegen dat besluit was afgewezen, stelde Döhler beroep in bij het Hessische Finanzgericht. Van oordeel, dat een vraag van uitlegging van het gemeenschapsrecht aan de orde was, heeft dit de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
1) Moet artikel 7, lid 5, tweede volzin, van verordening (EEG) nr. 2169/86 van de Commissie van 10 juli 1986 houdende nadere voorschriften voor de controle op en de betaling van de productierestituties in de sectoren granen en rijst, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 165/89 van 24 januari 1989, aldus worden uitgelegd, dat onder ,betrokkene ook de koper van een product van GN-code 3505 10 50 wordt verstaan, die zich op zijn beurt jegens de fabrikant en/of leverancier van dit product heeft verbonden om het slechts te gebruiken voor de bereiding van andere producten dan die welke in bijlage I zijn vermeld?
2) Zo ja,
a) Moet van de koper betaling worden gevorderd van een bedrag dat gelijk is aan 105 % van de hoogste productierestitutie die in de voorafgaande twaalf maanden voor het betrokken product gold, ongeacht of de door de fabrikant gestelde zekerheid - mogelijkerwijs wegens een door de in de eerste vraag bedoelde betrokkene opzettelijk valselijk afgelegde verklaring houdende verbintenis - is vrijgegeven?
b) Kan van de koper ook betaling worden gevorderd van een bedrag dat gelijk is aan 105 % van de hoogste productierestitutie die in de voorafgaande twaalf maanden voor het betrokken product gold, wanneer niet meer kan worden vastgesteld, of de koper een verklaring houdende verbintenis heeft afgelegd, doch vaststaat dat noch de koper noch een volgende koper het product tot een ander dan in bijlage I vermeld product heeft verwerkt of zulks heeft aangetoond?
3) Ingeval de vragen sub 2 bevestigend worden beantwoord:
Vanaf welk tijdstip moeten de in artikel 7, lid 5, tweede volzin, van verordening (EEG) nr. 2169/86 bedoelde ,voorafgaande twaalf maanden worden berekend?"
De eerste vraag
20 Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of het woord betrokkene" in artikel 7, lid 5, van verordening nr. 2169/86, zoals gewijzigd, aldus moet worden uitgelegd, dat het ook ziet op de koper van door ethervorming of door verestering gewijzigd zetmeel, die zich jegens de leverancier heeft verbonden om het product slechts te gebruiken voor de bereiding van andere producten dan die welke in bijlage I bij die verordening zijn vermeld. Die uitlegging zou tot gevolg hebben dat aan de koper die de verbintenis niet nakomt, de in artikel 7, lid 5, van die verordening bedoelde sanctie kan worden opgelegd, namelijk de betaling van een bedrag dat gelijk is aan 105 % van de hoogste productierestitutie die in de voorafgaande twaalf maanden voor het betrokken product gold.
21 Deze vraag is gerezen omdat in artikel 7, leden 4 en 5, van verordening nr. 2169/86, zoals gewijzigd, die zijn toegevoegd bij verordening nr. 165/89, het woord betrokkene" voorkomt, terwijl in de andere bepalingen van deze verordening steeds het woord fabrikant" wordt gebruikt.
22 Volgens Döhler kan de betrokkene" enkel de fabrikant zijn. Volgens haar volgt uit de bewoordingen van artikel 7, lid 5, van verordening nr. 2169/86, zoals gewijzigd, dat sancties slechts kunnen worden opgelegd wanneer bij controles achteraf blijkt, dat de in lid 4 bedoelde verklaring" niet volledig in acht is genomen. Het in het enkelvoud gebruikte woord verklaring" ziet duidelijk op de verklaring die de fabrikant moet overleggen aan de bevoegde autoriteit, niet op de verbintenis van de koper jegens de fabrikant.
23 Döhler voegt daaraan toe, dat de doelstelling van verordening nr. 2169/86, zoals gewijzigd, namelijk te vermijden dat voor door ethervorming of door verestering gewijzigd zetmeel ten onrechte meer dan één productierestitutie wordt verleend, behouden blijft. Aangezien voor de fabrikant het regelmatige gebruik een primaire eis is, moet het onregelmatige gebruik van de producten door de koper hem worden toegerekend als ging het om zijn eigen handelen (arrest Hof van 9 augustus 1994, Boterlux, C-347/93, Jurispr. blz. I-3933).
24 De Commissie is een andere mening toegedaan. Ook zij baseert zich op de bewoordingen van de betrokken bepalingen ten betoge, dat het verschil in terminologie tussen artikel 7, leden 4 en 5, van verordening nr. 2169/86, zoals gewijzigd, waarin sprake is van betrokkene", en de voorgaande artikelen van die verordening, waarin het woord fabrikant" wordt gebruikt, aantoont dat de gemeenschapswetgever de sanctie van artikel 7, lid 5, niet tot de fabrikant heeft willen beperken. Het woord betrokkene" is kennelijk gebruikt om een sanctie te kunnen opleggen aan de contractant bij wie bij controle is vastgesteld dat hij de overeenkomstig artikel 7, lid 4, tweede alinea, aangegane verbintenis niet is nagekomen. Het kan daarbij zowel om de fabrikant als om de koper gaan.
25 Volgens de Commissie pleiten overwegingen inzake de algemene opzet van verordening nr. 2169/86, zoals gewijzigd, voor deze uitlegging. Luidens artikel 7, lid 4, tweede alinea, van die verordening moet de fabrikant zijn verbintenis tot regelmatig gebruik van het product aan de koper overdragen. Uit niets blijkt, dat de fabrikant primair of subsidiair aansprakelijk is voor de niet-nakoming van de verbintenis door de koper. Uitsluiting van de mogelijkheid om de koper een sanctie op te leggen, zou impliceren dat schending van de verbintenis tot regelmatig gebruik geen gevolgen heeft.
26 Wat in de eerste plaats het aan een letterlijke uitlegging van de betrokken bepalingen ontleende argument betreft, zij opgemerkt, dat artikel 7, lid 4, laatste alinea, van verordening nr. 2169/86, zoals gewijzigd, bepaalt, dat wanneer het controle-exemplaar T 5, waarvan de overlegging bewijst dat het betrokken product het douanegebied van de Gemeenschap heeft verlaten, wegens overmacht" niet binnen de gestelde termijn aan de bevoegde autoriteiten wordt teruggezonden, de betrokkene de bevoegde autoriteit [kan] verzoeken andere documenten als gelijkwaardig te aanvaarden". Zoals de advocaat-generaal in punt 14 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kan de betrokkene" in de zin van artikel 7, lid 4, van verordening nr. 2169/86, zoals gewijzigd, enkel de fabrikant zijn, die gedaan wil krijgen dat de door hem gestelde zekerheid wordt vrijgegeven. Daaruit volgt dat, zo in artikel 7, lid 4, van bedoelde verordening onder betrokkene" enkel de fabrikant kan worden verstaan, die zelfde rechtsterm in het volgende lid geen ruimere werkingssfeer kan hebben.
27 Verder is deze uitlegging in overeenstemming met de structuur en het doel van de regeling, aangezien zij het gemeenschapsbelang beschermt. Dat belang vereist dat de in artikel 7, lid 5, van verordening nr. 2169/86, zoals gewijzigd, bedoelde sanctie altijd wordt opgelegd wanneer de in dat artikel bedoelde zekerheid ten onrechte wordt vrijgegeven. Een uitlegging van die bepaling waarbij steeds enkel de fabrikant het in voormeld artikel 7, lid 5, bedoelde bedrag moet betalen wanneer hij of een koper die van hem door ethervorming of door verestering gewijzigd zetmeel heeft afgenomen, van die producten geen regelmatig gebruik heeft gemaakt, draagt bij tot de werkzame toepassing van de voorziene sanctie. In het kader van de bij verordening nr. 2169/86, zoals gewijzigd, geregelde procedure is de fabrikant immers de enige die rechtstreeks contact heeft gehad met de bevoegde administratieve autoriteiten en wiens solvabiliteit wordt bewezen doordat hij een zekerheid heeft gesteld voor het bedrag van de voorziene sanctie. De belangen van de fabrikant worden gewaarborgd doordat een fabrikant die overeenkomstig de vereisten van verordening nr. 2169/86, zoals gewijzigd, zijn kopers heeft verzocht zich tot regelmatig gebruik van de gekochte producten te verbinden, zich op grond van de regels inzake contractuele aansprakelijkheid tot die kopers kan wenden om vergoeding van de hem door hun gedrag berokkende schade te verkrijgen.
28 Uit een en ander volgt, dat op de eerste vraag moet worden geantwoord, dat het woord betrokkene" in artikel 7, lid 5, van verordening nr. 2169/86, zoals gewijzigd, aldus moet worden uitgelegd, dat het niet ziet op de koper van door ethervorming of door verestering gewijzigd zetmeel, die zich jegens de leverancier heeft verbonden om het product slechts te gebruiken voor de bereiding van andere producten dan die welke in bijlage I bij die verordening zijn vermeld. Aan die koper kan dus niet de in artikel 7, lid 5, van deze verordening bedoelde sanctie, te weten de betaling van een bedrag dat gelijk is aan 105 % van de hoogste productierestitutie die in de voorafgaande twaalf maanden voor het betrokken product gold, worden opgelegd.
De tweede en de derde vraag
29 Gelet op het antwoord op de eerste vraag, behoeven de tweede en de derde vraag niet te worden beantwoord.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
30 De kosten door de Commissie wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
uitspraak doende op de door het Hessische Finanzgericht, Kassel, bij beschikking van 7 mei 1998 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Het woord betrokkene" in artikel 7, lid 5, van verordening (EEG) nr. 2169/86 van de Commissie van 10 juli 1986 houdende nadere voorschriften voor de controle op en de betaling van de productierestituties in de sectoren granen en rijst, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 165/89 van de Commissie van 24 januari 1989, moet aldus worden uitgelegd, dat het niet ziet op de koper van door ethervorming of door verestering gewijzigd zetmeel, die zich jegens de leverancier heeft verbonden om het product slechts te gebruiken voor de bereiding van andere producten dan die welke in bijlage I bij die verordening zijn vermeld. Aan die koper kan dus niet de in artikel 7, lid 5, van deze verordening bedoelde sanctie, te weten de betaling van een bedrag dat gelijk is aan 105 % van de hoogste productierestitutie die in de voorafgaande twaalf maanden voor het betrokken product gold, worden opgelegd.
Full & Egal Universal Law Academy