Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Lidstaten - Verplichtingen - Uitvoering van richtlijnen - Niet-betwiste niet-nakoming
[EG-Verdrag, art. 169 (thans art. 226 EG)]
Partijen
In zaak C-46/99,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur, D. Gouloussis, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Franse Republiek, vertegenwoordigd door K. Rispal-Bellanger, onderdirecteur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en C. Bergeot, chargé de mission bij die directie, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Franse ambassade, Boulevard Joseph II 8B,
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Franse Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen welke noodzakelijk zijn om volledig te voldoen aan richtlijn 93/104/EG van de Raad van 23 november 1993 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB L 307, blz. 18), en, subsidiair, door deze maatregelen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens het EG-Verdrag en voornoemde richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: R. Schintgen, kamerpresident, G. Hirsch en V. Skouris (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: S. Alber
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 februari 2000,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 16 februari 1999, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EG-Verdrag (thans artikel 226 EG) beroep ingesteld, strekkende tot vaststelling dat de Franse Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen welke noodzakelijk zijn om volledig te voldoen aan richtlijn 93/104/EG van de Raad van 23 november 1993 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB L 307, blz. 18; hierna: richtlijn"), en, subsidiair, door deze maatregelen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens het EG-Verdrag en voornoemde richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Artikel 18, lid 1, sub a en c, van de richtlijn bepaalt, dat de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 23 november 1996 aan de richtlijn te voldoen, of uiterlijk op die datum ervoor zorgen, dat de sociale partners via overeenkomsten de nodige maatregelen nemen, waarbij de lidstaten alle noodzakelijke maatregelen moeten nemen om te allen tijde de door deze richtlijn geëiste resultaten te kunnen waarborgen, en dat zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen.
3 Bij brief van 13 maart 1997 heeft de Franse regering de Commissie meegedeeld, dat de Franse wetgeving reeds met het merendeel van de bepalingen van de richtlijn in overeenstemming was en dat zij vóór het einde van het eerste halfjaar van 1997 een wetsvoorstel aan het parlement zou voorleggen met daarin opgenomen de nodige aanvullende bepalingen ter verzekering van een volledige omzetting van de richtlijn.
4 Daar de Franse Republiek haar niet in kennis had gesteld van de bepalingen die zij had vastgesteld om aan de richtlijn te voldoen en daar de Commissie over geen enkele andere informatie beschikte om te kunnen concluderen, dat deze lidstaat de daartoe noodzakelijke maatregelen had getroffen, heeft zij de procedure van artikel 169 van het Verdrag ingeleid.
5 Bij brief van 30 mei 1997 heeft de Commissie de Franse Republiek aangemaand, binnen een termijn van twee maanden haar opmerkingen betreffende de verweten niet-nakoming te maken.
6 De Franse autoriteiten hebben niet op deze brief geantwoord.
7 Bij gebreke van enige nadere mededeling over de getroffen maatregelen heeft de Commissie de Franse Republiek bij schrijven van 20 januari 1998 een met redenen omkleed advies gezonden, waarin zij haar opmerkingen in haar aanmaningsbrief herhaalde en de lidstaat uitnodigde, zich binnen een termijn van twee maanden na kennisgeving van het met redenen omkleed advies daarnaar te voegen.
8 Bij brief van 13 maart 1998 hebben de Franse autoriteiten het met redenen omkleed advies beantwoord door enerzijds opnieuw te betogen, dat vele nationale bepalingen reeds met de richtlijn overeenstemden, en door anderzijds te preciseren, dat de bepaling van de richtlijn inzake de duur van de wekelijkse rusttijd in de nabije toekomst zou worden omgezet in het kader van een voorstel van wet strekkende onder meer tot omzetting van richtlijn 94/33/EG van de Raad van 22 juni 1994 betreffende de bescherming van jongeren op het werk (PB L 216, blz. 12).
9 Van oordeel dat de Franse Republiek de krachtens de richtlijn op haar rustende verplichtingen niet volledig was nagekomen, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
10 De Franse Republiek herhaalt haar betoog, dat de nationale wetgeving betreffende de arbeidsduur, de wekelijkse rusttijd en de jaarlijkse vakantie met behoud van loon reeds in overeenstemming is met de desbetreffende bepalingen van de richtlijn. Zij betwist de verweten niet-nakoming evenwel niet, daar zij toegeeft, dat de bepalingen betreffende nachtarbeid (afdeling III van de richtlijn) en de wekelijkse rusttijd van 24 uur, waaraan de 11 uren dagelijkse rusttijd moeten worden toegevoegd, nog in Frans recht moeten worden omgezet. Dienaangaande preciseert de Franse regering, dat de omzetting van deze bepalingen, gelet op de moeilijkheden die zij voor het Franse sociale recht veroorzaken, een diepgaand onderzoek door de bevoegde autoriteiten heeft gevergd. De regelgeving die de volledige omzetting van de richtlijn zal verzekeren, moet nog worden bekrachtigd, aldus de regering.
11 Uit het voorgaande volgt, dat de volledige omzetting van de richtlijn niet binnen de gestelde termijn heeft plaatsgevonden, zodat het beroep van de Commissie gegrond moet worden verklaard.
12 Mitsdien moet worden vastgesteld dat de Franse Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om aan de richtlijn te voldoen, de krachtens die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
13 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dat is gevorderd. Daar de Franse Republiek in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de gestelde termijn alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen welke noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 93/104/EG van de Raad van 23 november 1993 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd, is de Franse Republiek de krachtens die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Franse Republiek wordt in de kosten verwezen.
Full & Egal Universal Law Academy