Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Sociale zekerheid van migrerende werknemers Ouderdoms- en overlijdensverzekering Uitkeringen Wijziging van berekeningsregels bij verordening nr. 1248/92 Toepassing van nieuwe berekeningsregels Overgangsbepalingen Werkingssfeer Rechthebbenden op pensioen die vóór inwerkingtreding van nieuwe bepalingen beroep hebben ingesteld waarbij zij toepassing van nationale anticumulatiebepalingen betwisten Daaronder begrepen
(Verordening nr. 1408/71 van de Raad, artikel 95 bis, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1248/92)
2. Sociale zekerheid van migrerende werknemers Ouderdoms- en overlijdensverzekering Uitkeringen Wijziging van berekeningsregels bij verordening nr. 1248/92 Toepassing van nieuwe berekeningsregels Overgangsbepalingen Toepassingsvoorwaarden Verzoek tot herziening ingediend door belanghebbende Verificatieplicht van nationale rechter Omvang
(Verordening nr. 1408/71 van de Raad, artikel 95 bis, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1248/92)
Samenvatting
1. Artikel 95 bis van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1248/92, betreffende overgangsbepalingen voor de toepassing van verordening nr. 1248/92, is van toepassing op pensioengerechtigden die vóór de inwerkingtreding van de bij laatstgenoemde verordening aangebrachte wijzigingen bij een nationale rechterlijke instantie een beroep ter verkrijging van het recht op het pensioen hadden ingesteld onder betwisting van de toepassing van de nationale anticumulatiebepalingen, een beroep dat op het tijdstip van de inwerkingtreding van de nieuwe bepalingen nog niet definitief was beslecht.
( cf. punt 26, dictum 1 )
2. Met betrekking tot de vorm van het verzoek tot herziening dat de belanghebbende heeft ingediend krachtens artikel 95 bis van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1248/92, betreffende overgangsbepalingen voor de toepassing van verordening nr. 1248/92, staat het aan de verwijzende rechter na te gaan, in de eerste plaats, of de nationale wettelijke regeling de verplichting oplegt om een verzoek tot herziening in te dienen, hetzij binnen de gestelde termijn en volgens de vormvoorschriften bij het bevoegde socialezekerheidsorgaan, hetzij volgens de toepasselijke procesregels bij de rechter zelf. In de tweede plaats dient deze rechter na te gaan, of dergelijke vereisten niet minder gunstig zijn dan die welke van toepassing zijn in vergelijkbare situaties die onder het nationale recht vallen, en of die vereisten de uitoefening van de door verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd, aan de belanghebbenden verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken.
( cf. punt 42, dictum 2 )
Partijen
In de gevoegde zaken C-52/99 en C-53/99,
betreffende verzoeken aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) van het Arbeidshof te Luik (België), in de aldaar aanhangige gedingen tussen
Rijksdienst voor pensioenen (RVP)
en
Gioconda Camarotto (C-52/99),
Giuseppina Vignone (C-53/99),
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 95 bis van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149, blz. 2), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1248/92 van de Raad van 30 april 1992 (PB L 136, blz. 7),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: A. La Pergola, kamerpresident, D. A. O. Edward (rapporteur) en P. Jann, rechters,
advocaat-generaal: S. Alber,
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
de Rijksdienst voor pensioenen (RVP), vertegenwoordigd door G. Perl als gemachtigde,
G. Camarotto en G. Vignone, vertegenwoordigd door D. Rossini, vakbondsafgevaardigde,
de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Gouloussis als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Rijksdienst voor pensioenen (RVP), vertegenwoordigd door J.-P. Lheureux als gemachtigde; G. Camarotto en G. Vignone, vertegenwoordigd door D. Rossini, en de Commissie, vertegenwoordigd door H. Michard als gemachtigde, ter terechtzitting van 11 mei 2000,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 29 juni 2000,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij twee arresten van 2 februari 1999, ingekomen bij het Hof op 17 februari daaraanvolgend, heeft het Arbeidshof te Luik overeenkomstig artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 95 bis van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149, blz. 2), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1248/92 van de Raad van 30 april 1992 (PB L 136, blz. 7; hierna: verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd").
2 Deze vragen zijn gerezen in het kader van twee gedingen tussen de Rijksdienst voor pensioenen (hierna: RVP") en enerzijds E. Sutto (en later zijn weduwe, G. Camarotto, die het geding na het overlijden van haar echtgenoot voortzet) en anderzijds G. Vignone (weduwe Tammaro) over de berekening van de rust- en de overlevingspensioenen.
Het toepasselijke gemeenschapsrecht
3 Om te beginnen zij herinnerd aan de redenen voor de wijziging van verordening nr. 1408/71 bij verordening nr. 1248/92.
4 Volgens de rechtspraak van het Hof (zie, onder meer, arrest van 11 juni 1992, Di Crescenzo en Casagrande, C-90/91 en C-91/91, Jurispr. blz. I-3851) heeft een werknemer recht op het hoogste bedrag bij vergelijking van de uitkeringen die verschuldigd zouden zijn volgens het nationale recht alleen, en die welke verschuldigd zouden zijn volgens het gemeenschapsrecht. Wanneer het bevoegde orgaan de volgens het gemeenschapsrecht verschuldigde uitkering vaststelt, mag het overeenkomstig artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 geen rekening te houden met de nationale anticumulatiebepalingen, doch moet het, wanneer dat noodzakelijk blijkt, het bedrag van de verschuldigde uitkering corrigeren overeenkomstig de regel voor beperking van cumulatie die toen in artikel 46, lid 3, van genoemde verordening was neergelegd.
5 Naar aanleiding van deze rechtspraak is artikel 46 van verordening nr. 1408/71 gewijzigd bij verordening nr. 1248/92, die op 1 juni 1992 in werking is getreden, zodat de belanghebbende het recht heeft om van het bevoegde orgaan van elke lidstaat het hoogste bedrag te ontvangen, berekend met inachtneming van alle clausules voor vermindering, schorsing of intrekking waarin de nationale wettelijke regeling voorziet.
6 Artikel 95 bis van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd, voorziet in de volgende overgangsbepalingen voor de toepassing van verordening nr. 1248/92:
1. Aan verordening (EEG) nr. 1248/92 kan geen enkel recht worden ontleend voor een tijdvak dat aan 1 juni 1992 voorafgaat.
2. Voor de bepaling van de aan verordening (EEG) nr. 1248/92 te ontlenen rechten wordt rekening gehouden met elk tijdvak van verzekering of van wonen dat krachtens de wetgeving van een lidstaat vóór 1 juni 1992 is vervuld.
3. Onverminderd het bepaalde in lid 1 ontstaat krachtens verordening (EEG) nr. 1248/92 zelfs dan een recht, wanneer dit recht in verband staat met een gebeurtenis welke vóór 1 juni 1992 heeft plaatsgevonden.
4. De rechten van de betrokkenen wier pensioen vóór 1 juni 1992 werd vastgesteld, kunnen op hun verzoek met inachtneming van verordening (EEG) nr. 1248/92 worden herzien.
5. Indien het in lid 4 bedoelde verzoek binnen twee jaar na 1 juni 1992 wordt ingediend, worden de aan verordening (EEG) nr. 1248/92 te ontlenen rechten met ingang van die datum verkregen, zonder dat de bepalingen van de wetgeving van enige lidstaat met betrekking tot het verval of de verjaring van rechten op de betrokkenen kunnen worden toegepast.
6. Indien het in lid 4 bedoelde verzoek na afloop van de termijn van twee jaar na 1 juni 1992 wordt ingediend, worden de niet vervallen of verjaarde rechten met ingang van de datum waarop het verzoek is ingediend verkregen, tenzij gunstigere bepalingen van de wetgeving van enige lidstaat van toepassing zijn."
Het hoofdgeding
7 Op 23 november 1984 stelde de RVP Sutto officieel in kennis van een beschikking waarbij hem per 1 maart 1981 een Belgisch rustpensioen van 234 023 BEF voor een beroepsloopbaan van 37/45 werd toegekend, alsmede ook per 1 maart 1981 een pensioen ten laste van het Italiaanse orgaan ten belope van 1 716 220 ITL (C-52/99).
8 Op 30 januari 1987 stelde de RVP Vignone officieel in kennis van een beschikking waarbij haar per 1 december 1984 een Belgisch overlevingspensioen van 251 894 BEF voor een beroepsloopbaan van 27/30 werd toegekend, alsmede ook per 1 december 1984 een pensioen ten laste van het Italiaanse orgaan ten belope van 626 625 ITL (C-53/99).
9 Sutto en Vignone hebben beiden bij de Arbeidsrechtbank te Namen (België) een beroep ingesteld ertoe strekkende dat de berekening van hun Belgisch pensioen zou worden herzien op basis van een beroepsloopbaan van respectievelijk 42/45 en 30/30, zonder vermindering.
10 Bij vonnis van 13 november 1986 kende de Arbeidsrechtbank te Namen Sutto ten laste van de Belgische regeling voor werknemers een rustpensioen toe dat was berekend op basis van een beroepsloopbaan van 42/45.
11 Bij vonnis van 14 mei 1987 kende de Arbeidsrechtbank te Namen Vignone ten laste van de Belgische regeling voor werknemers een overlevingspensioen toe dat was berekend op basis van een beroepsloopbaan van 30/30.
12 Bij verzoekschriften van 23 april en 7 december 1987 kwam de RVP van deze vonnissen in beroep bij de verwijzende rechter. Omdat de gedingen in de eerste plaats de toepassing van de nationale anticumulatiebepalingen betreffen, werd de behandeling geschorst in afwachting van de uitkomst van andere proefprocedures" bij het Belgische Hof van Cassatie en het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Tijdens deze periode van schorsing van de behandeling overleed Sutto.
13 Na de wijziging van verordening nr. 1408/71 bij verordening nr. 1248/92 en tijdens de schorsing van de behandeling van de twee zaken zond de RVP op 22 september 1994 een brief aan zijn advocaat. Deze brief bevatte voor elk van beide pensioenen een berekening op basis van de vanaf 1 juni 1992 toepasselijke bepalingen, waarvan het eindbedrag voor Camarotto en Vignone gunstiger was dan dat van de eerdere berekeningen. Een kopie van deze brief is bij de vakbondsafgevaardigde van laatstgenoemden terechtgekomen. De RVP heeft er echter niet hun aandacht op gevestigd, dat het zijns inziens noodzakelijk was binnen een termijn van twee jaar vanaf 1 juni 1992 een verzoek tot herziening bij hem in te dienen om voor toepassing van verordening nr. 1248/92 in aanmerking te komen en met ingang van die datum herziening te verkrijgen van de pensioenberekening die in het hoofdgeding aan de orde is.
14 Dienaangaande betogen Camarotto en Vignone, dat zij door genoemde brief, die zij pas op 16 november 1995 hebben ontvangen, zijn misleid. Bovendien merken zij op, dat zij het niet nodig hebben geacht een verzoek tot herziening van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde pensioenberekening in te dienen, omdat zij een daartoe strekkend beroep bij de Belgische rechterlijke instanties hadden ingesteld.
15 Camarotto en Vignone stellen bovendien, dat zij van plan waren bij de hervatting van de procedure, overeenkomstig de artikelen 807 en 808 van het Belgische gerechtelijk wetboek, de aandacht van de verwijzende rechter te vestigen op het feit dat verordening nr. 1408/71 is gewijzigd, hetgeen hun recht zou geven op een hoger pensioen.
16 In januari 1996 werd de behandeling van de twee hoofdgedingen hervat voor het Arbeidshof te Luik. In zijn op dat moment overlegde opmerkingen betoogde de RVP met een beroep op artikel 95 bis, lid 4, van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd, dat hij niet verplicht was het pensioen van Camarotto en Vignone met terugwerkende kracht tot 1 juni 1992 te verhogen, tenzij hij van hen een administratief verzoek tot herziening ontvangt.
17 Op respectievelijk 12 en 13 november 1997 legden Camarotto en Vignone hun conclusies in rechte aan de RVP over. Bij wege van die conclusies dienden zij op grond van artikel 807 van het Belgische gerechtelijk wetboek gerechtelijke verzoeken tot herziening in. De RVP bleek slechts bereid de verhoging van het pensioen toe te kennen vanaf 1 december 1997. In elk geval heeft de RVP, vanwege de hangende gedingen, het vanaf 1 juni 1992 verschuldigde bedrag voor de twee pensioenen niet voldaan.
18 Het bedrag van de twee in het hoofdgeding aan de orde zijnde pensioenen is dus niet omstreden voor de perioden vóór 1 juni 1992 en na 30 november 1997. Om uitspraak te kunnen doen over de pensioenrechten voor de periode van 1 juni 1992 tot 30 november 1997 heeft het Arbeidshof te Luik het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
1) Geldt artikel 95 bis van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1248/92, dat overgangsbepalingen voor de toepassing van verordening (EEG) nr. 1248/92 bevat, alleen voor de rechthebbenden op een pensioen dat is toegekend bij een beschikking die op het tijdstip van de inwerkingtreding van de wijziging definitief was, of geldt het ook voor de rechthebbenden op een pensioen die vóór de inwerkingtreding van de bij de nieuwe verordening aangebrachte wijzigingen, reeds juist met het oog op de verkrijging van het pensioenrecht bij een nationale rechterlijke instantie een beroep hadden ingesteld waarbij zij de toepassing van de nationale anticumulatiebepalingen betwistten, maar dat bij de inwerkingtreding van de nieuwe bepalingen nog niet definitief was beslecht?
2) Indien dit artikel 95 bis zonder onderscheid op alle rechthebbenden van toepassing is, moet het in lid 4 bedoelde verzoek dan bij het bevoegde socialezekerheidsorgaan worden ingediend overeenkomstig de vormvoorschriften die naar nationaal recht voor de indiening van een verzoek tot herziening worden gesteld, of mag het verzoek volgens de toepasselijke procesregels bij de aangezochte rechter worden ingediend en moet in dit geval ook de in de leden 5 en 6 van dat artikel bedoelde termijn van twee jaar in acht worden genomen?"
19 Bij beschikking van de president van het Hof van 10 maart 1999 zijn de zaken C-52/99 en C-53/99 overeenkomstig artikel 43 van het Reglement voor de procesvoering gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest.
De prejudiciële vragen
20 De twee door de verwijzende rechter gestelde vragen stellen drie problemen aan de orde, betreffende respectievelijk:
de datum waarop de rechten op herziening op grond van de overgangsbepalingen van artikel 95 bis van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd, ontstaan (eerste vraag),
de procedurevoorschriften voor het verzoek tot herziening (eerste onderdeel van de tweede vraag),
de mogelijkheid om een verzoek tot herziening met terugwerkende kracht in te dienen na het verstrijken van de termijn van twee jaar bedoeld in artikel 95 bis, leden 5 en 6, van de gewijzigde verordening nr. 1408/71 (tweede onderdeel van de tweede vraag).
21 Om te beginnen dient eraan te worden herinnerd, dat het volgens vaste rechtspraak, bij ontbreken van een communautaire regeling ter zake, een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat is om de bevoegde rechterlijke instantie aan te wijzen en de procedurevoorschriften vast te stellen voor rechtsvorderingen ter verzekering van de bescherming van de rechten welke de justitiabelen aan de rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht ontlenen, met dien verstande evenwel dat deze voorschriften niet ongunstiger mogen zijn dan die voor vergelijkbare vorderingen op basis van nationaal recht (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk mogen maken (effectiviteitsbeginsel) (zie, laatstelijk, arrest van 16 mei 2000, Preston e.a., C-78/98, Jurispr. blz. I-3201, punt 31).
De eerste vraag
22 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de overgangsbepalingen van artikel 95 bis van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd, alleen van toepassing zijn op pensioenengerechtigden ten aanzien van wie de beschikking tot toekenning van dat pensioen op 1 juni 1992 definitief was, dan wel of die bepalingen eveneens van toepassing zijn op belanghebbenden die vóór die datum bij een nationale rechterlijke instantie een beroep hebben ingesteld om vaststelling van hun pensioenrechten te verkrijgen, waarbij zij de toepassing van de anticumulatiebepalingen betwistten, maar dat nog niet definitief is beslecht.
23 De RVP betoogt, dat volgens artikel 95 bis van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd, alle belanghebbenden wier pensioen al was vastgesteld", een verzoek tot herziening moeten indienen, en dat het al dan niet definitief zijn van de administratieve beschikking tot toekenning in dit opzicht niet relevant is.
24 Opgemerkt dient te worden, dat het Hof artikel 95 bis van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd, reeds heeft onderzocht in het arrest van 25 september 1997, Baldone (C-307/96, Jurispr. blz. I-5123). In de punten 11, 12 en 13 van dat arrest heeft het Hof geoordeeld, dat wanneer de invaliditeitsuitkering vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 1248/92 is vastgesteld, artikel 95 bis, leden 1 tot en met 3, van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd, niet van toepassing is. Dergelijke situaties vallen daarentegen onder de leden 4 tot en met 6 van dat artikel. De omstandigheid dat de bevoegde instanties van een lidstaat, na een onjuiste berekening van de verschuldigde uitkering, een uitkering herberekenen na de inwerkingtreding van de wijzigingsverordening en het verschuldigde bedrag corrigeren, kan immers geen nieuw recht doen ontstaan, doch heeft enkel tot gevolg, dat het bedrag van de uitkering waarop voordien recht was verkregen, correct wordt vastgesteld.
25 Daaruit volgt, dat artikel 95 bis van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd, niet slechts van toepassing is op situaties waarin vóór 1 juni 1992 een definitieve beschikking tot toekenning was gegeven, maar ook geldt voor gevallen waarin vóór die datum een beroep is ingesteld bij een nationale rechterlijke instantie en dit zelfs wanneer het beroep op 1 juni 1992 nog niet definitief was beslecht. Als dit niet het geval zou zijn, zou aan de belanghebbenden immers het recht worden ontnomen om de toepassing van de nationale anticumulatiebepalingen te betwisten, hetgeen in strijd zou zijn met het doel van verordening nr. 1248/92.
26 Op de eerste vraag dient derhalve te worden geantwoord, dat artikel 95 bis van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd, houdende overgangsbepalingen voor de toepassing van verordening nr. 1248/92, van toepassing is op pensioengerechtigden die vóór de inwerkingtreding van de bij laatstgenoemde verordening aangebrachte wijzigingen bij een nationale rechterlijke instantie een beroep ter verkrijging van het recht op het pensioen hadden ingesteld onder betwisting van de toepassing van de nationale anticumulatiebepalingen, een beroep dat op het tijdstip van de inwerkingtreding van de nieuwe bepalingen nog niet definitief was beslecht.
De tweede vraag
27 Met het tweede onderdeel van de tweede vraag, dat eerst dient te worden behandeld, wenst de nationale rechter te vernemen, of artikel 95 bis van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd, zich verzet tegen toepassing van een nationale rechtsregel die het mogelijk zou maken een verzoek tot herziening na het verstrijken van de in dat artikel bepaalde termijn van twee jaar in te dienen.
28 Het is vaste rechtspraak van het Hof, dat het met het gemeenschapsrecht verenigbaar is, dat in het belang van de rechtszekerheid redelijke beroepstermijnen worden vastgesteld, die gelden op straffe van verval van recht (zie arresten van 16 december 1976, Rewe, 33/76, Jurispr. blz. 1989, punt 5, en Comet, 45/76, Jurispr. blz. 2043, punten 17 en 18, en 27 maart 1980, Denkavit italiana, 61/79, Jurispr. blz. 1205, punt 23).
29 Artikel 95 bis, lid 5, van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd, stelt een termijn van twee jaar voor het indienen van een verzoek tot herziening. Artikel 95 bis, lid 6, van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd, erkent het eventuele bestaan van gunstigere bepalingen van de wetgeving van enige lidstaat" en biedt de lidstaten daardoor uitdrukkelijk de mogelijkheid een belanghebbende toe te staan een verzoek tot herziening na het verstrijken van de termijn van twee jaar in te dienen zodat zijn rechten in dat geval niet onvermijdelijk zijn vervallen of verjaard.
30 Uit de voorgaande overwegingen blijkt, dat het gemeenschapsrecht zich niet verzet tegen toepassing van een termijn van twee jaar, mits de wijze waarop dit in het nationale recht in de praktijk wordt gebracht, verenigbaar is met het gelijkwaardigheidsbeginsel en de uitoefening van het recht op herziening niet in de praktijk onmogelijk of buitensporig moeilijk maakt.
31 Wanneer de nationale wetgever voor de instelling van vergelijkbare vorderingen naar nationaal recht een termijn vaststelt die langer is dan twee jaar, is de nationale rechter verplicht de op het gemeenschapsrecht gebaseerde verzoeken even gunstig te behandelen. Deze gelijkheid omvat ook de terugwerkende kracht waarin het nationale recht in voorkomend geval zou voorzien.
32 Het eerste onderdeel van de tweede vraag is erop gericht te vernemen, of ingeval de in artikel 95 bis van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd, bepaalde verjaring na twee jaar van toepassing is en de wijze van uitvoering in overeenstemming is met bovengenoemde vereisten, het gemeenschapsrecht eraan in de weg staat, dat het nationale recht eist dat de belanghebbende binnen de termijn van twee jaar formeel een verzoek tot herziening indient, hetzij bij het socialezekerheidsorgaan, hetzij bij de bevoegde rechterlijke instantie.
33 Uit de termen en de systematiek van artikel 95 bis, lid 4, van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd, blijkt, dat de toepassing van de bepalingen van verordening nr. 1248/92 betreffende de vóór 1 juni 1992 ontstane pensioenrechten, afhangt van een uitdrukkelijk verzoek van de betrokkene (zie arrest Baldone, reeds aangehaald, punt 16).
34 Al wordt de indiening van een verzoek tot herziening aldus een voorafgaande voorwaarde voor het instellen van een procedure tot herziening, artikel 95 bis van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd, bevat geen enkele aanwijzing betreffende de vorm van dit verzoek.
35 Het staat dus aan de verwijzende rechter om uit te maken, of het nationale recht vereist dat de belanghebbende buiten de reeds ingestelde of geschorste procedure nog stappen zet om een administratief verzoek bij het bevoegde socialezekerheidsorgaan in te dienen. Is dit het geval, dan moet hij vervolgens nagaan of een dergelijk vereiste de uitoefening van de rechten van de belanghebbende niet in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maakt.
36 Dienaangaande moet de verwijzende rechter in omstandigheden als die van de hoofdgedingen in aanmerking nemen, dat volgens de aan het Hof verstrekte informatie het administratieve orgaan niet verplicht is de belanghebbende op zijn recht op herziening te wijzen en dat deze in het merendeel van de gevallen niet door een advocaat of een juridisch adviseur wordt bijgestaan.
37 Ingeval indiening van een verzoek bij het bevoegde administratieve orgaan niet noodzakelijk is, moet de verwijzende rechter nagaan, of van de belanghebbende kan worden geëist, dat hij de geschorste procedure binnen de voorgeschreven termijn heropent om indiening van een verzoek tot herziening bij de bevoegde rechterlijke instantie mogelijk te maken.
38 De RVP betoogt dienaangaande, dat het in elk geval nodig is een gerechtelijk verzoek in te dienen volgens de vormvoorschriften van het toepasselijke reglement voor de procesvoering, bijvoorbeeld in de vorm van een verzoekschrift, een memorie of conclusies. Daar de procedure pas vanaf 12 en 13 november 1997 is heropend, is de RVP slechts bereid een verhoging van het pensioen van Camarotto en Vignone toe te kennen vanaf de maand na de eigenlijke indiening van hun verzoek tot herziening, dat wil zeggen vanaf 1 december 1997.
39 Camarotto en Vignone betogen daarentegen met een beroep op de artikelen 807 en 808 van het Belgische gerechtelijk wetboek, dat de belanghebbenden hun rechtsvordering kunnen uitbreiden of wijzigen om rekening te houden met alle omstandigheden, rechtens en feitelijk, die zich tijdens de gerechtelijke procedure voordoen, voorzover deze de rechten van de verzekerde uitbreiden. Op grond van deze bepalingen zou een Belgische rechter gehouden zijn om bij de berekening van de pensioenen de op 1 juni 1992 in werking getreden regels toe te passen en aldus terugwerkende kracht te verlenen aan het verzoek tot herziening.
40 Daar alleen de verwijzende rechter bevoegd is om de artikelen 807 en 808 van het Belgische gerechtelijk wetboek uit te leggen en toe te passen, staat het aan hem om uit te maken of justitiabelen die zich in een internrechtelijke situatie bevinden die vergelijkbaar is met die van Camarotto en Vignone, een beroep kunnen doen op de procedure waarin die artikelen voorzien. Als dit het geval is, moet hij toezien op de naleving van het gelijkwaardigheidsbeginsel door het beroep op deze procedure in dezelfde omstandigheden toe te staan voor verzoeken op basis van gemeenschapsrecht als voor vergelijkbare verzoeken op basis van het nationale recht. De nationale procedure mag evenmin van dien aard zijn dat het in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk wordt om de door het gemeenschapsrecht verleende rechten uit te oefenen.
41 Het staat eveneens aan de verwijzende rechter, uit te maken of aan de RVP kan worden toegestaan het te laat indienen van conclusies door Camarotto en Vignone als rechtvaardigingsgrond aan te voeren voor zijn weigering om hun pensioenen vanaf 1 juni 1992 te herzien, gelet op het feit dat de RVP hun er vóór het verstrijken van de termijn van twee jaar niet op heeft gewezen, dat het zijns inziens noodzakelijk was een verzoek tot herziening in te dienen.
42 Derhalve dient op de tweede prejudiciële vraag te worden geantwoord, dat het aan de verwijzende rechter staat na te gaan, in de eerste plaats, of de nationale wettelijke regeling de verplichting oplegt om een verzoek tot herziening in te dienen, hetzij binnen de gestelde termijn en volgens de vormvoorschriften bij het bevoegde socialezekerheidsorgaan, hetzij volgens de toepasselijke procesregels bij de rechter zelf. In de tweede plaats dient deze rechter na te gaan, of dergelijke vereisten niet minder gunstig zijn dan die welke van toepassing zijn in vergelijkbare situaties die onder het nationale recht vallen, en of die vereisten de uitoefening van de door verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd, aan de belanghebbenden verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
43 De kosten door de Commissie wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het Arbeidshof te Luik bij arresten van 2 februari 1999 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Artikel 95 bis van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1248/92 van de Raad van 30 april 1992 houdende overgangsbepalingen voor de toepassing van verordening nr. 1248/92, is van toepassing op pensioengerechtigden die vóór de inwerkingtreding van de bij laatstgenoemde verordening aangebrachte wijzigingen bij een nationale rechterlijke instantie een beroep ter verkrijging van het recht op het pensioen hadden ingesteld onder betwisting van de toepassing van de nationale anticumulatiebepalingen, een beroep dat op het tijdstip van de inwerkingtreding van de nieuwe bepalingen nog niet definitief was beslecht.
2) Het staat aan de verwijzende rechter na te gaan, in de eerste plaats, of de nationale wettelijke regeling de verplichting oplegt om een verzoek tot herziening in te dienen, hetzij binnen de gestelde termijn en volgens de vormvoorschriften bij het bevoegde socialezekerheidsorgaan, hetzij volgens de toepasselijke procesregels bij de rechter zelf. In de tweede plaats dient deze rechter na te gaan, of dergelijke vereisten niet minder gunstig zijn dan die welke van toepassing zijn in vergelijkbare situaties die onder het nationale recht vallen, en of die vereisten de uitoefening van de door verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1248/92, aan de belanghebbenden verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken.
Full & Egal Universal Law Academy