Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Landbouw - Gemeenschappelijk landbouwbeleid - Agromonetair stelsel voor euro - Overgangsmaatregelen voor invoering van euro in gemeenschappelijk landbouwbeleid - Beoordeling van complexe economische situatie - Beoordelingsvrijheid van Raad - Wettigheid - Rechterlijke toetsing - Grenzen
(Verordening nr. 2800/98 van de Raad, art. 2)
2. Handelingen van de instellingen - Motivering - Verplichting - Omvang
[EG-Verdrag, art. 190 (thans art. 253 EG)]
Samenvatting
1. Bij de beoordeling van een ingewikkelde economische situatie, zoals in het kader van het agromonetair stelsel voor de euro, beschikt de gemeenschapswetgever over een ruime beoordelingsvrijheid. Bij zijn toetsing van de wettigheid van het gebruik van die vrijheid mag de gemeenschapsrechter zijn beoordeling niet in de plaats van die van de bevoegde instantie stellen, maar mag hij alleen nagaan of daarbij geen kennelijke dwaling of misbruik is begaan en of het betrokken gezagsorgaan zich niet kennelijk buiten de grenzen van zijn beoordelingsvrijheid heeft begeven.
( cf. punt 36 )
2. De door artikel 190 van het Verdrag (thans artikel 253 EG) vereiste motivering moet weliswaar de redenering van de gemeenschapsinstantie die de gelaakte handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen, doch het is niet noodzakelijk dat alle relevante gegevens, feitelijk of rechtens, erin worden gespecificeerd. Meer in het bijzonder kan niet worden verlangd dat de motivering een gedetailleerde opsomming geeft van de soms talrijke en ingewikkelde feiten met het oog waarop een verordening is vastgesteld, en mag zeker niet een min of meer volledige beoordeling van die feiten worden verwacht.
Bij de vraag of de motiveringsplicht is nagekomen, moet overigens niet alleen acht worden geslagen op de bewoordingen van de gelaakte handeling, doch ook op de context waarin zij is vastgesteld, en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen. Indien de essentie van het door de instelling nagestreefde doel uit de betwiste handeling blijkt, zou het derhalve nutteloos zijn, voor elke technische keuze van deze instelling een specifieke motivering te verlangen.
( cf. punten 63-64 )
Partijen
In zaak C-100/99,
Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door U. Leanza als gemachtigde, bijgestaan door D. Del Gaizo, avvocato dello Stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door G. Maganza en I. Díez Parra als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
en
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K.-D. Borchardt en F. Ruggeri Laderchi als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerders,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van
- verordening (EG) nr. 2800/98 van de Raad van 15 december 1998 houdende overgangsmaatregelen voor de invoering van de euro in het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 349, blz. 8), in het bijzonder de artikelen 2 en 3;
- verordening (EG) nr. 2799/98 van de Raad van 15 december 1998 tot vaststelling van het agromonetaire stelsel voor de euro (PB L 349, blz. 1), in het bijzonder de artikelen 4 en 5 en de bijlage, met name de punten 1 en 2 daarvan;
- verordening (EG) nr. 2808/98 van de Commissie van 22 december 1998 houdende bepalingen voor de toepassing van het agromonetaire stelsel voor de euro in de landbouwsector (PB L 349, blz. 36), en
- verordening (EG) nr. 2813/98 van de Commissie van 22 december 1998 houdende bepalingen voor de toepassing van de overgangsmaatregelen voor de invoering van de euro in het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 349, blz. 48),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: A. La Pergola, kamerpresident, M. Wathelet, D. A. O. Edward, P. Jann (rapporteur) en L. Sevón, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs,
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 18 januari 2001, waarbij de Italiaanse Republiek was vertegenwoordigd door D. Del Gaizo, de Raad door F. Ruggeri Laderchi als gemachtigde, en de Commissie door L. Visaggio als gemachtigde,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 maart 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 17 maart 1999, heeft de Italiaanse Republiek krachtens artikel 173, eerste alinea, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230, eerste alinea, EG) beroep ingesteld tot nietigverklaring van
- verordening (EG) nr. 2800/98 van de Raad van 15 december 1998 houdende overgangsmaatregelen voor de invoering van de euro in het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 349, blz. 8), in het bijzonder de artikelen 2 en 3;
- verordening (EG) nr. 2799/98 van de Raad van 15 december 1998 tot vaststelling van het agromonetaire stelsel voor de euro (PB L 349, blz. 1), in het bijzonder de artikelen 4 en 5 en de bijlage, met name de punten 1 en 2 daarvan;
- verordening (EG) nr. 2808/98 van de Commissie van 22 december 1998 houdende bepalingen voor de toepassing van het agromonetaire stelsel voor de euro in de landbouwsector (PB L 349, blz. 36), en
- verordening (EG) nr. 2813/98 van de Commissie van 22 december 1998 houdende bepalingen voor de toepassing van de overgangsmaatregelen voor de invoering van de euro in het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 349, blz. 48).
Rechtskader
2 Het agromonetaire stelsel van de Gemeenschap strekt ertoe, de invloed te beperken die schommelingen van de wisselkoersen kunnen hebben op de waarde van bedragen die aan landbouwers in de Gemeenschap worden betaald in een bepaalde munt, maar die in de besluiten betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid zijn uitgedrukt in een andere munt of een rekeneenheid.
3 Vóór de invoering, per 1 januari 1999, van de euro als eenheidsmunt in elf lidstaten van de Europese Unie was het agromonetaire stelsel van de Gemeenschap in hoofdzaak gebaseerd op de volgende vier verordeningen:
- verordening (EEG) nr. 3813/92 van de Raad van 28 december 1992 betreffende de rekeneenheid en de omrekeningskoersen die in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid moeten worden toegepast (PB L 387, blz. 1), laatstelijk gewijzigd bij verordening (EG) nr. 150/95 van de Raad van 23 januari 1995 (PB L 22, blz. 1);
- verordening (EG) nr. 1527/95 van de Raad van 29 juni 1995 tot vaststelling van de compenserende steun in verband met de verlaging van de landbouwomrekeningskoersen voor bepaalde valuta's (PB L 148, blz. 1);
- verordening (EG) nr. 2990/95 van de Raad van 18 december 1995 tot vaststelling van de compenserende steun in verband met aanzienlijke verlagingen van de landbouwomrekeningskoersen vóór 1 juli 1996 (PB L 312, blz. 7), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1451/96 van de Raad van 23 juli 1996 (PB L 187, blz. 1);
- verordening (EG) nr. 724/97 van de Raad van 22 april 1997 tot vaststelling van de compenserende en andere maatregelen bij aanzienlijke revaluaties met negatieve gevolgen voor de landbouwinkomens (PB L 108, blz. 9), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 942/98 van de Raad van 20 april 1998 (PB L 132, blz. 1).
4 Bij de invoering van de euro verloor het agromonetaire stelsel zijn bestaansreden voor de lidstaten die overeenkomstig het Verdrag deze munt hadden aangenomen (hierna: deelnemende lidstaten"). Voor de lidstaten die niet overeenkomstig het Verdrag de euro hadden aangenomen (hierna: niet-deelnemende lidstaten"), besloot de gemeenschapswetgever de specifieke landbouwomrekeningskoersen af te schaffen en een op andere beginselen gebaseerd nieuw agromonetair stelsel in te voeren.
5 Met het oog daarop bepaalt artikel 2, leden 1 en 2, van verordening nr. 2799/98:
1. De prijzen en bedragen in de besluiten inzake het gemeenschappelijk landbouwbeleid luiden in euro.
2. Zij worden in de deelnemende lidstaten in euro toegekend of geheven. In de overige lidstaten worden zij aan de hand van de wisselkoers omgerekend in de nationale valuta en, onverminderd het bepaalde in artikel 8, in nationale valuta toegekend of geheven."
6 Artikel 1, sub f, van die verordening geeft de volgende definitie:
In deze verordening wordt verstaan onder:
[...]
f) ,aanzienlijke revaluatie: de situatie waarin het jaargemiddelde van de wisselkoers lager is dan een drempelwaarde gelijk aan de laagste van de volgende waarden: de jaargemiddelden van de omrekeningskoers in de voorbije drie jaren en de wisselkoers op 1 januari 1999."
7 Artikel 4, leden 1 tot en met 4, van de verordening luidt:
1. Wat de prijzen en andere dan de in artikel 5 bedoelde bedragen betreft, mag de lidstaat bij aanzienlijke revaluatie aan de landbouwers compenserende steun toekennen. De steun wordt in drie opeenvolgende tranches van twaalf maanden toegekend vanaf de maand maart die volgt op de aanzienlijke revaluatie.
De compenserende steun mag niet worden toegekend in de vorm van een aan de productie gebonden bedrag, tenzij aan de productie in een vastgelegde voorbije periode. De steun mag niet gericht zijn op een productie of afhankelijk worden gesteld van het bestaan van een productie na die periode.
2. Het maximumbedrag van de eerste tranche van de compenserende steun wordt volgens de procedure van artikel 9 voor de betrokken lidstaat als geheel vastgesteld door het betrokken percentage van aanzienlijke revaluatie te vermenigvuldigen met het overeenkomstig de bijlage, punten 1 tot en met 3, vastgestelde forfaitaire inkomensverlies.
3. In voorkomend geval wordt het maximumbedrag van de eerste tranche gekort of geannuleerd, afhankelijk van de marktsituatie in het jaar aan het einde waarvan de aanzienlijke revaluatie is vastgesteld.
4. Er wordt geen steun toegekend voor het gedeelte van het overeenkomstig lid 2 berekende bedrag beneden 2,6 % aanzienlijke revaluatie."
8 Artikel 5, leden 1 en 2, van de verordening luidt:
1. Wanneer de op de dag van het ontstaansfeit geldende wisselkoers voor:
- per hectare of grootvee-eenheid vastgestelde forfaitaire steun,
of
- een compensatiepremie per ooi of geit,
of
- een bedrag in verband met structurele of milieumaatregelen,
lager is dan de vorige wisselkoers, mag de betrokken lidstaat aan de landbouwers compenserende steun toekennen in drie opeenvolgende tranches van twaalf maanden, die telkens ingaan op de dag van het ontstaansfeit.
De compenserende steun moet worden toegekend als aanvulling van de in de eerste alinea bedoelde steun, premies en bedragen.
2. Het maximumbedrag van de eerste tranche van de compenserende steun wordt volgens de procedure van artikel 9 voor de betrokken lidstaat als geheel vastgesteld overeenkomstig punt 4 van de bijlage. De lidstaat kan echter besluiten dat geen steun wordt toegekend wanneer dit bedrag overeenkomt met een korting van minder dan 0,5 %."
9 De punten 1 en 2 van de bijlage bij verordening nr. 2799/98 luiden:
1. Het in artikel 4, lid 2, van de verordening bedoelde forfaitaire inkomensverlies is gelijk aan:
a) de som van 1 % van:
- de waarde van de eindproductie van de landbouw van de sectoren granen en rijst, suikerbieten, melk en zuivelproducten en rundvlees en
- de waarde van de hoeveelheden producten die zijn geleverd op grond van een contract dat krachtens de gemeenschapswetgeving de betaling van een minimumprijs aan de producent omvat, voor de andere dan de in het eerste streepje genoemde sectoren, en
- de door de producenten ontvangen steunbedragen of premies, met uitzondering van die welke zijn bedoeld in artikel 5;
b) [...]
2. Er wordt geen rekening gehouden met de in punt 1, sub a, tweede en derde streepje, bedoelde bedragen wanneer voor de betrokken sector de som ervan minder bedraagt dan 0,01 % van de waarde van de eindproductie van de landbouw in de betrokken lidstaat.
[...]"
10 Verder was de gemeenschapswetgever van mening, dat de overgang op 31 december 1998 te middernacht van het oude stelsel van landbouwomrekeningskoersen naar de euro en naar het nieuwe agromonetaire stelsel monetaire gevolgen kon hebben die vergelijkbaar waren met een aanzienlijke revaluatie.
11 Daarom bepaalt artikel 1, sub a, van verordening nr. 2800/98:
In afwijking van verordening (EG) nr. 2799/98 geldt voor de toepassing van deze verordening als:
a) aanzienlijke revaluatie: een verlaging van de op 1 januari 1999 geldende omrekeningskoers die in absolute waarde groter is dan elk van de verschillen tussen deze koers en de laagste omrekeningskoersen die van toepassing waren:
- in de laatste twaalf maanden, en
- in de periode van meer dan twaalf, maar niet meer dan 24 maanden geleden, en
- in de periode van meer dan 24, maar niet meer dan 36 maanden geleden.
De in het tweede en derde streepje bedoelde verschillen worden respectievelijk voor tweederde en eenderde van hun waarde in aanmerking genomen."
12 Artikel 2 van verordening nr. 2800/98 luidt:
Wanneer voor een lidstaat de geldende omrekeningskoers van de euro voor de betrokken nationale munteenheid of wisselkoers van de euro voor de betrokken nationale valuta op 1 januari 1999 een aanzienlijke revaluatie ondergaat ten opzichte van de landbouwomrekeningskoers op 31 december 1998, zijn de artikelen 4 en 6 van verordening (EG) nr. 2799/98 van toepassing voor deze aanzienlijke revaluatie en wordt het percentage van aanzienlijke revaluatie bepaald overeenkomstig artikel 1, sub b.
Het overeenkomstig artikel 4, lid 2, van verordening (EG) nr. 2799/98 vastgestelde maximumbedrag wordt geschorst of geannuleerd, afhankelijk van het inkomenseffect van de gedurende de eerste negen maanden van 1999 geconstateerde ontwikkeling van de wisselkoersen."
13 Artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2800/98 luidt:
Wanneer de op de dag van het ontstaansfeit in 1999 geldende omrekeningskoers voor de omrekening van de euro in de nationale munteenheid of de wisselkoers die van toepassing is op:
- per hectare of grootvee-eenheid vastgestelde forfaitaire steun of
- een compensatiepremie per ooi of geit, of
- een bedrag in verband met structuur- of milieumaatregelen,
lager is dan de tevoren toegepaste koers, wordt compenserende steun toegekend.
Het steunbedrag wordt berekend overeenkomstig artikel 5 van verordening (EG) nr. 2799/98.
Onverminderd artikel 6, lid 1, tweede streepje, van die verordening beloopt de bijdrage van de Gemeenschap voor het eerste jaar 100 %."
14 De verordeningen nrs. 2799/98 en 2800/98 zijn ten uitvoer gelegd door de verordeningen nrs. 2808/98 en 2813/98.
Het beroep en de procedure voor het Hof
15 De Italiaanse Republiek vordert dat het Hof de verordeningen, meer bepaald de in punt 1 van het onderhavige arrest genoemde bepalingen, nietig verklaart en de Raad en de Commissie in de kosten verwijst.
16 Tot staving van haar beroep voert zij drie middelen aan. In de eerste plaats was het onwettig om dezelfde voorwaarden te stellen voor de toekenning van compenserende steun bij aanzienlijke revaluaties ten opzichte van de landbouwomrekeningskoers op 31 december 1998 van de omrekeningskoers van de euro voor de nationale munteenheid van een deelnemende lidstaat enerzijds en van de wisselkoers van de euro voor de nationale valuta van een niet-deelnemende lidstaat anderzijds. In de tweede plaats brengen de in artikel 4, lid 2, van verordening nr. 2799/98 en in haar bijlage bedoelde methoden voor de berekening van het forfaitaire inkomensverlies voor bepaalde producten een ongerechtvaardigd nadeel teweeg. In de derde plaats brengen de verschillende voorwaarden voor de franchise voor de prijsinterventie en voor de bedragen van sommige vormen van rechtstreekse steun, bedoeld in artikel 5 van verordening nr. 2799/98 en artikel 3 van verordening nr. 2800/98, een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling mee. Verder leidt de onwettigheid van de verordeningen nrs. 2799/98 en 2800/98 tot de onwettigheid van de verordeningen nrs. 2808/98 en 2813/98.
17 De Raad en de Commissie vorderen dat het Hof het beroep verwerpt en verzoekster in de kosten verwijst.
18 Volgens de Commissie is het beroep overigens niet-ontvankelijk voorzover het betrekking heeft op de verordeningen nrs. 2808/98 en 2813/98.
19 Bij verzoekschrift, neergelegd op 13 september 1999, heeft het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van de Raad en de Commissie.
20 Bij beschikking van de president van het Hof van 11 oktober 1999 is het Verenigd Koninkrijk toegelaten in deze zaak te interveniëren.
21 Bij brief, ingekomen ter griffie van het Hof op 25 januari 2000, heeft het Verenigd Koninkrijk zijn interventie ingetrokken.
22 Bij beschikking van de president van het Hof van 13 maart 2000 is het Verenigd Koninkrijk geschrapt als interveniënt in het geding.
De verordeningen nrs. 2799/98 en 2800/98 van de Raad
Het eerste middel
Argumenten van partijen
23 Volgens de Italiaanse regering is de verwijzing naar artikel 4 van verordening nr. 2799/98 in artikel 2 van verordening nr. 2800/98, waardoor voor de deelnemende lidstaten hetzelfde verbod geldt als voor niet-deelnemende lidstaten - namelijk geen compenserende steun verlenen voor prijzen en andere dan de in artikel 5 van verordening nr. 2799/98 bedoelde bedragen beneden 2,6 % aanzienlijke revaluatie - onverenigbaar met de artikelen 39 EG-Verdrag (thans artikel 33 EG) en 40 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 34 EG) en met het evenredigheidsbeginsel.
24 Voor de munten van de niet-deelnemende lidstaten lijkt het feit dat een aanzienlijke revaluatie slechts een recht op compensatie kan verlenen voor het deel boven de franchise van 2,6 %, immers gerechtvaardigd wegens de onzekerheid over de latere ontwikkeling van de koers van die munten. Voor de munten van de deelnemende lidstaten kan een wisselkoersschommeling vanaf 1 januari 1999 daarentegen een reële wijziging meebrengen, maar geen nominale wijziging van de prijzen en communautaire bedragen. Het inkomensverlies bij de overgang naar de eenheidsmunt hangt niet meer af van de latere monetaire evolutie, die beperkt blijft tot de verhouding met de Amerikaanse dollar. De toepassing van de franchise van 2,6 % is dus niet gerechtvaardigd, omdat zij komt bovenop het filtereffect van het criterium van de aanzienlijke revaluatie. Verzoekster staaft deze bewering met een verwijzing naar de evolutie van de koers van de euro ten opzichte van de dollar.
25 Zij voegt daaraan toe, dat de franchise van 2,6 % is ingevoerd bij verordening nr. 942/98 houdende wijziging van verordening nr. 724/97. Deze franchiseregeling verschilt wezenlijk van de vroegere regelingen. Zij heeft tot doel om met het oog op de invoering van de euro het hoofd te bieden aan de ongunstige gevolgen van valutaspeculaties, die niet naderhand kunnen worden gecompenseerd door instrumenten die het evenwicht herstellen.
26 Volgens verzoekster was het onnodig om voor de deelnemende lidstaten te voorzien in mechanismen om bij de overgang naar de euro de compenserende steun te matigen. De in het eerste semester van 1998 geldende regeling, die niet voorzag in een franchise van 2,6 %, had immers opnieuw kunnen worden ingevoerd. De gemeenschapswetgever had voor de deelnemende lidstaten hoe dan ook kunnen voorzien in een lager kortingspercentage dan voor de niet-deelnemende lidstaten.
27 Bovendien valt het bij de verordeningen nrs. 2799/98 en 2800/98 ingevoerde mechanisme nadelig uit voor de deelnemende lidstaten, doordat het hen belet compenserende steun te krijgen voor aanzienlijke revaluaties in de jaren vóór de invoering van de euro.
28 De Raad betoogt, dat met betrekking tot de compenserende steun eerst moet worden vastgesteld, of de munt van een lidstaat al dan niet aanzienlijk is gerevalueerd. In dat stadium heeft de aanneming van de euro door een lidstaat stellig invloed op het bestaan van een aanzienlijke revaluatie. In een tweede fase moeten de bepalingen worden toegepast die het verlenen van compenserende steun regelen. Op dat ogenblik is het onderscheid tussen deelnemende en niet-deelnemende lidstaten niet meer van belang. Het is dan ook niet gehanteerd als criterium op grond waarvan de toepassing van die bepalingen kan variëren.
29 De Raad en de Commissie herinneren eraan, dat de gemeenschapsinstellingen bij het nastreven van de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikken, en dat het rechterlijk toezicht niet in de plaats mag komen van die bevoegdheid en beperkt moet blijven tot eventuele kennelijke fouten, misbruik van bevoegdheid of kennelijke overschrijding van de grenzen van de beoordelingsbevoegdheid. In casu stelt de Commissie, dat verzoekster niet heeft aangetoond, dat de toepassing van dezelfde regeling op verschillende aanzienlijke revaluaties van de omrekeningskoersen kennelijk onlogisch is. Verzoekster heeft evenmin aangetoond, dat de desbetreffende motivering in de derde overweging van de considerans van verordening nr. 2800/98 een gebrek vertoont.
30 Volgens de Commissie rechtvaardigt het feit dat de munten van de niet-deelnemende lidstaten blijven schommelen ten opzichte van de euro, terwijl de euro de munt is van de deelnemende lidstaten, dat een agromonetair stelsel wordt gehandhaafd enkel voor de munten van de niet-deelnemende lidstaten. Dat belet echter niet, dat op 1 januari 1999 zowel voor de deelnemende als de niet-deelnemende lidstaten aanzienlijke revaluaties hebben plaatsgevonden ten opzichte van de vroeger in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid gehanteerde wisselkoersen.
31 De Commissie voegt daaraan toe, dat de toepassing van de franchise van 2,6 % gerechtvaardigd is doordat kleine prijsschommelingen geen merkbare gevolgen hebben voor de landbouwinkomens. Derhalve moeten overcompensaties worden vermeden, die ongerechtvaardigde steun zouden opleveren en de mededinging in de gemeenschappelijke markt zouden verstoren. In de vijfde overweging van de considerans van verordening nr. 942/98 komt duidelijk de wil tot uiting om het gevaar voor overcompensatie bij aanzienlijke revaluaties van geringe omvang te voorkomen.
32 De Commissie betwist eveneens, dat de franchise van 2,6 % bij wege van uitzondering is ingevoerd omdat werd gevreesd voor bijzondere druk van speculanten in de maanden vóór de invoering van de euro. Sinds 3 mei 1998 kenden de markten de bilaterale omrekeningskoersen die per 1 januari 1999 van toepassing zouden zijn op de munteenheden van de deelnemende lidstaten.
33 Bovendien is het onjuist te stellen, dat de deelnemende lidstaten ten onrechte worden benadeeld met betrekking tot aanzienlijke revaluaties in de jaren vóór de invoering van de euro. De verordeningen nrs. 2799/98 en 2800/98 beletten immers niet, dat nog compenserende steun wordt verleend voor aanzienlijke revaluaties die in die jaren hebben plaatsgevonden. Bovendien mogen de niet-deelnemende lidstaten op grond van de definitie van aanzienlijke revaluatie in artikel 1, sub f, van verordening nr. 2799/98 revaluaties vóór en na 1 januari 1999 niet cumuleren.
Beoordeling door het Hof
34 Voorzover het eerste middel is gebaseerd op schending van artikel 39 van het Verdrag en van het evenredigheidsbeginsel, moet het meteen worden afgewezen, daar verzoekster die grieven niet nader heeft uitgewerkt in haar betoog.
35 Voor de beoordeling van het eerste middel volstaat het derhalve, de grief te onderzoeken die is ontleend aan schending van het in artikel 40 van het Verdrag neergelegde beginsel van gelijke behandeling. Voor het bestaan van een dergelijke schending is vereist, dat revaluaties bij de overgang naar de euro wezenlijk verschillende gevolgen hebben voor de munten van de deelnemende lidstaten en van de niet-deelnemende lidstaten, zodat een verschillende behandeling noodzakelijk is.
36 Nu vergelijking van die gevolgen de beoordeling van een ingewikkelde economische situatie vereist, zij eraan herinnerd, dat de gemeenschapswetgever volgens de rechtspraak van het Hof over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt en dat de gemeenschapsrechter bij zijn controle op de wettigheid van de uitoefening van die vrijheid zijn beoordeling niet voor die van de bevoegde instantie in de plaats mag stellen, maar alleen mag nagaan, of daarbij geen kennelijke dwaling of misbruik is begaan en of het betrokken gezagsorgaan zich niet kennelijk buiten de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid heeft begeven (zie arrest van 5 oktober 1999, Spanje/Raad, C-179/95, Jurispr. blz. I-6475, punt 29).
37 In casu heeft verzoekster geen misbruik van bevoegdheid aangevoerd en evenmin aangetoond dat de Raad een kennelijke dwaling heeft begaan of zich kennelijk buiten de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid heeft begeven.
38 In de eerste plaats staat vast dat, zoals de Raad in de derde overweging van de considerans van verordening nr. 2800/98 heeft verklaard, de afschaffing van de landbouwomrekeningskoers per 1 januari 1999 hetzelfde effect kon hebben als een aanzienlijke revaluatie, zodat het verantwoord was te voorzien in de mogelijkheid compenserende steun toe te kennen. Bij de overgang van het oude naar het nieuwe agromonetaire stelsel moest immers eerst voor alle betrokken munten worden nagegaan of zij aanzienlijk waren gerevalueerd.
39 In de tweede plaats lijkt het noch onlogisch, noch incoherent dat de gemeenschapswetgever voor de toekenning van deze compenserende steun dezelfde regels heeft vastgesteld als in verordening nr. 2799/98 voor het agromonetaire stelsel voor de euro, met inbegrip van de toepassing van de franchise van 2,6 % aanzienlijke revaluatie.
40 Dienaangaande wordt in de vijfde overweging van de considerans van verordening nr. 942/98, waarbij die franchise is ingevoerd, gewag gemaakt van de wens om het gevaar voor overcompensatie bij aanzienlijke revaluaties van geringe omvang te voorkomen. Verzoekster heeft niet kunnen aantonen dat die regeling ertoe strekte, valutaspeculatie te beletten. Verordening nr. 942/98 is immers pas op 7 mei 1998 in werking getreden en was slechts van toepassing op aanzienlijke revaluaties die op of na 1 mei 1998 plaatsvonden, terwijl de bilaterale pariteiten tussen de munten van de deelnemende lidstaten bekend waren sinds 3 mei 1998, zodat vanaf die datum elke speculatie over de ontwikkeling van de wisselkoers van die munten onderling was uitgesloten.
41 Verzoekster heeft evenmin aangetoond, dat de Raad rekening had moeten houden met het feit dat voor de deelnemende lidstaten een aanzienlijke revaluatie van minder dan 2,6 % niet langer tot een latere compensatie kon leiden.
42 Aangezien allereerst vanaf 1 januari 1999 de revaluatie voor de deelnemende lidstaten niet meer kon toenemen, zijn er immers geen gebeurtenissen meer die de toekenning van compensatie rechtvaardigen. Zoals de Commissie verder heeft gesteld zonder door verzoekster te worden weersproken, belet de definitie van aanzienlijke revaluatie in artikel 1, sub f, van verordening nr. 2799/98 de niet-deelnemende lidstaten, aanzienlijke revaluaties vóór en na 1 januari 1999 bij elkaar op te tellen om de grens van 2,6 % te bereiken. Ten slotte kan op grond van artikel 2, tweede alinea, van verordening nr. 2800/98 voor de niet-deelnemende lidstaten de compenserende steun worden geschorst of geannuleerd, afhankelijk van de gedurende de eerste negen maanden van 1999 geconstateerde ontwikkeling van de wisselkoersen.
43 Uit al deze elementen blijkt, dat de uniforme toepassing van een franchise van 2,6 % in verordening nr. 2800/98 niet het gevolg is van een kennelijk onjuiste beoordeling van de situatie van de deelnemende en de niet-deelnemende lidstaten.
44 In de derde plaats heeft verordening nr. 2800/98, anders dan verzoekster stelt, de mogelijkheid dat deelnemende lidstaten compenserende steun verlenen voor aanzienlijke revaluaties die hebben plaatsgevonden vóór de invoering van de euro, niet beïnvloed.
45 Ten slotte moet het argument worden afgewezen dat verzoekster ontleent aan de evolutie van de euro ten opzichte van de Amerikaanse dollar. De gegrondheid van dit argument veronderstelt immers dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid tot doel heeft, de waarde van de landbouwinkomens in de Gemeenschap ten opzichte van de dollar te waarborgen, hetgeen verzoekster niet heeft aangetoond.
46 Bijgevolg heeft verzoekster niet aangetoond, dat de Raad een kennelijke dwaling heeft begaan of zich kennelijk buiten de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid heeft begeven door in artikel 2 van verordening nr. 2800/98 de toekenning van compenserende steun bij aanzienlijke revaluaties ten opzichte van de landbouwomrekeningskoers op 31 december 1998 van enerzijds de omrekeningskoers van de euro voor de nationale munteenheid van een deelnemende lidstaat en anderzijds de wisselkoers van de euro voor de nationale valuta van een niet-deelnemende lidstaat, aan dezelfde voorwaarden te onderwerpen.
47 Het eerste middel moet dan ook worden afgewezen.
Het tweede en het derde middel
Argumenten van partijen
48 Met het tweede middel van haar beroep stelt de Italiaanse regering, dat de bepalingen voor de toepassing van de compensatieregeling in artikel 4 van verordening nr. 2799/98, waarnaar artikel 2 van verordening nr. 2800/98 verwijst, bepaalde producten ten onrechte benadelen. Dat geldt meer bepaald voor de in de punten 1 tot en met 3 van de bijlage bij verordening nr. 2799/98 vastgestelde methoden voor de berekening van het forfaitaire inkomensverlies.
49 Terwijl voor de landbouwsectoren die rechtstreeks worden beschermd in het kader van specifieke marktordeningen, de gehele productie in aanmerking wordt genomen, wordt voor producties met een indirecte of mogelijke garantie immers slechts rekening gehouden met het bedrag van de steuninterventie. Punt 2 van de bijlage bij verordening nr. 2799/98 maakt in de praktijk compensaties voor deze laatste producties trouwens onmogelijk, daar de omvang van de interventies niet in absolute waarde wordt beoordeeld, maar in verhouding tot de nationale productie in de betrokken sector. De sectoren met een indirecte garantie worden dus zonder rechtvaardiging gediscrimineerd.
50 De Italiaanse regering stelt dan ook, dat artikel 4, lid 2, en de bijlage bij verordening nr. 2799/98 alsook artikel 2 van verordening nr. 2800/98 indruisen tegen de artikelen 39 en 40 van het Verdrag, het beginsel van gelijke behandeling en het evenredigheidsbeginsel. Verder schenden die bepalingen wezenlijke vormvoorschriften nu zij niet zijn gemotiveerd.
51 Met het derde middel van haar beroep komt de Italiaanse regering op tegen artikel 5 van verordening nr. 2799/98, waarnaar artikel 3 van verordening nr. 2800/98 verwijst en dat voor bepaalde producties voorziet in een bijzonder gunstige regeling inzake compenserende steun. Voor deze ongelijke behandeling, die de mediterrane culturen benadeelt, ontbreekt een wettelijke grondslag en een geldige rechtvaardiging. Dat in de vijfde overweging van de considerans van verordening nr. 2799/98 en de vierde overweging van de considerans van verordening nr. 2800/98 sprake is van compensatie volgens specifieke regels die aangepast zijn aan de aard van de steunbedragen, levert geen toereikende motivering op.
52 De Italiaanse regering stelt dan ook, dat artikel 5 van verordening nr. 2799/98 en artikel 3 van verordening nr. 2800/98 indruisen tegen de artikelen 39 en 40 van het Verdrag, het beginsel van gelijke behandeling en het evenredigheidsbeginsel. Verder schenden die bepalingen wezenlijke vormvoorschriften en leveren zij misbruik van bevoegdheid op.
53 De Raad verwijst met betrekking tot het tweede en het derde middel naar de ruime beoordelingsmarge waarover de gemeenschapswetgever beschikt. Aangaande de motivering van de verordeningen nrs. 2799/98 en 2800/98 wijst hij op de rechtspraak van het Hof, volgens welke in de motivering kan worden volstaan met vermelding van het geheel der omstandigheden die tot de vaststelling van de betrokken handeling hebben geleid en van haar algemene doelstellingen (arrest van 13 maart 1968, Beus, 5/67, Jurispr. blz. 119, 135).
54 Met betrekking tot het tweede middel herinnert de Commissie eraan, dat volgens verzoeksters argumenten de betrokken bepalingen discriminerend zijn. Zij stelt dienaangaande, dat de modaliteiten voor de berekening van het forfaitaire inkomensverlies slechts de voortzetting zijn van de vroegere regeling, die haar deugdelijkheid sinds lang bewezen heeft. Die regeling is gebaseerd op het onderscheid tussen sectoren waarin de marktprijzen getrouw de interventieprijzen volgen, en sectoren waarin interventiemaatregelen een veel indirecter gevolg hebben en enkel aanzienlijke invloed hebben op de inkomsten die de landbouwers rechtstreeks betrekken uit bepaalde interventiemaatregelen.
55 In het bijzonder in de sectoren granen en rijst, suikerbieten, melk en zuivelproducten alsmede rundvlees hebben de in de verschillende gemeenschappelijke marktordeningen voorziene steunmaatregelen een rechtstreekse invloed op de prijzen van de gehele productie, zodat de agromonetaire schommelingen van de interventieprijzen een weerslag hebben op de prijzen van de gehele sector. In andere sectoren is de invloed van de interventiemaatregelen daarentegen beperkter.
56 Verzoekster heeft geen enkel feit aangevoerd waaruit blijkt, dat de modaliteiten voor de berekening van het forfaitaire inkomensverlies tot discriminatie leiden. Zij heeft dus niet aangetoond, dat de gemeenschapswetgever kennelijk de grenzen van zijn beoordelingsvrijheid heeft overschreden, noch a fortiori dat hij zijn bevoegdheid heeft misbruikt.
57 Bovendien levert de vierde overweging van de considerans van verordening nr. 2799/98 een motivering op die geheel beantwoordt aan de in de rechtspraak gestelde eisen.
58 Wat het derde middel betreft merkt de Commissie op, dat in het communautaire landbouwrecht niet één begrip rechtstreekse steun bestaat. Dat de in artikel 5 van verordening nr. 2799/98 bedoelde steun, voor andere doeleinden en in het kader van een regeling betreffende andere vraagstukken, verbonden is met steun die niet onder deze bepaling valt, betekent niet, dat die steun van dezelfde aard is of aan dezelfde agromonetaire regels moet worden onderworpen.
59 De Commissie merkt verder op, dat in Italië niet alleen mediterrane gewassen worden geteeld, maar ook de in artikel 5 van verordening nr. 2799/98 bedoelde producten, terwijl de producten die niet onder artikel 5 vallen, in alle lidstaten worden geproduceerd. Er is dus geen sprake van discriminatie tussen lidstaten.
60 Volgens de Commissie is de keuze van de criteria op grond waarvan de in artikel 5 van verordening nr. 2799/98 bedoelde steun kan worden onderscheiden van steun die daar niet onder valt, het gevolg van ingewikkelde beoordelingen en discretionaire keuzen die in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid toekomen aan de gemeenschapsinstellingen. Verzoekster heeft niet aangetoond, dat de instellingen kennelijk zonder rechtvaardiging of onlogisch hebben gehandeld of hun bevoegdheid hebben misbruikt.
Beoordeling door het Hof
61 Deze twee middelen moeten tezamen worden onderzocht en meteen worden afgewezen voorzover zij zijn gebaseerd op schending van artikel 39 van het Verdrag en misbruik van bevoegdheid, aangezien verzoekster die grieven niet met argumenten heeft gestaafd.
62 Wat de andere in die middelen aangevoerde grieven betreft, moet worden vastgesteld, dat de gemeenschapswetgever bij de vaststelling van de steunmaatregelen die voor elke landbouwproductie moeten worden genomen, over een ruime beoordelingsmarge beschikt en dat de door de gemeenschapsrechter daarop uitgeoefende controle derhalve binnen de in punt 36 van het onderhavige arrest genoemde grenzen moet blijven.
63 Aangaande de motivering van een handeling waarmee de gemeenschapswetgever dergelijke keuzen maakt, zij eraan herinnerd, dat zij de redenering van de gemeenschapsinstelling die de handeling heeft verricht, weliswaar duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen, doch dat het niet noodzakelijk is, dat alle relevante gegevens, feitelijk of rechtens, erin worden gespecificeerd. Meer in het bijzonder kan niet worden verlangd, dat de motivering een gedetailleerde opsomming geeft van de soms talrijke en ingewikkelde feiten met het oog waarop een verordening is vastgesteld, en mag zeker niet een min of meer volledige beoordeling van die feiten worden verwacht (zie met name arrest van 17 september 1998, Pontillo, C-372/96, Jurispr. blz. I-5091, punt 36).
64 Bij de vraag of de motiveringsplicht is nagekomen, moet overigens niet alleen acht worden geslagen op de bewoordingen van de aangevochten handeling, doch ook op de context waarin zij is vastgesteld, en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen. Indien de essentie van het door de instelling nagestreefde doel uit de betwiste handeling blijkt, zou het derhalve nutteloos zijn, voor elke technische keuze van deze instelling een specifieke motivering te verlangen (arrest van 29 februari 1996, Commissie/Raad, C-122/94, Jurispr. blz. I-881, punt 29).
65 In de vierde overweging van de considerans van verordening nr. 2799/98 heeft de gemeenschapsrechter overwogen, dat bij een belangrijke revaluatie die van invloed kan zijn op de prijzen en andere bedragen dan de directe steunbedragen, de landbouwinkomens onder bepaalde omstandigheden kunnen dalen.
66 In de vijfde overweging van de considerans van die verordening heeft hij voorts overwogen, dat het effect van belangrijke revaluaties voor de hoogte van bepaalde directe steunbedragen in nationale valuta gecompenseerd moet kunnen worden volgens aan de aard van deze steunbedragen aangepaste specifieke regels.
67 Blijkens deze motivering was de gemeenschapswetgever van mening, dat afzonderlijke compensatieregelingen moesten worden ingevoerd naargelang de gevolgen die monetaire revaluaties konden hebben voor de landbouwinkomens.
68 Verzoekster heeft niet aangetoond dat die opvatting, waarvoor de Commissie een gedetailleerde en overtuigende uitleg heeft gegeven, kennelijk onjuist is.
69 Zoals de advocaat-generaal in punt 61 van zijn conclusie heeft opgemerkt, vormen de gelaakte bepalingen trouwens de voortzetting van de vroegere regeling. Zo is het onderscheid tussen de in respectievelijk de artikelen 4 en 5 van verordening nr. 2799/98 bedoelde categorieën overgenomen uit verordening nr. 3813/92, terwijl de in artikel 4 van verordening nr. 2799/98 en de bijlage daarbij voorziene methoden voor de berekening van het forfaitaire inkomensverlies reeds in de artikelen 4 en 6 van verordening nr. 724/97 en de bijlage daarbij voorkwamen.
70 Verzoekster heeft niet aangetoond dat de gemeenschapswetgever, door in de regeling voor compenserende steun te voorzien in verschillen tussen bepaalde categorieën producten, de grenzen van zijn beoordelingsvrijheid kennelijk heeft overschreden. Zij heeft evenmin bewezen, dat de context van de invoering van de euro enige invloed heeft op de juistheid van het voordien gemaakte onderscheid.
71 Derhalve moeten ook het tweede en het derde middel worden afgewezen.
De verordeningen nrs. 2808/98 en 2813/98 van de Commissie
72 Volgens verzoekster leidt de onwettigheid van de verordeningen nrs. 2799/98 en 2800/98 tot onwettigheid van de verordeningen nrs. 2808/98 en 2813/98.
73 Nu alle tegen de verordeningen nrs. 2799/98 en 2800/98 aangevoerde middelen zijn afgewezen, moet het beroep ook worden verworpen voorzover het betrekking heeft op de verordeningen nrs. 2808/98 en 2813/98, zonder dat behoeft te worden beslist of het beroep op dat punt ontvankelijk is.
74 Uit een ander volgt, dat het beroep in zijn geheel moet worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
75 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Italiaanse Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Raad en de Commissie in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst de Italiaanse Republiek in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy