Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Gemeenschapsrecht - Rechtstreekse werking - Nationale heffingen die onverenigbaar zijn met gemeenschapsrecht - Terugbetaling - Modaliteiten - Toepassing van nationaal recht - Vervaltermijnen - Toelaatbaarheid - Voorwaarden - Inachtneming van beginsel van doeltreffendheid van gemeenschapsrecht - Inachtneming van beginsel van gelijkwaardigheid van voorwaarden voor terugvordering met voorwaarden welke voor soortgelijke nationale vorderingen gelden
Samenvatting
$$Bij gebreke van een communautaire regeling inzake terugbetaling van ten onrechte geïnde nationale heffingen is het een aangelegenheid van de rechtsorde van elke lidstaat om de bevoegde rechter aan te wijzen en de procesregels te geven voor de rechtsvorderingen ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan de rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht ontlenen, met dien verstande dat die regels niet ongunstiger mogen zijn dan die voor soortgelijke nationale vorderingen (beginsel van gelijkwaardigheid) en dat zij de uitoefening van de rechten welke de nationale rechter heeft te handhaven, in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken (doeltreffendheidsbeginsel).
Wat in de eerste plaats het beginsel van de volle werking betreft, beantwoordt de vaststelling van redelijke beroepstermijnen in de vorm van vervaltermijnen in beginsel daaraan, aangezien zij de toepassing vormt van het grondbeginsel van rechtszekerheid. Dergelijke termijnen zijn immers niet van dien aard dat zij de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken, zelfs waar het verstrijken van die termijnen per definitie de gehele of gedeeltelijke afwijzing van de vordering meebrengt. Een nationale termijn die teruggaat tot ten minste vier en ten hoogste vijf jaar vóór het jaar van de uitspraak van de rechterlijke beslissing waarbij de aan de heffing ten grondslag liggende rechtsregel onverenigbaar met een hogere rechtsregel is verklaard, is in dit opzicht als redelijk te beschouwen.
In de tweede plaats onderstelt inachtneming van het gelijkwaardigheidsbeginsel, dat wanneer het om gelijksoortige heffingen of rechten gaat, de nationale procedure evenzeer geldt voor beroepen gebaseerd op schending van het gemeenschapsrecht als voor beroepen gebaseerd op schending van het nationale recht. Dit beginsel kan evenwel niet aldus worden uitgelegd dat een lidstaat verplicht is zijn gunstigste nationale verjaringsregeling toe te passen op alle vorderingen tot terugbetaling van in strijd met het gemeenschapsrecht geheven heffingen of rechten. Het gemeenschapsrecht staat dus in beginsel niet eraan in de weg, dat de wettelijke regeling van een lidstaat, naast een algemene verjaringstermijn voor rechtsvorderingen uit onverschuldigde betaling tussen particulieren, bijzondere, minder gunstige regels kent voor bezwaar en beroep in rechte tegen heffingen en andere belastingen. Dit zou slechts anders zijn indien die regels enkel gelden voor op het gemeenschapsrecht gebaseerde vorderingen tot terugbetaling van die heffingen of belastingen.
Bijgevolg verzet het gemeenschapsrecht zich niet tegen een nationale regeling volgens welke op het gebied van het belastingrecht de vordering uit onverschuldigde betaling die gebaseerd wordt op een nationale of communautaire rechterlijke beslissing waarbij een nationale rechtsregel onverenigbaar met een hogere nationale rechtsregel of met een communautaire rechtsregel is verklaard, enkel betrekking kan hebben op de periode na 1 januari van het vierde jaar voorafgaand aan het jaar waarin de onverenigbaarheid door de rechter is vastgesteld.
( cf. punten 20-24, 29-30, 37 en dictum )
Partijen
In zaak C-88/99,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) van het Tribunal de grande instance de Béthune (Frankrijk), in het aldaar aanhangig geding tussen
Roquette Frères SA
en
Direction des services fiscaux du Pas-de-Calais,
om een prejudiciële beslissing over de vraag, of het gemeenschapsrecht zich verzet tegen een nationale belastingbepaling volgens welke de vordering uit onverschuldigde betaling die gebaseerd wordt op een rechterlijke beslissing waarbij een rechtsregel onverenigbaar met een hogere rechtsregel is verklaard, enkel betrekking kan hebben op de periode na 1 januari van het vierde jaar voorafgaand aan het jaar waarin de onverenigbaarheid door de rechter is vastgesteld,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: M. Wathelet (rapporteur), kamerpresident, P. Jann en L. Sevón, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Roquette Frères SA, vertegenwoordigd door J. Dutat, advocaat te Lille,
- de Franse regering, vertegenwoordigd door K. Rispal-Bellanger, onderdirecteur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en S. Seam, secretaris buitenlandse zaken bij die directie, als gemachtigden,
- de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door U. Leanza, hoofd van de dienst diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door G. De Bellis, avvocato dello Stato,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. Mennens, juridisch hoofdadviseur, en H. Michard, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Roquette Frères SA, de Franse en de Italiaanse regering en de Commissie ter terechtzitting van 6 april 2000,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 mei 2000,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij vonnis van 24 maart 1998, ingekomen bij het Hof op 15 maart van het daaropvolgende jaar, heeft het Tribunal de grande instance de Béthune krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de vraag, of het gemeenschapsrecht zich verzet tegen een nationale belastingbepaling volgens welke de vordering uit onverschuldigde betaling die gebaseerd wordt op een rechterlijke beslissing waarbij een rechtsregel onverenigbaar met een hogere rechtsregel is verklaard, enkel betrekking kan hebben op de periode na 1 januari van het vierde jaar voorafgaand aan het jaar waarin deze onverenigbaarheid door de rechter is vastgesteld.
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen Roquette Frères SA (hierna: Roquette") en de belastingdienst in verband met het registratierecht dat door Roquette in 1987 over de inbreng van roerende zaken bij een fusie is betaald krachtens een nationale belastingregeling die nadien strijdig is verklaard met het gemeenschapsrecht.
Het nationale recht
3 Artikel R.*196-1 van het Livre des procédures fiscales regelt de termijnen voor de indiening van bezwaren in belastingzaken:
Bezwaren betreffende andere belastingen dan de directe lokale belastingen en de daarmee samenhangende heffingen moeten, op straffe van niet-ontvankelijkheid, bij de belastingdienst worden ingediend uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar waarin:
a) het kohier is ingevorderd of een aanslagbiljet is uitgereikt,
b) de bestreden belasting is voldaan, indien voor deze belasting geen kohier is opgemaakt en evenmin een aanslagbiljet is uitgereikt, of
c) het feit waarop het bezwaar is gebaseerd, zich heeft voorgedaan.
In de volgende gevallen moeten bezwaren evenwel worden ingediend uiterlijk op 31 december van het jaar volgend op het jaar waarin:
a) de belastingplichtige een nieuw aanslagbiljet heeft ontvangen, waarin vergissingen in het voorgaande zijn gecorrigeerd,
b) de broninhoudingen en de voorheffingen hebben plaatsgevonden, in geval van geschil over de toepassing van deze inhoudingen, of
c) de belastingplichtige stellig kennis heeft gekregen van ten onrechte of teveel geheven directe belastingen."
4 Artikel L. 190 van het Livre des procédures fiscales, waarvan de tweede en derde alinea zijn ingelast bij artikel 36-I, van de aanvullende begrotingswet voor 1989 (wet nr. 89-936 van 29 december 1989) bepaalt:
Bezwaren betreffende belastingen, heffingen, rechten, taksen, bijdragen, compenserende betalingen en allerhande boeten, die zijn geheven of ingevorderd door ambtenaren van de belastingdienst, worden aangebracht volgens de regels van de contentieuze rechtspleging, indien herstel van fouten in de grondslag of in de berekening van de belasting wordt gevorderd dan wel beroep wordt gedaan op een uit een wet of een verordening voortvloeiend recht.
Alle vorderingen tot kwijtschelding of vermindering van een belasting of tot uitoefening van aftrekrechten worden onderzocht en beoordeeld volgens de regels van dit hoofdstuk, wanneer zij gebaseerd zijn op onverenigbaarheid van de toegepaste rechtsregel met een hogere rechtsregel.
Indien deze onverenigbaarheid is vastgesteld bij rechterlijke beslissing, kan de vordering tot terugbetaling van betaalde bedragen, tot betaling van niet-uitgeoefende aftrekrechten of tot vergoeding van de geleden schade enkel betrekking hebben op de periode na 1 januari van het vierde jaar voorafgaand aan het jaar waarin de onverenigbaarheid door de rechter is vastgesteld."
Het hoofdgeding en de prejudiciële vraag
5 In verband met een fusieovername in juni 1987 heeft Roquette op 8 juli 1987 overeenkomstig artikel 816-I-2° van de destijds geldende Code général des impôts 757 926 FRF ter zake van het evenredige registratierecht ad 1,20 % betaald aan de ontvanger te Béthune over de bij deze operatie ingebrachte roerende zaken.
6 In het arrest van 13 februari 1996, Bautiaa en Société française maritime (C-197/94 en C-252/94, Jurispr. blz. I-505), heeft het Hof vastgesteld, dat deze destijds in artikel 816-I-2° van de Code général des impôts geregelde belasting een kapitaalrecht is in de zin van richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal (PB L 249, blz. 25).
7 In hetzelfde arrest heeft het Hof geoordeeld, dat de lidstaten op grond van artikel 7, lid 1, van richtlijn 69/335, zoals gewijzigd bij richtlijn 85/303/EEG van de Raad van 10 juni 1985 (PB L 156, blz. 23) en van toepassing sedert 1 januari 1986, kapitaalvermeerderingen van een vennootschap die door middel van inbreng van alle activa van een andere vennootschap plaatsvinden, moeten vrijstellen van kapitaalrecht en dat deze bepaling zich dus verzet tegen de toepassing van een nationale wettelijke regeling die het registratierecht over de inbreng van roerende zaken in het kader van een fusie handhaaft op 1,20 %.
8 Het registratierecht van 1,20 % is afgeschaft bij de begrotingswet voor 1994 (wet nr. 93-1352 van 30 december 1993), die in werking is getreden op 1 januari 1994.
9 Op 24 december 1996 heeft Roquette de verschuldigdheid van het in 1987 betaalde registratierecht betwist en de Direction des services fiscaux du Pas-de-Calais om terugbetaling ervan verzocht.
10 Het bezwaar van Roquette is ontvankelijk verklaard, omdat het was ingediend vóór het verstrijken van de in artikel R.*196-1, eerste alinea, sub c, van het Livre des procédures fiscales bepaalde termijn; het feit" in de zin van deze bepaling, waarop het bezwaar was gebaseerd, is het reeds aangehaalde arrest Bautiaa en Société française maritime.
11 Op 3 april 1997 heeft de belastingdienst het bezwaar evenwel afgewezen, omdat volgens artikel L. 190, derde alinea, van het Livre des procédures fiscales Roquette slechts belastingen kon terugvorderen die waren betaald na 1 januari van het vierde jaar voorafgaand aan het jaar waarin de rechter de onverenigbaarheid had vastgesteld, ofwel na 1 januari 1992.
12 Op 5 juni 1997 heeft Roquette de directeur van de services fiscaux du Pas-de-Calais gedagvaard voor het Tribunal de grande instance de Béthune en kwijtschelding van de betrokken belasting alsmede terugbetaling van het op 8 juli 1987 betaalde bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, gevorderd.
13 Roquette heeft daartoe aangevoerd, dat artikel L. 190, derde alinea, van het Livre des procédures fiscales in strijd is met het gemeenschapsrecht inzake terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen. De procedurevoorschriften van dit artikel zijn haars inziens namelijk ongunstiger voor rechtsvorderingen die strekken tot bescherming van de rechten die de justitiabelen aan de rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht ontlenen, dan voor soortgelijke vorderingen die op het nationale recht betrekking hebben. De uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten wordt erdoor bemoeilijkt of zelfs onmogelijk gemaakt, maar in elk geval zeer sterk beperkt. Artikel L. 190, derde alinea, van het Livre des procédures ficales bevat een bijzondere procedure voor rechtsvorderingen berustend op schending van een regel van gemeenschapsrecht, die afwijkt van de op schending van bepalingen van nationaal recht gebaseerde vorderingen tot terugbetaling.
14 Roquette heeft tevens betoogd, dat geen verval van termijnen tegen haar kan worden ingeroepen. In het arrest van 25 juli 1991, Emmott (C-208/90, Jurispr. blz. I-4269), heeft het Hof immers het beginsel opgesteld dat, een lidstaat zich in een procedure die een belastingplichtige tegen hem heeft ingesteld ter bescherming van de rechten die de bepalingen van een richtlijn hem toekennen, niet kan beroepen op een nationale beroepstermijn zolang die lidstaat deze richtlijn niet in nationaal recht heeft omgezet. Wat het in artikel 816-I van de Code général des impôts voorziene kapitaalrecht van 1,20 % betreft, is richtlijn 69/335 eerst bij de begrotingswet voor 1994 in Frans recht omgezet.
15 Van oordeel dat voor de beslechting van het geschil uitlegging van het gemeenschapsrecht noodzakelijk was, heeft het Tribunal de grande instance de Béthune de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over:
de wettigheid van artikel L. 190 van het Livre des procédures fiscales, en met name over de vraag, of de Franse regering tussen verval van de rechtsvordering en verval van de termijn voor terugbetaling een onderscheid mocht maken dat leidt tot een verschillende behandeling van zuiver interne beroepen en beroepen die voortvloeien uit de vaststelling van de gemeenschapsrechter, dat een nationale bepaling gemeenschapsrechtelijk onwettig is".
De prejudiciële vraag
16 De verwijzende rechter gaat uit van de premisse, dat de betrokken nationale bepaling onderscheid maakt tussen beroepen voortvloeiend uit de vaststelling van de nationale rechter, dat een nationale bepaling onwettig is wegens strijd met een hogere nationale rechtsregel, en beroepen voortvloeiend uit de vaststelling van de gemeenschapsrechter, dat een nationale bepaling onwettig is wegens strijd met het gemeenschapsrecht.
17 Zoals de Franse en de Italiaanse regering alsook de Commissie in hun schriftelijke en mondelinge opmerkingen terecht hebben betoogd, blijkt een dergelijk onderscheid evenwel niet uit de redactie van artikel L. 190, tweede en derde alinea, van het Livre des procédures fiscales. Het verwijst immers in algemene zin naar elke rechterlijke beslissing waarbij een voor de heffing van een belasting toegepaste rechtsregel onverenigbaar is verklaard met een hogere rechtsregel, zonder specifieke vermelding van beslissingen van gemeenschapsrechters of gevallen van onverenigbaarheid met het gemeenschapsrecht. Blijkens de gegevens die de Franse regering het Hof heeft verstrekt, heeft de Franse Cour de cassation overigens herhaaldelijk geoordeeld dat de in artikel L. 190, derde alinea, van het Livre des procédures fiscales bepaalde beperking van de periode waarover terugbetaling van ten onrechte betaalde bedragen kan worden verkregen, ook geldt voor rechtsvorderingen uit onverschuldigde betaling die voortvloeien uit de vaststelling, dat een nationale bepaling wegens strijd met een hogere nationale rechtsregel onwettig is.
18 Volgens vaste rechtspraak is het in het kader van de bij artikel 177 van het Verdrag ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof de taak van het Hof om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan oplossen (arrest van 17 juli 1997, Krüger, C-334/95, Jurispr. blz. I-4517, punt 22). Met het oog hierop moet het Hof de hem voorgelegde vraag herformuleren (arrest Krüger, reeds aangehaald, punt 23).
19 Derhalve moet de prejudiciële vraag aldus worden begrepen, dat de verwijzende rechter in wezen wenst te vernemen, of het gemeenschapsrecht zich verzet tegen een nationale regeling volgens welke op het gebied van het belastingrecht de vordering uit onverschuldigde betaling die gebaseerd wordt op een nationale of communautaire rechterlijke beslissing waarbij een nationale rechtsregel onverenigbaar met een hogere nationale rechtsregel of met een communautaire rechtsregel is verklaard, enkel betrekking kan hebben op de periode na 1 januari van het vierde jaar voorafgaand aan het jaar waarin de onverenigbaarheid door de rechter is vastgesteld.
20 Bij gebreke van een communautaire regeling inzake terugbetaling van ten onrechte geheven nationale belastingen is het een aangelegenheid van de rechtsorde van elke lidstaat om de bevoegde rechter aan te wijzen en de procesregels te geven voor de rechtsvorderingen met het oog op de bescherming van de rechten die de justitiabelen aan de rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht ontlenen, met dien verstande dat die regels niet ongunstiger mogen zijn dan die voor soortgelijke nationale vorderingen en dat zij in geen geval dusdanig mogen zijn, dat de uitoefening van de rechten welke de nationale rechter heeft te handhaven, in de praktijk onmogelijk wordt gemaakt (zie arresten van 16 december 1976, Rewe, 33/76, Jurispr. blz. 1989, punt 5, en Comet, 45/76, Jurispr. blz. 2043, punten 13 en 16; 27 maart 1980, Denkavit Italiana, 61/79, Jurispr. blz. 1205, punt 25, en 29 juni 1988, Deville, 240/87, Jurispr. blz. 3513, punt 12).
21 Het Hof heeft in het bijzonder geoordeeld, dat de termijnvoorwaarden in de nationale wettelijke regelingen ter zake van schadevergoeding niet ongunstiger mogen zijn dan die welke voor gelijksoortige nationale vorderingen gelden (beginsel van gelijkwaardigheid) en niet van dien aard mogen zijn, dat zij het verkrijgen van schadevergoeding in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (arrest van 10 juli 1997, Palmisani, C-261/95, Jurispr. blz. I-4025, punt 27). Dit geldt eveneens voor het gebied van de terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen.
22 Wat in de eerste plaats de verenigbaarheid van een termijnvoorwaarde als die van artikel L. 190, derde alinea, van het Livre des procédures fiscales met het doeltreffendheidsbeginsel van het gemeenschapsrecht betreft, zij opgemerkt, dat de vaststelling van redelijke beroepstermijnen in de vorm van vervaltermijnen in beginsel daaraan beantwoordt, daar deze de toepassing vormt van het grondbeginsel van rechtszekerheid (zie met name de reeds aangehaalde arresten Rewe, punt 5; Comet, punten 17 en 18, en Palmisani, punt 28).
23 Zo heeft het Hof geoordeeld, dat dergelijke termijnen niet van dien aard zijn dat zij de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken, zelfs waar het verstrijken van die termijnen per definitie de gehele of gedeeltelijke afwijzing van de vordering meebrengt (arrest van 2 december 1997, Fantask e.a., C-188/95, Jurispr. blz. I-6783, punt 48).
24 Een nationale termijn die teruggaat tot ten minste vier en ten hoogste vijf jaar vóór het jaar van de uitspraak van de rechterlijke beslissing waarbij de aan de heffing ten grondslag gelegde rechtsregel onverenigbaar met een hogere rechtsregel is verklaard, is in dit opzicht als redelijk te beschouwen.
25 Zoals de advocaat-generaal in punt 33 van zijn conclusie heeft beklemtoond, kan de beperking van de periode die het bezwaar kan omvatten, tot de vier of vijf jaar vóór de uitspraak van de rechterlijke beslissing weliswaar in bepaalde gevallen de algehele afwijzing van de vordering betekenen, niettemin wordt de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten voor particulieren noch in de praktijk onmogelijk noch uiterst moeilijk gemaakt.
26 Wat in de tweede plaats de verenigbaarheid van een termijnvoorwaarde als die van artikel L. 190, derde alinea, van het Livre des procédures fiscales met het beginsel van gelijkwaardigheid betreft, betoogt Roquette dat de nationale regels betreffende de terugvordering van belastingen die in strijd met een hogere rechtsregel zijn geheven, tot 1989 niet afweken van het burgerlijke recht, zodat ter zake de verjaringstermijn van 30 jaar (artikel 2262 van de Code civil) van toepassing was. Voor beroepen berustend op schending van een gemeenschapsbepaling door een nationale regeling, is in artikel L. 190, derde alinea, van het Livre des procédures fiscales evenwel een bijzondere procedure ingevoerd, die verschilt van de toepasselijke procedure voor rechtsvorderingen uit onverschuldigde betaling die op een nationale bepaling berusten.
27 De tweede en de derde alinea van artikel L. 190 zijn ingelast bij de aanvullende begrotingswet voor 1989 die volgens Roquette is goedgekeurd naar aanleiding van bepaalde uitspraken van Franse rechters: enerzijds, het arrest van de Franse Conseil d'État van 3 februari 1989, Compagnie Alitalia, waarin bepaalde beperkingen van het recht op aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde in strijd zijn verklaard met de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1), en anderzijds, zeventien arresten van de Franse Cour de cassation van 7 november 1989 waarin de algemene verjaringstermijn van dertig jaar van toepassing is verklaard op de terugvordering van bedragen die ter zake van een eerder met het gemeenschapsrecht strijdig verklaarde belasting waren betaald.
28 Het oogmerk van de Franse wetgever is hierbij geweest, voor vorderingen tot terugbetaling van een ten onrechte geheven belasting, die voortvloeien uit een rechterlijke beslissing waarin de aan de belastingheffing ten grondslag liggende rechtsregel onverenigbaar is verklaard met een hogere rechtsregel, een bijzondere beperking in te voeren van de periode waarop deze vorderingen betrekking kunnen hebben. De in artikel L. 190, derde alinea, van het Livre des procédures fiscales voorziene termijn is immers bedoeld om enkel toepassing te vinden op geschillen die voortvloeien uit een door het Hof vastgestelde schending van het gemeenschapsrecht. Bij beroepen die op een arrest van het Hof berusten, is dus de periode waarop een binnen de termijn van artikel R.*196-1 ingediend fiscaal bezwaar betrekking kan hebben, beperkt tot de vier of vijf jaar voorafgaand aan de vaststelling van de onverenigbaarheid door de rechter, terwijl die periode bij soortgelijke beroepen die enkel op het nationale recht betrekking hebben, dertig jaar bedraagt.
29 Volgens vaste rechtspraak van het Hof onderstelt inachtneming van het gelijkwaardigheidsbeginsel, dat wanneer het om gelijksoortige heffingen of rechten gaat, de nationale procedure evenzeer geldt voor beroepen gebaseerd op schending van het gemeenschapsrecht als voor beroepen gebaseerd op schending van het nationale recht. Dit beginsel kan evenwel niet aldus worden uitgelegd, dat een lidstaat verplicht is zijn gunstigste nationale verjaringsregeling toe te passen op alle vorderingen tot terugbetaling van in strijd met het gemeenschapsrecht geheven heffingen of rechten (zie arresten van 15 september 1998, Edis, C-231/96, Jurispr. blz. I-4951, punt 36, en Spac, C-260/96, Jurispr. blz. I-4997, punt 20, en 17 november 1998, Aprile, C-228/96, Jurispr. blz. I-7141, punt 20).
30 Het gemeenschapsrecht staat dus in beginsel niet eraan in de weg, dat de wettelijke regeling van een lidstaat, naast een algemene verjaringstermijn voor rechtsvorderingen uit onverschuldigde betaling tussen particulieren, bijzondere minder gunstige regels kent voor bezwaar en beroep in rechte tegen heffingen en andere belastingen (arresten Edis, reeds aangehaald, punt 37; Spac, reeds aangehaald, punt 21; arrest van 22 oktober 1998, IN. CO. GE'90 e.a., C-10/97-C-22/97, Jurispr. blz. I-6307, punt 27, en arrest Aprile, reeds aangehaald, punt 21). Dit zou slechts anders zijn, indien die regels enkel gelden voor op het gemeenschapsrecht gebaseerde vorderingen tot terugbetaling van die heffingen of belastingen (reeds aangehaalde arresten Edis, punt 37; Spac, punt 21, en Aprile, punt 21).
31 In casu moet eraan worden herinnerd, dat een termijn als die van artikel L. 190, tweede en derde alinea, van het Livre des procédures fiscales niet kan worden geacht alleen voor op het gemeenschapsrecht gebaseerde beroepen te gelden.
32 Reeds uit de formulering van deze bepaling, evenals uit de door de Franse regering aan het Hof verstrekte gegevens, blijkt immers dat de procedureregeling van deze bepaling voor alle vorderingen tot terugbetaling van een heffing geldt, die berusten op een door een nationale, internationale of communautaire rechter vastgestelde onverenigbaarheid van de aan de heffing ten grondslag gelegde nationale rechtsregel met een hogere - nationale, internationale of communautaire - rechtsregel. Een termijn als die van artikel L. 190, derde alinea, van het Livre des procédures fiscales geldt dus evenzeer voor beroepen gebaseerd op het gemeenschapsrecht als voor beroepen gebaseerd op het nationale recht.
33 In het arrest Emmott (reeds aangehaald, punt 23) heeft het Hof weliswaar verklaard, dat tot het moment waarop een richtlijn correct is omgezet, een in gebreke gebleven lidstaat zich niet erop kan beroepen, dat een particulier die een rechtsvordering tegen deze staat instelt ter bescherming van de rechten die de bepalingen van deze richtlijn hem toekennen, deze vordering te laat heeft ingesteld, en dat een in het nationale recht bepaalde beroepstermijn niet vóór dat moment kan ingaan.
34 Uit het arrest van 27 oktober 1993, Steenhorst-Neerings (C-338/91, Jurispr. blz. I-5475), zoals bevestigd door het arrest van 6 december 1994, Johnson (C-410/92, Jurispr. blz. I-5483, punt 26), blijkt evenwel, dat de oplossing van het arrest Emmott (reeds aangehaald) werd gerechtvaardigd door de specifieke omstandigheden van die zaak, waarin door het verval van recht de verzoekster in het hoofdgeding geen enkele mogelijkheid meer had, haar recht op gelijke behandeling ingevolge een gemeenschapsrichtlijn te doen gelden (zie eveneens arresten van 17 juli 1997, Haahr Petroleum, C-90/94, Jurispr. blz. I-4085, punt 52 en Texaco en Olieselskabet Danmark, C-114/95 en C-115/95, Jurispr. blz. I-4263, punt 48; 15 september 1998, Ansaldo Energia e.a., C-279/96-C-281/96, Jurispr. blz. I-5025, punt 20; arresten Spac, reeds aangehaald, punt 29, en Fantask, reeds aangehaald, punt 51).
35 Roquette voert aan, dat het Hof in het arrest Bautiaa en Société française maritime (reeds aangehaald) de toepassing van een termijn als die van artikel L. 190, derde alinea, van het Livre des procédures fiscales op vorderingen tot terugbetaling van krachtens artikel 816-I van de Code général des impôts geheven kapitaalrecht reeds heeft veroordeeld. In punt 49 van dit arrest heeft het Hof immers verklaard, dat er geen reden bestond om af te wijken van de regel, dat een uitleggingsarrest terugwerkt tot de datum van inwerkingtreding van het uitgelegde voorschrift, en heeft het bijgevolg geweigerd om de werking in de tijd van dit arrest te beperken.
36 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat de omstandigheid dat het Hof een prejudicieel arrest over de uitlegging van een bepaling van gemeenschapsrecht heeft gewezen zonder de werking in de tijd van dat arrest te beperken, het recht van een lidstaat om zich bij vorderingen tot terugbetaling van in strijd met die bepaling geheven belastingen op een nationale vervaltermijn te beroepen, onverlet laat (arrest Edis, reeds aangehaald, punt 26).
37 Mitsdien moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord, dat het gemeenschapsrecht zich niet verzet tegen een nationale regeling volgens welke op het gebied van het belastingrecht de vordering uit onverschuldigde betaling die gebaseerd wordt op een nationale of communautaire rechterlijke beslissing waarbij een nationale rechtsregel onverenigbaar met een hogere nationale rechtsregel of met een communautaire rechtsregel is verklaard, enkel betrekking kan hebben op de periode na 1 januari van het vierde jaar voorafgaand aan het jaar waarin de onverenigbaarheid door de rechter is vastgesteld.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
38 De kosten door de Franse en de Italiaanse regering alsmede door de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
uitspraak doende op de door het Tribunal de grande instance de Béthune bij vonnis van 24 maart 1998 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Het gemeenschapsrecht verzet zich niet tegen een nationale regeling volgens welke op het gebied van het belastingrecht de vordering uit onverschuldigde betaling die gebaseerd wordt op een nationale of communautaire rechterlijke beslissing waarbij een nationale rechtsregel onverenigbaar met een hogere nationale rechtsregel of met een communautaire rechtsregel is verklaard, enkel betrekking kan hebben op de periode na 1 januari van het vierde jaar voorafgaand aan het jaar waarin de onverenigbaarheid door de rechter is vastgesteld.
Full & Egal Universal Law Academy