Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Mededinging - Gemeenschapsregels - Nationale wettelijke regeling inzake boekenprijs - Verenigbaarheid na opnemen van bepalingen inzake interne markt in EG-Verdrag
[EG-Verdrag, art. 3, sub c en g, 7 A, 30 en 36 (thans, na wijziging, art. 3, sub c en g, EG, 14 EG, 28 EG en 30 EG), art. 3 A, 5, 85, 102 A en 103 (thans art. 4 EG, 10 EG, 81 EG, 98 EG en 99 EG) en art. 14 (ingetrokken bij het Verdrag van Amsterdam)]
Samenvatting
$$De artikelen 3, sub c en g, van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 3, sub c en g, EG), 3 A en 5 van het Verdrag (thans de artikelen 4 EG en 10 EG), 7 A, tweede alinea, van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 14, lid 2, EG), alsmede de artikelen 102 A en 103 van het Verdrag (thans de artikelen 98 EG en 99 EG) verzetten zich niet tegen de toepassing van een nationale wettelijke regeling die uitgevers verplicht de boekhandelaren een vaste wederverkoopprijs voor boeken voor te schrijven.
Artikel 3 van het Verdrag bepaalt namelijk de gebieden en de doelstellingen voor het optreden van de Gemeenschap en omschrijft de algemene beginselen van de gemeenschappelijke markt, die worden toegepast in samenhang met de respectieve hoofdstukken van het Verdrag waarin die beginselen worden uitgewerkt.
Bij de Europese Akte is op zijn beurt een artikel 8 A (nadien artikel 7 A EG-Verdrag en thans, na wijziging, artikel 14 EG) ingevoegd, dat de interne markt omschrijft en in maatregelen voor de totstandbrenging daarvan voorziet. De interne markt is voortaan een van de doelstellingen van de Gemeenschap (artikel 3, sub c, van het Verdrag).
Deze bepalingen omschrijven ook de algemene doelstellingen en moeten worden gelezen in samenhang met de verdragsbepalingen die bedoeld zijn om die doelstellingen te verwezenlijken. Aangezien de artikelen 30 en 36 van het Verdrag (thans, na wijziging, artikelen 28 EG en 30 EG) en artikel 85 van het Verdrag (thans artikel 81 EG) ongewijzigd zijn gebleven, kan de uitlegging die het Hof aan deze artikelen heeft gegeven in het arrest van 10 januari 1985, Leclerc en Thouars Distribution, 229/83, in samenhang met artikel 5 van het Verdrag, niet opnieuw ter discussie worden gesteld.
De artikelen 3 A, 102 A en 103 van het Verdrag, die betrekking hebben op het economisch beleid - welk beleid moet worden gevoerd met inachtneming van het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging (artikelen 3 A en 102 A) - zijn bepalingen die geen duidelijke en onvoorwaardelijke verplichtingen voor de lidstaten inhouden waarop door particulieren een beroep kan worden gedaan voor de nationale rechter. Het gaat hier immers om een algemeen beginsel waarvan de toepassing complexe economische beoordelingen vergt die tot de bevoegdheid van de nationale wetgever of overheid behoren.
( cf. punten 22-25 en dictum )
Partijen
In zaak C-9/99,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) van de Cour d'appel de Grenoble (Frankrijk), in het aldaar aanhangig geding tussen
Échirolles Distribution SA
en
Association du Dauphiné e.a.,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 3, sub c en g, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 3, sub c en g, EG), 3 A en 5 EG-Verdrag (thans de artikelen 4 EG en 10 EG), 7 A, tweede alinea, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 14, lid 2, EG), alsmede 102 A en 103, leden 3 en 4, EG-Verdrag (thans de artikelen 98 EG en 99, leden 3 en 4, EG),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: J. C. Moitinho de Almeida (rapporteur), kamerpresident, R. Schintgen, C. Gulmann, J.-P. Puissochet en V. Skouris, rechters,
advocaat-generaal: S. Alber
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Échirolles Distribution SA, vertegenwoordigd door P. Clément-Cuzin, advocaat te Grenoble,
- Association du Dauphiné, Association des libraires de bandes dessinées, Momie Folie SARL en Union des libraires de France, vertegenwoordigd door P. Simoneau en C. Cochet, advocaten te Lille,
- de Franse regering, vertegenwoordigd door K. Rispal-Bellanger, onderdirecteur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en F. Million, chargé de mission bij die directie, als gemachtigden,
- de Griekse regering, vertegenwoordigd door G. Kanellopoulos, adjunct-juridisch adviseur bij de juridische dienst van de staat, en E.-M. Mamouna, auditeur bij de bijzondere juridische dienst - sectie Europees recht, van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigden,
- de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door C. Pesendorfer, Oberrätin bij het Bundeskanzleramt, als gemachtigde,
- de Noorse regering, vertegenwoordigd door J. Bugge-Mahrt, adjunct-directeur-generaal bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door W. Wils, lid van de juridische dienst, en O. Couvert-Castéra, bij die dienst gedetacheerd nationaal ambtenaar, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Échirolles Distribution SA, vertegenwoordigd door L. Germain Phion, advocaat te Grenoble; de Association du Dauphiné e.a., vertegenwoordigd door P. Simoneau en C. Cochet; de Franse regering, vertegenwoordigd door F. Million; de Griekse regering, vertegenwoordigd door G. Paraskevopoulou, adjunct-juridisch adviseur bij de juridische dienst van de staat, als gemachtigde; de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door T. Kramler, Magister bij het Bundeskanzleramt-Verfassungsdienst, als gemachtigde, en de Commissie, vertegenwoordigd door W. Wils, ter terechtzitting van 6 april 2000,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 juni 2000,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij arrest van 13 januari 1999, ingekomen bij het Hof op 18 januari daaraanvolgend, heeft de Cour d'appel de Grenoble krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de artikelen 3, sub c en g, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 3, sub c en g, EG), 3 A en 5 EG-Verdrag (thans de artikelen 4 EG en 10 EG), 7 A, tweede alinea, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 14, lid 2, EG), alsmede 102 A en 103, leden 3 en 4, EG-Verdrag (thans de artikelen 98 EG en 99, leden 3 en 4, EG).
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen enerzijds Échirolles Distribution SA, die een handelsonderneming drijft onder de naam Centre Leclerc" (hierna: Échirolles"), en anderzijds P. Corbet, boekhandelaar, en de Association du Dauphiné e.a., ter zake van het ten verkoop aanbieden door Échirolles van boeken tegen een prijs die meer dan 5 % lager lag dan de door de uitgever of de importeur vastgestelde prijs.
De nationale wetgeving
3 Artikel 1 van wet nr. 81-766 van 10 augustus 1981 betreffende de boekenprijs (JORF van 11 augustus 1981; hierna: wet van 10 augustus 1981"), bepaalt:
Elke natuurlijke of rechtspersoon die boeken uitgeeft of invoert, is verplicht een detailhandelsprijs vast te stellen voor de door hem uitgegeven of ingevoerde boeken.
Deze prijs wordt openbaar gemaakt. Bij decreet wordt onder meer gepreciseerd onder welke voorwaarden de prijs op het boek wordt vermeld, en worden de verplichtingen van de uitgever of de importeur betreffende de kenmerkende vermeldingen op het boek en de berekening van de bij de onderhavige wet gestelde termijnen bepaald.
Elke detailhandelaar moet de kosteloze dienst van bestellingen per stuk bieden. Hij mag evenwel - uitsluitend in het hierbedoelde geval - de door hem toegepaste daadwerkelijke detailhandelsprijs verhogen met de kosten of vergoedingen voor uitzonderlijke extra diensten waar de koper uitdrukkelijk om heeft gevraagd en waarvan de kosten vooraf met de koper zijn afgesproken.
De detailhandelaars moeten een daadwerkelijke detailhandelsprijs toepassen die ligt tussen 95 % en 100 % van de door de uitgever of de importeur vastgestelde prijs.
Indien de invoer in Frankrijk uitgegeven boeken betreft, is de door de importeur vastgestelde detailhandelsprijs ten minste gelijk is aan die welke door de uitgever is vastgesteld.
(Wet nr. 85-500 van 13 mei 1985, artikel 1). De bepalingen van de voorgaande alinea zijn niet van toepassing op uit een lidstaat van de Europese Economische Gemeenschap ingevoerde boeken, tenzij uit objectieve omstandigheden, met name het feit dat de boeken in die staat niet daadwerkelijk op de markt zijn gebracht, blijkt dat de wederimport tot doel had het bepaalde in de vierde alinea van dit artikel te ontgaan."
Het hoofdgeding
4 Bij beschikking van het Tribunal de commerce de Grenoble van 12 december 1997 is Échirolles veroordeeld tot betaling van diverse bedragen aan schadevergoeding aan verweerders in het hoofdgeding wegens het ten verkoop aanbieden van boeken tegen een prijs die meer dan 5 % lager lag dan de door de uitgever of de importeur vastgestelde prijs, zulks in strijd met artikel 1, vierde alinea, van de wet van 10 augustus 1981.
5 In het hoger beroep dat Échirolles tegen deze beschikking heeft ingesteld bij de Cour d'appel de Grenoble, heeft zij gevorderd dat het Hof van Justitie een prejudiciële vraag wordt gesteld over de verenigbaarheid van de Franse wettelijke regeling met de regels betreffende een interne markt van alle lidstaten van de Europese Unie", zoals voorzien in de artikelen 3, sub g, 5 en 7 A van het Verdrag.
6 Verweerders in het hoofdgeding hebben betoogd, dat de wet van 10 augustus 1981 volgens de rechtspraak van het Hof in overeenstemming is met de artikelen 30, 34 en 36 EG-Verdrag (thans, na wijziging, de artikelen 28 EG, 29 EG en 30 EG) en dat het Hof heeft geoordeeld, dat bij gebreke van een communautair mededingingsbeleid in de boekensector de verplichtingen van de lidstaten voortvloeiende uit de artikelen 3, 5 en 85 EG-Verdrag (thans artikel 81 EG) onvoldoende bepaald waren om hun te verbieden een wettelijke regeling inzake een vaststelling van de boekenprijs uit te vaardigen.
7 In het verwijzingsarrest wordt erop gewezen, dat volgens de rechtspraak van het Hof de praktijk van de vaste boekenprijs door het gemeenschapsrecht wordt bestraft, hetzij wegens strijdigheid met artikel 85 van het Verdrag, wanneer zij het gevolg is van ondernemersafspraken (arrest van 17 januari 1984, VBVB en VBBB/Commissie, 43/82 en 63/82, Jurispr. blz. 19), hetzij wegens strijdigheid met de artikelen 30 en 36 van het Verdrag, wanneer zij de handel tussen lidstaten belemmert. De nationale rechter herinnert er voorts aan, dat de Franse wettelijke regeling reeds herhaalde malen is gewijzigd ten gevolge van de beantwoording door het Hof van verschillende prejudiciële vragen waartoe zij in het verleden aanleiding heeft gegeven (sommige hebben geleid tot decreet nr. 90-73 van 10 januari 1990 en tot een circulaire van dezelfde datum), en dat het feit dat de Commissie sindsdien geen actie meer heeft ondernomen, de indruk wekt dat de regeling niet langer in strijd is met de gemeenschapsrechtelijke regels betreffende het vrije verkeer van goederen.
8 De verwijzende rechter merkt verder op, dat het Hof in het arrest van 10 januari 1985, Leclerc (229/83, Jurispr. blz. 1), voor recht heeft verklaard, dat bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht artikel 5, tweede alinea, junctis de artikelen 3, sub f, EEG-Verdrag (nadien artikel 3, sub g, EG-Verdrag en thans, na wijziging, artikel 3, sub g, EG) en 85 van voornoemd Verdrag de lidstaten niet verbiedt om een wettelijke regeling uit te vaardigen volgens welke de detailhandelsprijs van boeken moet worden vastgesteld door de uitgever of de importeur van een boek en voor elke detailhandelaar verbindend is. In punt 20 van dat arrest heeft het Hof verwezen naar de omstandigheid dat er, met betrekking tot zuiver nationale stelsels of praktijken in de boekensector, tot op heden geen communautair mededingingsbeleid bestaat dat de lidstaten op grond van hun verplichting zich te onthouden van alle maatregelen welke de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag in gevaar kunnen brengen, in acht zouden moeten nemen. De nationale rechter beklemtoont, dat het Hof daarbij nauwlettend heeft gerefereerd aan de stand van het gemeenschapsrecht zoals dat ten tijde van zijn uitspraak gold.
9 Onder verwijzing naar de door Échirolles voorgestelde prejudiciële vraag stelt de verwijzende rechter vast, dat op het moment waarop het Hof uitspraak moest doen over de verenigbaarheid van de Franse wettelijke regeling met het gemeenschapsrecht, artikel 3, sub c, van het Verdrag geen melding maakte van de interne markt en artikel 7 A van het Verdrag niet bestond. Volgens hem moet voor de relevantie van een eventuele prejudiciële vraag worden onderzocht, of het begrip interne markt zich beperkt tot een markt waar goederen vrijelijk tussen lidstaten circuleren, of dat het één enkele markt betreft waarvan de regels betreffende de werking ervan zowel voor lidstaten als voor particulieren gelden.
10 Uit het feit dat het beginsel van het vrije verkeer van goederen reeds vóór de invoering van het begrip interne markt in artikel 3, sub c, EEG-Verdrag voorkwam, leidt de Cour d'appel af, dat de interne markt niet op één lijn kan worden gesteld met een ruimte waarbinnen goederen vrij circuleren, omdat anders afbreuk zou worden gedaan aan de bedoeling van de gemeenschapswetgever. Die markt was overigens in punt 33 van het arrest van 5 mei 1982, Schul (15/81, Jurispr. blz. 1409), reeds aangeduid als de vereniging van de nationale markten in één enkele markt, welke vereniging een einde lijkt te maken aan de bevoegdheid van een lidstaat om op zijn grondgebied een non-concurrentiezone voor een bepaald product in te voeren door de fabrikanten (de uitgevers) te verplichten, een prijs vast te stellen waarvan de wederverkopers (de boekhandelaren) niet in aanmerkelijke mate mogen afwijken door rekening te houden met de positie van de koper op de markt.
11 De verwijzende rechter overweegt eveneens, dat de vaststelling in punt 20 van het arrest Leclerc, reeds aangehaald, haar relevantie heeft verloren, aangezien de interne markt", anders dan de gemeenschappelijke markt bedoeld in artikel 2 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 2 EG), krachtens artikel 3, sub c en g, van het Verdrag een begrip van positief recht is geworden.
12 De verwijzende rechter voegt hieraan toe, dat de interne markt" reeds lijkt te zijn verwezenlijkt als instrument ter bevordering van de economische en sociale samenhang", als bedoeld in artikel B, eerste streepje, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (thans, na wijziging, artikel 2, eerste streepje, EU), en wijst voorts op de eerbiediging van het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging" (neergelegd in de artikelen 3 A en 102 A en werkzaam geworden door artikel 103, leden 3 en 4, van het Verdrag), met de overweging dat die regels duidelijke en onvoorwaardelijke verplichtingen voor de lidstaten lijken in te houden, welke kenmerkend zijn voor het positieve recht.
13 Voorts merkt de Cour d'appel op, dat de interne markt, die wordt beheerst door het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging, geen uitzondering lijkt te maken voor boeken, zoals blijkt uit punt 30 van het arrest Leclerc, reeds aangehaald. Besluit 97/C 305/02 van de Raad van 22 september 1997 betreffende grensoverschrijdende vaste boekenprijzen in Europese taalgebieden (PB C 305, blz. 2), dat het tweeledige karakter van het boek als drager van culturele waarden en als economisch verhandelbaar goed" erkent, houdt rekening met de toevoeging van artikel 128, lid 4, van het Verdrag", welk artikel aan het begrip cultuur een definitie geeft die vooral in de richting van scheppend werk op artistiek en literair gebied gaat. Volgens de verwijzende rechter is de Franse wettelijke regeling betreffende de boekenprijs van algemene strekking en geldt zij tevens voor technische boeken, waardoor zij kostenverhogend werkt ten aanzien van de activiteit van ondernemingen waarvoor informatie via boeken noodzakelijk en belangrijk is en die thans in Frankrijk van het recht op mededinging verstoken zijn (juristen, artsen, architecten). De Commissie is verzocht met deze gegevens rekening te houden om de culturele en economische aspecten van het boek evenwichtig te beoordelen".
14 Zonder evenwel een toekomstige wijziging van het gemeenschapsrecht ter zake van de boekenprijs te kunnen afwachten en gelet op de opmerking van Échirolles, dat de totstandkoming van de interne markt wellicht reden voor het Hof zou kunnen zijn om terug te komen op zijn vroegere beslissingen waarin naar de huidige stand van het gemeenschapsrecht" is verwezen, heeft de Cour d'appel de Grenoble besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen:
Is de Franse wettelijke regeling op grond waarvan uitgevers de boekhandelaren een vaste wederverkoopprijs van boeken, ongeacht de inhoud ervan, dienen voor te schrijven, zowel voor verkoop aan de consument als voor verkoop aan degenen die boeken beroepsmatig kopen, verenigbaar met de op 1 januari 1993 tot stand gekomen interne markt, met name met de artikelen 3, sub c en g, 3 A, 5, 7 A, tweede alinea, 102 A en 103, leden 3 en 4, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, gewijzigd bij de Europese Akte en het Verdrag betreffende de Europese Unie?"
De prejudiciële vraag
15 Volgens vaste rechtspraak is het Hof in het kader van een procedure krachtens artikel 177 van het Verdrag enkel bevoegd, vragen over de uitlegging en de geldigheid van het gemeenschapsrecht te beantwoorden. De bepalingen van nationaal recht moeten door de nationale rechter worden beoordeeld, in het licht van de prejudiciële beslissing (zie, met name, arrest van 30 april 1998, Sodiprem e.a., C-37/96 en C-38/96, Jurispr. blz. I-2039, punt 22).
16 Mitsdien moet de prejudiciële vraag aldus worden opgevat, dat de verwijzende rechter wenst te vernemen, of de artikelen 3, sub c en g, 3 A, 5 en 7 A, tweede alinea, 102 A en 103 van het Verdrag zich verzetten tegen de toepassing van een nationale wettelijke regeling die uitgevers verplicht de boekhandelaren een vaste wederverkoopprijs voor boeken voor te schrijven.
17 Échirolles betoogt in de eerste plaats, dat de wet van 10 augustus 1981, waarbij een non-concurrentiezone is ingesteld, in strijd is met het begrip markt, dat de confrontatie van vraag en aanbod impliceert. De vaststelling van een wet houdende invoering van een systeem van vaste boekenprijzen beantwoordt weliswaar aan het streven van de Franse wetgever om het boek als artistieke en literaire schepping te beschermen, doch houdt er geen rekening mee dat deze wet, wegens haar algemene strekking, ook van toepassing is op technische boeken, die een dergelijke bescherming niet nodig hebben.
18 Échirolles wijst er tevens op, dat er een band bestaat tussen het boek als cultuurdrager en de economie, hetgeen onder meer blijkt uit de verhoging van de boekenprijzen en de acties van de uitgeversmaatschappijen van literaire werken waartoe de wet van 10 augustus 1981 heeft geleid.
19 In de tweede plaats voert Échirolles aan, dat het Hof in zijn arresten betreffende het Franse systeem van vaste boekenprijzen het beginsel van door de uitgever voorgeschreven prijzen weliswaar in overeenstemming met het gemeenschapsrecht heeft geacht, doch onder uitdrukkelijke verwijzing naar de stand van het gemeenschapsrecht (arrest Leclerc, reeds aangehaald), op een tijdstip vóór de totstandbrenging van de interne markt op 1 januari 1993. Door de invoering van de bepalingen betreffende de interne markt is voornoemd systeem thans wellicht onverenigbaar met de betrokken bepalingen van het EG-Verdrag.
20 In de derde plaats meent Échirolles, in navolging van de verwijzende rechter, dat de interne markt niet kan worden gelijkgesteld met een ruimte waarbinnen goederen vrij circuleren, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de bedoeling van de gemeenschapswetgever. Een dergelijke markt, die het resultaat is van de vereniging van de nationale markten (arrest Schul, reeds aangehaald), moet worden omschreven als één enkele markt, een ruimte met vrije concurrentie waarvan de regels met betrekking tot de werking ervan zowel voor lidstaten als voor particulieren gelden. Onder verwijzing naar de beginselen van de artikelen 3, sub c en g, 3 A, 5 en 102 A van het Verdrag, waarvan artikel 103, leden 3 en 4, van het Verdrag de werkzaamheid moet bewerkstelligen, vervolgt Échirolles, dat de interne markt moet worden beschouwd als een begrip van positief recht.
21 Ten slotte betoogt Échirolles, dat de Franse wettelijke regeling niet in overeenstemming is met de bepalingen van artikel 30 van het Verdrag, omdat zij ook van toepassing is op boeken die in Frankrijk worden gekocht om naar een andere lidstaat te worden uitgevoerd, waardoor de onderdaan van die lidstaat een door de Franse uitgever vastgestelde prijs krijgt opgelegd, hetgeen inbreuk maakt op het vrije verkeer van goederen. Volgens Échirolles geldt dit eveneens, wanneer de belemmering van het vrije verkeer slechts van potentiële aard is (arrest van 7 mei 1997, Pistre e.a., C-321/94-C-324/94, Jurispr. blz. I-2343).
22 Ter beantwoording van de door de nationale rechter gestelde vraag zij allereerst opgemerkt, gelijk het Hof reeds heeft gedaan in zijn arrest van 14 juli 1998, Bettati (C-341/95, Jurispr. blz. I-4355, punt 75), dat artikel 3 van het Verdrag de gebieden en de doelstellingen voor het optreden van de Gemeenschap bepaalt en de algemene beginselen van de gemeenschappelijke markt omschrijft, die worden toegepast in samenhang met de respectieve hoofdstukken van het Verdrag waarin die beginselen worden uitgewerkt.
23 Bij de Europese Akte is een artikel 8 A (nadien artikel 7 A EG-Verdrag en thans, na wijziging, artikel 14 EG) ingevoegd, dat de interne markt omschrijft en in maatregelen voor de totstandbrenging daarvan voorziet. De interne markt is voortaan een van de doelstellingen van de Gemeenschap (artikel 3, sub c, van het Verdrag).
24 Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, omschrijven deze bepalingen ook de algemene doelstellingen en moeten zij worden gelezen in samenhang met de verdragsbepalingen die bedoeld zijn om die doelstellingen te verwezenlijken. Aangezien de artikelen 30, 36 en 85 van het Verdrag ongewijzigd zijn gebleven, kan de uitlegging die het Hof aan deze artikelen heeft gegeven in het arrest Leclerc, reeds aangehaald, in samenhang met artikel 5 van het Verdrag, niet opnieuw ter discussie worden gesteld.
25 De artikelen 3 A, 102 A en 103 van het Verdrag, die betrekking hebben op het economisch beleid - welk beleid moet worden gevoerd met inachtneming van het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging (artikelen 3 A en 102 A) - zijn bepalingen die geen duidelijke en onvoorwaardelijke verplichtingen voor de lidstaten inhouden waarop door particulieren een beroep kan worden gedaan voor de nationale rechter. Het gaat hier om een algemeen beginsel waarvan de toepassing complexe economische beoordelingen vergt die tot de bevoegdheid van de nationale wetgever of overheid behoren.
26 Mitsdien moet de prejudiciële vraag aldus worden beantwoord, dat de artikelen 3, sub c en g, 3 A, 5, 7 A, tweede alinea, 102 A en 103 van het Verdrag zich niet verzetten tegen de toepassing van een nationale wettelijke regeling die uitgevers verplicht de boekhandelaren een vaste wederverkoopprijs voor boeken voor te schrijven.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
27 De kosten door de Franse, de Griekse, de Oostenrijkse en de Noorse regering alsmede door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door de Cour d'appel de Grenoble bij arrest van 13 januari 1999 gestelde vraag, verklaart voor recht:
De artikelen 3, sub c en g, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 3, sub c en g, EG), 3 A en 5 EG-Verdrag (thans de artikelen 4 EG en 10 EG), 7 A, tweede alinea, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 14, lid 2, EG), alsmede 102 A en 103 EG-Verdrag (thans de artikelen 98 EG en 99 EG) verzetten zich niet tegen de toepassing van een nationale wettelijke regeling die uitgevers verplicht de boekhandelaren een vaste wederverkoopprijs voor boeken voor te schrijven.
Full & Egal Universal Law Academy