Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Lidstaten - Verplichtingen - Uitvoering van richtlijnen - Niet-nakoming - Rechtvaardiging - Ontoelaatbaarheid
[EG-Verdrag, art. 169 (thans art. 226 EG)]
Samenvatting
$$Een lidstaat kan zich niet op nationale bepalingen, praktijken of situaties beroepen ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van door een richtlijn voorgeschreven verplichtingen en termijnen.
Partijen
In zaak C-138/99,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F. Benyon, juridisch adviseur, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Groothertogdom Luxemburg, vertegenwoordigd door P. Steinmetz, directeur juridische en culturele aangelegenheden bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, Rue Notre-Dame 5, Luxemburg,
verweerder,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen welke noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 94/56/EG van de Raad van 21 november 1994 houdende vaststelling van de grondbeginselen voor het onderzoek van ongevallen en incidenten in de burgerluchtvaart (PB L 319, blz. 14), de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Derde kamer),
samengesteld als volgt: J. C. Moitinho de Almeida, kamerpresident, C. Gulmann (rapporteur) en J.-P. Puissochet, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 oktober 1999,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij op 19 april 1999 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EG-Verdrag (thans artikel 226 EG) beroep ingesteld om te doen vaststellen dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen welke noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 94/56/EG van de Raad van 21 november 1994 houdende vaststelling van de grondbeginselen voor het onderzoek van ongevallen en incidenten in de burgerluchtvaart (PB L 319, blz. 14; hierna: "richtlijn"), de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Artikel 12, lid 1, van de richtlijn bepaalt, dat de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 21 november 1996 aan de richtlijn te voldoen, en dat zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen.
3 Daar de Commissie van de Luxemburgse regering geen enkele mededeling van de maatregelen ter uitvoering van de richtlijn had ontvangen, verzocht zij haar bij aanmaningsbrief van 30 mei 1997, binnen een termijn van twee maanden haar opmerkingen te maken overeenkomstig de procedure van artikel 169 van het Verdrag.
4 Bij brief van 13 augustus 1997 antwoordde de Luxemburgse regering, dat de uitvoeringsmaatregelen op dat moment werden uitgewerkt.
5 Daar zij geen enkele aanvullende informatie ontving, zond de Commissie het Groothertogdom Luxemburg op 24 februari 1998 een met redenen omkleed advies om eraan te herinneren, dat het de richtlijn in nationaal recht diende om te zetten en waarbij het werd verzocht, de nodige maatregelen te treffen om binnen een termijn van twee maanden na de betekening van dit advies aan zijn verplichtingen te voldoen.
6 De Luxemburgse regering antwoordde op 26 maart 1998 op dit met redenen omkleed advies en stelde, dat de groothertogelijke ontwerpverordening ter uitvoering van de richtlijn, die door de ministerraad was goedgekeurd, zojuist voor advies was voorgelegd aan de Conseil d'État, de bevoegde Chambre professionnelle en de Commission de travail van de Chambre des députés.
7 Daar zij van de Luxemburgse regering geen enkele andere mededeling ontving om te kunnen concluderen dat de uitvoeringsmaatregelen waren vastgesteld, heeft de Commissie op 16 april 1999 het onderhavige beroep ingesteld.
8 De Commissie herinnert eraan, dat ingevolge artikel 189, derde alinea, EG-Verdrag (thans artikel 249, derde alinea, EG) richtlijnen verbindend zijn ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd zijn, waarbij aan de nationale instanties de bevoegdheid wordt gelaten de vorm en middelen te kiezen, en dat de lidstaten volgens artikel 5, lid 1, EG-Verdrag (thans artikel 10, lid 1, EG) alle algemene of bijzondere maatregelen moeten treffen welke geschikt zijn om de nakoming van de uit het Verdrag of uit handelingen van de instellingen der Gemeenschap voortvloeiende verplichtingen te verzekeren. Zij voegt hieraan toe, dat de lidstaten ingevolge het dwingende karakter van die bepalingen verplicht zijn, de nodige maatregelen te treffen om de richtlijnen binnen de gestelde termijn in nationaal recht om te zetten en die maatregelen onverwijld aan de Commissie mee te delen.
9 De Luxemburgse regering betwist niet, dat zij de richtlijn niet tijdig in nationaal recht heeft omgezet. Zij zet uiteen, dat die vertraging van procedurele aard is en dat een ontwerpwet in voorbereiding is.
10 Dienaangaande moet worden gepreciseerd, dat volgens vaste rechtspraak een lidstaat zich niet op bepalingen, praktijken of situaties van zijn nationale rechtsorde kan beroepen ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van door een richtlijn voorgeschreven verplichtingen of termijnen (zie met name arrest van 14 september 1999, Commissie/Griekenland, C-401/98, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 9).
11 Aangezien de richtlijn niet binnen de daarin gestelde termijn in nationaal recht is omgezet, moet het beroep van de Commissie gegrond worden verklaard.
12 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen welke noodzakelijk zijn om aan de richtlijn te voldoen, de krachtens de richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
13 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Daar het Groothertogdom Luxemburg in het ongelijk is gesteld, en de Commissie tot zijn verwijzing in de kosten heeft geconcludeerd, dient het in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen welke noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 94/56/EG van de Raad van 21 november 1994 houdende vaststelling van de grondbeginselen voor het onderzoek van ongevallen en incidenten in de burgerluchtvaart, is het Groothertogdom Luxemburg de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Groothertogdom Luxemburg wordt in de kosten verwezen.
Full & Egal Universal Law Academy