Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Vrij verkeer van goederen - Kwantitatieve beperkingen - Maatregelen van gelijke werking - Nationale regeling die bij intracommunautaire doorvoer voorziet in systeem van vasthouding door douane van vermoedelijk nagemaakte goederen die in lidstaat rechtmatig zijn vervaardigd en in andere lidstaat rechtmatig in de handel zijn - Rechtvaardiging - Bescherming van industriële en commerciële eigendom - Geen - Doorvoer die niet onder specifiek voorwerp van recht op tekening of model valt
[EG-Verdrag, art. 30 en 36 (thans, na wijziging, art. 28 EG en 30 EG)]
Samenvatting
$$Komt de krachtens artikel 30 van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG) op hem rustende verplichtingen niet na de lidstaat die op basis van zijn intellectuele-eigendomswetgeving inzake tekeningen en modellen procedures inzake de vasthouding door de douane toepast op in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap rechtmatig vervaardigde goederen die bestemd zijn om na doorvoer over het nationale grondgebied op de markt te worden gebracht in een andere lidstaat, waar zij wettig kunnen worden verhandeld.
De betrokken nationale regeling, die de nationale douaneautoriteiten toestaat, op verzoek van de houder van het recht op een tekening of een model van auto-onderdelen, vermoedelijk nagemaakte onderdelen vast te houden gedurende een termijn van tien dagen, binnen welke termijn de verzoeker zich tot de bevoegde nationale rechterlijke instanties kan wenden, vormt een beperking van het vrij verkeer van goederen.
Intracommunautaire doorvoer bestaat in het vervoer van goederen van de ene lidstaat naar een andere over het grondgebied van een of meerdere lidstaten en houdt geen gebruik in van het uiterlijk voorkomen van de beschermde tekening of het beschermde model, zodat deze doorvoer niet onder het specifieke voorwerp van het industriële- en commerciële-eigendomsrecht op tekeningen of modellen valt.
Aangezien de vervaardiging en het in de handel brengen van het product geoorloofd zijn in de lidstaten waar deze verrichtingen plaatsvinden, en de doorvoer ervan niet onder het specifieke voorwerp van het recht op de tekening of het model valt in de lidstaat waar de doorvoer plaatsvindt, moet worden aangenomen dat de belemmering van het vrije goederenverkeer door de vasthouding van het product door de douane in laatstbedoelde lidstaat met het oog op de verhindering van de doorvoer ervan, niet gerechtvaardigd is ter bescherming van de industriële en commerciële eigendom.
( cf. punten 22, 43, 45, 49 en dictum )
Partijen
In zaak C-23/99,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. B. Wainwright, juridisch hoofdadviseur, en O. Couvert-Castéra, bij de juridische dienst gedetacheerd nationaal ambtenaar, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Franse Republiek, vertegenwoordigd door K. Rispal-Bellanger, onderdirecteur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en R. Loosli-Surrans, chargé de mission bij die directie, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Franse ambassade, Boulevard Joseph II 8 B,
verweerster,
betreffende een verzoek om vast te stellen, dat de Franse Republiek de krachtens artikel 30 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG) op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door op basis van de Code de la propriété intellectuelle procedures inzake de vasthouding door de douane toe te passen op in een lidstaat van de Europese Gemeenschap rechtmatig vervaardigde goederen die bestemd zijn om na doorvoer over Frans grondgebied op de markt te worden gebracht in een andere lidstaat, waar zij wettig kunnen worden verhandeld,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, J. C. Moitinho de Almeida en L. Sevón, kamerpresidenten, P. J. G. Kapteyn, J.-P. Puissochet, P. Jann, H. Ragnemalm (rapporteur), M. Wathelet en V. Skouris, rechters,
advocaat-generaal: J. Mischo
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 15 februari 2000, waarop de Commissie is vertegenwoordigd door R. Tricot, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, en de Franse regering door R. Loosli-Surrans,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 april 2000,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 2 februari 1999, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EG-Verdrag (thans artikel 226 EG) het Hof verzocht vast te stellen, dat de Franse Republiek de krachtens artikel 30 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG) op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door op basis van de Code de la propriété intellectuelle (Franse intellectuele-eigendomswetgeving) procedures inzake de vasthouding door de douane toe te passen op in een lidstaat van de Europese Gemeenschap rechtmatig vervaardigde goederen die bestemd zijn om na doorvoer over Frans grondgebied op de markt te worden gebracht in een andere lidstaat, waar zij wettig kunnen worden verhandeld.
De gemeenschapsregeling
2 Artikel 36 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 30 EG) bepaalt, dat de bepalingen inzake het vrije goederenverkeer van de artikelen 30 tot en met 34 geen beletsel [vormen] voor verboden of beperkingen van invoer, uitvoer of doorvoer, welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van (...) bescherming van de industriële en commerciële eigendom. Deze verboden of beperkingen mogen echter geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten vormen."
3 Wat de industriële eigendom van tekeningen en modellen betreft, geldt verordening (EG) nr. 3295/94 van de Raad van 22 december 1994 tot vaststelling van maatregelen om het in het vrije verkeer brengen, de uitvoer, de wederuitvoer en de plaatsing onder een schorsingsregeling van nagemaakte of door piraterij verkregen goederen te verbieden (PB L 341, blz. 8), niet voor in de Gemeenschap vervaardigde of in het verkeer gebrachte namaakgoederen, maar enkel voor dergelijke goederen uit derde landen.
4 Richtlijn 98/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 (PB L 289, blz. 28), betreft de rechtsbescherming van tekeningen en modellen, doch zonder de wetgeving van de lidstaten op dit gebied volledig te harmoniseren. De uiterste omzettingsdatum is vastgesteld op 28 oktober 2001.
5 Artikel 14 van richtlijn 98/71, met als titel Overgangsbepaling", luidt als volgt:
Zolang deze richtlijn niet overeenkomstig artikel 18 op voorstel van de Commissie is gewijzigd, handhaven de lidstaten hun bestaande wettelijke bepalingen inzake het gebruik van het model van een onderdeel voor het repareren van een samengesteld voortbrengsel met de bedoeling het zijn oorspronkelijke vorm terug te geven, en wijzigen zij die bepalingen alleen als daarmee een liberalisering van de markt voor dergelijke onderdelen wordt beoogd."
6 Luidens de twintigste overweging van de considerans van richtlijn 98/71 (...) [mag] de overgangsbepaling in artikel 14 inzake het ontwerp van een onderdeel dat wordt gebruikt voor de reparatie van een samengesteld voortbrengsel met de bedoeling het zijn oorspronkelijke vorm terug te geven in geen geval zodanig (...) worden uitgelegd dat zij een belemmering vormt voor het vrije verkeer van een voortbrengsel dat een dergelijk onderdeel is".
7 Aangaande de maatregelen die een beletsel vormen voor het vrije verkeer van goederen, heeft artikel 1 van beschikking nr. 3052/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1995 tot vaststelling van een procedure voor uitwisseling van informatie over nationale maatregelen waarbij wordt afgeweken van het beginsel van het vrije verkeer van goederen binnen de Gemeenschap (PB L 321, blz. 1), meer in het bijzonder betrekking op maatregelen die direct of indirect tot gevolg hebben dat het product algeheel wordt verboden of dat de vergunning voor het in de handel brengen wordt geweigerd.
De Franse regeling
8 De artikelen L. 335-10, L. 521-7 en L. 716-8 van de Code de la propriété intellectuelle, die respectievelijk van toepassing zijn op het auteursrecht en de verwante rechten, op gedeponeerde tekeningen en modellen en op het merkrecht, voorzien in een systeem van vasthouding door de douaneautoriteiten van vermoedelijk nagemaakte goederen. De douane kan op schriftelijk verzoek van de houder van het beschermde recht bij haar controles de door de houder als namaak aangemerkte goederen vasthouden. Deze maatregel wordt van rechtswege ingetrokken indien de verzoeker niet binnen een termijn van tien werkdagen te rekenen vanaf de kennisgeving van de vasthouding van de goederen bij de douane aantoont dat hij de zaak aanhangig heeft gemaakt bij de bevoegde rechterlijke instanties.
9 De verkoop, de vervaardiging, de invoer en het houden van namaakgoederen op het nationale grondgebied zijn strafbare feiten als omschreven in de artikelen L. 335-2 (auteursrecht), L. 521-4 (tekeningen en modellen) en L. 716-9 (merkrecht) van de Code de la propriété intellectuelle.
10 In meerdere arresten over namaak heeft de Cour de cassation uitspraak gedaan over gevallen waarin enkel sprake was van doorvoer van namaakgoederen over het Franse grondgebied. In een arrest van de strafkamer van 26 april 1990, Asin Crespo Ricardo e.a. tegen Openbaar ministerie (Bulletin de la Cour de cassation, 1990, nr. 160), betreffende auto-onderdelen, heeft zij geoordeeld, dat het recht van de houder van een merk of model wordt geschonden door een goed dat op het Franse grondgebied enkel wordt vervoerd. Deze rechtspraak vindt zelfs toepassing wanneer het goed rechtmatig in een lidstaat is vervaardigd om, eveneens rechtmatig, in een andere lidstaat in de handel te worden gebracht.
De feiten en de precontentieuze procedure
11 De European Automobile Panel Association heeft bij de Commissie een klacht ingediend wegens de vasthouding door de Franse douane aan de grens met Spanje van auto-onderdelen die in Spanje zijn vervaardigd en die bestemd zijn om, na doorvoer via Frankrijk, op de markt te worden gebracht in een andere lidstaat, waar zij mogen worden verhandeld.
12 Volgens de Franse douane zijn de betrokken onderdelen, die bestemd zijn voor voertuigen van Franse merken, naar Frans recht namaakgoederen die door de Code de la propriété intellectuelle beschermde rechten op gedeponeerde tekeningen of modellen en het auteursrecht schenden. De Franse douane houdt vermoedelijk nagemaakte goederen vast om de houders van de beschermde rechten in staat te stellen binnen de gestelde termijnen het nodige te doen ter bescherming van hun rechten.
13 De gemachtigden van de Direction générale des douanes et droits indirects van het Ministerie van Economische zaken, Financiën en Begroting stelden met name twee processen-verbaal op, gedateerd 16 januari en 26 februari 1997, betreffende door Spaanse ondernemingen vervaardigde en door Italiaanse ondernemingen aangekochte onderdelen van auto's van Franse merken.
14 Bij brief van 13 mei 1997 stelde de Commissie de Franse autoriteiten ervan in kennis, dat de vasthouding door de douane van de onderdelen een met artikel 30 van het Verdrag strijdige belemmering van het vrije verkeer van goederen kan vormen, aangezien deze onderdelen niet bestemd zijn om op Frans grondgebied in de handel te worden gebracht en zij rechtmatig in Spanje worden vervaardigd en eveneens rechtmatig in Italië in de handel worden gebracht.
15 Bij brief van 2 juni 1997 antwoordden de Franse autoriteiten, dat de betrokken nagemaakte onderdelen wegens hun bedenkelijke kwaliteit een gevaar vormden voor de veiligheid van de gebruikers, dat de douanecontroles vóór het in de handel brengen van de vermoedelijk nagemaakte goederen in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel, aangezien zij onmisbaar zijn om op doeltreffende wijze een van de in artikel 36 van het Verdrag genoemde doelstellingen veilig te stellen, en, ten slotte, dat de bestrijding van namaak bijdraagt tot de bescherming van de belangen van innoverende bedrijfstakken en tot de eerlijke mededinging op de gemeenschappelijke markt.
16 De Commissie nam geen genoegen met dit antwoord en stuurde de Franse Republiek derhalve op 3 december 1997 een aanmaningsbrief met het verzoek om binnen een termijn van twee maanden haar opmerkingen te maken. In deze brief stelt zij, dat de betrokken controles en vasthoudingen volgens haar strijdig zijn met de artikelen 30 en 36 van het Verdrag en dat zij mogelijkerwijs ook strijdig zijn met artikel 7 A, tweede alinea, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 14, lid 2, EG).
17 In haar antwoord van 13 februari 1998 hield de Franse Republiek vast aan haar voorgaande betoog en stelde zij met name, dat volgens het bovengenoemde arrest van de Cour de cassation in de zaak Asin Crespo Ricardo e.a. tegen Openbaar ministerie de gemeenschapsregels niet in de weg staan aan de toepassing van een nationale wettelijke regeling die toestaat om namaakgoederen die over het Franse grondgebied worden vervoerd, vast te houden. Verder preciseert zij dat de douane controles uitvoert op het gehele nationale grondgebied, dus ook in het grensgebied, waarbij zij aantekent, dat de grensoverschrijding in elk geval niet de aanleiding tot deze controles vormt.
18 Bij brief van 24 juli 1998 zond de Commissie een met redenen omkleed advies aan de Franse Republiek, waarin zij haar standpunt omtrent de aard van de vasthouding door de douane van deze lidstaat herhaalde en de Franse Republiek verzocht, de nodige maatregelen te nemen om zich binnen een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de kennisgeving van dit advies naar de gemeenschapsregeling te voegen.
19 Hierop deelden de Franse autoriteiten bij nota van 29 september 1998 mee, dat de vasthouding van goederen tot doel heeft, de industriële en commerciële eigendom in de zin van artikel 36 van het Verdrag te beschermen, en dat de Franse wetgeving de gevolgen die het Hof aan het beginsel van de territorialiteit van de nationale wet verbindt, volledig eerbiedigt.
20 Gelet op dit antwoord, en daar zij vaststelde dat de Franse Republiek niet de nodige maatregelen had genomen om het met redenen omklede advies op te volgen, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
De gestelde niet-nakoming en de beoordeling daarvan door het Hof
21 Volgens de Commissie vormt de vasthouding van onderdelen door de Franse douane een met artikel 30 van het Verdrag strijdige beperking van het vrije verkeer van goederen.
22 Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat de Franse regeling de nationale douaneautoriteiten toestaat, op verzoek van de houder van het recht op een tekening of een model van auto-onderdelen, vermoedelijk nagemaakte onderdelen vast te houden gedurende een termijn van tien dagen, binnen welke termijn de verzoeker zich tot de bevoegde nationale rechterlijke instanties kan wenden. Vastgesteld moet worden, dat een dergelijke vasthouding, waardoor het goederenverkeer wordt vertraagd en zelfs volledig kan worden geblokkeerd indien het bevoegde gerecht de verbeurdverklaring uitspreekt, een beperking van het vrij verkeer van goederen vormt.
23 Hieraan wordt niet afgedaan door het argument van de Franse regering, dat de vasthoudingsprocedure de handel tussen de lidstaten niet beperkt aangezien zij niet enkel wordt toegepast bij de binnenkomst van de goederen op het Franse grondgebied, maar overal op het grondgebied kan worden toegepast, ongeacht waar de onderdelen zich bevinden. Doordat de vasthouding met name van toepassing is op goederen die afkomstig zijn uit of bestemd zijn voor andere lidstaten, houdt zij immers een beperking in van de handel tussen de lidstaten en vormt zij in beginsel een met artikel 30 van het Verdrag strijdige maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking.
24 Derhalve moet worden nagegaan, of deze maatregel gerechtvaardigd kan zijn.
25 Alvorens te pogen de vasthoudingsprocedure te rechtvaardigen met een beroep op artikel 36 van het Verdrag, stelt de Franse regering dat de Franse wetgeving inzake de vasthouding door de douane in overeenstemming is met verschillende bepalingen van afgeleid recht, namelijk beschikking nr. 3052/95, verordening nr. 3295/94 en artikel 14 van richtlijn 98/71.
26 Om te beginnen stelt zij, dat de lidstaten in wezen bevoegd zijn gebleven inzake de controle op de goederen die over hun grondgebied worden vervoerd, voor welke zienswijze zij zich beroept op beschikking nr. 3052/95 tot vaststelling van een procedure voor de uitwisseling van informatie over nationale maatregelen waarbij wordt afgeweken van het beginsel van het vrije verkeer van goederen. Volgens haar is het moeilijk denkbaar, dat de maatregelen die krachtens deze beschikking kunnen worden genomen en vervolgens ter kennis gebracht, zoals de vasthouding door de douane waarover het in casu gaat, op zich een schending van het gemeenschapsrecht zouden kunnen inhouden.
27 Dienaangaande kan worden volstaan met vast te stellen, dat beschikking nr. 3052/95 volgens de vijfde overweging van de considerans ervan, hoofdzakelijk erop gericht is een betere kennis te verwerven van de tenuitvoerlegging van het vrije goederenverkeer in niet-geharmoniseerde sectoren en de problemen die zich daar voordoen te identificeren teneinde passende oplossingen aan te dragen. Zij heeft niet tot doel, vast te stellen welk soort maatregelen verenigbaar is met de verdragsregels inzake het vrije goederenverkeer. Het feit dat de vasthouding door de douane onder de in beschikking nr. 3052/95 genoemde maatregelen valt, kan dus in geen geval de verenigbaarheid van een dergelijke procedure met de verdragsregels tot gevolg hebben.
28 De Franse regering stelt verder, dat de houder van een recht op een tekening of een model, krachtens verordening nr. 3295/94 de douaneautoriteiten schriftelijk om hun tussenkomst kan verzoeken wanneer uit derde landen afkomstige namaakgoederen worden aangegeven om in het vrije verkeer te worden gebracht, te worden uitgevoerd of wederuitgevoerd, of wanneer zij bij een controle worden ontdekt.
29 Zij erkent, dat verordening nr. 3295/94 geen betrekking heeft op de intracommunautaire handel, doch stelt dat de bescherming die deze verordening biedt bij de binnenkomst van namaakgoederen uit derde landen kan worden tenietgedaan indien deze goederen eerst in het vrije verkeer worden gebracht in een lidstaat, zoals Spanje, waardoor zij de hoedanigheid van gemeenschapsgoederen krijgen, en vervolgens ongehinderd via een andere lidstaat kunnen worden doorgevoerd. Het zou immers voldoende zijn, dat lidstaten de goederen op hun grondgebied in het vrije verkeer brengen opdat zij niet meer zouden kunnen worden tegengehouden door een andere lidstaat, die meer bekommerd is om de bescherming van de industriële en commerciële eigendom, wanneer het grondgebied van laatstbedoelde lidstaat slechts voor doorvoer wordt gebruikt. Een dergelijke praktijk zou leiden tot de uitholling van verordening nr. 3295/94 of minstens tot een aanzienlijke inperking van het doel ervan.
30 Volgens de Commissie is verordening nr. 3295/94 in casu irrelevant, aangezien zij enkel betrekking heeft op de handel met derde landen. Verder biedt de verordening weliswaar aanzienlijke controlemogelijkheden ter bestrijding van invoer in de lidstaten van namaakgoederen uit derde landen, terwijl deze mogelijkheden niet bestaan voor gemeenschapsgoederen, doch dit is hieraan te wijten dat voor laatstbedoelde goederen het in het Verdrag neergelegde beginsel van vrij verkeer geldt.
31 Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat een schending van de verdragsregels inzake het vrije verkeer van goederen binnen de Gemeenschap niet kan worden gerechtvaardigd met een beroep op overwegingen over het nuttig effect van verordening nr. 3295/94.
32 Ten slotte betoogt de Franse regering, dat de Franse wetgeving verenigbaar is met artikel 14 van richtlijn 98/71. Bij gebreke van harmonisatie inzake bescherming van tekeningen en modellen kunnen de lidstaten hun bestaande wettelijke bepalingen op dit gebied handhaven. Bijgevolg is de Franse regeling die erop gericht is het betrokken recht, ook tijdens de doorvoer van onderdelen, te beschermen, krachtens deze bepaling geoorloofd.
33 Er zij evenwel aan herinnerd, dat de lidstaten ingevolge artikel 14 van richtlijn 98/71 weliswaar hun bestaande wettelijke bepalingen betreffende de in dat artikel bedoelde bescherming van tekeningen en modellen van onderdelen mogen handhaven, doch dat deze mogelijkheid slechts bestaat voor zover de nationale wetgeving verenigbaar is met de regels van het Verdrag. Artikel 14 van deze richtlijn kan niet de geldigheid van alle nationale bepalingen inzake de bescherming van de betrokken rechten tot gevolg hebben. Zoals in de twintigste overweging van de considerans van richtlijn 98/71 is gepreciseerd, moet de nationale wetgeving immers in elk geval de verdragsregels inzake het vrije verkeer van goederen eerbiedigen.
34 Bijgevolg moet worden nagegaan, of de belemmering van het vrije goederenverkeer door de vasthouding door de douane een rechtvaardigingsgrond vindt - zoals de Franse regering stelt - in de noodzaak om de in artikel 36 van het Verdrag bedoelde bescherming van de industriële en commerciële eigendom te verzekeren.
35 Volgens de Commissie rechtvaardigt deze bescherming niet de vasthouding door de douane van gemeenschapsgoederen in doorvoer, waarvoor het beginsel van het vrije verkeer van goederen geldt, aangezien de loutere doorvoer geen afbreuk doet aan het specifieke voorwerp van het beschermde recht.
36 De Franse regering is daarentegen van mening, dat de vasthouding waarom de houder van een recht op een tekening of een model verzoekt, deel uitmaakt van het specifieke voorwerp van dat recht zoals het door de gemeenschapsregels is erkend, aangezien deze maatregel erop gericht is zijn exclusief recht te doen eerbiedigen. In Frankrijk zijn onderdelen beschermd door het recht inzake tekeningen of modellen, en elk onderdeel dat zonder de toestemming van de houder van dat recht is vervaardigd en in de handel gebracht en dat zich op Frans grondgebied bevindt, ongeacht of het bestemd is voor de invoer, de uitvoer of de doorvoer, is namaak, zodat de vasthouding door de douane gerechtvaardigd is.
37 Bij de beantwoording van de vraag, of de vasthouding door de douane van doorvoergoederen waarin de Franse wetgeving voorziet, gerechtvaardigd is op grond van de in artikel 36 van het Verdrag genoemde uitzondering inzake industriële en commerciële eigendom, moet worden bedacht dat deze uitzondering tot doel heeft de vereisten van het vrije goederenverkeer en van het industriële en commerciële eigendomsrecht met elkaar te verzoenen, door te voorkomen dat binnen de gemeenschappelijke markt kunstmatige barrières worden gehandhaafd of opgeworpen. Artikel 36 staat afwijkingen van het fundamentele beginsel van vrij verkeer van goederen in de gemeenschappelijke markt slechts toe, voor zover dergelijke afwijkingen gerechtvaardigd zijn ter bescherming van de rechten die het specifieke voorwerp van die eigendom vormen (zie arresten van 17 oktober 1990, HAG GF, C-10/89, Jurispr. blz. I-3711, punt 12, en 22 september 1998, FDV, C-61/97, Jurispr. blz. I-5171, punt 13).
38 Inzake rechten op tekeningen of modellen werden bepaalde beperkingen van het vrije goederenverkeer geoorloofd geacht op basis van artikel 36 van het Verdrag, wanneer zij ertoe strekten het specifieke voorwerp van het industriële en commerciële eigendomsrecht te beschermen (zie, in die zin, arrest van 5 oktober 1988, CICRA en Maxicar, 53/87, Jurispr. blz. 6039, punt 11).
39 Volgens de rechtspraak van het Hof vormt de mogelijkheid voor de houder van een beschermd model om derden te beletten producten waarin het model is verwerkt, zonder zijn toestemming te vervaardigen en te verkopen of in te voeren, het specifieke voorwerp van zijn recht (zie arrest van 5 oktober 1988, Volvo, 238/87, Jurispr. blz. 6211, punt 8).
40 Nagegaan moet dus worden, of de mogelijkheid voor de houder van een beschermd model van onderdelen, om derden te beletten producten waarin dat model is verwerkt, zonder zijn toestemming door te voeren, eveneens deel uitmaakt van het specifieke voorwerp van zijn recht.
41 Volgens de Franse regering ligt de vasthouding door de douane in de lijn van het specifieke voorwerp van het recht op een tekening of een model, namelijk het exclusieve recht van de houder om als eerste een product met een bepaald uiterlijk voorkomen in de handel te brengen. Uit de rechtspraak van het Hof, onder andere het arrest van 22 juni 1994, IHT Internationale Heiztechnik en Danziger (C-9/93, Jurispr. blz. I-2789), kan haars inziens worden afgeleid, dat de fabrikanten van kopieën van beschermde onderdelen, door hun producten zonder toestemming van de houder van het exclusieve recht voor het eerst via doorvoer op het Franse grondgebied in het verkeer te brengen, dit exclusieve recht schenden.
42 Dienaangaande zij opgemerkt, dat de vervaardiging, de verkoop en de invoer inhouden, dat de derde gebruik maakt van het uiterlijk voorkomen van het product, dat het recht inzake tekeningen en modellen beoogt te beschermen. Voor de aan derden gegeven toestemming om identieke onderdelen te vervaardigen en in de handel te brengen en bijgevolg gebruik te maken van het uiterlijk voorkomen van het oorspronkelijke model, ontvangt de houder van het recht aldus gewoonlijk royalties.
43 Intracommunautaire doorvoer daarentegen bestaat in het vervoer van goederen van de ene lidstaat naar de andere over het grondgebied van een of meerdere lidstaten en houdt geen gebruik in van het uiterlijk voorkomen van de beschermde tekening of het beschermde model. Zoals de advocaat-generaal in punt 84 van zijn conclusie opmerkt, worden hiervoor overigens geen royalties betaald wanneer het vervoer wordt verricht door een derde met de toestemming van de houder van het recht. Intracommunautaire doorvoer valt dus niet onder het specifieke voorwerp van het industriële en commerciële eigendomsrecht op tekeningen of modellen.
44 Onder in het verkeer brengen" in de zin van de door de Franse regering aangevoerde en in punt 41 genoemde rechtspraak dient dus niet het louter fysieke vervoer van de goederen te worden begrepen, maar wel het op de markt brengen, dat wil zeggen het in de handel brengen ervan. In casu is het product evenwel niet in de handel gebracht op het Franse grondgebied, waar het enkel wordt doorgevoerd, maar in een andere lidstaat, waar het geen bescherming geniet en dus rechtmatig kan worden verkocht.
45 Aangezien de vervaardiging en het in de handel brengen van het product in de lidstaten waar deze verrichtingen plaatsvinden, geoorloofd zijn en de doorvoer ervan niet onder het specifieke voorwerp van het recht op de tekening of het model valt in de lidstaat waar de doorvoer plaatsvindt, moet worden vastgesteld dat de belemmering van het vrije goederenverkeer door de vasthouding van het product door de douane in laatstbedoelde lidstaat met het oog op de verhindering van de doorvoer ervan, niet gerechtvaardigd is ter bescherming van de industriële en commerciële eigendom.
46 De Franse regering stelt verder, dat de vasthouding door de douane voor een maximale duur van tien dagen in elk geval noodzakelijk is om na te gaan, of de goederen wel in een andere lidstaat dan de Franse Republiek zijn vervaardigd en of zij ook bestemd zijn voor een andere lidstaat.
47 Dienaangaande blijkt uit het dossier en uit de opmerkingen van de Franse regering ter terechtzitting, dat de termijn van tien dagen gedurende welke de goederen door de douane worden vastgehouden, niet als voornaamste doel heeft de lidstaten van herkomst en van bestemming te identificeren, maar de houder van het recht in staat te stellen, de goederen aan een deskundig onderzoek te laten onderwerpen ten bewijze dat het gaat om niet-toegestane kopieën van onderdelen en dus, naar Frans recht, om namaakgoederen. Aangezien de loutere doorvoer van niet- toegestane kopieën niet onder het specifieke voorwerp van het recht op de tekening of het model valt, kan het feit dat aan de hand van een expertise van de onderdelen wordt nagegaan of het om kopieën gaat, evenwel geen rechtvaardigingsgrond vormen voor de vasthouding van deze onderdelen door de douane.
48 Het onderzoek naar de herkomst en de bestemming van de doorvoergoederen zou ter plaatse moeten kunnen worden verricht, indien de vervoerder beschikt over de relevante stukken of deze onmiddellijk kan verkrijgen. In elk geval staat een vasthouding die tot tien dagen kan duren, niet in verhouding tot het doel van een dergelijk onderzoek, zodat zij niet gerechtvaardigd is vanuit het oogpunt van het in artikel 36 van het Verdrag genoemde doel van bescherming van de industriële en commerciële eigendom.
49 Bijgevolg moet worden vastgesteld, dat de Franse Republiek de krachtens artikel 30 van het Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, door op basis van de Code de la propriété intellectuelle procedures inzake de vasthouding door de douane toe te passen op in een lidstaat van de Europese Gemeenschap rechtmatig vervaardigde goederen die bestemd zijn om na doorvoer over Frans grondgebied op de markt te worden gebracht in een andere lidstaat, waar zij wettig kunnen worden verhandeld.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
50 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Franse Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verstaat:
1) Door op basis van de Code de la propriété intellectuelle procedures inzake de vasthouding door de douane toe te passen op in een lidstaat van de Europese Gemeenschap rechtmatig vervaardigde goederen die bestemd zijn om na doorvoer over Frans grondgebied op de markt te worden gebracht in een andere lidstaat, waar zij wettig kunnen worden verhandeld, is de Franse Republiek de krachtens artikel 30 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG) op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Franse Republiek wordt in de kosten verwezen.
Full & Egal Universal Law Academy