Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Hogere voorziening - Middelen - Toetsing door Hof van beoordeling van bewijs - Uitgesloten, behoudens geval van verkeerde opvatting
2. Hogere voorziening - Middelen - Onjuiste beoordeling van feiten - Niet-ontvankelijkheid - Afwijzing
[EG-Verdrag, art. 168 A (thans art. 225 EG); 's Hofs Statuut-EG, art. 51, eerste alinea]
Samenvatting
1. Het Hof is in hogere voorziening niet bevoegd om de feiten vast te stellen en in beginsel evenmin om de bewijzen te onderzoeken die het Gerecht tot staving van die feiten in aanmerking heeft genomen. Wanneer de bewijzen regelmatig zijn verkregen en de algemene rechtsbeginselen en procedureregels inzake de bewijslast en de bewijsvoering zijn gerespecteerd, staat het uitsluitend aan het Gerecht te beoordelen, welke waarde moet worden gehecht aan de hem voorgelegde bewijsmiddelen. Deze beoordeling levert dus geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof, behoudens in het geval van een verkeerde opvatting van dit bewijs.
( cf. punt 48 )
2. Uit artikel 168 A van het Verdrag (thans artikel 225 EG) en artikel 51 van het Statuut van het Hof van Justitie volgt, dat een hogere voorziening slechts kan worden gebaseerd op middelen inzake schending van rechtsregels, met uitsluiting van iedere feitelijke beoordeling. Het Gerecht is namelijk bij uitsluiting bevoegd om de feiten vast te stellen, behoudens het geval waarin de feitelijke onjuistheid van hetgeen het heeft vastgesteld, voortvloeit uit de hem overgelegde processtukken, en om die feiten te beoordelen.
( cf. punt 63 )
Partijen
In zaak C-13/99 P,
TEAM Srl, gevestigd te Rome, aanvankelijk vertegenwoordigd door A. Tizzano en G. M. Roberti, advocaten te Napels, vervolgens door F. Caruso, advocaat te Napels, Via Santa Teresa a Chiaia 39,
rekwirante,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vierde kamer) van 29 oktober 1998, TEAM/Commissie (T-13/96, Jurispr. blz. II-4073), strekkende tot vernietiging van dat arrest,
andere partij bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur M.-J. Jonczy en L. Gussetti, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: L. Sevón, president van de Eerste kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, P. J. G. Kapteyn, P. Jann (rapporteur), H. Ragnemalm en M. Wathelet, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: L. Hewlett, administrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 24 november 1999,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 17 februari 2000,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 18 januari 1999, heeft TEAM Srl krachtens artikel 49 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 29 oktober 1998, TEAM/Commissie (T-13/96, Jurispr. II-4073; hierna: bestreden arrest"), waarbij het Gerecht de schadevordering heeft afgewezen die zij had ingesteld tegen een in een brief van 16 november 1995 neergelegde beschikking van de Commissie houdende annulering van de aanbestedingsprocedure voor een haalbaarheidsstudie betreffende de modernisering van een spoorwegknooppunt te Warschau, en van de niet-openbare aanbestedingsprocedure van 4 december 1995 voor een haalbaarheidsstudie betreffende de modernisering van een spoorwegknooppunt te Warschau.
Juridische context, feiten en procesverloop voor het Gerecht
2 Het PHARE-programma van de Gemeenschap is gebaseerd op verordening (EEG) nr. 3906/89 van de Raad van 18 december 1989 betreffende economische hulp ten gunste van bepaalde landen van Midden- en Oost-Europa (PB L 375, blz. 11), in de versie die met name voortvloeit uit verordening (EEG) nr. 2698/90 van de Raad van 17 september 1990, tot wijziging van verordening nr. 3906/89 met het oog op de uitbreiding van de economische hulp tot andere landen in Midden- en Oost-Europa (PB L 257, blz. 1; hierna: verordening nr. 3906/89").
3 Artikel 3, lid 2, van verordening nr. 3906/89 luidt als volgt:
Bij de keuze van de op basis van deze verordening te financieren acties wordt onder meer rekening gehouden met de door de betrokken begunstigde landen uitgesproken voorkeuren en wensen."
4 Artikel 23 van de General Regulations for Tenders and the Award of Service Contracts financed from PHARE/TACIS Funds" (Algemene voorschriften inzake de aanbesteding en de gunning van opdrachten voor dienstverlening gefinancierd door de PHARE/TACIS-fondsen"; hierna: algemene voorschriften") regelt de voorwaarden waaronder een aanbestedingsprocedure kan worden beëindigd of geannuleerd. Volgens lid 2, sub d, van die bepaling is zulks met name het geval, wanneer uitzonderlijke omstandigheden de normale tenuitvoerlegging van de aanbestedingsprocedure of de opdracht onmogelijk maken.
5 Artikel 23, lid 3, van de algemene regeling, bepaalt dat in geval van annulering van een aanbestedingsprocedure de inschrijvers die nog door hun offertes gebonden zijn, door de aanbestedende dienst daarvan in kennis worden gesteld. Zij hebben geen recht op schadevergoeding.
6 Uit het bestreden arrest blijkt, dat verzoekster een bouwtechnische onderneming naar Italiaans recht is, die zich bezighoudt met de bouw, het beheer en het onderhoud van civiele en industriële constructies alsmede infrastructuurwerken.
7 Op 13 juni 1995 schreef de Commissie een niet-openbare aanbesteding uit voor de uitvoering van een haalbaarheidsstudie betreffende de modernisering van een spoorwegknooppunt te Warschau (hierna: aanbesteding van 13 juni 1995").
8 Het bericht van aanbesteding werd onder meer gezonden aan verzoekster en aan Centralne Biuro Projektowo-Badawcze Budownictwa Kolejowego (Kolprojekt) (hierna: Kolprojekt"), een vennootschap naar Pools recht met overheidskapitaal, die bouwkundige diensten in de spoorwegsector verricht. Beide ondernemingen vormden een consortium, en dienden een offerte in.
9 Bij faxbericht van 16 november 1995 deelde de Commissie de inschrijvers mee, dat de aanbesteding was geannuleerd wegens de toevoeging van nieuwe doelstellingen en de wijziging van het bestek (hierna: bestreden beschikking").
10 Op 4 december 1995 schreef de Commissie namens de Poolse regering" een nieuwe niet-openbare aanbesteding uit (hierna: litigieuze aanbesteding"). In het bestek heette het, dat de inschrijver aan wie de opdracht werd gegund, moest samenwerken met Kolprojekt, en dat voor de deelneming van laatstgenoemde vennootschap een bedrag was uitgetrokken dat overeenkwam met 25 % van de financiële offerte.
11 Bij faxbericht van 21 december 1995 gaf de Commissie het voornemen te kennen, een nauwkeuriger bestek en een nieuwe termijn voor de indiening van de offertes vast te stellen. De Commissie preciseerde, dat de indiening van de offertes zolang werd opgeschort.
12 Op 26 januari 1996 stelden rekwirante en Kolprojekt bij het Gerecht beroep in tot nietigverklaring van de beschikking en de litigieuze aanbesteding, en tot vergoeding van de door die handelingen aan hen veroorzaakte schade.
13 Bij faxbericht van 28 mei 1996 verzocht de Poolse regering de Commissie de studie betreffende het spoorwegknooppunt te Warschau uit het PHARE-programma te lichten en te vervangen door andere, dringende spoorwegprojecten. De Poolse regering voerde aan, dat de indiening van offertes sedert enige maanden was opgeschort, dat de modernisering van het betrokken spoorwegknooppunt was gepland, en dat voorrang moest worden gegeven aan nieuwe werkzaamheden op een andere lijn.
14 Bij brief van 3 juni 1996 deelde de Commissie de Poolse regering mee, dat zij had besloten de gehele procedure te annuleren op grond van artikel 23, lid 2, sub d, van de algemene voorschriften.
15 Bij memorie van 10 juni 1996 heeft de Commissie een procesincident opgeworpen, en het Gerecht verzocht het beroep af te doen zonder beslissing wat de conclusies tot nietigverklaring betreft, de schadevordering niet-ontvankelijk of subsidiair ongegrond te verklaren, en rekwirante alsmede Kolprojekt te verwijzen in de kosten betreffende de schadevordering.
16 Bij beschikking van 13 juni 1997, TEAM en Kolprojekt/Commissie (T-13/96, Jurispr. blz. II-983) oordeelde het Gerecht, dat op de vordering tot nietigverklaring niet meer behoefde te worden beslist, en voegde het het verzoek om niet-ontvankelijkverklaring van de schadevordering met de zaak ten gronde.
17 Bij beschikking van 8 mei 1998 heeft de president van de Vierde kamer van het Gerecht in het register van het Gerecht de naam van Kolprojekt doorgehaald, nu deze afstand van instantie had gedaan.
18 Krachtens artikel 64 van zijn Reglement voor de procesvoering heeft het Gerecht de Commissie bij brief van 11 mei 1998 verzocht om overlegging van de notulen, nota's en memoranda betreffende de bestreden beschikking en de litigieuze aanbesteding, alsmede van haar briefwisseling met de Poolse autoriteiten over het verloop van de twee betrokken aanbestedingen.
19 Bij brief van 20 mei 1998, liet de Commissie het Gerecht de documenten toekomen, doch met het verzoek ze eerst in het dossier op te nemen en aan rekwirante mee te delen nadat het Gerecht over het vertrouwelijk karakter ervan uitspraak heeft gedaan overeenkomstig de criteria uiteengezet in de beschikking van het Gerecht van 10 december 1997, NMH Stahlwerke e.a./Commissie (T-134/94, T-136/94-T-138/94, T-141/94, T-145/94, T-147/94, T-148/94, T-151/94, T-156/94 en T-157/94, Jurispr. blz. II-2293). Tot staving van dit verzoek voerde de Commissie aan, dat deze documenten betrekking hadden op offertes van concurrenten van rekwirante, zodat de kennisneming van deze documenten voor rekwirante een ongerechtvaardigd voordeel met zich zou brengen.
20 Bij brief van 4 juni 1998 zond het Gerecht de Commissie de in bijlage bij de brief van 20 mei gevoegde documenten terug, met het verzoek haar een niet-vertrouwelijke versie daarvan te doen toekomen en een kopie daarvan aan rekwirante te bezorgen. Bij brief van dezelfde dag, stelde het Gerecht rekwirante op de hoogte van de brief van de Commissie en van het gevolg dat hij daaraan had gegeven.
21 Bij brief van 5 juni 1998 liet de Commissie het Gerecht de niet-vertrouwelijke versie van de betrokken documenten toekomen met de precisering dat zij niet vrij kon beschikken over de documenten die van de Poolse regering of van haar administratie afkomstig waren. Het Gerecht heeft deze brief en de betrokken documenten aan rekwirante gezonden, die ze op 12 juni 1998 heeft ontvangen.
22 De mondelinge behandeling voor het Gerecht vond plaats op 25 juni 1998.
23 Ter terechtzitting legde rekwirante twee documenten over, namelijk een brief van 21 augustus 1995 van het Poolse Ministerie van Transport en Maritieme zaken aan de Commissie, en een vertrouwelijke versie van de notulen van een vergadering van vertegenwoordigers van de Commissie en van voormeld ministerie, betreffende de beoordeling van de in het kader van de aanbesteding van 13 juni 1995 ingezonden offertes. De Commissie, die een kopie van deze documenten heeft ontvangen, voerde onder verwijzing naar artikel 48, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht aan, dat de overlegging daarvan niet-ontvankelijk was.
Het bestreden arrest
24 In de punten 27 tot en met 30 van het bestreden arrest stelde het Gerecht vast, dat rekwirante weliswaar het bedrag van de door haar gestelde schade niet heeft berekend, maar dat haar schadevordering toch ontvankelijk was nu zij duidelijke gegevens heeft verschaft die het mogelijk maken de aard en de omvang van de gestelde schade te bepalen.
25 Wat de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap betreft, heeft het Gerecht in de punten 70 tot en met 72 vastgesteld, dat de inschrijvers in geval van annulering van een aanbestedingsprocedure in beginsel geen recht op schadevergoeding kunnen doen gelden, behoudens indien een schending van het gemeenschapsrecht in het verloop van de aanbestedingsprocedure de kansen van een inschrijver om een opdracht in de wacht te slepen, ongunstig heeft beïnvloed.
26 In de punten 73 en 74 oordeelde het Gerecht, dat zelfs al had de rekwirante het bewijs geleverd dat de Commissie tijdens het verloop van de aanbestedingsprocedure het gemeenschapsrecht had geschonden, die eventuele schending het voor het consortium niet onmogelijk zou hebben gemaakt de opdracht in de wacht te slepen. Volgens het Gerecht is het namelijk de schrapping van de studie waarop de twee aanbestedingen betrekking hadden, die het lot van de offerte van het consortium heeft bezegeld. Welnu, rekwirante zou niet het bewijs hebben geleverd dat die intrekking in strijd was met het gemeenschapsrecht, en evenmin dat de gestelde gedraging van de Commissie de oorzaak was van die intrekking. Rekwirante zou integendeel zelf hebben verklaard, dat de intrekking slechts ten dele was ingegeven door de handelwijze van de Commissie.
27 In dit verband verwees de Gerecht naar het faxbericht van 28 mei 1996, waaruit zou blijken dat het Poolse Ministerie van Transport en Maritieme zaken twee reeksen redenen heeft aangevoerd tot staving van zijn verzoek om intrekking, waarvan er een was ontleend aan externe factoren. Het Gerecht wees erop dat volgens verzoeksters eigen verklaringen, de intrekking slechts ten dele was ingegeven door de handelwijze van de Commissie. Het Gerecht leidde hieruit af, dat het oorzakelijk verband tussen de gestelde handelwijze van de Commissie en de door verzoekster gestelde schade niet voldoende direct is.
28 Wat de schade als gevolg van de winstderving betreft, stelde het Gerecht in punt 76 vast, dat die schade onderstelt, dat verzoekster recht had op toewijzing van de opdracht. Nu de Commissie evenwel niet gebonden was door het voorstel van de beoordelingscommissie, doch over een aanzienlijke beoordelingsvrijheid beschikte ten aanzien van de voor het nemen van een besluit inzake de toewijzing van de opdracht in aanmerking te nemen elementen, zou alleen sprake zijn geweest van een toekomstige en hypothetische schade.
29 Wat de twee door verzoekster ter terechtzitting neergelegde documenten betreft, stelt het Gerecht in punt 79, dat geen uitspraak behoefde te worden gedaan over de door de Commissie in dit verband opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid, nu deze documenten irrelevant waren voor de beslechting van het geding. Die documenten zijn dus niet in het dossier opgenomen, en zijn derhalve niet in aanmerking genomen voor het arrest van het Gerecht.
30 Het Gerecht heeft het beroep dus verworpen en verzoekster verwezen in alle kosten betreffende de schadevordering.
De hogere voorziening
31 Tot staving van haar hogere voorziening voert rekwirante drie middelen aan. Het eerste middel is ontleend aan schending van de rechten van de verdediging en van het beginsel van gelijkheid van wapens", wat het procesverloop betreft, en met name wat de door het Gerecht op 11 mei 1998 genomen maatregel van instructie betreft; het tweede middel is gebaseerd op schending van de procedurevoorschriften bij het verzamelen van bewijzen, met name op misleidende interpretatie daarvan; met haar derde middel beroept verzoekster zich op schending van de beginselen van niet-contractuele aansprakelijkheid inzake overheidsopdrachten.
Het eerste middel
32 Met haar eerste middel, dat twee onderdelen omvat, voert rekwirante aan, dat het Gerecht de rechten van de verdediging heeft geschonden, alsmede het beginsel van gelijkheid van wapens.
33 Waar het Gerecht eerst op 11 mei 1998 de Commissie om overlegging van de documenten betreffende de litigieuze aanbesteding heeft verzocht, hoewel in het meer dan twee jaar daarvoor ingediende verzoekschrift om de overlegging van deze documenten zou zijn verzocht, zou dit hebben meegebracht dat rekwirante in de onmogelijkheid verkeerde om over deze documenten schriftelijke opmerkingen in te dienen, aangezien de terechtzitting plaats vond op 25 juni 1998, en deze documenten relevant waren voor de beslechting van het geding. De maatregel tot organisatie van de procesgang zou dus, zonder goede reden, veel te laat zijn genomen.
34 Bovendien zou het Gerecht bij zijn beslissing over de relevantie en de vertrouwelijkheid van deze documenten alleen de Commissie hebben geraadpleegd, wat een schending vormt van het beginsel van gelijkheid van wapens.
35 In de eerste plaats zij eraan herinnerd, dat volgens artikel 168 A EG-Verdrag (thans artikel 225 EG) en artikel 51, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG de hogere voorziening beperkt is tot rechtsvragen. Volgens deze laatste bepaling moet zij gebaseerd zijn op middelen ontleend aan onbevoegdheid van het Gerecht, onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht, waardoor aan de belangen van de verzoekende partij afbreuk is gedaan, dan wel schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht (zie arresten van 28 mei 1998, Deere/Commissie, C-7/95 P, Jurispr. blz. I-3111, punt 18, en New Holland Ford/Commissie, C-8/95 P, Jurispr. blz. I-3175, punt 22).
36 Het Hof is dus bevoegd om na te gaan, of voor het Gerecht procedurele onregelmatigheden zijn begaan waardoor aan de belangen van de verzoekende partij afbreuk is gedaan, en moet zich ervan vergewissen, of de algemene beginselen van gemeenschapsrecht en de procedureregels inzake de bewijslast en de bewijsvoering zijn gerespecteerd (zie met name arrest van 17 december 1998, Baustahlgewebe/Commissie, C-185/95 P, Jurispr. blz. I-8417, punt 19).
37 Wat het eerste onderdeel van het eerste middel betreft, betreffende de buitensporige vertraging tijdens het verloop van de procedure, die rekwirante met name aanvoert inzake de door het Gerecht gelaste maatregel van instructie, moet er in de eerste plaats op worden gewezen, dat deze maatregel van instructie bedoeld was ter beslechting van een procedure-incident, waarover bij beschikking van 13 juni 1997 uitspraak is gedaan. Eerst na deze datum kon de schriftelijke procedure betreffende de schadevordering worden voortgezet. Daarna moest het Gerecht een beslissing nemen over de procedurele situatie van Kolprojekt, over welke situatie zij slechts volledig was ingelicht in de fase van de repliek die rekwirante op 8 oktober 1997 heeft neergelegd. Nadat het Gerecht op 8 mei 1998 de doorhaling van de naam van Kolprojekt in het register van het Gerecht had gelast, heeft het op 11 mei 1998 de Commissie verzocht hem de documenten te doen toekomen waarvan de overlegging door rekwirante was gevraagd.
38 In de tweede plaats moet worden vastgesteld, dat rekwirante blijkens het dossier op 12 juni 1998 mededeling heeft ontvangen van de niet-vertrouwelijke versie van de door de Commissie neergelegde documenten, dus nagenoeg twee weken vóór de datum van de terechtzitting. Rekwirante beschikte dus over voldoende tijd om kennis te nemen van deze documenten en er eventueel op te antwoorden.
39 In die omstandigheden kan rekwirante niet op goede gronden stellen, dat het Gerecht de rechten van de verdediging heeft geschonden door een maatregel tot organisatie van de procesgang te laat en bovendien te kort vóór de terechtzitting te nemen.
40 Wat het tweede onderdeel van het eerste middel betreft, inzake de behandeling van de door de Commissie na de op 11 mei 1998 gelaste maatregel van instructie overgelegde documenten, zij eraan herinnerd, dat volgens artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering, het Gerecht maatregelen tot organisatie van de procesgang kan nemen zoals het verzoeken om overlegging van documenten of stukken die betrekking hebben op de zaak".
41 Artikel 64, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt in dit verband:
Iedere partij kan in elke stand van het geding voorstellen doen tot vaststelling of wijziging van maatregelen tot organisatie van de procesgang. In dit geval worden de andere partijen gehoord, alvorens die maatregelen worden gelast.
Wanneer de omstandigheden van de procedure dat vereisen, stelt het Gerecht partijen in kennis van de beoogde maatregelen; het stelt hen in de gelegenheid, mondeling of schriftelijk opmerkingen te maken."
42 In casu staat vast, dat rekwirante de overlegging van een bepaald aantal documenten heeft gevraagd, en dat het Gerecht dit verzoek heeft ingewilligd nadat het de Commissie had gehoord, de door deze laatste overgelegde documenten had onderzocht, en een standpunt had bepaald over het in haar brief van 20 mei 1998 geformuleerde bezwaar inzake het vertrouwelijke karakter van de documenten.
43 Vaststaat eveneens, dat de brieven van de Commissie van 20 mei en 5 juni 1998, waarin bezwaren zijn gemaakt inzake de vertrouwelijkheid van de betrokken documenten, alsmede de eerste standpuntbepaling van het Gerecht van 4 juni 1998, ter kennis van rekwirante zijn gebracht.
44 Uit het dossier van de zaak voor het Gerecht valt evenwel niet af te leiden, dat rekwirante de bezwaren van de Commissie schriftelijk heeft betwist, en uit de notulen van de terechtzitting van 25 juni 1998 valt niet af te leiden, dat zij inzake deze kwestie een middel heeft opgeworpen.
45 In die omstandigheden moet worden vastgesteld, dat zij niet op goede gronden kan stellen, dat het bestreden arrest tot stand zou zijn gekomen in strijd met het beginsel van gelijkheid van wapens.
46 Het eerste middel moet dus worden verworpen.
Het tweede middel
47 Met haar tweede middel stelt rekwirante, dat het Gerecht in punt 79 van het bestreden arrest ten onrechte en zonder enige grond heeft geweigerd de relevantie te erkennen van de door haar ter terechtzitting overgelegde documenten en ze in het dossier op te nemen. Nu deze documenten de onregelmatigheid bevestigen van de handelwijze van de Commissie en de beslissende rol die zij heeft gespeeld bij de wijziging van het verloop van de aanbestedingsprocedure, zou het Gerecht aldus de bewijselementen hebben verdraaid en zou het bestreden arrest aangetast zijn door een motiveringsgebrek op dit punt en dus moeten worden vernietigd.
48 In dit verband zij er aan herinnerd, dat het Hof niet bevoegd is de feiten vast te stellen, noch in beginsel, de bewijzen te onderzoeken die het Gerecht tot staving van die feiten in aanmerking heeft genomen. Wanneer de bewijzen namelijk regelmatig zijn verkregen en de algemene rechtsbeginselen en de procedureregels inzake de bewijslast en de bewijsvoering zijn gerespecteerd, staat het enkel aan het Gerecht te beoordelen, welke waarde moet worden gehecht aan de hem voorgelegde bewijsmiddelen. Deze beoordeling levert dus geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof, behoudens in het geval van een verkeerde opvatting van deze bewijsmiddelen (arrest Baustahlgewebe/Commissie, reeds aangehaald, punt 24).
49 De vraag, of de motivering van een arrest van het Gerecht tegenstrijdig dan wel ontoereikend is, is evenwel een rechtsvraag die als zodanig in het kader van een hogere voorziening kan worden aangevoerd (zie met name arrest Baustahlgewebe/Commissie, reeds aangehaald, punt 25).
50 In casu moet worden vastgesteld, dat het Gerecht onder verwijzing naar zijn eerdere redenering, waaruit volgde dat de door rekwirante ter terechtzitting overgelegde documenten zonder belang waren voor de beslechting van het geding, zijn besluit om ze niet in het dossier op te nemen rechtens afdoende heeft gemotiveerd.
51 Anderzijds blijkt niet dat het Gerecht aldus het door rekwirante aangeboden bewijsmiddel zou hebben verdraaid.
52 Hieruit volgt, dat het tweede middel moet worden verworpen.
Het derde middel
53 Met het eerste onderdeel van haar derde middel verwijt rekwirante het Gerecht de schade waarvan zij vergoeding vraagt onjuist te hebben bepaald. Deze schade zou namelijk niet voortvloeien uit de omstandigheid dat het contract niet aan haar is toegewezen, doch wel uit de omstandigheid dat zij bepaalde kansen aan zich voorbij heeft zien gaan.
54 Inzake overheidsopdrachten zou vaststaan, dat in geval van onregelmatigheid van de aanbestedingsprocedure, de inschrijver die de inschrijvingsvoorwaarden heeft nageleefd, vergoeding kan vragen van de schade veroorzaakt wegens verlies van kansen" op de toewijzing van de opdracht én wegens de lasten en uitgaven die hij in het kader van hun deelneming aan de inschrijving heeft gemaakt.
55 Rekwirante stelt, dat zij in casu zeer veel kans maakte om de opdracht waarop de aanbesteding van 13 juni 1995 betrekking had, in de wacht te slepen, en dat het Gerecht, door de in het vorige punt in herinnering gebrachte schadevergoedingsbeginselen naast zich neer te leggen, heeft gedwaald ten aanzien van het recht. Overigens zou het bestreden arrest op dit punt een motiveringsgebrek vertonen.
56 In dit verband volgt duidelijk uit de punten 71 tot en met 75 van het bestreden arrest, dat het Gerecht het verzoek van rekwirante wel degelijk heeft onderzocht voor zover het gebaseerd was op het verlies van de kansen om de opdracht als bedoeld in de aanbesteding van 13 juni 1995 in de wacht te slepen.
57 Het eerste onderdeel van het derde middel moet dus worden verworpen.
58 Met het tweede onderdeel van het derde middel voert rekwirante aan, dat het Gerecht het oorzakelijke verband onjuist heeft begrepen, waar het stelt dat de schade niet was terug te voeren op onregelmatige handelingen en gedragingen van de Commissie, doch veeleer op de intrekking van de haalbaarheidsstudie waartoe door de Poolse autoriteiten autonoom was besloten.
59 Volgens rekwirante zijn de latere beslissingen van de Poolse regering althans gedeeltelijk terug te voeren op de onregelmatige handelwijze van de Commissie.
60 In dit verband zet rekwirante uiteen, dat in casu vaststaat, dat de beoordelingscommissie had voorgesteld haar de opdracht toe te wijzen, dat de Commissie had verklaard dat zij het met die beoordeling niet eens was en niet wenste over te gaan tot een nieuwe aanbesteding maar wel tot een heronderzoek van de tijdens de eerste procedure reeds ingediende offertes, dat de adviseur van het Poolse Ministerie van Transport en Maritieme zaken te kennen had gegeven dat zijns inziens de keuze van de Commissie niet gerechtvaardigd was en de regelmatigheid van de door haar gesuggereerde handelwijze in twijfel had getrokken, en dat blijkens de notulen van de bijeenkomst van 13 december 1995 van de beoordelingscommissie, Kozuchowski, vertegenwoordiger van de Poolse Republiek in deze commissie, had geweigerd zijn goedkeuring te hechten aan deze nieuwe procedure en de door de Commissie voorbereide notulen te ondertekenen.
61 In deze omstandigheden stelt rekwirante, dat de beslissing van de Poolse regering om de studie betreffende het spoorwegknooppunt te Warschau uit het PHARE-programma te lichten, niet het gevolg was van een eigen beslissing van de Poolse regering, doch wel het noodzakelijke uitvloeisel was van de nalatigheden en willekeur van de Commissie. De Poolse autoriteiten zouden integendeel voorstanders zijn geweest van de toewijzing van de opdracht aan de onderneming die volgens de beoordelingscommissie de gunstigste offerte had ingediend. De vertraging bij de toewijzing van de opdracht, die uitsluitend zou terug te voeren zijn op de onrechtmatige handelwijze van de Commissie, zou een fundamentele reden zijn geweest die tot de beslissing om het project in te trekken, zou hebben bijgedragen.
62 Het Gerecht zou derhalve hebben gedwaald ten aanzien van het recht bij de beoordeling van het oorzakelijk verband, nu het geen rekening zou hebben gehouden met de omstandigheid dat de in casu aangevoerde schade voortvloeide uit onregelmatigheden van de Commissie bij de afhandeling van de aanbestedingsprocedure en met de omstandigheid dat deze schade was ontstaan vóór het betrokken intrekkingsbesluit. Bovendien zou het Gerecht het belang hebben miskend van de bescherming van de ondernemingen waarvan de rechtmatige belangen door een onregelmatig verloop van de aanbestedingsprocedure worden aangetast. Ten slotte zou het bestreden arrest ook op dit punt aangetast zijn door een motiveringsgebrek.
63 Er zij aan herinnerd, dat uit artikel 168 A van het Verdrag en artikel 51 van 's Hofs Statuut-EG volgt, dat een hogere voorziening slechts kan worden gebaseerd op middelen inzake schending van rechtsregels, met uitsluiting van iedere feitelijke beoordeling. Het Gerecht is namelijk bij uitsluiting bevoegd om de feiten vast te stellen, behoudens het geval waarin de feitelijke onjuistheid van hetgeen het heeft vastgesteld, voortvloeit uit de hem overgelegde processtukken, en om die feiten te beoordelen (zie inzonderheid voornoemde arresten Deere/Commissie, punt 21, en New Holland Ford/Commissie, punt 25).
64 Overigens moet een hogere voorziening duidelijk aangeven tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven (beschikking van 17 september 1996, San Marco/Commissie, C-19/95 P, Jurispr. blz. I-4435, punt 37).
65 Enerzijds moet worden vastgesteld, dat rekwirante aanvoert dat de door haar geleden schade het gevolg is van verschillende handelingen en onregelmatige gedragingen van de Commissie, en dus de beoordeling van de feiten door het Gerecht betwist, zodat dit middel, aldus begrepen, niet-ontvankelijk is.
66 Voor zover anderzijds het betoog van rekwirante aldus moet worden begrepen, dat volgens haar het Gerecht zou hebben gedwaald ten aanzien van het recht waar het verklaart dat het oorzakelijke verband tussen de door haar gestelde schade en de betwiste handelwijze van de Commissie niet voldoende direct was, omdat die handelwijze niet een van de redenen was die hebben geleid tot de beslissing van de Poolse regering de intrekking van de studie betreffende het spoorwegknooppunt te Warschau uit het PHARE-programma te vragen, moet worden vastgesteld, dat rekwirante geen enkel specifiek rechtsmiddel aanvoert tot staving van dit betoog, en dat het niet aan het Hof staat om in het kader van een hogere voorziening ambtshalve over te gaan tot het onderzoek van een dergelijk middel.
67 Hieruit volgt, dat ook het tweede onderdeel van het derde middel moet worden verworpen.
68 Uit een en ander volgt, dat de door rekwirante aangevoerde middelen niet kunnen slagen, zodat de hogere voorziening moet worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
69 Artikel 122, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt, dat wanneer de hogere voorziening ongegrond is of wanneer, bij gegrondheid ervan, het Hof zelf de zaak afdoet, het Hof beslist ten aanzien van de proceskosten. Ingevolge artikel 69, lid 2, van dit Reglement, dat volgens artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien rekwirante in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verwijst TEAM Srl in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy