Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Partijen
In zaak C-118/99,
Franse Republiek, vertegenwoordigd door J.-F. Dobelle, K. Rispal-Bellanger en C. Vasak als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
ondersteund door
Republiek Finland, vertegenwoordigd door T. Pynnä als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
interveniënte,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Oliver als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 1999/187/EG van de Commissie van 3 februari 1999 betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de lidstaten voor het begrotingsjaar 1995 hebben ingediend in verband met de door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven (PB L 61, blz. 37), voor het gedeelte dat de Franse Republiek betreft,
wijstHET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: F. Macken, kamerpresident (rapporteur), N. Colneric, C. Gulmann, R. Schintgen en V. Skouris, rechters,
advocaat-generaal: S. Alber,
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 25 januari 2001,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 maart 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 12 april 1999, heeft de Franse Republiek krachtens artikel 173 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230 EG) verzocht om gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 1999/187/EG van de Commissie van 3 februari 1999 betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de lidstaten voor het begrotingsjaar 1995 hebben ingediend in verband met de door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven (PB L 61, blz. 37; hierna: "bestreden beschikking"), voor het gedeelte dat haar betreft.
2 Het beroep strekt tot nietigverklaring van deze beschikking, voorzover de Commissie een forfaitaire correctie van 2 % heeft toegepast op de uitgaven die zijn gedeclareerd als compensatiebedragen voor bepaalde akkerbouwgewassen tijdens de oogst 1994, zodat zij heeft besloten een bedrag van 567 733 352 FRF niet ten laste van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (hierna: "EOGFL") te brengen.
Rechtskader
3 Blijkens artikel 1, lid 2, sub b, van verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 94, blz. 13), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1287/95 van de Raad van 22 mei 1995 (PB L 125, blz. 1; hierna: "verordening nr. 729/70"), financiert het EOGFL, afdeling Garantie, onder meer de interventies ter regulering van de landbouwmarkten.
4 Artikel 5, lid 2, sub c, vierde alinea, van verordening nr. 729/70 bepaalt:
"De Commissie bepaalt de te onttrekken bedragen met name aan de hand van de draagwijdte van de niet met de voorschriften strokende uitvoering. De Commissie houdt daarbij rekening met de aard en de ernst van de overtreding, alsmede met de voor de Gemeenschap ontstane financiële schade."
5 Artikel 8, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 729/70 luidt:
"De lidstaten treffen, overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, de nodige maatregelen om:
- zich ervan te vergewissen dat de door het Fonds gefinancierde maatregelen daadwerkelijk en op regelmatige wijze werden uitgevoerd;
- onregelmatigheden te voorkomen en te vervolgen,
- de ingevolge onregelmatigheden of nalatigheden verloren gegane bedragen terug te vorderen."
6 Blijkens artikel 8, lid 2, eerste alinea, van deze verordening draagt de Gemeenschap niet de financiële gevolgen van de onregelmatigheden of nalatigheden die aan de overheidsdiensten of organen van de lidstaten te wijten zijn.
7 De specifieke bepalingen tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen worden vastgesteld in verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad van 30 juni 1992 (PB L 181, blz. 12), waarvan artikel 2 bepaalt, dat de in de Gemeenschap gevestigde producenten van akkerbouwgewassen onder de in titel I aangegeven voorwaarden een per hectare vastgesteld compensatiebedrag kunnen aanvragen.
8 Volgens artikel 10, lid 3, eerste volzin, van verordening nr. 1765/92 dient de bij deze verordening ingestelde steunaanvraag "oppervlakten" vergezeld te gaan van gegevens waarmee de betrokken oppervlakte kan worden geïdentificeerd.
9 In artikel 1, lid 1, sub a, van verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad van 27 november 1992 tot instelling van een geïntegreerd beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (PB L 355, blz. 1), wordt bepaald:
"Elke lidstaat voert een geïntegreerd beheers- en controlesysteem in, hierna $geïntegreerd systeem' genoemd, dat van toepassing is op:
a) in de sector van de plantaardige productie:
- de steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen, ingesteld bij verordening (EEG) nr. 1765/92."
10 Artikel 2 van deze verordening luidt:
"Het geïntegreerd systeem omvat de volgende onderdelen:
a) een databank;
b) een alfanumeriek systeem voor de identificatie van de percelen landbouwgrond;
c) een alfanumeriek systeem voor de identificatie en de registratie van de dieren;
d) steunaanvragen;
e) een geïntegreerd controlesysteem."
11 Blijkens artikel 13 van verordening nr. 3508/92, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2466/96 van de Raad van 17 december 1996 (PB L 335, blz. 1), is het geïntegreerd beheers- en controlesysteem (hierna: "GBCS") van toepassing met ingang van 1 februari 1993 voor de steunaanvragen, het alfanumeriek systeem voor de identificatie en registratie van runderen, alsmede het in artikel 7 bedoelde geïntegreerd controlesysteem, en met ingang van 1 januari 1997 voor de andere in artikel 2 bedoelde onderdelen.
12 Artikel 4, lid 1, eerste alinea, van verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie van 23 december 1992 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (PB L 391, blz. 36), luidt:
"Onverminderd de eisen die in de sectoriële verordeningen worden gesteld, moet een steunaanvraag $oppervlakten' alle nodige gegevens bevatten, en met name:
- de identificatie van het bedrijfshoofd,
- de voor de identificatie van alle percelen landbouwgrond van het bedrijf benodigde gegevens, de oppervlakte van deze percelen, hun ligging, het gebruik ervan, eventueel het feit dat het om een geïrrigeerd perceel gaat, en de betrokken steunregeling,
- een verklaring van de producent dat hij kennis heeft genomen van de voorwaarden voor toekenning van de betrokken steun."
13 Artikel 6, leden 1 tot en met 3, van deze verordening bepaalt:
"1. De administratieve controles en de controles ter plaatse worden uitgevoerd op zodanige wijze dat een doeltreffende verificatie van de naleving van de voorwaarden voor toekenning van de steunbedragen en premies is gewaarborgd.
2. De in artikel 8, lid 1, van verordening (EEG) nr. 3508/92 bedoelde administratieve controle omvat met name kruiscontroles betreffende de aangegeven percelen en dieren om elke onrechtmatige dubbele toekenning van steun voor hetzelfde kalenderjaar te voorkomen.
3. De controles ter plaatse betreffen ten minste een belangrijke steekproef uit de aanvragen. Deze steekproef moet bestaan uit ten minste:
- (...)
- 5 % van de steunaanvragen $oppervlakten', welk percentage evenwel slechts 3 % is voor de steunaanvragen $oppervlakten' boven het aantal van 700 000 per lidstaat en per kalenderjaar.
Indien bij bezoeken ter plaatse belangrijke onregelmatigheden in een regio of deelregio worden geconstateerd, nemen de bevoegde instanties de volgende maatregelen voor deze regio of deelregio: in het lopende jaar verrichten zij extra controles en zij verhogen het in het volgende jaar te controleren percentage aanvragen."
14 In artikel 17, lid 1, van verordening nr. 3887/92 wordt bepaald:
"Voorzover in het kader van artikel 13 van verordening (EEG) nr. 3508/92 sommige onderdelen van het geïntegreerde systeem nog niet van toepassing zijn, neemt elke lidstaat de nodige maatregelen voor de toepassing van beheers- en controlemaatregelen die de inachtneming van de voorwaarden voor de toekenning van de betrokken steun garanderen."
15 Volgens artikel 19 van verordening nr. 3887/92 is de verordening van toepassing met ingang van 1 februari 1993.
16 Ten slotte volgt uit artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1287/95, dat de weigeringen van financiering, bedoeld in artikel 5, lid 2, sub c, van verordening nr. 729/70, niet de uitgaven kunnen betreffen die zijn aangegeven uit hoofde van een aan 16 oktober 1992 voorafgaand begrotingsjaar.
De berekening van de correcties (rapport-Belle)
17 Het rapport-Belle van de Commissie (document nr. VI/216/93 van 1 juni 1993) bevat de te volgen richtsnoeren voor het geval jegens een lidstaat financiële correcties moeten worden toegepast.
18 Naast de drie voornaamste berekeningstechnieken stelt het rapport-Belle voor moeilijke gevallen drie categorieën forfaitaire correcties voor:
"A. 2 % van de uitgaven: wanneer de onvolkomenheid minder belangrijke onderdelen van het controlesysteem of de uitvoering van controles die niet onontbeerlijk zijn om zich van de rechtmatigheid van de uitgaven te kunnen vergewissen betreft, zodat redelijkerwijze mag worden aangenomen dat het risico voor financieel verlies ten nadele van het EOGFL gering was.
B. 5 % van de uitgaven: wanneer de onvolkomenheid belangrijke onderdelen van het controlesysteem of de uitvoering van controles die van belang zijn om zich van de rechtmatigheid van de uitgaven te kunnen vergewissen betreft, zodat redelijkerwijze mag worden aangenomen dat er een belangrijk risico voor financieel verlies voor het EOGFL bestond.
C. 10 % van de uitgaven: wanneer het controlesysteem in zijn geheel wezenlijke gebreken vertoont of wanneer de uitvoering van controles die onontbeerlijk zijn om zich van de rechtmatigheid van de uitgaven te kunnen vergewissen, te wensen overlaat, zodat redelijkerwijze mag worden aangenomen dat er een groot risico bestond voor financieel verlies op ruime schaal voor het EOGFL."
19 De richtsnoeren bepalen voorts, dat indien er twijfel bestaat omtrent de keuze van de toe te passen correctie, de volgende punten als verzachtende omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen:
"- de nationale autoriteiten hebben de nodige maatregelen getroffen om de onvolkomenheden, zodra zij aan het licht kwamen, te verhelpen;
- de ontoereikende controles waren het gevolg van moeilijkheden bij de interpretatie van voorschriften van de Gemeenschap."
De feiten
20 Blijkens de stukken hebben de Franse autoriteiten in 1994 van de producenten van bepaalde akkerbouwgewassen niet verlangd, dat zij stelselmatig bij hun steunaanvraag op grond van verordening nr. 1765/92 het overzicht betreffende "oppervlakten" voegen, hoewel de producenten dit document van de Mutualité sociale agricole (hierna: "MSA-overzicht") hadden ontvangen.
21 Bij brief van 18 mei 1994 heeft de Commissie de Franse autoriteiten verweten, dat de dossiers betreffende steunaanvragen in strijd met de regeling inzake het GBCS geen gegevens bevatten waarmee alle percelen landbouwgrond konden worden geïdentificeerd.
22 Bij brief van 14 juni 1994 hebben de Franse autoriteiten de Commissie meegedeeld, dat gelet op haar opmerkingen besloten was, boven de "belangrijke steekproef", die volgens artikel 6, lid 3, tweede streepje, van verordening nr. 3887/92 op 5 % van de steunaanvragen wordt bepaald, ten minste 10 000 extra controles te verrichten.
23 Op 9 juli 1997 heeft de Commissie de Franse autoriteiten onder meer verweten, dat zij van de landbouwers niet de overlegging van hun MSA-overzicht verlangden, en heeft zij te kennen gegeven, dat dit "verzuim (...) niet volledig door een verdubbeling van het controlepercentage en door andere maatregelen van de Franse autoriteiten kan worden gecompenseerd". Zij verklaarde, dat de onvolkomenheid volgens haar beperkt was tot minder belangrijke onderdelen van het controlesysteem en dat zij voornemens was een forfaitaire correctie van 2 % toe te passen. Zij voegde er evenwel aan toe, dat het denkbaar was dat er sprake was van een onvolkomenheid betreffende belangrijke onderdelen van het controlesysteem, met name doordat kruiscontroles vrijwel ontbraken, de controles ter plaatse door onvoldoende geschoold personeel en met weinig gebruikmaking van teledetectie van geringe kwaliteit waren, en het aantal controles niet was opgevoerd hoewel bij de gecontroleerde aanvragen een groot aantal fouten was geconstateerd.
24 Bij brief van 11 mei 1998 heeft de Commissie de Franse autoriteiten officieel ervan in kennis gesteld, dat op de compensatiebedragen die in de loop van het betrokken begrotingsjaar aan de producenten van bepaalde akkerbouwgewassen waren betaald, een correctie van 2 % werd toegepast. Hoewel zij stilzwijgend de verhoging van het aantal controles als compensatie voor het ontbreken van de MSA-overzichten in de steunaanvragen had aanvaard, liet de kwaliteit van deze controles volgens haar te wensen over.
25 Op 23 november 1998 heeft het door de Franse autoriteiten ingeschakelde bemiddelingsorgaan zijn eindrapport uitgebracht. Blijkens dit rapport voerde de Commissie de "gebrekkige kwaliteit van de controles door de Franse autoriteiten" als reden voor haar correctievoorstel aan, welke reden volgens het bemiddelingsorgaan "kennelijk minder objectief was dan het op het ontbreken van de MSA-overzichten gebaseerde correctievoorstel". Volgens dit orgaan werd een financiële correctie door het tekortschieten van de nationale controles gerechtvaardigd. Ondanks dat de vastgestelde tekortkomingen een stelselmatig karakter hadden, leken zij moeilijk naar het gehele Franse grondgebied te kunnen worden geëxtrapoleerd en waren in casu de grenzen van de toepassingsmogelijkheden van de financiële correcties bereikt.
26 Van mening dat de werkelijke hoogte van de onregelmatige uitgaven in dit specifiek geval niet kon worden bepaald, heeft de Commissie derhalve de bestreden beschikking vastgesteld.
Het beroep
27 In het kader van dit beroep concludeert de Franse Republiek, dat het het Hof behage de bestreden beschikking nietig te verklaren voor het gedeelte dat haar betreft, en de Commissie te verwijzen in de kosten.
28 De Commissie concludeert tot verwerping van het beroep en tot verwijzing van verzoekster in de kosten.
29 Bij beschikking van de president van het Hof van 18 november 1999 is de Republiek Finland toegelaten tot interventie ter ondersteuning van verzoeksters conclusies.
30 De Republiek Finland concludeert dat het het Hof behage, het beroep van de Franse Republiek tegen de Commissie gegrond te verklaren.
Het eerste middel
31 De Franse Republiek verwijt de Commissie, dat zij aan de bevinding dat de controles van onvoldoende kwaliteit waren, buitensporige financiële gevolgen heeft verbonden.
32 In 1994 waren door de diensten van de Commissie slechts acht bedrijven in twee departementen gecontroleerd, wat neerkwam op slechts 2,28 % van de steunaanvragen. Extrapolatie naar het gehele Franse grondgebied op basis van een zo beperkt aantal controles, zoals de Commissie heeft gedaan, lijkt de Franse regering derhalve bedenkelijk.
33 Volgens de Franse regering stond een forfaitaire correctie van 2 % als was toegepast voor 1994, gelijk met de vaststelling dat bij meer dan 12 % van de gecontroleerde oppervlakten sprake was van tekortkomingen. Het door de Commissie in de volgende jaren geaccepteerde percentage oppervlakten waarop bij controle tekortkomingen zijn vastgesteld, bedroeg in 1995 0,54 %, in 1996 0,93 % en 1997 0,61 %, waaruit blijkt dat het getal van 12 % in 1994 niet strookt met de werkelijkheid.
34 In die omstandigheden had de Commissie de schade als gevolg van de in 1994 geconstateerde onregelmatigheden door een extrapolatie op basis van de in 1995 tot en met 1997 vastgestelde onregelmatigheden precies kunnen en moeten ramen. De financiële correctie had derhalve slechts 44,3 miljoen FRF mogen bedragen.
35 De Commissie daarentegen stelt, dat in casu de reële schade niet te becijferen valt, zodat een forfaitaire correctie geboden was. Zij wijst de door de Franse regering voorgestelde extrapolatie van de hand, aangezien de in een bepaald jaar geconstateerde onregelmatigheden zich niet noodzakelijk in het volgende jaar weer zullen voordoen en deze methode indruist tegen het beginsel van de jaarperiodiciteit van de rekeningen op grond waarvan elk jaar onafhankelijk van de voorgaande of navolgende jaren moet worden beoordeeld.
36 In deze omstandigheden kon volgens haar enkel een forfaitaire correctie worden opgelegd en, daar 2 % het laagste percentage is, heeft zij ook het evenredigheidsbeginsel niet geschonden.
37 In de eerste plaats zij eraan herinnerd, dat het beheer van de EOGFL-financiering in hoofdzaak berust bij de nationale autoriteiten, die over de strikte naleving van de communautaire voorschriften moeten waken. Deze regeling, die is gebaseerd op vertrouwen tussen nationale en communautaire autoriteiten, voorziet niet in een stelselmatige controle door de Commissie, die deze materieel gezien overigens onmogelijk zou kunnen verrichten. Alleen de lidstaat zelf kan immers precies weten en vaststellen, welke gegevens nodig zijn om de EOGFL-rekeningen op te stellen, aangezien voor de Commissie de afstand tot de marktdeelnemers te groot is om bij hen de benodigde inlichtingen te kunnen inwinnen (arrest van 1 oktober 1998, Ierland/Commissie, C-238/96, Jurispr. blz. I-5801, punt 30).
38 In de tweede plaats mag de Commissie ingevolge de artikelen 2 en 3 van verordening nr. 729/70 slechts de bedragen die zijn betaald overeenkomstig de in de verschillende sectoren der landbouwproducten opgestelde regels, ten laste van het EOGFL brengen (zie onder meer arrest van 8 januari 1992, Italië/Commissie, C-197/90, Jurispr. blz. I-1, punt 38).
39 In de derde plaats heeft de Commissie in gevallen waarin onmogelijk met zekerheid kan worden vastgesteld, in hoeverre een met het gemeenschapsrecht strijdige nationale maatregel tot een verhoging van de uitgaven op een begrotingspost van het EOGFL heeft geleid, geen andere keuze dan de financiering van alle betrokken uitgaven te weigeren (arrest van 4 juli 1996, Griekenland/Commissie, C-50/94, Jurispr. blz. I-3331, punt 26).
40 Ten slotte is het zo, dat wanneer de Commissie in plaats van alle uitgaven af te wijzen waarop de inbreuk van invloed is geweest, probeert om de financiële effecten van de onrechtmatige handeling te berekenen door na te gaan, wat de situatie op de betrokken markt zou zijn geweest zonder die inbreuk, de lidstaat dient te bewijzen dat deze berekeningen niet correct zijn (arrest Ierland/Commissie, reeds aangehaald, punt 37).
41 In casu zij om te beginnen opgemerkt, dat de Franse regering niet de bevinding van de Commissie betwist, dat de kwaliteit van de controles ontoereikend was, maar het feit laakt, dat de Commissie ondanks het geringe aantal uitgevoerde verificaties de in twee departementen verkregen resultaten tot het gehele Franse grondgebied heeft geëxtrapoleerd.
42 Deze regering heeft evenwel niet aangetoond en zelfs niet gesteld, dat de in 1994 in andere departementen verrichte controles ter plaatse niet de door de Commissie vastgestelde structurele tekortkomingen vertoonden (te weten onder meer de inzet van onvoldoende geschoold personeel en niet-gebruikmaking van teledetectie), maar heeft enkel betoogd, dat de vastgestelde tekortkomingen bij latere controlebezoeken niet meer zijn vastgesteld.
43 In die omstandigheden mocht de Commissie redelijkerwijs ervan uitgaan, dat de door haar verrichte verificaties representatief waren voor de in 1994 in Frankrijk bestaande situatie.
44 Ten tweede heeft de Commissie terecht het percentage van de in de volgende jaren vastgestelde onregelmatigheden niet in aanmerking genomen.
45 Behalve dat een dergelijke methode geen zekere berekeningsgrondslag kan vormen, is het immers zonder meer denkbaar dat deze onregelmatigheden zich na de opmerkingen van de Commissie in de navolgende jaren niet meer hebben voorgedaan.
46 Verder erkent de Franse regering enerzijds zelf, dat in 1994 de invoering van het GBCS op moeilijkheden is gestuit, en wijst zij anderzijds op de vanaf 1995 opgetreden verbeteringen, wat erop duidt dat het aantal onregelmatigheden in 1994 groter was dan in de navolgende jaren.
47 Ten slotte blijft bij de door de Franse regering in strijd met artikel 5, lid 2, van verordening nr. 729/70 voorgestane methode de ernst van de overtreding buiten beschouwing.
48 Zoals in punt 42 van dit arrest in herinnering is gebracht, heeft de Commissie structurele tekortkomingen in het door de Franse regering ingevoerde controlesysteem geconstateerd. Voorzover de betrokken oppervlakten niet aan de hand van de dossiers betreffende de steunaanvragen konden worden geïdentificeerd, zodat de administratieve controles werden bemoeilijkt, had de lidstaat immers als compensatie voor deze lacune moeten waarborgen dat de controles ter plaatse strikt werden uitgevoerd, teneinde ervoor te zorgen dat geen steun onrechtmatig werd toegekend.
49 Derhalve moet worden geconcludeerd, dat door de ontoereikende kwaliteit van de controles ter plaatse ernstige twijfel rijst, of wel een passend en doeltreffend systeem van bewakings- en controlemaatregelen in de zin van artikel 6 van verordening nr. 3887/92 is ingesteld (zie, onder meer, in die zin arrest van 13 juli 2000, Griekenland/Commissie, C-46/97, Jurispr. blz. I-5719, punt 58), hetgeen de toepassing van een forfaitaire correctie als bedoeld in het rapport-Belle kan rechtvaardigen.
50 Wanneer de Commissie in plaats van alle uitgaven af te wijzen waarop de inbreuk van invloed is geweest, probeert regels vast te stellen om een verschillende behandeling van onregelmatigheden mogelijk te maken, al naar gelang de mate van tekortschieten van de controles en van het door het EOGFL gelopen risico, dient overigens de lidstaat te bewijzen dat deze criteria willekeurig en onbillijk zijn (arrest van 22 april 1999, Nederland/Commissie, C-28/94, Jurispr. blz. I-1973, punt 56). Daar de Franse regering dit bewijs niet heeft geleverd, moet haar betoog op dit punt worden afgewezen.
51 Derhalve kan de Franse regering de Commissie niet verwijten, dat zij een forfaitaire correctie van 2 % heeft toegepast.
Het tweede middel
52 De Finse regering stelt dat de Commissie, door in de bestreden beschikking niet de belangrijkste gegevens te vermelden op basis waarvan het Hof zijn toezicht kan waarborgen, artikel 190 EG-Verdrag (thans artikel 253 EG) heeft geschonden. Zij is ook van mening, dat de overwegingen van de bestreden beschikking zo helder en duidelijk hadden moeten worden uiteengezet, dat zelfs een derde de inhoud ervan had moeten kunnen beoordelen.
53 Dienaangaande zij erop gewezen, dat volgens vaste rechtspraak de omvang van de in artikel 190 van het Verdrag neergelegde motiveringsplicht afhangt van de aard van de betrokken handeling en van de context waarin deze tot stand is gekomen (arrest Nederland/Commissie, reeds aangehaald, punt 81).
54 In de speciale context waarin beschikkingen inzake de goedkeuring van de rekeningen tot stand komen, moet de motivering van een beschikking als toereikend worden beschouwd, wanneer de betrokken lidstaat nauw betrokken is geweest bij de voorbereiding ervan en dus bekend was met de redenen waarom de Commissie meende het litigieuze bedrag niet ten laste van het EOGFL te moeten brengen (arresten Nederland/Commissie, reeds aangehaald, punt 82, en 18 mei 2000, België/Commissie, C-242/97, Jurispr. blz. I-3421, punt 95).
55 In casu blijkt enerzijds uit de brief van de Commissie van 11 mei 1998, dat zij de redenen heeft uiteengezet waarom zij voornemens was een forfaitaire correctie toe te passen, en blijkt anderzijds uit de briefwisseling tussen de Commissie en de Franse autoriteiten, dat laatstgenoemden betrokken waren bij de voorbereiding van de bestreden beschikking. De Commissie heeft immers haar twijfel omtrent de kwaliteit en de betrouwbaarheid van de controles voor de sector akkerbouwgewassen herhaaldelijk schriftelijk onder de aandacht van de Franse autoriteiten gebracht, er is overleg geweest en het bemiddelingsorgaan is ingeschakeld.
56 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat de Franse autoriteiten in kennis zijn gesteld van de toepassing van een financiële correctie en betrokken waren bij de voorbereiding van de vaststelling van de bestreden beschikking, zodat het middel inzake schending van artikel 190 van het Verdrag moet worden afgewezen.
Het derde middel
57 De Finse regering stelt, dat de Commissie, door de ter rechtvaardiging van de bestreden beschikking aangevoerde feiten te wijzigen, het vertrouwensbeginsel en het beginsel van de eerbiediging van de rechten van de verdediging heeft geschonden. De Commissie, die de Franse autoriteiten aanvankelijk had verweten dat zich in de dossiers betreffende de steunaanvragen geen MSA-overzichten bevonden, heeft haar standpunt namelijk zeer laat gewijzigd en de onvoldoende kwaliteit van de controles gelaakt. De bescherming van het gewettigd vertrouwen en de rechten van de verdediging vereisen, dat de ter rechtvaardiging van een financiële correctie gestelde feiten niet tijdens het onderzoek van de zaak worden gewijzigd.
58 In dit verband volstaat de opmerking, dat de Commissie sedert de brief van 9 juli 1997 op de ontoereikende kwaliteit van de controles heeft gewezen door de aandacht van de Franse autoriteiten te vestigen op het feit dat de "kwaliteit van de controles ter plaatse door onvoldoende geschoold personeel en zonder noemenswaardige gebruikmaking van teledetectie te wensen overliet". Dat de Commissie heeft afgezien van de grief betreffende de onvolledige dossiers van de steunaanvragen, komt doordat de Franse autoriteiten een verhoging van het aantal door hen verrichte controles ter plaatse hadden aangekondigd. Na dit besluit van de Franse autoriteiten heeft de Commissie zich op de ontoereikende kwaliteit van de verrichte controles gebaseerd.
59 Derhalve moet dit middel worden afgewezen.
Het vierde middel
60 De Finse regering stelt, dat de ongerechtvaardigde toepassing van een forfaitaire financiële correctie het beginsel van loyale samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten ter verzekering van het nuttig effect van het gemeenschapsrecht op losse schroeven zet.
61 In dit verband volstaat de opmerking dat het Hof in punt 38 van het arrest Italië/Commissie (reeds aangehaald) reeds heeft beslist, dat zo de gemeenschapsregeling de betaling van steun slechts toestaat op voorwaarde dat aan bepaalde bewijs- of controleformaliteiten is voldaan, steun die wordt betaald zonder dat aan deze voorwaarden is voldaan, niet in overeenstemming is met het gemeenschapsrecht, en de desbetreffende uitgave dus niet ten laste van het EOGFL kan worden gebracht.
62 Bijgevolg kan de toepassing van een forfaitaire financiële correctie als voorzien in het rapport-Belle, niet afdoen aan de plicht tot samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie.
63 Derhalve moet dit middel worden afgewezen.
64 De Commissie heeft in haar opmerkingen over de memorie in interventie het feit aan de orde gesteld dat volgens haar de Republiek Finland door de Franse Republiek niet betwiste feiten ter discussie stelt, wat niet mogelijk is luidens artikel 93, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, volgens hetwelk "[d]e interveniënt (...) het geding [aanvaardt] in de stand op het ogenblik van tussenkomst".
65 Daar de middelen van de Republiek Finland ten gronde zijn afgewezen, behoeft hierop niet te worden ingegaan.
66 Gelet op een en ander, moet het beroep in zijn geheel worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
67 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Franse Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen. Ingevolge artikel 69, lid 4, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering dient de Republiek Finland, die in het geschil is tussengekomen, haar eigen kosten te dragen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst de Franse Republiek in de kosten.
3) Verstaat dat de Republiek Finland haar eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy