Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Internationale overeenkomsten - Overeenkomst inzake handelsaspecten van intellectuele eigendom (TRIPs) - Toepassing op procedure die aanhangig is ten tijde van inwerkingtreding voor betrokken lidstaat - Voorwaarden
(TRIPs-overeenkomst, art. 50)
2. Internationale overeenkomsten - Overeenkomst inzake handelsaspecten van intellectuele eigendom (TRIPs) - Artikel 50, lid 6 - Rechtstreekse werking - Geen - Verplichtingen van nationale rechterlijke instanties in materies die onder gemeenschapsrecht vallen
(TRIPs-overeenkomst, art. 50, lid 6)
3. Internationale overeenkomsten - Overeenkomst inzake handelsaspecten van intellectuele eigendom (TRIPs) - Voorlopige maatregelen - Verval indien niet binnen gestelde termijn bodemprocedure aanhangig wordt gemaakt - Noodzaak van verzoek van verweerder - Bepaling van aanvangsdatum van termijn voor aanhangigmaking van bodemprocedure en bevoegdheid van rechter om deze termijn ambtshalve vast te stellen - Kwesties die tot bevoegdheid van elke lidstaat behoren
(TRIPs-overeenkomst, art. 50, lid 6)
Samenvatting
1. Indien de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (TRIPs), die als bijlage 1 C aan de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie is gehecht en namens de Gemeenschap, voor wat de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden betreft, is goedgekeurd bij besluit 94/800, voor de betrokken lidstaat in werking is getreden op een tijdstip waarop de behandeling van de zaak ter terechtzitting in eerste aanleg is afgesloten, doch de rechter nog geen uitspraak heeft gedaan, is artikel 50 van het TRIPs van toepassing voorzover de inbreuk op de intellectuele-eigendomsrechten wordt voortgezet na de datum waarop het TRIPs voor de Gemeenschap en de lidstaten in werking is getreden.
( cf. punt 50, dictum 1 )
2. De procedureregels van artikel 50 van de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (TRIPs), die als bijlage 1 C aan de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie is gehecht, in het bijzonder lid 6, zijn niet van dien aard dat zij voor particulieren rechten in het leven roepen waarop deze zich voor de communautaire en de nationale rechter rechtstreeks kunnen beroepen. Wanneer de rechterlijke autoriteiten hun nationale recht toepassen bij het treffen van voorlopige maatregelen ter bescherming van intellectuele-eigendomsrechten op een gebied waarop het TRIPs van toepassing is en de Gemeenschap reeds regelgevend is opgetreden, moeten zij dit niettemin zo veel mogelijk doen in het licht van de bewoordingen en het doel van artikel 50, lid 6, van het TRIPs, in het bijzonder rekening houdend met alle omstandigheden van de bij hen aanhangige zaak, teneinde een evenwicht te verzekeren tussen de conflicterende rechten en verplichtingen van de houder van de intellectuele-eigendomsrechten en die van de verweerder.
( cf. punt 55, dictum 2 )
3. Artikel 50, lid 6, van de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (TRIPs), die als bijlage 1 C aan de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie is gehecht, moet aldus worden uitgelegd dat een verzoek van de verweerder noodzakelijk is voor het vervallen van de in kort geding getroffen voorlopige maatregelen, indien geen bodemprocedure aanhangig is gemaakt binnen de bij de voorlopige maatregelen gestelde termijn dan wel, ingeval geen termijn is gesteld, binnen 20 werkdagen of 31 kalenderdagen, naar gelang van welke van beide termijnen de langste is.
Bij gebreke van een regeling in het TRIPs over het tijdstip waarop de in artikel 50, lid 6, van het TRIPs bedoelde termijn van 20 werkdagen of 31 kalenderdagen ingaat, is elke overeenkomstsluitende partij vrij het aanvangstijdstip van deze termijn te bepalen, mits deze redelijk" is gezien de omstandigheden van de zaak en rekening houdend met het noodzakelijke evenwicht tussen de conflicterende rechten en verplichtingen van de houder van de intellectuele-eigendomsrechten en die van de verweerder.
Bij gebreke van communautaire regelgeving op dit gebied en overeenkomstig artikel 1, lid 1, van het TRIPs is het overigens aan de afzonderlijke lidstaten om de grenzen te bepalen van de bevoegdheden van de rechterlijke autoriteiten in verband met de door hen getroffen voorlopige maatregelen. Artikel 50, lid 6, van het TRIPs schrijft niet voor, doch sluit ook niet uit, dat de rechtsorde van een lidstaat in voorkomend geval de rechterlijke autoriteiten van deze staat de bevoegdheid verleent om de termijn waarbinnen de bodemprocedure aanhangig moet worden gemaakt, ambtshalve vast te stellen tegelijk met het treffen van voorlopige maatregelen, zonder dat daartoe een verzoek van de verweerder noodzakelijk is.
Ten slotte schrijft artikel 50, lid 6, van het TRIPs niet voor, doch sluit het ook niet uit, dat de lidstaten in voorkomend geval aan de rechterlijke autoriteiten de bevoegdheid verlenen om de termijn vast te stellen waarbinnen een bodemprocedure aanhangig moet worden gemaakt. Daar deze bepaling geen regeling ter zake bevat, is het aan de afzonderlijke lidstaten om de omvang van de bevoegdheden van de rechter in hoger beroep op dit punt te bepalen.
( cf. punten 61, 66, 70, 73, dictum 3-6 )
Partijen
In zaak C-89/99,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) van de Hoge Raad der Nederlanden, in het aldaar aanhangig geding tussen
Schieving-Nijstad vof e.a.
en
Robert Groeneveld,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 50, lid 6, van de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom, die als bijlage 1 C aan de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie is gehecht en namens de Gemeenschap, voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, is goedgekeurd bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 (PB L 336, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, C. Gulmann, A. La Pergola, M. Wathelet en V. Skouris, kamerpresidenten, D. A. O. Edward (rapporteur), J.-P. Puissochet, P. Jann, L. Sevón, R. Schintgen, F. Macken, N. Colneric, S. von Bahr, J. N. Cunha Rodrigues en C. W. A. Timmermans, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs,
griffier: L. Hewlett, administrateur,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- R. Groeneveld, vertegenwoordigd door L. M. Schreuders-Ebbekink, advocaat,
- de Franse regering, vertegenwoordigd door K. Rispal-Bellanger en S. Seam als gemachtigden,
- de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. Fernandes, T. Moreira en J. Palma als gemachtigden,
- de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins als gemachtigde, bijgestaan door M. Hoskins, barrister,
- de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door J. Huber en G. Houttuin als gemachtigden,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. J. Kuijper als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Schieving-Nijstad vof e.a., vertegenwoordigd door P. Garretsen, advocaat, en de Commissie, vertegenwoordigd door H. M. H. Speyart als gemachtigde, ter terechtzitting van 17 oktober 2000,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 februari 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij arrest van 5 maart 1999, ingekomen bij het Hof op 15 maart daaraanvolgend, heeft de Hoge Raad der Nederlanden zes prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 50, lid 6, van de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (hierna: TRIPs"), die als bijlage 1 C aan de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (hierna: WTO-overeenkomst") is gehecht en namens de Gemeenschap, voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, is goedgekeurd bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 (PB L 336, blz. 1).
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen enerzijds de vennootschap onder firma Schieving-Nijstad vof en haar eigenaars (hierna: Schieving-Nijstad e.a.") en anderzijds R. Groeneveld, betreffende een door Groeneveld ingediend verzoek om voorlopige maatregelen tot staking van de inbreuk die op het merk waarvan hij houder is, zou zijn gemaakt.
De communautaire wetgeving
3 De slotakte waarin de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde zijn vastgelegd, en, onder voorbehoud van sluiting, de WTO-overeenkomst, zijn op 15 april 1994 te Marrakech (Marokko) ondertekend door de vertegenwoordigers van de Gemeenschap en van de lidstaten.
4 De elfde overweging van de considerans van besluit 94/800 luidt:
Overwegende dat de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, met inbegrip van de bijlagen daarvan, niet van dien aard is dat men er zich rechtstreeks voor de rechterlijke instanties van de Gemeenschap of de lidstaten op kan beroepen."
5 Artikel 1, lid 1, eerste streepje, van besluit 94/800 bepaalt:
Namens de Europese Gemeenschap worden, voor wat betreft het gedeelte dat onder haar bevoegdheid valt, de volgende multilaterale overeenkomsten en besluiten goedgekeurd:
- de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, alsmede de in de bijlagen 1, 2 en 3 van deze overeenkomst opgenomen overeenkomsten."
6 In de preambule van het TRIPs wordt uitdrukkelijk de noodzaak erkend van het opstellen van nieuwe regels en methoden met betrekking tot:
[...]
b) het voorzien in adequate normen en beginselen betreffende het bestaan, de reikwijdte en de gebruikmaking van met de handel verband houdende rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom;
c) het voorzien in doeltreffende en passende middelen om de met de handel verband houdende rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom te handhaven, rekening houdend met verschillen in nationale rechtsstelsels;
[...]".
7 In artikel 1, lid 1, van het TRIPs, Aard en reikwijdte van verplichtingen", wordt bepaald:
De leden geven uitvoering aan de bepalingen van deze overeenkomst. De leden kunnen, maar zijn niet verplicht, in hun nationale wetgeving een uitgebreidere bescherming toepassen dan in deze overeenkomst is vereist, mits deze bescherming niet in strijd is met de bepalingen van deze overeenkomst. Het staat de leden vrij de passende methode voor toepassing van de bepalingen van deze overeenkomst binnen hun eigen rechtsstelsel en -praktijk te bepalen."
8 Artikel 8, lid 2, van het TRIPs bepaalt:
Passende maatregelen, mits in overeenstemming met de bepalingen van deze overeenkomst, kunnen nodig zijn ter voorkoming van misbruik van rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom door bezitters van die rechten of van het toevlucht nemen tot gedragingen die het handelsverkeer op onredelijke wijze beperken of de internationale overdracht van technologie nadelig beïnvloeden."
9 Deel III van het TRIPs, Handhaving van de rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom", bevat algemene verplichtingen voor de leden. In het bijzonder bepaalt artikel 41, leden 1 en 2, van het TRIPs:
1. De leden zien erop toe dat in hun nationale wetgeving is voorzien in procedures voor de handhaving, zoals bedoeld in dit deel, opdat doeltreffend kan worden opgetreden tegen elke inbreuk op onder deze overeenkomst vallende rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom, met inbegrip van snelle middelen om inbreuken te voorkomen en middelen die verdere inbreuken tegengaan. Deze procedures dienen zodanig te worden toegepast dat het scheppen van belemmeringen voor legitiem handelsverkeer wordt vermeden en dat wordt voorzien in waarborgen tegen misbruik van deze procedures.
2. Procedures betreffende de handhaving van rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom dienen eerlijk en billijk te zijn. Zij mogen niet onnodig ingewikkeld of kostbaar zijn of onredelijke termijnen of nodeloze vertragingen inhouden."
10 De bepalingen van artikel 50 van het TRIPs die in casu in het geding zijn, luiden:
1. De rechterlijke autoriteiten hebben de bevoegdheid om onmiddellijke en doeltreffende voorlopige maatregelen te gelasten:
a) om te beletten dat zich een inbreuk op een recht uit hoofde van de intellectuele eigendom voordoet, en met name om te beletten dat goederen in het verkeer onder hun rechtsmacht worden gebracht, met inbegrip van ingevoerde goederen onmiddellijk na inklaring door de douane;
b) om met betrekking tot de vermeende inbreuk van belang zijnd bewijsmateriaal te beschermen.
2. De rechterlijke autoriteiten hebben de bevoegdheid, wanneer passend, voorlopige maatregelen te treffen zonder de wederpartij te hebben gehoord, met name wanneer uitstel vermoedelijk onherstelbare schade voor de houder van het recht zal veroorzaken, of wanneer er een aantoonbaar risico is dat bewijsmateriaal zal worden vernietigd.
[...]
4. Wanneer er voorlopige maatregelen zijn genomen zonder dat de wederpartij is gehoord, worden de betrokken partijen onverwijld daarvan in kennis gesteld, uiterlijk na uitvoering van de maatregelen. Op verzoek van de verweerder vindt een herziening plaats, met inbegrip van het recht te worden gehoord, teneinde te beslissen, binnen een redelijke termijn na de kennisgeving van de maatregelen, of deze maatregelen dienen te worden gewijzigd, herroepen of bevestigd.
[...]
6. Onverminderd het vierde lid, worden op grond van het eerste en het tweede lid genomen voorlopige maatregelen op verzoek van de verweerder herroepen of houden zij anderszins op gevolg te hebben, indien de procedure die leidt tot een beslissing ten principale niet wordt aangevangen binnen een redelijke termijn, te bepalen door de rechterlijke autoriteit die de maatregelen gelast wanneer het nationale recht zulks toestaat of, wanneer geen termijn wordt bepaald, binnen een termijn van ten hoogste twintig werkdagen of eenendertig kalenderdagen, naar gelang van welke van beide termijnen de langste is.
[...]"
11 Artikel 70, lid 1, van het TRIPs bepaalt:
Deze overeenkomst schept geen verplichtingen met betrekking tot handelingen die zich hebben voorgedaan vóór de datum van toepassing van de overeenkomst voor het lid in kwestie."
12 De WTO-overeenkomst en het TRIPs, dat daarvan integrerend deel uitmaakt, zijn in werking getreden op 1 januari 1995. Volgens artikel 65, lid 1, van het TRIPs waren de leden echter niet verplicht de bepalingen van het TRIPs toe te passen vóór het verstrijken van een algemene termijn van één jaar, te weten vóór 1 januari 1996 (hierna: uiterste datum").
De nationale wetgeving
13 De Nederlandse procedure betreffende verzoeken om voorlopige maatregelen is geregeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv"), dat na de inwerkingtreding van het TRIPs niet gewijzigd is.
14 Artikel 289, lid 1, Rv bepaalt:
In alle zaken waarin uit hoofde van onverwijlde spoed, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, kan de vordering worden aangebracht op een terechtzitting, te dien einde door de president te houden op de daartoe door hem te bepalen werkdagen."
15 In die gevallen kunnen partijen volgens artikel 290, lid 2, Rv vrijwillig voor de president in kort geding verschijnen, waarbij de eiser ter terechtzitting vertegenwoordigd moet zijn door een procureur en de verweerder in persoon of vertegenwoordigd door een procureur kan verschijnen.
16 Volgens artikel 292 Rv brengen beslissingen bij voorraad geen nadeel toe aan de zaak ten principale. In de praktijk zijn partijen geneigd af te zien van een procedure ten principale en genoegen te nemen met de in kort geding gegeven beslissing. Volgens de aan het Hof verstrekte inlichtingen betekent dit, dat in het merendeel van de Nederlandse zaken een latere bodemprocedure niet vereist is.
17 Voorts kent het Nederlandse recht geen dwingende termijn voor het aanhangig maken van een bodemprocedure. Noch in de wet noch in de rechtspraak wordt de rechter met zoveel woorden de bevoegdheid verleend tot het stellen van een dergelijke termijn. Niettemin zijn de rechters thans geneigd termijnen van meerdere maanden te stellen, aanvangend op uiteenlopende tijdstippen, al naar gelang het geval.
18 Het Hof heeft reeds uitgemaakt, dat een maatregel die een einde beoogt te maken aan vermeende inbreuken op een merkrecht en die wordt getroffen in een procedure als die van de in de punten 13 tot en met 16 van dit arrest genoemde bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, een voorlopige maatregel" is in de zin van artikel 50, lid 1, van het TRIPs (arrest van 16 juni 1998, Hermès, C-53/96, Jurispr. blz. I-3603).
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
19 Tussen 21 juni 1979 en 23 februari 1995 heeft Groeneveld zesmaal beeldmerken Route 66" gedeponeerd voor verscheidene categorieën waren en diensten. Deze inschrijvingen betroffen in het bijzonder de klassen 32, 33 en 42 (respectievelijk alcoholhoudende dranken en frisdranken, restauratie en horecadiensten).
20 Groeneveld heeft ongeveer 20 licenties verleend aan fabrikanten voor het op de markt brengen van producten onder het merk Route 66", met name stickers en posters, neonreclames en alcoholhoudende dranken.
21 Route 66" is de naam van een oude snelweg in de Verenigde Staten van Amerika. De vorm van het beeldmerk is afgeleid van de vorm die het verkeersbord had, dat deze weg, toen die nog in zijn geheel in gebruik was, aangaf.
22 Schieving-Nijstad e.a. exploiteren in Meppel een discotheek onder de naam Lord Nelson". In die discotheek bevindt zich in ieder geval sinds maart 1995 een café genaamd Route 66", dat is gedecoreerd met allerlei symbolen van de Verenigde Staten, met name ter herinnering aan de jaren vijftig. Aan de buitenzijde van de discotheek is een uithangbord met Route 66" in neon bevestigd, terwijl achter de ramen twee Route 66"-tekens zijn geplaatst. Binnen in het café hangen allerhande verkeersborden, posters en platen, waaronder ook enkele schildjes met Route 66".
23 Schieving-Nijstad e.a. hebben geen licentie van Groeneveld gekregen. De schildjes en het uithangbord zijn niet door of namens Groeneveld of een licentiehouder in het verkeer gebracht.
24 Na een vergeefse sommatie tot staking van het gebruik van het merk Route 66" dagvaardde Groeneveld Schieving-Nijstad e.a. in kort geding voor de rechtbank te Assen. Bij vonnis van 9 januari 1996 beval de president van de rechtbank hen met name het gebruik van de benaming (Café) Route 66" en van de merken Route 66" voor de waren en diensten waarvoor deze merken zijn ingeschreven, in het bijzonder de horecadiensten, te staken en gestaakt te houden.
25 Het gerechtshof te Leeuwarden heeft dit vonnis bekrachtigd, waarna Schieving-Nijstad e.a. cassatieberoep hebben ingesteld bij de Hoge Raad.
26 Voor de Hoge Raad beroepen Schieving-Nijstad e.a. zich op de rechtstreekse werking van artikel 50, lid 6, van het TRIPs, dat voor Nederland ten laatste op de uiterste datum in werking is getreden. Zij verzoeken de verwijzende rechter te verklaren, dat indien en voorzover de voorlopige maatregelen van de president van de rechtbank te Assen voor bekrachtiging of toewijzing vatbaar mochten zijn geweest, deze niet langer dan gedurende een periode van 20 werkdagen of 31 kalenderdagen, indien deze periode langer mocht zijn, na betekening van kracht hadden mogen blijven, na welke termijn die maatregelen als vervallen moeten worden beschouwd, nu Groeneveld niet binnen deze termijn een bodemprocedure tegen hen aanhangig heeft gemaakt.
27 Om het geschil te kunnen beslechten heeft de Hoge Raad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
1) Komt aan artikel 50 van het TRIPs-verdrag, in het bijzonder aan lid 6 van dat artikel, rechtstreekse werking toe?
2) Dient artikel 50, lid 6, van het TRIPs-verdrag aldus te worden uitgelegd dat voorlopige maatregelen als bedoeld in de leden 1 en 2 van deze bepaling van rechtswege vervallen hetzij indien de hoofdzaak niet aanhangig is gemaakt binnen de daartoe bij de voorlopige maatregel vastgestelde termijn, hetzij, bij gebreke van zulk een vaststelling, indien de hoofdzaak niet aanhangig is gemaakt binnen een termijn van 20 werkdagen dan wel van 31 kalenderdagen (welke van de twee termijnen de langste is), of is voor zodanig verval (steeds) een verzoek vereist van de partij tegen wie de maatregel is genomen?
3) Vangt de termijn binnen welke de hoofdzaak aanhangig moet worden, wanneer deze niet bij de voorlopige voorziening is vastgesteld, aan:
a) op dan wel daags na de dag waarop de rechter de voorlopige maatregel heeft getroffen, dan wel
b) op dan wel daags na de dag waarop de uitspraak houdende de voorlopige maatregel aan de verweerder is betekend, dan wel
c) op dan wel daags na de dag waarop de uitspraak houdende de voorlopige maatregel onherroepelijk is geworden, dan wel
d) op enig ander tijdstip?
4) Moet de rechter die een voorlopige maatregel treft, ambtshalve een termijn bepalen, binnen welke een bodemprocedure aanhangig dient te worden gemaakt, of mag hij een zodanige termijn slechts bepalen, indien een daartoe strekkend verzoek is gedaan?
5) Kan de rechter die in hoger beroep dient te oordelen over een door de rechter in eerste aanleg getroffen maatregel en deze bevestigt, hetzij ambtshalve hetzij op verzoek van één der partijen alsnog een termijn als hiervoor bedoeld vaststellen, indien de rechter in eerste aanleg zulks heeft nagelaten?
6) Is artikel 50 van het TRIPs-verdrag van toepassing, indien dit verdrag voor de betrokken lidstaat in werking treedt op een tijdstip, waarop de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg is afgesloten, doch de rechter nog geen uitspraak heeft gedaan?"
Beoordeling door het Hof
28 Alvorens de vragen te beantwoorden, moeten enkele opmerkingen worden gemaakt over de bij het TRIPs ingevoerde regeling.
De bij het TRIPs ingevoerde regeling
29 De prejudiciële vragen betreffen de procedureregels voor het treffen van voorlopige maatregelen in het kader van een rechtsvordering die ertoe strekt een derde te beletten om, zonder toestemming van de houder van een ingeschreven merk, voor dezelfde of soortgelijke waren of diensten als die welke onder dit merk begrepen zijn, gebruik te maken van tekens die gelijk zijn aan of overeenstemmen met die waardoor dit merk wordt weergegeven.
30 Wat het merkenrecht betreft, een gebied waarop het TRIPs van toepassing is en de Gemeenschap reeds regelgevend is opgetreden, is het Hof bevoegd tot uitlegging van artikel 50 van het TRIPs, hetgeen het ook reeds heeft gedaan (zie arrest Hermès, reeds aangehaald, en arrest van 14 december 2000, Dior e.a., C-300/98 en C-392/98, Jurispr. blz. I-11307). De uit deze rechtspraak volgende beginselen kunnen als volgt worden samengevat.
31 Allereerst stelde het Hof vast, dat artikel 50, lid 6, van het TRIPs een procedurevoorschrift is dat door de communautaire en nationale rechterlijke instanties behoort te worden toegepast ingevolge de verbintenissen die zowel de Gemeenschap als de lidstaten zijn aangegaan (arrest Dior e.a., reeds aangehaald, punt 46).
32 Artikel 50 van het TRIPs bevat geen gedetailleerde regeling van de procedure ter handhaving van rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom.
33 Volgens artikel 1, lid 1, van het TRIPs, dat betrekking heeft op (a)ard en reikwijdte van verplichtingen", staat het echter de leden vrij de passende methode voor toepassing van de bepalingen van deze overeenkomst binnen hun eigen rechtsstelsel en -praktijk te bepalen".
34 Bij gebreke van een gemeenschapsregeling ter zake behoort het derhalve tot de bevoegdheid van elke lidstaat, de procedureregels vast te stellen voor rechtsvorderingen ter bescherming van rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom.
35 Niettemin moeten de rechterlijke autoriteiten van de lidstaten, wanneer zij met toepassing van hun nationale recht voorlopige maatregelen treffen ter bescherming van rechten die behoren tot een gebied waarop het TRIPs van toepassing is en de Gemeenschap reeds regelgevend is opgetreden, krachtens het gemeenschapsrecht hun nationale regels zo veel mogelijk toepassen in het licht van de bewoordingen en het doel van artikel 50 van het TRIPs (zie reeds aangehaalde arresten Hermès, punt 28, en Dior e.a., punt 47).
36 Het TRIPs heeft primair ten doel, de bescherming van de intellectuele eigendom wereldwijd te versterken en te harmoniseren (zie in dit verband advies 1/94 van 15 november 1994, Jurispr. blz. I-5267, punt 58).
37 Volgens de preambule heeft het TRIPs tot doel de verstoring van en belemmeringen voor de internationale handel te verminderen", rekening houdend met de noodzaak een doeltreffende en toereikende bescherming van de intellectuele eigendom te bevorderen", en wel aldus dat maatregelen en procedures om de rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom te handhaven niet zelf hinderpalen voor legitiem handelsverkeer worden". Deze doelstellingen worden ook genoemd in artikel 41, leden 1 en 2, van het TRIPs.
38 De rechterlijke autoriteiten die met toepassing van hun nationale regels voorlopige maatregelen treffen, dienen derhalve met alle omstandigheden van de bij hen aanhangige zaak rekening te houden teneinde een evenwicht te verzekeren tussen de conflicterende rechten en verplichtingen van de houder van de intellectuele-eigendomsrechten en van de verweerder.
39 Gezien vanuit de houder van de intellectuele-eigendomsrechten versterkt artikel 50 van het TRIPs het recht dat hem moet worden gegarandeerd op grond van artikel 41, lid 1, van het TRIPs, te weten het recht op het verkrijgen van snelle middelen om inbreuken op die rechten te voorkomen, en het recht op middelen die verdere inbreuken tegengaan.
40 In artikel 8, lid 2, van het TRIPs wordt evenwel erkend dat van intellectuele-eigendomsrechten misbruik kan worden gemaakt en dat bezitters van die rechten hun toevlucht kunnen nemen tot gedragingen die het handelsverkeer op onredelijke wijze beperken of de internationale overdracht van technologie nadelig beïnvloeden. Dit zou zich met name kunnen voordoen wanneer voorlopige maatregelen werden gelast zonder de verweerder te horen.
41 Om zulk misbruik te voorkomen bepaalt artikel 50, lid 4, van het TRIPs dat indien de verweerder niet is gehoord, hij het recht heeft onverwijlde herziening van de gelaste voorlopige maatregelen te vragen.
42 Voorts wordt de verweerder, ongeacht of hij gehoord is, een waarborg tegen misbruik van intellectuele-eigendomsrechten geboden in artikel 50, lid 6, van het TRIPs, waarin een eenvoudige procedure is voorzien voor het opheffen van ongerechtvaardigde voorlopige maatregelen ingeval geen bodemprocedure binnen de gestelde termijn wordt aangevangen.
43 Deze voorziening is des te belangrijker, wanneer de verweerder de door de rechterlijke autoriteit gelaste voorlopige maatregelen betwist en hij de houder van de rechten wil bewegen tot het aanspannen van een bodemprocedure waarin de verweerder al zijn verweren kan indienen.
44 In dit verband moet erop worden gewezen dat de WTO-overeenkomst is gesloten in de Franse, de Engelse en de Spaanse taal en dat alleen deze drie taalversies authentiek zijn (zie de slotclausule van de WTO-overeenkomst).
45 Artikel 50, lid 6, van het TRIPs bepaalt in de Franse versie dat voorlopige maatregelen seront abrogées ou cesseront de produire leurs effets" (worden herroepen of houden ... op gevolg te hebben") indien niet binnen de gestelde termijn een bodemprocedure wordt aangevangen. Zo ook bepaalt de Spaanse versie dat deze maatregelen se revocarán o quedarán de otro modo sin efecto". In de Engelse versie wordt de vorm shall" gebruikt en niet may".
46 Blijkens de redactie van de drie authentieke versies van het TRIPs en het doel van artikel 50, lid 6, berust de bij deze bepaling ingevoerde voorziening op de veronderstelling dat de houder van intellectuele-eigendomsrechten die voorlopige maatregelen heeft verkregen, normaalgesproken een bodemprocedure zal aanspannen om een definitieve maatregel in verband met de gestelde inbreuk op zijn rechten te verkrijgen, en de verweerder tijdens die procedure al zijn verweren zal kunnen indienen.
47 In het licht van deze overwegingen moeten thans de prejudiciële vragen worden besproken.
Relevantie ratione temporis van het TRIPs voor het hoofdgeding (zesde vraag)
48 In de laatste vraag, die als eerste moet worden beantwoord, wordt twijfel geuit over de relevantie van het TRIPs voor de beslechting van het bij de verwijzende rechter aanhangige geschil. Het TRIPs is voor Nederland in werking getreden nadat de door Groeneveld bij de rechtbank te Assen aanhangig gemaakte procedure was afgesloten, maar voordat deze in eerste aanleg rechtsprekende rechter uitspraak had gedaan. Volgens de regering van het Verenigd Koninkrijk volgt uit artikel 70, lid 1, van het TRIPs dat toepassing van het TRIPs uitgesloten is, aangezien de feiten van het hoofdgeding hebben plaatsgevonden vóór de uiterste datum.
49 Dit betoog kan niet worden gevolgd. De gestelde inbreuk op de rechten van Groeneveld door Schieving-Nijstad e.a. is weliswaar in maart 1995 begonnen, dus vóór de uiterste datum, maar dit betekent niet noodzakelijkerwijs dat deze handelingen zich geheel en al vóór die datum hebben voorgedaan" in de zin van artikel 70, lid 1, van het TRIPs. Aangenomen dat de aan Schieving-Nijstad e.a. verweten handelingen zijn voortgezet tot de datum waarop de kortgedingrechter de voorlopige maatregelen gelastte, 9 januari 1996, behoorde hij derhalve de Nederlandse regels zo veel mogelijk toe te passen in het licht van de bewoordingen en het doel van artikel 50 van het TRIPs.
50 Derhalve moet op de zesde vraag worden geantwoord, dat indien het TRIPs voor de betrokken lidstaat in werking is getreden op een tijdstip waarop de behandeling van de zaak ter terechtzitting in eerste aanleg is afgesloten, doch de rechter nog geen uitspraak heeft gedaan, artikel 50 van het TRIPs van toepassing is voorzover de inbreuk op de intellectuele-eigendomsrechten wordt voortgezet na de datum waarop het TRIPs voor de Gemeenschap en de lidstaten in werking is getreden.
Rechtstreekse werking van artikel 50, lid 6, van het TRIPs (eerste vraag)
51 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of, en zo ja in hoeverre, de procedureregels van artikel 50 van het TRIPs, in het bijzonder lid 6, rechtstreekse werking hebben.
52 Deze vraag is in wezen gelijk aan de vragen in de zaken die hebben geleid tot het arrest Dior e.a., reeds aangehaald.
53 Het Hof oordeelde dat de bepalingen van het TRIPs geen rechtstreekse werking hebben in die zin, dat zij niet van dien aard zijn dat zij voor particulieren rechten in het leven roepen waarop deze zich krachtens het gemeenschapsrecht voor de rechter rechtstreeks kunnen beroepen (zie arrest Dior e.a., reeds aangehaald, punten 44 en 46).
54 Niettemin zijn daarmee evenals in de zaken die tot het arrest Dior e.a. (reeds aangehaald) hebben geleid, de voor de verwijzende rechter aan de orde zijnde problemen niet geheel opgelost. Daarom dient overeenkomstig de in de punten 31 tot en met 46 van dit arrest weergegeven beginselen te worden gepreciseerd, dat wanneer de rechterlijke autoriteiten hun nationale recht toepassen bij het treffen van voorlopige maatregelen ter bescherming van intellectuele-eigendomsrechten op een gebied waarop het TRIPs van toepassing is en de Gemeenschap reeds regelgevend is opgetreden, zij dit zo veel mogelijk moeten doen in het licht van de bewoordingen en het doel van artikel 50, lid 6, van het TRIPs, in het bijzonder rekening houdend met alle omstandigheden van de bij hen aanhangige zaak, teneinde een evenwicht te verzekeren tussen de conflicterende rechten en verplichtingen van de houder van de intellectuele-eigendomsrechten en van de verweerder.
55 Derhalve moet op de eerste vraag worden geantwoord dat de procedureregels van artikel 50 van het TRIPs, in het bijzonder lid 6, niet van dien aard zijn dat zij voor particulieren rechten in het leven roepen waarop deze zich voor de communautaire en de nationale rechter rechtstreeks kunnen beroepen. Wanneer de rechterlijke autoriteiten hun nationale recht toepassen bij het treffen van voorlopige maatregelen ter bescherming van intellectuele-eigendomsrechten op een gebied waarop het TRIPs van toepassing is en de Gemeenschap reeds regelgevend is opgetreden, moeten zij dit niettemin zo veel mogelijk doen in het licht van de bewoordingen en het doel van artikel 50, lid 6, van het TRIPs, in het bijzonder rekening houdend met alle omstandigheden van de bij hen aanhangige zaak, teneinde een evenwicht te verzekeren tussen de conflicterende rechten en verplichtingen van de houder van de intellectuele-eigendomsrechten en van de verweerder.
Noodzaak van een verzoek van de verweerder voor de toepasselijkheid van artikel 50, lid 6, van het TRIPs (tweede vraag)
56 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 50, lid 6, van het TRIPs aldus moet worden uitgelegd, dat een verzoek van de verweerder noodzakelijk is voor het vervallen van de in kort geding getroffen voorlopige maatregelen, of dat deze maatregelen van rechtswege vervallen indien geen bodemprocedure aanhangig is gemaakt binnen de bij de voorlopige maatregelen gestelde termijn dan wel, ingeval geen termijn is gesteld, binnen 20 werkdagen of 31 kalenderdagen, naar gelang van welke van beide termijnen de langste is.
57 Vooraf dient te worden vastgesteld, dat in de context van de Nederlandse procedure die in het hoofdgeding aan de orde is, niet behoeft te worden nagegaan of artikel 50, lid 6, van het TRIPs eraan in de weg staat dat een lidstaat het automatisch verval van door zijn rechterlijke instanties gelaste voorlopige maatregelen, ook zonder een daartoe strekkend verzoek van de verweerder, voorschrijft op de enkele grond dat binnen de gestelde termijn geen bodemprocedure aanhangig is gemaakt.
58 Volgens het verwijzingsarrest verschillen de bewoordingen van de Nederlandse versie van artikel 50, lid 6, van het TRIPs van die van de Franse en de Engelse versie, in die zin dat de woorden op verzoek van de verweerder" (à la demande du défendeur") zijn geplaatst tussen de woorden seront abrogées" en cesseront de produire leurs effets" (worden op grond van het eerste en het tweede lid genomen voorlopige maatregelen op verzoek van de verweerder herroepen of houden zij anderszins op gevolg te hebben").
59 Voor de Hoge Raad hebben Schieving-Nijstad e.a. gesteld dat de woorden op verzoek van de verweerder" alleen kunnen slaan op (worden) herroepen", zodat voor de toepassing van de zinsnede houden zij anderszins op gevolg te hebben" geen verzoek van de verweerder vereist is.
60 Zoals de advocaat-generaal in punt 48 van zijn conclusie opmerkt, blijkt uit de drie authentieke versies van het TRIPs, waarin artikel 50, lid 6, gelijkluidend is geformuleerd, dat de woorden à la demande du défendeur" achter of voor de zinsnede seront abrogées ou cesseront de produire leurs effets" staan. Uit deze formulering blijkt dat een verzoek van de verweerder - noodzakelijk vanuit het oogpunt van de rechtszekerheid - vereist is zowel voor herroeping van de voorlopige maatregelen als om te bewerkstelligen dat zij anderszins ophouden gevolg te hebben.
61 Derhalve moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 50, lid 6, van het TRIPs aldus moet worden uitgelegd dat een verzoek van de verweerder noodzakelijk is voor het vervallen van de in kort geding getroffen voorlopige maatregelen, indien geen bodemprocedure aanhangig is gemaakt binnen de bij de voorlopige maatregelen gestelde termijn dan wel, ingeval geen termijn is gesteld, binnen 20 werkdagen of 31 kalenderdagen, naar gelang van welke van beide termijnen de langste is.
Tijdstip van aanvang van de in artikel 50, lid 6, van het TRIPs gestelde termijn (derde vraag)
62 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen wanneer de termijn ingaat waarbinnen de bodemprocedure aanhangig moet worden gemaakt, wanneer dit tijdstip niet door de kortgedingrechter bij de voorlopige maatregelen is vastgesteld.
63 De verwijzende rechter stelt drie tijdstippen voor waarop de in artikel 50, lid 6, van het TRIPs bepaalde termijn van 20 werkdagen of 31 kalenderdagen zou kunnen ingaan, namelijk daags na de dag waarop de rechter de voorlopige maatregel heeft getroffen, daags na de dag waarop de uitspraak houdende de voorlopige maatregel aan de verweerder is betekend, of daags na de dag waarop de uitspraak houdende de voorlopige maatregel onherroepelijk is geworden.
64 Het tijdstip waarop de bodemprocedure aanhangig moet worden gemaakt is in zoverre belangrijk, dat onverminderd het bepaalde in artikel 50, lid 4, van het TRIPs de verweerder het verzoek tot herroeping van de in kort geding getroffen voorlopige maatregelen conform artikel 50, lid 6, niet kan indienen vóór het verstrijken van de termijn van 20 werkdagen of 31 kalenderdagen genoemd in die bepaling. Uitstel van het aanvangstijdstip van deze termijn zou immers een verlenging van de geldingsduur van de getroffen voorlopige maatregelen betekenen. Artikel 50, lid 6, bepaalt evenwel niet, op welk tijdstip deze termijn ingaat.
65 Uit de in de punten 31 tot en met 34 van dit arrest weergegeven beginselen volgt, dat bij gebreke van een regeling ter zake in het TRIPs elke overeenkomstsluitende partij vrij is het tijdstip te bepalen waarop de in artikel 50, lid 6, van het TRIPs bedoelde termijn van 20 werkdagen of 31 kalenderdagen ingaat, mits de aldus vastgestelde termijn redelijk" is gezien de omstandigheden van de zaak en rekening houdend met het noodzakelijke evenwicht tussen de conflicterende rechten en verplichtingen van de houder van de intellectuele-eigendomsrechten en van de verweerder.
66 Op de derde vraag moet derhalve worden geantwoord dat bij gebreke van een regeling in het TRIPs over het tijdstip waarop de in artikel 50, lid 6, van het TRIPs bedoelde termijn van 20 werkdagen of 31 kalenderdagen ingaat, elke overeenkomstsluitende partij vrij is het aanvangstijdstip van deze termijn te bepalen, mits deze redelijk" is gezien de omstandigheden van de zaak en rekening houdend met het noodzakelijke evenwicht tussen de conflicterende rechten en verplichtingen van de houder van de intellectuele-eigendomsrechten en van de verweerder.
Beoordelingsbevoegdheid van de rechter (vierde en vijfde vraag)
67 Met zijn vierde en zijn vijfde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 50, lid 6, van het TRIPs uitsluit dat de rechterlijke autoriteiten, rechtsprekend in eerste aanleg of ook in hoger beroep, ambtshalve dan wel op verzoek van één der partijen een redelijke termijn vaststellen wanneer zij voorlopige maatregelen treffen dan wel bevestigen.
68 Artikel 50, lid 6, van het TRIPs bepaalt uitdrukkelijk dat een redelijke termijn is te bepalen door de rechterlijke autoriteit die de maatregelen gelast wanneer het nationale recht zulks toestaat". In zoverre volgt uit de punten 31 tot en met 34 van dit arrest dat bij gebreke van communautaire regelgeving op dit gebied en overeenkomstig artikel 1, lid 1, van het TRIPs het aan de afzonderlijke lidstaten is om de grenzen van de bevoegdheden van de rechterlijke autoriteiten in verband met de door hen getroffen voorlopige maatregelen te bepalen.
69 Wat de vierde vraag betreft, moet erop worden gewezen dat er in de tekst van artikel 50, lid 6, van het TRIPs niets is dat erop wijst dat voor het vaststellen van de termijn waarbinnen de bodemprocedure aanhangig moet worden gemaakt, een verzoek van de verweerder vereist is. Integendeel, geen enkele bepaling van dit artikel sluit uit dat de interne rechtsorde van een lidstaat in voorkomend geval de rechterlijke autoriteiten van deze staat de bevoegdheid verleent om deze termijn ambtshalve vast te stellen tegelijk met het treffen van voorlopige maatregelen, zonder dat daartoe een verzoek van de verweerder noodzakelijk is.
70 Derhalve moet op de vierde vraag worden geantwoord dat bij gebreke van communautaire regelgeving op dit gebied en overeenkomstig artikel 1, lid 1, van het TRIPs het aan de afzonderlijke lidstaten is om de grenzen te bepalen van de bevoegdheden van de rechterlijke autoriteiten in verband met de door hen getroffen voorlopige maatregelen. Artikel 50, lid 6, van het TRIPs schrijft niet voor, doch sluit ook niet uit, dat de rechtsorde van een lidstaat in voorkomend geval de rechterlijke autoriteiten van deze staat de bevoegdheid verleent om de termijn waarbinnen de bodemprocedure aanhangig moet worden gemaakt, ambtshalve vast te stellen tegelijk met het treffen van voorlopige maatregelen, zonder dat daartoe een verzoek van de verweerder noodzakelijk is.
71 Wat de vijfde vraag betreft, moet worden geconstateerd dat, anders dan Groeneveld stelt, de zinsnede de rechterlijke autoriteit die de maatregelen gelast" in artikel 50, lid 6, van het TRIPs er niet aan in de weg staat dat de bevoegdheid om de termijn vast te stellen waarbinnen de bodemprocedure aanhangig moet worden gemaakt, wordt verleend aan zowel de rechter in hoger beroep als de rechter in eerste aanleg. Daar deze bepaling geen regeling ter zake bevat, is het aan de lidstaten om de omvang van de bevoegdheden van de rechter in hoger beroep op dit punt te bepalen.
72 Artikel 50, lid 6, van het TRIPs laat het bijgevolg aan de lidstaten over, in het kader van hun nationale rechtsorde aan de rechterlijke autoriteiten de bevoegdheden te verlenen die hen passend voorkomen voor het vaststellen van de termijn waarbinnen de bodemprocedure aanhangig moet worden gemaakt.
73 Derhalve moet op de vijfde vraag worden geantwoord dat artikel 50, lid 6, van het TRIPs niet voorschrijft, doch ook niet uitsluit, dat de lidstaten in voorkomend geval aan de rechterlijke autoriteiten de bevoegdheid verlenen om de termijn vast te stellen waarbinnen een bodemprocedure aanhangig moet worden gemaakt. Daar deze bepaling geen regeling ter zake bevat, is het aan de afzonderlijke lidstaten om de omvang van de bevoegdheden van de rechter in hoger beroep op dit punt te bepalen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
74 De kosten door de Franse en de Portugese regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk, alsmede de Raad en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 5 maart 1999 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Indien de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (TRIPs), die als bijlage 1 C aan de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie is gehecht en namens de Gemeenschap, voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, is goedgekeurd bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994, voor de betrokken lidstaat in werking is getreden op een tijdstip waarop de behandeling van de zaak ter terechtzitting in eerste aanleg is afgesloten, doch de rechter nog geen uitspraak heeft gedaan, is artikel 50 van het TRIPs van toepassing voorzover de inbreuk op de intellectuele-eigendomsrechten wordt voortgezet na de datum waarop het TRIPs voor de Gemeenschap en de lidstaten in werking is getreden.
2) De procedureregels van artikel 50 van het TRIPs, in het bijzonder lid 6, zijn niet van dien aard dat zij voor particulieren rechten in het leven roepen waarop deze zich voor de communautaire en de nationale rechter rechtstreeks kunnen beroepen. Wanneer de rechterlijke autoriteiten hun nationale recht toepassen bij het treffen van voorlopige maatregelen ter bescherming van intellectuele-eigendomsrechten op een gebied waarop het TRIPs van toepassing is en de Gemeenschap reeds regelgevend is opgetreden, moeten zij dit niettemin zo veel mogelijk doen in het licht van de bewoordingen en het doel van artikel 50, lid 6, van het TRIPs, in het bijzonder rekening houdend met alle omstandigheden van de bij hen aanhangige zaak, teneinde een evenwicht te verzekeren tussen de conflicterende rechten en verplichtingen van de houder van de intellectuele-eigendomsrechten en van de verweerder.
3) Artikel 50, lid 6, van het TRIPs moet aldus worden uitgelegd dat een verzoek van de verweerder noodzakelijk is voor het vervallen van de in kort geding getroffen voorlopige maatregelen, indien geen bodemprocedure aanhangig is gemaakt binnen de bij de voorlopige maatregelen gestelde termijn dan wel, ingeval geen termijn is gesteld, binnen 20 werkdagen of 31 kalenderdagen, naar gelang van welke van beide termijnen de langste is.
4) Bij gebreke van een regeling in het TRIPs over het tijdstip waarop de in artikel 50, lid 6, van het TRIPs bedoelde termijn van 20 werkdagen of 31 kalenderdagen ingaat, is elke overeenkomstsluitende partij vrij het aanvangstijdstip van deze termijn te bepalen, mits deze redelijk" is gezien de omstandigheden van de zaak en rekening houdend met het noodzakelijke evenwicht tussen de conflicterende rechten en verplichtingen van de houder van de intellectuele-eigendomsrechten en van de verweerder.
5) Bij gebreke van communautaire regelgeving op dit gebied en overeenkomstig artikel 1, lid 1, van het TRIPs is het aan de afzonderlijke lidstaten om de grenzen te bepalen van de bevoegdheden van de rechterlijke autoriteiten in verband met de door hen getroffen voorlopige maatregelen. Artikel 50, lid 6, van het TRIPs schrijft niet voor, doch sluit ook niet uit, dat de rechtsorde van een lidstaat in voorkomend geval de rechterlijke autoriteiten van deze staat de bevoegdheid verleent om de termijn waarbinnen de bodemprocedure aanhangig moet worden gemaakt, ambtshalve vast te stellen tegelijk met het treffen van voorlopige maatregelen, zonder dat daartoe een verzoek van de verweerder noodzakelijk is.
6) Artikel 50, lid 6, van het TRIPs schrijft niet voor, doch sluit ook niet uit, dat de lidstaten in voorkomend geval aan de rechterlijke autoriteiten de bevoegdheid verlenen om de termijn vast te stellen waarbinnen een bodemprocedure aanhangig moet worden gemaakt. Daar deze bepaling geen regeling ter zake bevat, is het aan de afzonderlijke lidstaten om de omvang van de bevoegdheden van de rechter in hoger beroep op dit punt te bepalen.
Full & Egal Universal Law Academy