Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Vrij verkeer van personen - Vrijheid van vestiging - Vrij verrichten van diensten - Artsen - Erkenning van diploma's en titels - Richtlijn 93/16 - Diploma van specialist behaald in andere lidstaat dan ontvangende lidstaat - Recht om in laatstgenoemde staat overeenkomstige beroepstitel te voeren - Voorwaarde - Diploma voorkomend op lijst van gespecialiseerde opleidingen van artikel 7 van richtlijn
(Richtlijn 93/16 van de Raad, art. 7 en 19)
2. Vrij verkeer van personen - Vrijheid van vestiging - Vrij verrichten van diensten - Artsen - Erkenning van diploma's en titels - Richtlijn 93/16 - Recht om in ontvangende lidstaat opleidingstitel te voeren in taal van lidstaat van oorsprong of herkomst - Bevoegdheid van ontvangende lidstaat om toestemming te verlenen om titel in andere taal te voeren
(Richtlijn 93/16 van de Raad, art. 10)
Samenvatting
1. Een arts die in het bezit is van een in een andere lidstaat behaald diploma van specialist dat echter niet voorkomt op de lijst van gespecialiseerde opleidingen van artikel 7 van richtlijn 93/16 ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van artsen en de onderlinge erkenning van hun diploma's, certificaten en andere titels, kan zich niet op artikel 19 van die richtlijn beroepen om in de ontvangende lidstaat de overeenkomstige beroepstitel van specialist te voeren.
Ofschoon het recht om in de ontvangende lidstaat de titel van arts of, naar gelang van het geval, van specialist te voeren in de taal van die staat en volgens diens nomenclatuur, het noodzakelijke corollarium is van de bij de richtlijn ingevoerde onderlinge erkenning van diploma's, certificaten en andere titels, geldt deze uitlegging slechts wanneer de titel van arts of van specialist voldoet aan de minimumvereisten voor de automatische en verplichte onderlinge erkenning.
( cf. punten 25-27, dictum 1 )
2. Artikel 10, lid 1, eerste zin, van richtlijn 93/16 ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van artsen en de onderlinge erkenning van hun diploma's, certificaten en andere titels, moet aldus worden uitgelegd dat het alleen ziet op het recht van de begunstigden van het bij die richtlijn ingevoerde stelsel van onderlinge erkenning van diploma's om gebruik te maken van hun opleidingstitel en eventueel van de afkorting daarvan in de taal van de lidstaat van oorsprong of herkomst, onverminderd de bevoegdheid van de ontvangende lidstaat om toestemming te verlenen om op zijn grondgebied een opleidingstitel of een gelijkwaardige titel in een andere taal dan die van de lidstaat van oorsprong of herkomst te voeren.
( cf. punt 33, dictum 2 )
Partijen
In zaak C-16/99,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) van de Cour administrative (Luxemburg), in het aldaar aanhangige geding tussen
Minister van Volksgezondheid
en
J. Erpelding,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van richtlijn 93/16/EEG van de Raad van 5 april 1993 ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van artsen en de onderlinge erkenning van hun diploma's, certificaten en andere titels (PB L 165, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: D. A. O. Edward (rapporteur), kamerpresident, L. Sevón, P. Jann, H. Ragnemalm en M. Wathelet, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- J. Erpelding, vertegenwoordigd door A. Kronshagen, advocaat te Luxemburg,
- de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door U. Leanza, hoofd van de dienst Diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door G. Aiello, avvocato dello Stato,
- de Finse regering, vertegenwoordigd door T. Pynnä, landsadvocaat, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Tufvesson, juridisch adviseur, en B. Mongin, lid van de juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van J. Erpelding, vertegenwoordigd door A. Kronshagen; de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door F. Quadri, avvocato dello Stato, en de Commissie, vertegenwoordigd door B. Mongin, ter terechtzitting van 13 januari 2000,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 januari 2000,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij arrest van 21 januari 1999, ingekomen bij het Hof op 25 januari daaraanvolgend, heeft de Cour administrative krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van richtlijn 93/16/EEG van de Raad van 5 april 1993 ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van artsen en de onderlinge erkenning van hun diploma's, certificaten en andere titels (PB L 165, blz. 1).
2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen J. Erpelding en het Luxemburgse Ministerie van Volksgezondheid, dat hem de toestemming weigert om in Luxemburg de beroepstitel van cardioloog te voeren.
De toepasselijke regeling
Richtlijn 93/16
3 Richtlijn 93/16 strekt tot vergemakkelijking van het vrije verkeer van artsen en de onderlinge erkenning van hun diploma's, certificaten en andere titels. Artikel 6, dat van toepassing is op diploma's, certificaten en andere titels van specialist die in twee of meer lidstaten bestaan, luidt als volgt:
Elke lidstaat, die ter zake geldende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen kent, erkent de door de overige lidstaten aan onderdanen van lidstaten overeenkomstig de artikelen 24, 25, 27 en 29 afgegeven en in artikel 7 vermelde diploma's, certificaten en andere titels van specialist, door daaraan op zijn grondgebied hetzelfde rechtsgevolg toe te kennen als aan de door hemzelf uitgereikte diploma's, certificaten en andere titels."
4 Met uitzondering van artikel 7 coördineren de in artikel 6 genoemde artikelen de nationale bepalingen betreffende de werkzaamheden van specialisten met het oog op de onderlinge erkenning van de overeenkomstige titels. Volgens de veertiende overweging van de considerans van richtlijn 93/16 voorzien zij onder meer, in enige minimumcriteria (...), zowel voor de toegang tot de gespecialiseerde opleiding als voor de minimumduur van deze opleiding, de wijze waarop en de plaats waar deze moet plaatsvinden, alsmede voor het toezicht dat erop moet worden uitgeoefend".
5 Sinds de toetreding van de Republiek Oostenrijk tot de Europese Unie [zie Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrondvest (PB 1994, C 241, blz. 21, en PB 1995, L 1, blz. 1), met name bijlage I, XI, D, III, 1, sub d] luidt artikel 7 als volgt:
1. De in artikel 6 bedoelde diploma's, certificaten en andere titels zijn die welke door de in artikel 5, lid 2, genoemde bevoegde autoriteiten of instanties zijn afgegeven en welke voor de desbetreffende specialisaties beantwoorden aan de in lid 2 van dit artikel opgenomen benamingen voor de lidstaten waar zij bestaan.
2. De in de lidstaten geldende benamingen voor de desbetreffende specialisaties zijn:
(...)
- cardiologie
Luxemburg: cardiologie et angiologie
(...)"
6 Terwijl inwendige geneeskunde" een titel van specialist is die alle lidstaten gemeen hebben, en die dus krachtens de artikelen 4 en 5 van richtlijn 93/16 in alle lidstaten automatisch kan worden erkend, is cardiologie" een titel van specialist die in twee of meer lidstaten bestaat, zodat de automatische erkenning van diploma's, certificaten en andere titels in cardiologie beperkt blijft tot de in artikel 7, lid 2, van richtlijn 93/16 genoemde lidstaten. Zoals uit het vorige punt van dit arrest blijkt, vermeldt dat artikel sinds de toetreding van de Republiek Oostenrijk tot de Europese Unie voor cardiologie wel Luxemburg, maar niet Oostenrijk.
7 Artikel 8 van richtlijn 93/16 luidt als volgt:
1. De ontvangende lidstaat kan aan de onderdanen der lidstaten die een der diploma's, certificaten of andere titels van opleiding tot specialist wensen te verkrijgen die niet onder de artikelen 4 en 6 vallen of die, hoewel vallend onder artikel 6, niet in een lidstaat van oorsprong of herkomst worden afgegeven, de opleidingseisen stellen die ter zake in zijn eigen wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen worden voorgeschreven.
2. De ontvangende lidstaat houdt daarbij evenwel, geheel of gedeeltelijk, rekening met de duur van de opleidingsperioden van de in lid 1 bedoelde onderdanen waarvoor dezen een diploma, een certificaat of een andere opleidingstitel hebben ontvangen die door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van oorsprong of herkomst is afgegeven, wanneer deze perioden overeenkomen met die welke in de ontvangende lidstaat voor de desbetreffende gespecialiseerde opleiding worden vereist.
3. Nadat de bevoegde autoriteiten en instanties van de ontvangende lidstaat de inhoud en de duur van de gespecialiseerde opleiding van de betrokkene aan de hand van de voorgelegde diploma's, certificaten en andere titels hebben geverifieerd, stellen zij deze in kennis van de duur van de aanvullende opleiding alsmede van de gebieden die deze opleiding moet bestrijken."
8 Artikel 10, lid 1, van richtlijn 93/16, in hoofdstuk V Het voeren van de opleidingstitel", luidt als volgt:
Onverminderd artikel 19, ziet de ontvangende lidstaat erop toe dat de onderdanen van de lidstaten die aan de in de artikelen 2, 4, 6 en 9 gestelde voorwaarden voldoen, het recht hebben gebruik te maken van hun wettelijke opleidingstitel, van de lidstaat van oorsprong of herkomst, en eventueel van de afkorting daarvan, in de taal van deze lidstaat. De ontvangende lidstaat kan voorschrijven dat deze titel wordt gevolgd door de naam en de plaats van de instelling of van de examencommissie die de titel heeft verleend."
9 Artikel 19, dat deel uitmaakt van hoofdstuk VI Maatregelen ter vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en van vrije dienstverrichting van de arts", luidt als volgt:
Wanneer in een ontvangende lidstaat voorschriften gelden voor het voeren van de beroepstitel voor een der werkzaamheden van de arts, voeren de onderdanen van de andere lidstaten die voldoen aan de voorwaarden van artikel 2 en van artikel 9, leden 1, 3 en 5, de beroepstitel die in het ontvangende land met deze voorwaarden inzake opleiding overeenkomt, en maken zij gebruik van de afkorting van deze titel.
De eerste alinea is ook van toepassing op het voeren van de titel van specialist door diegenen die voldoen aan de voorwaarden welke achtereenvolgens zijn genoemd in de artikelen 4 en 6 en in artikel 9, leden 2, 4, 5 en 6."
Het nationale recht
10 De artikelen 10 en 19 van richtlijn 93/16 zijn in Luxemburgs recht omgezet bij artikel 5, lid 3, en artikel 5, lid 2, van de wet van 29 april 1983 betreffende de uitoefening van de beroepen van arts, tandarts en dierenarts, in de versie voortvloeiend uit de wet van 31 juli 1995 (Mémorial A 1995, blz. 1802).
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
11 Erpelding behaalde op 30 maart 1985 aan de universiteit van Innsbruck het Oostenrijkse diploma van Doktor der gesamten Heilkunde" (doctor in de geneeskunde). Dat diploma is op 11 april 1986 door het Luxemburgse Ministerie van Onderwijs gehomologeerd.
12 Op 10 april 1991 gaf de Österreichische Ärztekammer" (de Oostenrijkse orde van geneesheren) hem toestemming voor de uitoefening van de geneeskunde als Facharzt für innere Medizin" (specialist inwendige geneeskunde). Bij besluit van de Luxemburgse minister van Volksgezondheid van 29 augustus 1991 werd hem toegestaan, in Luxemburg het beroep van specialist inwendige geneeskunde uit te oefenen.
13 Op 11 mei 1993 verleende de Österreichische Ärztekammer Erpelding het diploma van Facharzt für innere Medizin - Teilgebiet Kardiologie" (specialist inwendige geneeskunde - onderdeel cardiologie). Bij besluit van 9 juli 1993 gaf de Luxemburgse minister van Volksgezondheid hem toestemming om naast de beroepstitel van specialist inwendige geneeskunde ook de opleidingstitel Facharzt für innere Medizin - Teilgebiet Kardiologie" te voeren in de taal van het land waar hij die opleiding had gevolgd.
14 Op 15 april 1997 deelde Erpelding de minister van Volksgezondheid mee, dat aangezien hij zich geheel aan de cardiologie wilde wijden, hij bereid was af te zien van de beroepstitel van specialist inwendige geneeskunde indien hij toestemming kreeg tot het voeren van de beroepstitel van cardioloog.
15 Bij besluit van 25 april 1997 wees de minister van Volksgezondheid dat verzoek af op grond dat cardiologie geen door de Oostenrijkse autoriteiten erkende specialisatie was, zodat aan Erpelding niet kon worden toegestaan, de geneeskunde in die specialisatie uit te oefenen. Hij voegde daaraan toe, dat het niet zijn taak was, buitenlandse diploma's om te zetten, en dat de Luxemburgse wetgeving enkel toestond diploma's te erkennen in de taal waarin zij zijn geformuleerd.
16 Op verzoek van Erpelding verklaarde het Tribunal administratif dat besluit bij vonnis van 18 februari 1998 nietig wegens schending van met name artikel 19 van richtlijn 93/16.
17 Op 31 maart 1998 stelde de Luxemburgse minister van Volksgezondheid bij de Cour administrative hoger beroep in tegen dat vonnis.
18 De Cour administrative, die van oordeel was dat de beslechting van het geschil niet enkel afhankelijk was van de uitlegging van artikel 19 van richtlijn 93/16, betreffende het voeren van de beroepstitel van arts, maar ook van de uitlegging van artikel 10, betreffende het voeren van de opleidingstitel, heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
1) Kan een verzoeker die in het bezit is van een in een andere lidstaat behaalde titel die echter niet voorkomt op de lijst van gespecialiseerde opleidingen van artikel 7 van richtlijn 93/16/EEG van de Raad van 5 april 1993 ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van artsen en de onderlinge erkenning van hun diploma's, certificaten en andere titels, en die op basis van zijn in een andere lidstaat verworven opleiding verzoekt om toestemming tot het voeren van de in de ontvangende lidstaat overeenkomende beroepstitel, in aanmerking komen voor de toepassing van artikel 19 van richtlijn 93/16?
Zo nee:
2) Verleent artikel 10 van richtlijn 93/16 aan de houders van in een andere lidstaat verkregen opleidingstitels enkel de bevoegdheid gebruik te maken van hun opleidingstitel en eventueel van de afkorting daarvan, of moet de richtlijn daarentegen aldus worden uitgelegd, dat enkel het voeren van de opleidingstitel in de taal van het land waar de titel werd verleend, kan worden toegestaan, met uitsluiting van gelijkwaardige titels in de taal en volgens de nomenclatuur van de ontvangende lidstaat?"
De strekking van de prejudiciële vragen
19 De prejudiciële vragen betreffen de uitlegging van de artikelen 10 en 19 van richtlijn 93/16. Zij zijn gerezen in verband met een verzoek van Erpelding om in Luxemburg de beroepstitel van cardioloog te mogen voeren op grond van zijn in 1993 in Oostenrijk behaalde diploma van Facharzt für innere Medizin - Teilgebiet Kardiologie".
20 De aan het Hof gestelde vragen hebben geen betrekking op de opleiding die moet worden gevolgd om een Luxemburgs diploma van cardioloog te verkrijgen op grond van een Oostenrijks diploma en met toepassing van artikel 8 van richtlijn 93/16. Zij hebben evenmin betrekking op de eventuele gelijkstelling van dat Oostenrijkse diploma met het Luxemburgse diploma van cardioloog op grond van de zogenoemde rechtspraak Vlassopoulou" (zie in dat verband arresten van 7 mei 1991, Vlassopoulou, C-340/89, Jurispr. blz. I-2357, en laatstelijk 14 september 2000, Hocsman, C-238/98, Jurispr. blz. I-6623).
21 Daar in het verwijzingsarrest geen sprake is van artikel 8 van richtlijn 93/16, noch van de rechtspraak Vlassopoulou, is ter terechtzitting verder niet betwist, dat het Hof zich in zijn antwoord op de vragen moet beperken tot een uitlegging van de artikelen 10 en 19 van de richtlijn.
De eerste vraag
22 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of een arts die in het bezit is van een in een andere lidstaat behaald diploma van specialist dat echter niet voorkomt op de lijst van gespecialiseerde opleidingen van artikel 7 van richtlijn 93/16, zich op artikel 19 van de richtlijn kan beroepen om in de ontvangende lidstaat de overeenkomstige beroepstitel van specialist te voeren.
23 Richtlijn 93/16 voert een stelsel in van automatische en verplichte onderlinge erkenning van diploma's, certificaten en andere titels van arts en specialist die door lidstaten aan onderdanen van lidstaten zijn afgegeven overeenkomstig de artikelen 3, 5 en 7.
24 Dat stelsel van automatische en verplichte erkenning zou onvolledig en weinig doeltreffend zijn indien de begunstigden ervan niet het recht hadden om in de ontvangende lidstaat de overeenkomstige beroepstitel van arts of, naar gelang van het geval, van specialist te voeren. Zo de begunstigden van het stelsel van onderlinge erkenning niet het recht hadden in die staat die titel te voeren, zouden zij niet op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als gemeenschapsonderdanen die in de ontvangende lidstaat een dergelijke titel hebben verkregen, aan de belanghebbenden kunnen meedelen over welke beroepskwalificaties zij beschikken.
25 Het recht om in de ontvangende lidstaat de titel van arts of, naar gelang van het geval, van specialist te voeren in de taal van die staat en volgens diens nomenclatuur, is dus het noodzakelijke corollarium van de bij richtlijn 93/16 ingevoerde onderlinge erkenning van diploma's, certificaten en andere titels.
26 Deze uitlegging geldt evenwel slechts wanneer de titel van arts of van specialist voldoet aan de minimumvereisten voor de automatische en verplichte onderlinge erkenning. Dat artikel 19 van richtlijn 93/16 het recht om de beroepstitel van arts of, naar gelang van het geval, van specialist te voeren slechts verleent aan gemeenschapsonderdanen die voldoen aan de in de eerste en de tweede alinea van die bepaling gestelde voorwaarden, is dus geheel in overeenstemming met het stelsel van onderlinge erkenning.
27 Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat een arts die in het bezit is van een in een andere lidstaat behaald diploma van specialist dat echter niet voorkomt op de lijst van gespecialiseerde opleidingen van artikel 7 van richtlijn 93/16, zich niet op artikel 19 van die richtlijn kan beroepen om in de ontvangende lidstaat de overeenkomstige beroepstitel van specialist te voeren.
De tweede vraag
28 De verwijzende rechter meent, dat artikel 10 van richtlijn 93/16 op twee wijzen kan worden uitgelegd. Volgens de eerste uitlegging verleent die bepaling de begunstigden van het bij de richtlijn ingevoerde stelsel van onderlinge erkenning van diploma's alleen de bevoegdheid om hun opleidingstitel te voeren in de taal van de lidstaat van oorsprong of van herkomst. Volgens de tweede verleent zij de begunstigden van het stelsel die bevoegdheid, maar sluit zij de mogelijkheid uit, dat de ontvangende lidstaat toestemming verleent voor het voeren van de overeenkomstige titel in de taal en volgens de nomenclatuur van die staat.
29 Richtlijn 93/16 regelt het recht van de begunstigden van het bij die richtlijn ingevoerde stelsel van onderlinge erkenning van diploma's om in de ontvangende lidstaat hun beroepstitel van arts of specialist en hun opleidingstitel te voeren.
30 Aangezien elke beperking van het recht om in de ontvangende lidstaat een in een andere lidstaat verkregen opleidingstitel te voeren, die titel minder aantrekkelijk kan maken en dus de uitoefening van de in het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden kan belemmeren, moet zij voldoen aan de vereisten van het Verdrag (zie arrest van 31 maart 1993, Kraus, C-19/92, Jurispr. blz. I-1663, punt 32). Met diezelfde vereisten moet rekening worden gehouden bij de uitlegging van de gemeenschapswetgeving, waaronder artikel 10 van richtlijn 93/16, waarop de door de verwijzende rechter gestelde vraag betrekking heeft.
31 Artikel 10, lid 1, eerste zin, van richtlijn 93/16 herhaalt in wezen de negende overweging van de considerans, waarin wordt verklaard, dat aangezien een richtlijn inzake de onderlinge erkenning van de diploma's niet noodzakelijkerwijs de materiële gelijkwaardigheid inhoudt van de opleidingen waarop deze diploma's betrekking hebben, het voeren van de opleidingstitel uitsluitend in de taal van de lidstaat van oorsprong of herkomst dient te worden toegestaan.
32 Artikel 10, lid 1, eerste zin, van richtlijn 93/16 moet derhalve aldus worden uitgelegd, dat het alleen ziet op het recht van de begunstigden van het bij die richtlijn ingevoerde stelsel van onderlinge erkenning van diploma's om gebruik te maken van hun opleidingstitel en eventueel van de afkorting daarvan in de taal van de lidstaat van oorsprong of herkomst. Uit de tekst van die bepaling noch uit de opzet van richtlijn 93/16 volgt evenwel, dat de ontvangende lidstaat geen toestemming zou kunnen verlenen om op zijn grondgebied een opleidingstitel of een gelijkwaardige titel in een andere taal dan die van de lidstaat van oorsprong of herkomst te voeren.
33 Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat artikel 10, lid 1, eerste zin, van richtlijn 93/16 aldus moet worden uitgelegd, dat het alleen ziet op het recht van de begunstigden van het bij die richtlijn ingevoerde stelsel van onderlinge erkenning van diploma's om gebruik te maken van hun opleidingstitel en eventueel van de afkorting daarvan in de taal van de lidstaat van oorsprong of herkomst, onverminderd de bevoegdheid van de ontvangende lidstaat om toestemming te verlenen om op zijn grondgebied een opleidingstitel of een gelijkwaardige titel in een andere taal dan die van de lidstaat van oorsprong of herkomst te voeren.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
34 De kosten door de Italiaanse en de Finse regering alsmede door de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door de Cour administrative bij arrest van 21 januari 1999 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Een arts die in het bezit is van een in een andere lidstaat behaald diploma van specialist dat echter niet voorkomt op de lijst van gespecialiseerde opleidingen van artikel 7 van richtlijn 93/16/EEG van de Raad van 5 april 1993 ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van artsen en de onderlinge erkenning van hun diploma's, certificaten en andere titels, kan zich niet op artikel 19 van die richtlijn beroepen om in de ontvangende lidstaat de overeenkomstige beroepstitel van specialist te voeren.
2) Artikel 10, lid 1, eerste zin, van richtlijn 93/16 moet aldus worden uitgelegd, dat het alleen ziet op het recht van de begunstigden van het bij die richtlijn ingevoerde stelsel van onderlinge erkenning van diploma's om gebruik te maken van hun opleidingstitel en eventueel van de afkorting daarvan in de taal van de lidstaat van oorsprong of herkomst, onverminderd de bevoegdheid van de ontvangende lidstaat om toestemming te verlenen om op zijn grondgebied een opleidingstitel of een gelijkwaardige titel in een andere taal dan die van de lidstaat van oorsprong of herkomst te voeren.
Full & Egal Universal Law Academy