Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Procedure - Indiening van vordering bij Hof op basis van arbitragebeding - Overeenkomst waarbij communautaire financiële steun wordt verleend voor project ter bevordering van technologische ontwikkeling op energiegebied in Europa - Eenzijdige beëindiging van overeenkomst krachtens contractuele bepalingen - Vordering tot terugbetaling van betaald voorschot, vermeerderd met contractuele interessen - Hoofdelijke schuldenaren van hoofdsom - Interessen verschuldigd door schuldenaar die verantwoordelijk is voor niet-nakoming van verplichting
[EG-Verdrag, art. 181 (thans art. 238 EG)]
Partijen
In zaak C-59/99,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door F. de Sousa Fialho en O. Couvert-Castéra als gemachtigden, vervolgens door H. van Lier en A. Caeiros als gemachtigden, bijgestaan door E. Braga, advogado, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Manuel Pereira Roldão & Filhos Lda, gevestigd te Marinha Grande (Portugal),
Instituto Superior Técnico, gevestigd te Lissabon (Portugal), vertegenwoordigd door J. L. da Cruz Vilaça en T. Aragão Morais, advogados,
en
King, Taudevin & Gregson (Holdings) Ltd,
verweerders,
betreffende een beroep krachtens artikel 181 EG-Verdrag (thans artikel 238 EG) waarmee de Commissie terugbetaling vordert van een voorschot dat de Commissie verweerders had toegekend in verband met contract nr. IN 90/91 PO/UK betreffende activiteiten op het gebied van de bevordering van de technologische ontwikkeling op energiegebied in Europa (Thermie-programma),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: F. Macken, kamerpresident, C. Gulmann en J. N. Cunha Rodrigues (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: L. Hewlett, administrateur,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 15 maart 2001, waarbij de Commissie werd vertegenwoordigd door A. Caeiros, bijgestaan door E. Braga, en het Instituto Superior Técnico, vertegenwoordigd door L. Pais Antunes en P. Farinha Alves, advogados,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 juni 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 19 februari 1999, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van een arbitragebeding op basis van artikel 181 EG-Verdrag (thans artikel 238 EG) een beroep ingesteld tegen Manuel Pereira Roldão & Filhos Lda (hierna: MPR"), Instituto Superior Técnico (hierna: IST") en King, Taudevin & Gregson (Holdings) Ltd (hierna: KTG"), waarmee zij terugbetaling vordert van een voorschot van 357 813 euro dat de Commissie verweerders had toegekend in verband met contract nr. IN 90/91 PO/UK (hierna: contract"), vermeerderd met 185 833,78 euro aan interessen per 1 januari 1999, alsmede met de tot de datum van volledige terugbetaling verschuldigde interessen.
De feiten en het rechtskader
2 Het contract is gesloten tussen enerzijds de Europese Economische Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Commissie, en anderzijds MPR, IST en KTG (hierna samen: contractanten"), in het kader van een project betreffende de promotie van energietechnologieën voor Europa (Thermie-programma).
3 Overeenkomstig artikel 9, lid 1, van het contract is het Portugees recht hierop van toepassing. Het Hof van Justitie is op grond van het arbitragebeding van artikel 12 van bijlage II de enige bevoegde rechter voor elk geschil dat het contract betreft.
4 De werkzaamheden in het kader van het project moesten ingaan op 1 januari 1993 en eindigen op 31 december 1995. De Commissie verbond zich van haar kant om 40 % van de kosten van genoemd project voor haar rekening te nemen. Zij verbond zich eveneens tot betaling van een voorschot van 30 % van deze kosten, namelijk 357 813 ECU, hetgeen zij op 22 februari 1993 heeft gedaan.
5 MPR heeft als coördinatrice van het project het voorschot ontvangen. In deze hoedanigheid was zij ook verplicht de Commissie te informeren over iedere vertraging bij de aanvang van de werkzaamheden en diende zij in de loop van de zevende maand na de inwerkingtreding van het contract het eerste halfjaarlijkse technische verslag, het eerste halfjaarlijkse financiële verslag en het eerste Data Base Sheet" genaamde verslag bij haar in te dienen.
6 Op grond van artikel 8, lid 2, sub f, van bijlage II bij het contract mocht de Commissie dit beëindigen indien een van de contractanten niet op de overeengekomen datum met de overeengekomen werkzaamheden begon en zij de door deze contractant voorgestelde nieuwe datum weigerde.
7 Artikel 2 van bijlage II bij het contract voorzag in principe in een hoofdelijke aansprakelijkheid van de contractanten ten opzichte van de Commissie. Op grond van de passage sub c van deze bepaling behoefden zij de verplichtingen van de in gebreke gebleven contractant betreffende de terugbetaling van het voorschot echter niet na te komen indien zij tot tevredenheid van de Commissie konden aantonen dat zij niet tot het verzuim van betrokken contractant hadden bijgedragen en dat zij hadden voldaan aan de informatieverplichtingen van artikel 1, lid 4, van bijlage II bij het contract.
8 Op grond van laatstgenoemde bepaling waren de contractanten verplicht de Commissie via de coördinator van het project op de hoogte te stellen van het begin van de werkzaamheden en haar onmiddellijk te informeren over de voltooiing of het staken van het werk, of over enige gebeurtenis of omstandigheid die de uitvoering van het contract aanzienlijk kon beïnvloeden.
9 Nadat uit een technisch onderzoek op 20 september 1993 bij MPR was gebleken, dat met de werkzaamheden nog geen begin was gemaakt, stuurde de Commissie op 20 oktober 1993 een brief aan MPR met afschrift aan IST en KTG, waarin zij vaststelde dat MPR haar niet van de vertraging bij de uitvoering op de hoogte had gesteld en dat het voorschot was uitgegeven voor andere doelen dan waarvoor het bestemd was. De Commissie kondigde aan dat indien het betaalde voorschot niet binnen twee maanden zou worden teruggestort, zij het contract op grond van artikel 8 zonder verdere formaliteiten zou ontbinden.
10 In antwoord hierop deelde MPR de Commissie in een niet-gedateerde brief, ontvangen op 7 december 1993, mede dat zij de zienswijze betwistte dat de werkzaamheden nog niet waren begonnen, aangezien IST en KTG reeds een aantal activiteiten hadden verricht. MPR verklaarde zich echter bereid alle alternatieve mogelijkheden te onderzoeken die de voortzetting van het contract zouden kunnen verzekeren.
11 Bij brief van 11 januari 1994 aan MPR, met afschrift aan IST en KTG, stemde de Commissie ermee in de door MPR aan de orde gestelde kwesties te bespreken na ontvangst van een bewijs dat het betaalde voorschot beschikbaar was op de bankrekening waarop het was gestort.
12 Volgens een brief van 16 mei 1994 aan ieder van de contractanten had de Commissie op dat moment nog geen bankcertificaat ontvangen waaruit bleek, dat het bedrag van het voorschot beschikbaar was. In die brief verleende de Commissie een laatste uitstel van een maand om dit attest over te leggen, bij uitblijven waarvan artikel 8 van het contract met onmiddellijke ingang zou worden toegepast.
13 Bij brief van 14 juni 1994 verzocht MPR de Commissie haar beslissing uit te stellen, en verwees zij naar de herstructurering van de Indústria Portuguesa de Cristais, die een maand later zou plaatsvinden, en naar de noodzaak om het project te wijzigen in verband met het faillissement van KTG.
14 Bij brief van 7 juli 1994, die uitsluitend aan MPR en IST was gericht, stemde de Commissie ermee in haar eerdere besluit om het contract te ontbinden tot 31 december 1994 op te schorten, om de door MPR in haar brief van 14 juni 1994 naar voren gebrachte redenen.
15 MPR heeft zich niet aan de overeengekomen nieuwe termijn gehouden en geen enkele terugbetaling verricht.
16 Daarom heeft de Commissie het contract bij brief van 7 juni 1995 aan MPR en IST ontbonden. Ook heeft zij MPR op 10 november 1995 een invorderingsopdracht met een verzoek om terugstorting van het betaalde voorschot gestuurd.
17 MPR heeft aan dit verzoek om terugstorting geen gevolg gegeven.
Procesverloop voor het Hof
18 MPR heeft geen verweerschrift ingediend. De Commissie heeft dan ook gevorderd dat het Hof haar conclusies ten aanzien van deze partij toewijst ingevolge de verstekprocedure van artikel 94, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering.
19 Doordat recente adresgegevens van KTG ontbraken, kon het verzoekschrift niet aan deze onderneming worden betekend. De Commissie heeft het Hof bij brief van 26 april 1999 laten weten, dat de procedure ten aanzien van de twee andere verweersters kon worden voortgezet, waarmee zij impliciet van voortzetting van de procedure tegen KTG heeft afgezien.
20 IST concludeert dat het den Hove behage het beroep ten aanzien van IST te verwerpen en de Commissie te verwijzen in de kosten.
De terugbetaling van het voorschot
21 Op grond van artikel 8, lid 4, eerste alinea, van bijlage II bij het contract kan de Commissie, indien zij het contract ontbindt omdat een of meer contractanten niet aan hun verplichtingen voldoen, totale of gedeeltelijke terugbetaling eisen van de bedragen die zij als financiële bijdrage heeft gestort.
22 Uit de uiteenzetting van de feiten blijkt, dat de Commissie MPR op 22 februari 1993 een voorschot van 357 813 ECU heeft betaald, en dat zij het contract krachtens artikel 8 van bijlage II heeft ontbonden onder verwijzing naar de niet-nakoming door MPR van een aantal contractuele verplichtingen.
23 De Commissie betoogt in dit verband in de eerste plaats, dat MPR niet binnen de vastgestelde termijn met de werkzaamheden was begonnen, in de tweede plaats dat MPR haar niet overeenkomstig artikel 2, lid 2, van het contract heeft geïnformeerd over de vertragingen bij de uitvoering van het project, en tot slot dat MPR het voorschot in strijd met artikel 17, lid 2, sub a, van bijlage II bij het contract had gebruikt voor andere doelen dan waarvoor het was bestemd.
24 Aangezien al deze beweringen zijn bewezen, moeten de conclusies van de Commissie betreffende de terugbetaling van het ontvangen voorschot door MPR worden toegewezen.
25 IST betwist ook niet dat het contract niet is uitgevoerd maar betoogt, onder verwijzing naar een uitzondering op de hoofdelijke aansprakelijkheid van artikel 2, sub c, van bijlage II bij het contract, dat zij niet heeft bijgedragen tot de niet-nakoming van de contractuele verplichtingen door MPR, aangezien het alle mogelijke maatregelen heeft genomen om MPR ertoe te bewegen de werkzaamheden te beginnen, en dat het de Commissie overeenkomstig de bepalingen van artikel 1, lid 4, van bijlage II bij het contract op de hoogte heeft gesteld. IST betoogt overigens, dat de Commissie zich niet meer op hun hoofdelijke aansprakelijkheid kan beroepen, aangezien zij van alle contractanten in rechte nakoming heeft gevorderd.
26 Vooraf zij vermeld, dat IST niet tot het verzuim van MPR heeft bijgedragen.
27 Niet alleen heeft de Commissie de goede trouw van IST en diens belang bij de uitvoering van het project niet betwist, maar ook is bewezen dat IST regelmatig bij MPR heeft aangedrongen op uitvoering van het project en op nakoming van de contractuele verplichtingen.
28 Niettemin moet worden geconstateerd dat IST de verplichting van artikel 1, lid 4, van bijlage II bij het contract om de Commissie onmiddellijk op de hoogte te stellen van iedere gebeurtenis of iedere omstandigheid die de uitvoering van het contract aanmerkelijk kan beïnvloeden, niet is nagekomen.
29 Pas op 17 juli 1995, meer dan twee jaar na kennis te hebben gekregen van de problemen van MPR bij het opstarten van het project en meer dan anderhalf jaar na ontvangst van een kopie van de brief van de Commissie van 20 oktober 1993 waarin terugbetaling binnen twee maanden van het voorschot werd geëist, heeft IST de Commissie namelijk voor het eerst aangeschreven, met de mededeling dat het van MPR geen bijdrage in de kosten had ontvangen en dat laatstgenoemde als enige verantwoordelijk was voor de onderbreking van het project.
30 Andere vormen van communicatie, zoals contacten met derden of telefoongesprekken waarvan IST de data niet heeft vermeld, kunnen in ieder geval niet tot de conclusie leiden dat de Commissie overeenkomstig artikel 1, lid 4, van bijlage II bij het contract onmiddellijk is gewaarschuwd.
31 Vastgesteld moet dus worden, dat IST de Commissie niet onmiddellijk op de hoogte heeft gesteld van omstandigheden - waarvan het volledig op de hoogte was - die de uitvoering van het contract aanmerkelijk konden beïnvloeden.
32 Bovendien beweert IST ten onrechte dat de aansprakelijkheid van de contractanten niet meer hoofdelijk is, nu de Commissie hen samen heeft gedagvaard.
33 Het stelsel van hoofdelijke aansprakelijkheid op basis van de combinatie van de artikelen 517 en 519, lid 1, van het Portugees burgerlijk wetboek (hierna: burgerlijk wetboek") maakt het de schuldeiser namelijk mogelijk van hetzij één schuldenaar, hetzij van alle schuldenaren nakoming van de verbintenis te eisen. Die mogelijkheid is juist de bestaansreden van de passieve hoofdelijkheid, die tot doel heeft de schuldeiser te beschermen tegen het risico van insolvabiliteit van een der schuldenaren.
34 Met een procedure zoals in het onderhavige beroep kan de schuldeiser in eerste instantie een hoofdelijke veroordeling van alle schuldenaren tot betaling van de schuld verkrijgen. In een volgende fase biedt een executiemaatregel die wordt gevraagd bij de nationale rechter hem de mogelijkheid om de volledige betaling te vorderen van de door hem gekozen schuldenaar.
35 Aangezien IST de voorschriften van artikel 2, sub c, van bijlage II bij het contract niet is nagekomen en het ten overstaan van de Commissie hoofdelijk aansprakelijk is, moet het verzoek om IST hoofdelijk met MPR te veroordelen tot terugbetaling van het voorschot van 357 813 ECU, dus worden toegewezen.
De interessen
36 Op grond van artikel 8, lid 4, tweede alinea, van bijlage II bij het contract zijn interessen verschuldigd vanaf de datum van de ontvangst van het voorgeschoten bedrag tegen het door het Europees Fonds voor monetaire samenwerking voor zijn handelingen in ecu toegepaste en op de eerste werkdag van iedere maand bekendgemaakte tarief, vermeerderd met twee procentpunten.
37 Volgens de Commissie bedroegen de interessen op 1 januari 1999 185 833,78 ECU, te vermeerderen met de interessen tot aan de volledige terugbetaling van het voorschot.
38 Bij gebreke van enigerlei betwisting door MPR dienaangaande in de briefwisseling die aan het instellen van het onderhavige beroep voorafging, en van enig element in het dossier waardoor de gegrondheid van dit verzoek van de Commissie in twijfel kan worden getrokken, dient MPR te worden veroordeeld tot betaling aan de Commissie van de contractuele interessen over het voorschot vanaf 22 februari 1993, op welke datum MPR onbetwist het voorschot van 357 813 ECU heeft ontvangen, tot aan de volledige terugbetaling van dit voorschot.
39 IST betoogt dat de interessen niet van hem kunnen worden gevorderd, aangezien op grond van artikel 520 van het burgerlijk wetboek alleen de schuldenaar aan wie de onmogelijkheid van de uitvoering van de prestatie kan worden toegerekend, gehouden is tot vergoeding van de schade die de waarde van die prestatie overschrijdt.
40 Volgens IST is de onmogelijkheid om de prestatie te verrichten, uitsluitend te wijten aan MPR, die dus de enige contractant is van wie de Commissie interessen kan eisen.
41 Door de opzegging van het contract is de verplichting in natura die er aanvankelijk uit voortvloeide, gewijzigd in een financiële verplichting tot terugbetaling van het voorgeschoten bedrag.
42 Het betreft dus een liquide vordering van de Commissie op de contractanten, waarvoor de bepalingen gelden van artikel 520 van het burgerlijk wetboek, die luiden als volgt: [i]ndien de prestatie door een aan een der schuldenaren toerekenbare omstandigheid onmogelijk wordt, zijn alle schuldenaren hoofdelijk aansprakelijk voor de waarde ervan. Evenwel is alleen de schuldenaar aan wie de niet-nakoming kan worden toegerekend gehouden tot vergoeding van schade; in geval van pluraliteit zijn zij hoofdelijk aansprakelijk."
43 Dit rechtsregime is niet alleen van toepassing indien de uitvoering van de prestatie fysiek onmogelijk is, maar ook wanneer de schuldenaar vertraging oploopt. De interessen als gevolg van deze vertraging zijn uitsluitend verschuldigd door de schuldenaar die verantwoordelijk is voor de niet-nakoming van de verplichting.
44 Vaststaat dat de niet-nakoming van MPR niet aan IST is toe te rekenen.
45 In de eerste plaats heeft IST in een brief van 9 juni 1994 rechtstreeks bij MPR aangedrongen op terugbetaling van het voorschot aan de Commissie. Ter terechtzitting heeft de Commissie zelf bevestigd dat zij niet wist of het gedrag van IST tot het resultaat heeft bijgedragen.
46 Ook heeft IST geen enkele betaling van de Commissie ontvangen, en heeft het pas door een kopie van de brief van 20 oktober 1993 aan MPR kennis gekregen van de betaling door de Commissie aan MPR.
47 Tot slot heeft de Commissie, zoals in punt 27 van dit arrest is vermeld, noch de goede trouw van IST, noch diens belang bij de uitvoering van het contract betwist.
48 Hieruit volgt niet alleen dat IST niet tot het verzuim van MPR heeft bijgedragen, maar ook dat het zich heeft ingespannen om dit te voorkomen, door bij MPR aan te dringen op nakoming van de verplichting om het voorschot aan de Commissie terug te betalen.
49 Gelet op bovenstaande overwegingen en in het licht van artikel 520 van het burgerlijk wetboek moet worden vastgesteld dat IST niet verplicht is de Commissie de interessen te betalen die het gevolg zijn van het niet-terugbetalen van het voorschot.
50 Krachtens artikel 2, lid 1, van verordening (EG) nr. 1103/97 van de Raad van 17 juni 1997 over enkele bepalingen betreffende de invoering van de euro (PB L 162, blz. 1), moet de verwijzing naar de ecu worden vervangen door een verwijzing naar de euro, tegen een koers van één ecu voor één euro.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
51 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien MPR en IST op de voornaamste punten in het ongelijk zijn gesteld, moeten zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
verklaart voor recht:
1) Manuel Pereira Roldão & Filhos Lda en het Instituto Superior Técnico worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen van een bedrag van 357 813 euro.
2) Manuel Pereira Roldão & Filhos Lda wordt veroordeeld tot betaling aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen van een bedrag van 185 833,78 euro aan interessen per 1 januari 1999, vermeerderd met de interessen vanaf die datum tot de datum van volledige betaling van de hoofdsom.
3) Manuel Pereira Roldão & Filhos Lda en het Instituto Superior Técnico worden in de kosten verwezen.
Full & Egal Universal Law Academy