Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Harmonisatie van wetgevingen - Voorverpakken van vloeistoffen - Richtlijn 75/106 zoals gewijzigd - Gedeeltelijke harmonisatie - Verbod door lidstaten, voorverpakkingen met niet in bijlage III, kolom I, van richtlijn vermeld nominaal volume in handel te brengen - Ontoelaatbaarheid
(Richtlijn 75/106 van de Raad, zoals gewijzigd bij de richtlijnen 79/1005, 85/10, 88/316 en 89/676, bijlage III, kolom I)
2. Vrij verkeer van goederen - Kwantitatieve beperkingen - Maatregelen van gelijke werking - Nationale regeling die in handel brengen verbiedt van voorverpakkingen met nominaal volume dat niet is begrepen in communautair gamma, zoals gewijzigd bij richtlijnen 79/1005, 85/10, 88/316 en 89/676 - Ontoelaatbaarheid - Rechtvaardiging - Bescherming van consument - Voorwaarden - Beoordeling door nationale rechter
[EG-Verdrag, art. 30 (thans, na wijziging, art. 28 EG); richtlijn 75/106 van de Raad, zoals gewijzigd bij de richtlijnen 79/1005, 85/10, 88/316 en 89/676, bijlage III, kolom I]
Samenvatting
1. Richtlijn 75/106 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het voorverpakken naar volume van bepaalde vloeistoffen in voorverpakkingen met bepaalde inhoud, zoals gewijzigd bij de richtlijnen 79/1005, 85/10, 88/316 en 89/676, moet aldus worden uitgelegd dat zij de lidstaten niet toestaat het in de handel brengen van een voorverpakking met een niet in bijlage III, kolom I, van deze richtlijn vermeld nominaal volume te verbieden.
Bij richtlijn 75/106 in haar oorspronkelijke versie werden de betrokken nationale regelingen weliswaar volledig geharmoniseerd, doch na de wijziging ervan bij richtlijn 79/1005 bracht zij nog slechts een gedeeltelijke harmonisatie tot stand.
( cf. punten 42-43, 57 en dictum )
2. Artikel 30 van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG) moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet, dat een lidstaat het in de handel brengen verbiedt van een in een andere lidstaat rechtmatig vervaardigde en in de handel gebrachte voorverpakking met een nominaal volume dat niet wordt genoemd in het communautaire gamma van richtlijn 75/106 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het voorverpakken naar volume van bepaalde vloeistoffen in voorverpakkingen met een bepaalde inhoud, zoals gewijzigd bij de richtlijnen 79/1005, 85/10, 88/316 en 89/676, tenzij dit verbod ertoe strekt te voldoen aan een dwingend vereiste van consumentenbescherming, zonder onderscheid van toepassing is op nationale en ingevoerde producten, noodzakelijk is om te voldoen aan het betrokken vereiste en evenredig is aan het nagestreefde doel, en dit doel niet kan worden bereikt met maatregelen die het intracommunautaire handelsverkeer minder beperken.
Om te beoordelen of er daadwerkelijk een gevaar is dat de consument wordt misleid door te dicht bij elkaar liggende nominale volumes van eenzelfde vloeistof, moet de nationale rechter rekening houden met alle relevante gegevens en uitgaan van een gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument.
( cf. punten 51-53, 57 en dictum )
Partijen
In zaak C-3/99,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) van de Rechtbank van koophandel te Brussel (België), in het aldaar aanhangig geding tussen
Cidrerie Ruwet NV
en
Cidre Stassen NV,
HP Bulmer Ltd,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 30 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG) alsook over de geldigheid en uitlegging van richtlijn 75/106/EEG van de Raad van 19 december 1974 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het voorverpakken naar volume van bepaalde vloeistoffen in voorverpakkingen met bepaalde inhoud (PB 1975, L 42, blz. 1), zoals gewijzigd bij de richtlijnen 79/1005/EEG van de Raad van 23 november 1979 (PB L 308, blz. 25), 85/10/EEG van de Raad van 18 december 1984 (PB 1985, L 4, blz. 20), 88/316/EEG van de Raad van 7 juni 1988 (PB L 143, blz. 26), en 89/676/EEG van de Raad van 21 december 1989 (PB L 398, blz. 18),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann (rapporteur), kamerpresident, J.-P. Puissochet en R. Schintgen, rechters,
advocaat-generaal: N. Fennelly
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Cidre Stassen NV en HP Bulmer Ltd, vertegenwoordigd door E. Deltour, A. Puts en P.-M. Louis, advocaten te Brussel,
- de Belgische regering, vertegenwoordigd door A. Snoecx, adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking, als gemachtigde,
- de Duitse regering, vertegenwoordigd door W.-D. Plessing, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Financiën, en C.-D. Quassowski, Regierungsdirektor bij dit ministerie, als gemachtigden,
- de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door M. Ewing, van het Treasury Solicitor's Department, als gemachtigde, bijgestaan door D. Bethlehem, Barrister,
- de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door C. Giorgi, juridisch adviseur, en F. Anton, lid van zijn juridische dienst, als gemachtigden,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. van Lier, juridisch adviseur, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Cidrerie Ruwet NV, vertegenwoordigd door K. Carbonez, advocaat te Brussel, Cidre Stassen NV en HP Bulmer Ltd, vertegenwoordigd door A. Puts en P.-M. Louis, de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door A. Robertson, Barrister, de Raad, vertegenwoordigd door F. Anton, en de Commissie, vertegenwoordigd door H. van Lier, ter terechtzitting van 10 februari 2000,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 maart 2000,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij vonnis van 28 december 1998, ingekomen bij het Hof op 7 januari 1999, heeft de Rechtbank van koophandel te Brussel krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 30 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG), alsook over de geldigheid en uitlegging van richtlijn 75/106/EEG van de Raad van 19 december 1974 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het voorverpakken naar volume van bepaalde vloeistoffen in voorverpakkingen met bepaalde inhoud (PB 1975, L 42, blz. 1), zoals gewijzigd bij de richtlijnen 79/1005/EEG van de Raad van 23 november 1979 (PB L 308, blz. 25), 85/10/EEG van de Raad van 18 december 1984 (PB 1985, L 4, blz. 20), 88/316/EEG van de Raad van 7 juni 1988 (PB L 143, blz. 26) en 89/676/EEG van de Raad van 21 december 1989 (PB L 398, blz. 18).
2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen Cidrerie Ruwet NV (hierna: .Ruwet"), gevestigd in België, en Cidre Stassen NV (hierna: .Stassen"), eveneens gevestigd in België, enerzijds en HP Bulmer Ltd (hierna: .HP Bulmer"), gevestigd in het Verenigd Koninkrijk, anderzijds betreffende een door Ruwet tegen Stassen ingestelde vordering tot staking van alle verkoop in België van flessen appeldrank met een nominaal volume van 0,33 l.
Rechtskader
Gemeenschapsrecht
3 Artikel 30 van het Verdrag luidt:
-Kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking zijn, onverminderd de volgende bepalingen, tussen de lidstaten verboden."
4 Volgens artikel 1, eerste alinea, van richtlijn 75/106, zoals gewijzigd bij de richtlijnen 79/1005, 88/316 en 89/676, heeft richtlijn 75/106 betrekking op de voorverpakkingen die de in bijlage III genoemde vloeibare producten bevatten, namelijk onder meer wijn, appeldrank, bier, brandewijn, likeuren, azijn, spijsolie, melk, water, limonade, vruchten- en groentensappen. De tweede alinea van dit artikel voorziet in een aantal uitzonderingen die in casu niet relevant zijn.
5 In de eerste en de vierde overweging van de considerans van richtlijn 75/106 wordt verklaard dat:
(...) in de meeste lidstaten de voorwaarden waaraan in tevoren gereedgemaakte en gesloten verpakkingen ten verkoop aangeboden vloeistoffen moeten voldoen, zijn geregeld in een aantal dwingende voorschriften die van lidstaat tot lidstaat verschillen en derhalve een belemmering vormen voor de handel in deze voorverpakkingen; dat deze bepalingen derhalve onderling dienen te worden aangepast;
-(...)
(...) voor een bepaald product het aantal verschillende te dicht bij elkaar liggende volumes zoveel mogelijk dient te worden beperkt, omdat het risico bestaat dat de consument wordt misleid; dat evenwel deze beperking slechts geleidelijk tot stand kan komen, gezien de zeer grote voorraden voorverpakkingen in de Gemeenschap."
6 De richtlijn verplicht de lidstaten met name het in de handel brengen op hun grondgebied toe te staan van voorverpakkingen die de in bijlage III bedoelde nominale waarden bevatten.
7 Aanvankelijk luidde artikel 5 van de richtlijn namelijk als volgt:
De lidstaten mogen het in de handel brengen van voorverpakkingen die voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn (...) niet weigeren, verbieden of beperken op grond van redenen die verband houden met de volumes, met de bepaling van deze volumes (...)"
8 Na wijziging bij onder meer de richtlijnen 79/1005 en 85/10 luidt dit artikel thans:
1. De lidstaten mogen het in de handel brengen van voorverpakkingen die voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn niet weigeren, verbieden of beperken op grond van redenen die verband houden met hetzij de bepaling van de volumes (...), hetzij de nominale volumes wanneer deze in bijlage III, kolom 1, staan vermeld.
(...)"
9 Bovendien sloot artikel 4 van richtlijn 75/106 in zijn oorspronkelijke versie alle andere dan de in bijlage III bedoelde voorverpakkingen uit.
10 De leden 1 en 2 van dit artikel bepaalden namelijk:
-1. Op alle voorverpakkingen als bedoeld in artikel 3, dient het vloeistofvolume, nominaal volume genoemd, te zijn vermeld dat zij overeenkomstig bijlage I moeten bevatten.
2. Voor deze voorverpakkingen zijn uitsluitend de in bijlage III vermelde nominale volumes toegestaan."
11 Met de wijziging van lid 2 van dit artikel bij richtlijn 79/1005 is de daarin gestelde uitsluiting opgeheven, waarbij in de zesde overweging van de considerans van de wijzigingsrichtlijn werd verklaard:
-(...) dat deze vermindering van het aantal nominale volumes [bij richtlijn 75/106] voor bepaalde lidstaten moeilijkheden meebrengt en dat het derhalve gewenst is voor deze lidstaten een overgangsperiode vast te stellen, waardoor evenwel de intracommunautaire handel in bedoelde producten niet mag worden belemmerd en de tenuitvoerlegging van deze richtlijn in de overige lidstaten niet in gevaar mag worden gebracht."
12 Artikel 5, lid 3, van richtlijn 75/106, zoals gewijzigd bij richtlijn 89/676, verbood evenwel om na het verstrijken van inmiddels vervallen termijnen voorverpakkingen met de in punten 1, sub a en b, 2, sub a, en 4 van bijlage III genoemde producten (met name wijn, brandewijn, likeuren en andere alcoholhoudende dranken) in de handel te brengen in andere dan de in deze bijlage, kolom I, genoemde nominale volumes.
13 Deze laatste kolom die, gewijzigd bij de richtlijnen 79/1005, 85/10, 88/316 en 89/676, definitief de toegestane nominale volumes bepaalt, noemt niet het volume van 0,33 l voor appeldrank. Voor niet-mousserende appeldrank voorziet zij onder punt 1, sub c, in negen nominale volumes: 0,10 l . 0,25 l . 0,375 l . 0,50 l . 0,75 l . 1 l . 1,5 l . 2 l . 5 l. Voor mousserende appeldrank voorziet zij onder punt 2, sub b, in zeven nominale volumes: 0,10 l . 0,20 l . 0,375 l . 0,75 l . 1 l . 1,5 l . 3 l.
Het Belgisch recht
14 Het koninklijk besluit van 16 februari 1982 betreffende de voor bepaalde voorverpakte producten toegestane reeksen van nominale hoeveelheden en nominale capaciteiten (Belgisch Staatsblad van 12 maart 1982; hierna: .koninklijk besluit") zet richtlijn 75/106, zoals gewijzigd bij richtlijn 79/1005, om in Belgisch recht. Alleen de bij deze richtlijn toegestane nominale volumes zijn daarbij overgenomen. Appeldrank mag in België dus niet in flessen van 0,33 l worden verkocht.
Het hoofdgeding
15 Ruwet, Stassen en HP Bulmer vervaardigen en verhandelen verschillende appeldrankproducten, die zowel voor hun nationale markten als voor uitvoer bestemd zijn.
16 Ondanks het in het koninklijk besluit gestelde verbod begon Stassen met de consumentenverkoop op de Belgische markt van flessen appeldrank van 0,33 l.
17 Bij brieven van 29 mei en 16 juni 1998 maande Ruwet haar aan deze verkoop te staken.
18 Op 12 en 19 juni 1998 antwoordde Stassen, dat zij aan dit verzoek geen gevolg kon geven. Haars inziens was richtlijn 75/106, zoals gewijzigd bij richtlijn 79/1005, niet correct in Belgisch recht omgezet, verbood zij niet de verkoop van appeldrank in andere dan de in bijlage III genoemde volumes, schond het koninklijk besluit door het verbod op de verkoop van appeldrank in verpakkingen van 0,33 l het evenredigheidsbeginsel en was richtlijn 75/106, zoals gewijzigd bij richtlijn 79/1005, in strijd met artikel 30 van het Verdrag indien zij die verkoop daadwerkelijk verbood.
19 Op 26 juni 1998 dagvaardde Ruwet Stassen voor de Rechtbank van koophandel te Brussel tot staking van de verkoop van de betrokken producten in België. HP Bulmer intervenieerde in deze nationale procedure aan de zijde van verweerster.
20 In deze context heeft de Rechtbank van koophandel te Brussel de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
1) Verzet artikel 30 EG-Verdrag er zich tegen, dat de lidstaten op grond van richtlijn 75/106/EEG van 19 december 1974 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het voorverpakken naar volume van bepaalde vloeistoffen in voorverpakkingen met bepaalde inhoud, zoals gewijzigd bij richtlijn 79/1005/EEG van 23 november 1979, die in een overgangsperiode voorziet, nog steeds, dat wil zeggen ongeveer twintig jaar later, en ofschoon gewoonten inmiddels zijn veranderd en het recipiënt van 33 cl wereldwijd populair is geworden en is verbreid, naar keuze wel of niet mogen toestaan, dat andere dan de in bijlage III bij de richtlijn genoemde recipiënten in de handel worden gebracht, in aanmerking genomen dat dit kan leiden en in casu leidt tot verschillen tussen de nationale wetgevingen, zodat de lidstaten die het gamma recipiënten beperken, zoals België dat dit gamma beperkt voor appeldrank, aldus over een maatregel beschikken die ertoe strekt of tot gevolg heeft dat het vrije verkeer van goederen wordt beperkt?
2) Is het de lidstaten, gelet op het beginsel van het vrije verkeer van goederen, op grond van richtlijn 75/106/EEG van 19 december 1974 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het voorverpakken naar volume van bepaalde vloeistoffen in voorverpakkingen met bepaalde inhoud, zoals gewijzigd bij richtlijn 79/1005/EEG van 23 november 1979, toegestaan deze richtlijn aldus om te zetten, dat de nationale regeling het in de handel brengen verbiedt van recipiënten met een niet in bijlage III bij de richtlijn genoemde hoeveelheid, in casu de recipiënt van 33 cl voor de verkoop van appeldrank?"
De prejudiciële vragen
21 Met zijn eerste vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of richtlijn 75/106, zoals gewijzigd bij de richtlijnen 79/1005, 85/10, 88/316 en 89/676, gelet op artikel 30 van het Verdrag, geldig is, voor zover de lidstaten op grond van deze richtlijn het in de handel brengen van andere dan de in bijlage III, kolom I, vermelde voorverpakkingen niet zouden behoeven toe te staan en aldus het vrij verkeer van goederen zouden mogen belemmeren.
22 Met zijn tweede vraag wenst hij in wezen te vernemen, of deze richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat zij de lidstaten toestaat het in de handel brengen van voorverpakkingen met een niet in bijlage III, kolom I, bij deze richtlijn vermeld nominaal volume te verbieden bij wege van een nationale regeling als het koninklijk besluit.
23 Deze tweede vraag dient eerst te worden onderzocht, aangezien de eerste vraag, betreffende de geldigheid van de betrokken richtlijn, slechts behoeft te worden beantwoord, indien deze inderdaad aldus moet worden uitgelegd, dat de lidstaten een dergelijk verbod mogen uitvaardigen.
24 Indien de richtlijn anders moet worden uitgelegd, zal, gelet op de tijdens de procedure ingediende opmerkingen, dienen te worden onderzocht, of artikel 30 van het Verdrag zich verzet tegen een verkoopverbod als bedoeld in het hoofdgeding.
25 Volgens Ruwet betreft het hoofdgeding een zuiver interne aangelegenheid, aangezien het een geschil betreft tussen twee ondernemingen, Stassen en haarzelf, betreffende in België vervaardigde en verhandelde producten. In deze omstandigheden behoeft volgens haar niet te worden onderzocht, of het koninklijk besluit verenigbaar is met het gemeenschapsrecht.
26 Het volstaat op te merken, dat de verwijzende rechter dit argument in zijn vonnis reeds heeft afgewezen. Hij stelt namelijk vast, dat het geschil niet betrekking heeft op een zuiver interne situatie, aangezien Stassen niet alleen de door haar vervaardigde appeldrank, doch ook ingevoerde appeldrank verkoopt.
27 Vervolgens stelt Ruwet, dat richtlijn 75/106, zoals gewijzigd bij richtlijn 79/1005, de lidstaten ten slotte de mogelijkheid heeft geboden hetzij om het in de handel brengen van voorverpakkingen met andere dan de in bijlage III bedoelde nominale volumes toe te staan, hetzij om de verkoop van producten te weigeren die niet aan het in deze bijlage bepaalde beantwoorden. Als gevolg van deze keuzemogelijkheid bij de harmonisatie bestaan er haars inziens twee verschillende markten naast elkaar, namelijk die van de richtlijnconforme producten, waarvoor het vrije verkeer van goederen zou gelden, en de markt van de niet-conforme producten, waarvoor dit vrije verkeer niet zou gelden. Het Koninkrijk België mocht dus voor de tweede variant kiezen, te meer daar die keuze de bescherming van de consumenten garandeert, die anders zouden moeten kiezen tussen te dicht bij elkaar liggende volumes die hen kunnen misleiden.
28 De Belgische regering erkent, dat ingeval van een keuzemogelijkheid bij de harmonisatie de importeurs van producten die niet in overeenstemming zijn met de normen van de richtlijn, zich in beginsel op artikel 30 van het Verdrag kunnen beroepen om het recht van vrij verkeer van goederen uit te oefenen. Wanneer de lidstaat van invoer de bepalingen van de richtlijn verplicht heeft gesteld en zijn eigen nationale normen heeft opgeheven, kan hij evenwel niet worden gedwongen de niet-conforme producten te aanvaarden. Het gaat namelijk niet aan om de fabrikanten die de nodige kosten hebben gemaakt om hun productie aan de op basis van een keuzemogelijkheid geharmoniseerde normen aan te passen, niet te belonen voor hun inspanningen, terwijl de fabrikanten die dergelijke kosten niet hebben gemaakt, zich voor niet-conforme producten op het beginsel van het vrij verkeer van goederen zouden kunnen blijven beroepen.
29 Indien deze opvatting niet wordt gevolgd, dient de uit het koninklijk besluit voortvloeiende invoerbelemmering volgens de Belgische regering worden geacht te worden gerechtvaardigd door het dwingende vereiste van bescherming van de consument.
30 Naar de mening van Stassen en HP Bulmer geldt volgens de rechtspraak die is ingeluid bij het arrest van 20 februari 1979, Rewe-Zentral, het zogenaamd arrest .Cassis de Dijon" (120/78, Jurispr. blz. 649) het bij artikel 30 van het Verdrag bedoelde vrije verkeer van goederen krachtens het beginsel van de wederzijdse erkenning voor alle rechtmatig op het grondgebied van een lidstaat vervaardigde producten. Huns inziens kan richtlijn 75/106, zoals gewijzigd bij richtlijn 79/1005, niet aldus worden uitgelegd dat zij een nationale maatregel toestaat als het in het hoofdgeding bedoelde verkoopverbod.
31 Aangezien deze richtlijn geen volledige harmonisatie doorvoert, blijven de artikelen 30 en volgende van het Verdrag huns inziens van toepassing. Een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking is slechts om een dwingende reden van algemeen belang gerechtvaardigd, indien het evenredigheidsbeginsel in acht wordt genomen. Dat is in deze zaak evenwel niet het geval. Het verbod van voorverpakkingen met een nominaal volume van 0,33 l voor appeldrank, waarvoor als motief de consumentenbescherming wordt aangevoerd, maakt het onmogelijk om op basis van de hoeveelheid de prijzen te vergelijken met die van rechtstreeks met appeldrank concurrerende dranken (bier en alcoholvrije dranken). Bovendien kan de consument op het gebied van de prijsvergelijking worden beschermd door een andere maatregel met veel minder restrictieve gevolgen voor het communautair handelsverkeer dan een verbod, namelijk de verplichting de prijs per meeteenheid (per liter) aan te geven in de rekken waar het product te koop wordt aangeboden. Een verkoopverbod als dat in het hoofdgeding is huns inziens dus in strijd met artikel 30 van het Verdrag.
32 Met betrekking tot de producten waarvoor de lidstaten nog steeds andere dan de in bijlage III, kolom I, van de richtlijn genoemde nominale volumes mogen toestaan, verwijst de Duitse regering in de eerste plaats naar het arrest van 19 februari 1981, Kelderman (130/80, Jurispr. blz. 527), waarin het Hof verklaarde dat een nationale regeling die een onderscheid invoert tussen de verschillende broodformaten en -gewichten, om te voorkomen dat de consument wordt misleid aangaande de werkelijke hoeveelheid brood die hem wordt aangeboden, niet gerechtvaardigd was uit het oogpunt van de consumentenbescherming, daar een passende voorlichting van de consument zeer wel met een daartoe geschikt etiket kon worden verzekerd, zodat zij in strijd was met artikel 30 van het Verdrag. Vervolgens wijst zij erop, dat het gemeenschapsrecht bepalingen kent inzake de vermelding van de hoeveelheden van levensmiddelen en inzake de bestrijding van de misleidende presentatie van voorverpakkingen. Ten slotte merkt zij op, dat de markt nog doorzichtiger zal worden na de omzetting van richtlijn 98/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende de bescherming van de consument inzake de prijsaanduiding van aan de consument aangeboden producten (PB L 80, blz. 27) op uiterlijk 18 maart 2000. Haars inziens kunnen uit richtlijn 75/106 voortvloeiende beperkingen van het vrije verkeer van goederen na de omzetting van richtlijn 98/6 niet meer in het algemeen worden gerechtvaardigd door redenen in verband met consumentenbescherming.
33 Volgens de regering van het Verenigd Koninkrijk mogen de lidstaten ingevolge richtlijn 75/106, zoals gewijzigd bij richtlijn 79/1005, het in de handel brengen van voorverpakkingen met andere dan de daarin genoemde volumes toestaan. De lidstaten mogen de verkoop van deze producten op hun grondgebied slechts beperken wanneer zij de rechtspraak van het Hof betreffende artikel 30 van het Verdrag in acht nemen.
34 Volgens de regering van het Verenigd Koninkrijk dient ook rekening te worden gehouden met verwante gemeenschapsbepalingen en met name met richtlijn 79/112/EEG van de Raad van 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (PB 1979, L 33, blz. 1), met richtlijn 79/581/EEG van 19 juni 1979 inzake de bescherming van de consument op het gebied van de prijsaanduiding van levensmiddelen (PB L 158, blz. 19), zoals gewijzigd bij richtlijn 88/315/EEG van de Raad van 7 juni 1988 (PB L 142, blz. 23), en met richtlijn 98/6. De noodzaak het vrije verkeer van goederen te beperken moet worden beoordeeld met inachtneming van deze gemeenschapsrechtelijke bepalingen en van de rechtspraak van het Hof en op basis van de feitelijke omstandigheden.
35 De Raad wil zich niet uitspreken over de vraag, of het Koninkrijk België richtlijn 75/106, zoals gewijzigd bij richtlijn 79/1005, al dan niet correct heeft omgezet. Zijns inziens blijkt evenwel uit artikel 5 en uit bijlage III bij deze richtlijn, dat de lidstaten de verkoop van appeldrank in voorverpakkingen met een nominaal volume van 0,33 l niet mogen verbieden of beperken. Richtlijn 98/6 bevestigt volgens hem, dat richtlijn 75/106, zoals gewijzigd, niet aldus kan worden uitgelegd, dat zij de verkoop van flessen appeldrank van 0,33 l verbiedt om redenen in verband met consumentenbescherming.
36 Volgens de Commissie mogen de lidstaten op grond van richtlijn 75/106, zoals gewijzigd, onverminderd de in artikel 5 ervan bepaalde uitzonderingen (zie punt 12 van het onderhavige arrest) andere dan de daarin genoemde voorverpakkingen toestaan, zodat beide soorten voorverpakkingen op de markt kunnen worden gebruikt.
37 Op deze andere voorverpakkingen blijft haars inziens artikel 30 van het Verdrag van toepassing, dat er zich niet tegen verzet, dat een lidstaat zijn consumenten beschermt tegen een verpakking die de koper kan misleiden.
38 Verder stelt de Commissie, dat de nationale rechter het verwarringsgevaar in concreto, gelet op de bijzonderheden van elk geval, moet beoordelen (arrest van 17 maart 1983, De Kikvorsch, 94/82, Jurispr. blz. 947). In casu moet de verwijzende rechter haars inziens rekening houden met de verschillen tussen de nominale volumes van de gamma's welke in de onderhavige richtlijn worden voorgeschreven. Deze verschillen geven nuttige aanwijzingen om te bepalen welke nominale volumes kunnen worden geacht de consumenten tegen ieder verwarringsgevaar te beschermen. Gelet op deze aanwijzingen, levert het verschil tussen een voorverpakking met een nominaal volume van 0,33 l en een voorverpakking met een nominaal volume van 0,375 l geen significant verwarringsgevaar op, aangezien het etiket de consument passend inlicht over het voorverpakte vloeistofvolume.
39 Volgens de Commissie kan de verwijzende rechter ook rekening houden met eigenschappen van de verpakking, zoals de aard of de bijzondere vorm van de voorverpakking, de eventuele aanduiding van de prijs per meeteenheid overeenkomstig de richtlijnen 79/581 en 98/6, alsook met de bij richtlijn 75/106, zoals gewijzigd, voorgeschreven nominale volumes voor concurrerende producten of meer in het algemeen voor de meeste andere dranken.
40 Er zij aan herinnerd, dat richtlijn 75/106 is vastgesteld op basis van artikel 100 EG-Verdrag (thans artikel 94 EG), met het oog op een onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten, die rechtstreeks van invloed zijn op de instelling of de werking van de gemeenschappelijke markt.
41 Blijkens de eerste overweging van haar considerans had zij tot doel de belemmeringen op te heffen die voor het vrije verkeer van bepaalde voorverpakkingen van dranken voortvloeien uit het bestaan, in de meeste lidstaten, van dwingende voorschriften die van lidstaat tot lidstaat verschillen. Bovendien diende zij volgens de vierde overweging van haar considerans ook de consument beter tegen verwarringsgevaar te beschermen.
42 Bij richtlijn 75/106 in haar oorspronkelijke versie waren de betrokken nationale regelingen volledig geharmoniseerd: artikel 4, lid 2, sloot het in de handel brengen van voorverpakkingen met andere dan de in bijlage III vermelde nominale volumes uit en artikel 5 verbood de lidstaten het in de handel brengen van voorverpakkingen die aan de voorschriften van deze richtlijn voldeden, te beperken op grond van redenen die verband houden met hun volumes of met de bepaling van deze laatste.
43 Na de schrapping van artikel 4, lid 2, bij richtlijn 79/1005 bracht richtlijn 75/106 nog slechts een gedeeltelijke harmonisatie tot stand. De lidstaten mochten namelijk het in de handel brengen van voorverpakkingen met andere dan de in bijlage III voorgeschreven nominale volumes weer toestaan, met uitzondering van voorverpakkingen met bepaalde producten die in casu niet relevant zijn (zie punt 12 van dit arrest).
44 Anders dan Ruwet en de Belgische regering stellen, kunnen voorverpakkingen met nominale volumes die niet zijn genoemd in bijlage III, kolom I, van richtlijn 75/106, zoals gewijzigd bij de richtlijnen 79/1005, 85/10, 88/316 en 89/676, doch die in andere lidstaten in overeenstemming daarmee zijn toegestaan, niet van het door artikel 30 van het Verdrag gegarandeerde vrije verkeer van goederen worden uitgesloten op de enkele grond dat een lidstaat, zoals in het hoofdgeding, het communautaire gamma van nominale volumes verplicht heeft gesteld.
45 Volgens vaste rechtspraak beoogt artikel 30 van het Verdrag iedere handelsregeling van de lidstaten te verbieden die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren (arrest van 11 juli 1974, Dassonville, 8/74, Jurispr. blz. 837, punt 5).
46 Bij gebreke van harmonisatie van de nationale wettelijke regelingen verbiedt het in het bijzonder de belemmeringen van de intracommunautaire handel, die voortvloeien uit de toepassing op goederen uit andere lidstaten, waar zij rechtmatig zijn vervaardigd en in de handel gebracht, van voorschriften betreffende de voorwaarden waaraan die goederen moeten voldoen, zoals bijvoorbeeld ten aanzien van hun aanbiedingsvorm, hun etikettering of hun verpakking, ook indien die voorschriften zonder onderscheid op nationale en op ingevoerde producten van toepassing zijn (arrest van 6 juli 1995, Mars, C-470/93, Jurispr. blz. I-1923, punt 12).
47 Bij een gedeeltelijke harmonisatie als die waar het hier om gaat, is dit verbod van belemmeringen van de intracommunautaire handel van toepassing op het verbod om voorverpakkingen in de handel te brengen die niet zijn geharmoniseerd. In een dergelijk geval zou een andere uitlegging erop neerkomen, dat de lidstaten in strijd met het door het Verdrag nagestreefde doel van vrij verkeer hun nationale markt kunnen afschermen voor de producten waarvoor de gemeenschapsregels niet gelden.
48 Een nationale maatregel als die waar het in het hoofdgeding om gaat, die van toepassing is op voorverpakkingen met een nominaal volume van 0,33 l die in andere lidstaten rechtmatig worden vervaardigd en verhandeld, kan, ook al is hij zonder onderscheid van toepassing op nationale en ingevoerde appeldrank, het intracommunautaire handelsverkeer belemmeren. De betrokken marktdeelnemers kunnen zich daardoor immers genoodzaakt zien, de aanbiedingsvorm van hun producten voor elke plaats waar zij deze in de handel brengen, te wijzigen, waardoor zij voor extra verpakkingskosten komen te staan. Een dergelijk verbod valt dus binnen de werkingssfeer van artikel 30 van het Verdrag (zie, in die zin, arrest Mars, reeds aangehaald, punten 13 en 14).
49 Volgens de Belgische regering is het in het hoofdgeding bedoelde verkoopverbod gerechtvaardigd door het dwingende vereiste van consumentenbescherming.
50 Het is vaste rechtspraak, dat belemmeringen van het intracommunautaire handelsverkeer als gevolg van dispariteiten van de nationale wettelijke regelingen moeten worden aanvaard, voor zover die wettelijke regelingen zonder onderscheid van toepassing zijn op nationale en ingevoerde producten en kunnen worden gerechtvaardigd doordat dwingende eisen, onder meer verband houdend met de bescherming van de consumenten of de eerlijkheid van de handelstransacties, deze noodzakelijk maken. Om aanvaardbaar te zijn, moeten die regelingen evenwel evenredig zijn aan het nagestreefde doel en moet dit doel niet kunnen worden bereikt door maatregelen die het intracommunautaire handelsverkeer minder belemmeren (arrest van 26 november 1996, Graffione, C-313/94, Jurispr. blz. I-6039, punt 17, en de aangehaalde jurisprudentie).
51 In het hoofdgeding beschouwt het Koninkrijk België als een dwingend vereiste, dat voorkomen moet worden, dat de consument wordt misleid door te dicht bij elkaar liggende nominale volumes.
52 In geval van een nationale maatregel als bedoeld in het hoofdgeding, moet de nationale rechter van de staat van invoer voor elke voorverpakking van een volume die niet wordt genoemd in bijlage III, kolom I, van richtlijn 75/106, zoals gewijzigd bij de richtlijnen 79/1005, 85/10, 88/316 en 89/676, doch in de lidstaat van uitvoer rechtmatig wordt vervaardigd en verhandeld, beoordelen of inderdaad het risico bestaat dat de consument wordt misleid.
53 Daarbij moet hij rekening houden met alle relevante gegevens en uitgaan van een gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument (arrest van 13 januari 2000, Estée Lauder, C-220/98, Jurispr. blz. I-117, punt 30).
54 Met name kan hij letten op de verplichting dat de nettohoeveelheid van de vloeistof in de verpakking op het etiket wordt vermeld, uitgedrukt in volume-eenheden (liter, centiliter, milliliter, naar gelang van het geval). Deze verplichting is voor alle dranken in het algemeen gesteld in de artikelen 3, lid 1, sub 4, en 8, lid 1, van richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (PB L 109, blz. 29) waarbij richtlijn 79/112 is ingetrokken en gecodificeerd. Zij is voor de voorverpakkingen bedoeld in richtlijn 75/106, zoals gewijzigd bij de richtlijnen 79/1005, 85/10, 88/316 en 89/676, ook neergelegd in artikel 4, lid 1, ervan, waarvan de tekst niet is gewijzigd bij richtlijn 79/1005. De nationale rechter kan met de desbetreffende informatie rekening houden, wanneer zij bij de gemiddelde consument verwarring tussen de twee volumes kan voorkomen en deze consument in staat stelt om met het vastgestelde verschil in volume rekening te houden bij zijn vergelijking van de prijzen van eenzelfde vloeistof in twee verschillende verpakkingen.
55 De nationale rechter kan ook rekening houden met de omstandigheid, dat richtlijn 75/106, zoals gewijzigd bij de richtlijnen 79/1005, 85/10, 88/316 en 89/676, in het gamma van de nominale volumes in bijlage III, kolom I, voor verschillende vloeistoffen (melk, water, limonade, vruchten- en groentensappen) wordt vastgesteld, zelf nominale volumes (0,20 l en 0,25 l) naast elkaar laat bestaan die slechts een verschil van 0,05 l laten zien, wat nauwelijks meer is dan het verschil tussen het in casu omstreden volume van 0,33 l en dat van 0,375 l, dat vermeld staat in het communautaire gamma van voor appeldrank toegestane nominale volumes.
56 Ten slotte kan hij er rekening mee houden dat:
- artikel 3, lid 2, van richtlijn 79/581, dat is ingelast bij richtlijn 88/315, een verplichting bevatte om in het stadium van de verkoop van levensmiddelen aan de consument de verkoopprijs per meeteenheid (in beginsel in liter voor vloeistoffen) aan te geven, welke verplichting met name gold voor appeldrank die was voorverpakt in nominale volumes die niet waren vermeld in bijlage III, kolom I, van richtlijn 75/106, zoals gewijzigd bij de richtlijnen 79/1005, 85/10, 88/316 en 89/676;
- deze verplichting, behoudens een aantal uitzonderingen, voor alle consumptieproducten en in het bijzonder voor appeldrank, ongeacht het nominaal volume van de voorverpakking, veralgemeend is bij richtlijn 98/6, waarvan de nationale uitvoeringsbepalingen in werking hadden moeten treden op uiterlijk 18 maart 2000, dat wil zeggen vóór de datum waarop de verwijzende rechter zal beslissen op het gevorderde verkoopverbod, en waarbij richtlijn 79/581 per 18 maart 2000 is ingetrokken.
57 Op de tweede prejudiciële vraag moet dus worden geantwoord dat:
- richtlijn 75/106, zoals gewijzigd bij de richtlijnen 79/1005, 85/10, 88/316 en 89/676, aldus moet worden uitgelegd, dat zij de lidstaten niet toestaat het in de handel brengen van een voorverpakking met een niet in bijlage III, kolom I, vermeld nominaal volume te verbieden bij wege van een regeling als het koninklijk besluit;
- artikel 30 van het Verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat het zich ertegen verzet, dat een lidstaat het in de handel brengen verbiedt van een voorverpakking met een niet in het communautaire gamma genoemd nominaal volume, die in een andere lidstaat rechtmatig is vervaardigd en in de handel gebracht, tenzij dit verbod ertoe strekt te voldoen aan een dwingend vereiste van consumentenbescherming, het zonder onderscheid van toepassing is op nationale en ingevoerde producten, het noodzakelijk is om te voldoen aan het betrokken vereiste en evenredig is aan het nagestreefde doel, en dit doel niet kan worden bereikt door maatregelen die het intracommunautaire handelsverkeer minder beperken.
58 Gelet op dit antwoord behoeft de eerste prejudiciële vraag geen beantwoording.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
59 De kosten door de Belgische, de Duitse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk, alsook de Raad en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer)
uitspraak doende op de door de Handelsbank te Brussel bij vonnis van 28 december 1998 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Richtlijn 75/106/EEG van de Raad van 19 december 1974 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het voorverpakken naar volume van bepaalde vloeistoffen in voorverpakkingen met bepaalde inhoud, zoals gewijzigd bij de richtlijnen 79/1005/EEG van de Raad van 23 november 1979, 85/10/EEG van de Raad van 18 december 1984, 88/316/EEG van de Raad van 7 juni 1988 en 89/676/EEG van de Raad van 21 december 1989, moet aldus worden uitgelegd, dat zij de lidstaten niet toestaat het in de handel brengen van een voorverpakking met een niet in bijlage III, kolom I, vermeld nominaal volume te verbieden bij wege van een regeling als het koninklijk besluit van 16 februari 1982 betreffende de voor bepaalde voorverpakte producten toegestane reeksen van nominale hoeveelheden en nominale capaciteiten.
Artikel 30 van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG) moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet, dat een lidstaat het in de handel brengen verbiedt van een voorverpakking met een niet in het communautaire gamma genoemd nominaal volume, die in een andere lidstaat rechtmatig is vervaardigd en in de handel gebracht, tenzij dit verbod ertoe strekt te voldoen aan een dwingend vereiste van consumentenbescherming, het zonder onderscheid van toepassing is op nationale en ingevoerde producten, het noodzakelijk is om te voldoen aan het betrokken vereiste en evenredig is aan het nagestreefde doel, en dit doel niet kan worden bereikt door maatregelen die het intracommunautaire handelsverkeer minder beperken.
Full & Egal Universal Law Academy