Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Landbouw - EOGFL - Goedkeuring van rekeningen - Ontbrekende voorraden en voorraden die bij controle niet voor interventie in aanmerking blijken te komen - Financiële correctie - Berekeningsgrondslag - Hoeveelheden die bij aanvraag waren geboekt - Bewijslast
(Verordening nr. 1766/92 van de Raad ; verordening nr. 689/92 van de Commissie)
2. Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Oliën en vetten - Olijfolie - Consumptiesteun - Intrekking van erkenning van verpakkingsbedrijven in geval van ten onrechte aangevraagde steun - Ingangsdatum - Onderzoek tegen achtergrond van doel van sanctie - Datum waarop voorwaarden voor toepassing zijn vervuld - Geen onrechtmatige terugwerkende kracht
(Verordeningen van de Commissie nr. 2677/85, art. 12, lid 6, en nr. 643/93)
3. Landbouw - EOGFL - Goedkeuring van rekeningen - Weigering uitgaven ten laste te nemen die gevolg zijn van onregelmatigheden bij toepassing van gemeenschapsregeling - Forfaitaire correctie van 25 % - Geen onrechtmatige terugwerkende kracht
(Verordening nr. 729/70 van de Raad)
4. Landbouw - Gemeenschappelijk landbouwbeleid - Financiering door EOGFL - Beginselen - Uitgaven in overeenstemming met communautaire voorschriften - Bewijslast - Verdeling tussen Commissie en betrokken lidstaat
(Verordening nr. 729/70 van de Raad, art. 2 en 3)
5. Handelingen van de instellingen - Motivering - Verplichting - Omvang - Beschikking betreffende goedkeuring van rekeningen in verband met door EOGFL gefinancierde uitgaven
[EG-Verdrag, art. 190 (thans art. 253 EG)]
Samenvatting
1. Voor de goedkeuring van de uitgaven die betrekking hebben op de ten laste van het EOGFL gebrachte hoeveelheden, moet niet worden gekeken naar de daadwerkelijk aanwezige hoeveelheid, maar naar de in de boeken opgenomen en ten laste van het EOGFL gebrachte hoeveelheid. Wanneer de analysen aantonen dat de op het tijdstip van de controle in de voorraden aanwezige durumtarwe niet van voor interventie in aanmerking komende kwaliteit is, moet de correctie door de Commissie bijgevolg op basis van de in de boeken opgenomen hoeveelheid worden aangebracht. Wanneer de Commissie weigert bepaalde uitgaven ten laste van het EOGFL te brengen, op grond dat deze zijn ontstaan door aan een lidstaat toe te rekenen overtredingen van communautaire voorschriften, moet de lidstaat overeenkomstig de verdeling van de bewijslast, welke een verlichting van de bewijslast voor de Commissie inhoudt, bewijzen dat de op het tijdstip van de controle ontbrekende hoeveelheden voor interventie in aanmerking kwamen.
( cf. punten 9, 20 )
2. Artikel 12, lid 6, van verordening nr. 2677/85 houdende uitvoeringsbepalingen van de consumptiesteunregeling voor olijfolie, zoals gewijzigd bij verordening nr. 643/93, bepaalt dat wanneer de hoeveelheid waarvoor ten onrechte steun - die slechts wordt verleend aan erkende bedrijven voor de verpakking van olijfolie - is aangevraagd, 20 % of meer van de hoeveelheid waarvoor na controle het recht op steun is erkend, overschrijdt, de lidstaat de betrokken erkenning intrekt. Dit artikel preciseert echter niet op welke datum die intrekking moet ingaan. Hoewel de sanctie van intrekking afhankelijk is gemaakt van de constatering door de bevoegde autoriteit dat de consumptiesteunaanvraag betrekking heeft op een hoeveelheid die groter is dan die waarvoor het recht op steun is erkend, blijkt uit de bewoordingen van dat artikel 12, lid 6, niet of de betrokken constatering declaratief dan wel constitutief is.
Dienaangaande blijkt uit het onderzoek van het doel van de sanctie van intrekking van de erkenning, dat de verzwaring van de sancties in geval van te hoge consumptiesteunaanvragen voor olijfolie in de context van de fraudebestrijding past. De considerans van verordening nr. 643/93, waaruit de formulering van artikel 12, lid 6, van verordening nr. 2677/85 voortvloeit, legt immers een verband tussen de goede werking van de regeling [voor consumptiesteunaanvragen voor olijfolie]" en de noodzaak om de sanctieregeling aan te vullen voor de verpakkingsbedrijven die steun aanvragen voor te grote hoeveelheden. De doeltreffendheid en de preventieve werking van dergelijke sancties kunnen in het kader van de beoordeling van de werking en de gelding in de tijd van de sanctie van intrekking van de erkenning dus niet worden verwaarloosd.
Rekening houdend met deze omstandigheden kan de financiering van consumptiesteun door het EOGFL niet worden aanvaard wanneer die steun betrekking heeft op een periode ná de datum waarop de voorwaarden voor toepassing van de in artikel 12, lid 6, tweede alinea, van verordening nr. 2677/85 gestelde sanctie waren vervuld. Er zou van de sanctie van intrekking immers minder kracht uitgaan indien een verpakkingsbedrijf dat in de loop van een gegeven verkoopseizoen aanvragen heeft ingediend voor te grote hoeveelheden in de zin van deze bepalingen, in de loop van de volgende jaren nieuwe aanvragen kon indienen, zonder enig risico te lopen totdat eventueel een proces-verbaal van een controle wordt opgesteld. Toepassing van de intrekking, overeenkomstig artikel 12, lid 6, tweede alinea, van verordening nr. 2677/85, met ingang van de datum waarop de voorwaarden voor toepassing van de sanctie zijn vervuld, is derhalve noodzakelijk om de doelmatigheid van deze regeling te waarborgen. De beslissing tot intrekking krijgt hiermee geen onrechtmatige terugwerkende kracht, omdat de sanctie in het kader van deze uitlegging louter wordt toegepast vanaf het tijdstip waarop aan de toepassingsvoorwaarden ervan is voldaan en niet vanaf de controle betreffende de vervulling van de toepassingsvoorwaarden.
( cf. punten 37-42 )
3. De toepassing door de Commissie van een forfaitaire correctie van 25 % op de ooien- en geitenpremies die aan de producenten in Calabrië en Sicilië waren uitbetaald voor de seizoenen 1993 en 1994, heeft geen terugwerkende kracht en kan niet als onrechtmatig worden aangemerkt. Bij gebreke van nauwkeurige regels met betrekking tot de te onttrekken bedragen in artikel 5, lid 2, voorlaatste alinea, van verordening nr. 729/70 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, in de versie van wijzigingsverordening nr. 1287/95, moet in aanmerking worden genomen dat de Commissie in document VI/216/93 van 1 juni 1993, het zogenoemde rapport-Belle, beleidslijnen voor de beoordeling van de financiële gevolgen bij de beschikking tot goedkeuring van de rekeningen heeft vastgesteld. Deze beleidslijnen bepaalden reeds dat de Commissie in uitzonderlijke omstandigheden de mogelijkheid had om een forfaitaire correctie aan te brengen van een hoger percentage dan hetgeen gewoonlijk was voorzien, te weten 2 %, 5 % of 10 % van de uitgaven.
( cf. punt 53 )
4. De Commissie mag ingevolge de artikelen 2 en 3 van verordening nr. 729/70 slechts bedragen die overeenkomstig de in de verschillende sectoren landbouwproducten opgestelde regels zijn betaald, ten laste van het EOGFL brengen, en alle overige betaalde bedragen, met name de bedragen waarvan de nationale autoriteiten ten onrechte hebben aangenomen dat zij deze in het kader van de gemeenschappelijke marktordening mochten betalen, blijven ten laste van de lidstaten. De Commissie moet dus aantonen dat de communautaire regels zijn geschonden, maar de lidstaat dient in voorkomend geval te bewijzen dat de Commissie een vergissing heeft begaan met betrekking tot de daaraan te verbinden financiële consequenties.
( cf. punt 54 )
5. In de speciale context waarin beschikkingen inzake de goedkeuring van de rekeningen in verband met door het EOGFL gefinancierde uitgaven tot stand komen, moet de motivering van een beschikking waarbij een forfaitaire correctie wordt toegepast, als voldoende worden beschouwd wanneer de betrokken lidstaat nauw betrokken is geweest bij de voorbereiding van die beschikking en bekend was met de redenen waarom de Commissie meende het litigieuze bedrag niet ten laste van het EOGFL te moeten brengen.
( cf. punten 57, 61 )
Partijen
In zaak C-147/99,
Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door U. Leanza als gemachtigde, bijgestaan door D. Del Gaizo, avvocato dello Stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F. P. Ruggeri Laderchi als gemachtigde, bijgestaan door A. Dal Ferro, avvocato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 1999/187/EG van de Commissie van 3 februari 1999 betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de lidstaten voor het begrotingsjaar 1995 hebben ingediend in verband met de door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven (PB L 61, blz. 37), voor het gedeelte dat de Italiaanse Republiek betreft,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: F. Macken, kamerpresident, N. Colneric, C. Gulmann (rapporteur), V. Skouris en J. N. Cunha Rodrigues, rechters,
advocaat-generaal: C. Stix-Hackl,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 15 maart 2001, waarbij de Italiaanse Republiek was vertegenwoordigd door D. Del Gaizo en de Commissie door L. Visaggio als gemachtigde, bijgestaan door A. Dal Ferro,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 juni 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 21 april 1999, heeft de Italiaanse Republiek krachtens artikel 173, eerste en tweede alinea, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230, eerste en tweede alinea, EG) verzocht om gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 1999/187/EG van de Commissie van 3 februari 1999 betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de lidstaten voor het begrotingsjaar 1995 hebben ingediend in verband met door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven (PB L 61, blz. 37; hierna: bestreden beschikking"), voor het gedeelte dat haar betreft.
2 Het beroep strekt tot nietigverklaring van deze beschikking voorzover de Commissie daarbij heeft vastgesteld, dat de volgende bedragen niet ten laste van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (hierna: EOGFL") kunnen worden gebracht:
- ongeveer 500 000 000 ITL ter zake van ontbrekende hoeveelheden opgeslagen durumtarwe die niet voor interventie in aanmerking komen;
- 2 751 722 888 ITL ter zake van consumptiesteun voor olijfolie wegens gebreken in de administratieve procedure tot intrekking van de erkenning van verpakkingsbedrijven voor olijfolie, en
- 62 685 916 000 ITL en 13 998 973 000 ITL ter zake van ooien- en geitenpremies wegens administratieve gebreken en tekortschietende controles.
3 De gronden voor de opgelegde correcties zijn samengevat in het syntheseverslag nr. VI/6462/98 betreffende de resultaten van de controles voor de goedkeuring van de rekeningen betreffende het EOGFL, afdeling Garantie, over het begrotingsjaar 1995, in de geconsolideerde versie van 12 januari 1999 (hierna: syntheseverslag").
De correctie ter zake van niet voor interventie in aanmerking komende hoeveelheden durumtarwe
4 Verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad van 30 juni 1992 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (PB L 181, blz. 21), vormt de basisregeling van het interventiestelsel met ingang van het verkoopseizoen 1993/1994. Verordening (EEG) nr. 689/92 van de Commissie van 19 maart 1992 tot vaststelling van de procedures en voorwaarden voor de overneming van granen door de interventiebureaus (PB L 74, blz. 18), meermaals gewijzigd, preciseert de voorwaarden voor een dergelijke overneming.
5 Uit punt 4.5.1.1.1.3 van het syntheseverslag blijkt dat toen de diensten van UCLAF in december 1993 in Italië een controle uitvoerden, [...] [zij] in bepaalde pakhuizen hebben geconstateerd dat bepaalde hoeveelheden graan ontbraken en dat andere hoeveelheden graan wegens ontoereikende kwaliteit niet voor interventie in aanmerking kwamen".
6 Deze constateringen hebben geleid tot een financiële correctie van 3 857 589 582 ITL over het begrotingsjaar 1995.
7 De Italiaanse regering betwist de correcties voor de pakhuizen San Lorenzo, Castellaci en Jungetto. Op basis van de tellingen van de AIMA (Azienda di Stato per gli interventi nel mercato agricolo), het Italiaanse interventiebureau, is zij van mening dat de door de Commissie uitgevoerde rectificatie ongeveer 500 miljoen ITL te hoog is.
8 Dienaangaande moet om te beginnen worden herinnerd aan de rechtspraak van het Hof met betrekking tot de verdeling van de bewijslast in het kader van een beroep tot nietigverklaring dat door een lidstaat wordt ingesteld tegen een beschikking van de Commissie betreffende goedkeuring van de EOGFL-rekeningen.
9 Wanneer de Commissie weigert bepaalde uitgaven ten laste van het EOGFL te brengen, op grond dat deze zijn ontstaan door aan een lidstaat toe te rekenen overtredingen van communautaire voorschriften, moet deze lidstaat bewijzen, dat voldaan is aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de financiering die door de Commissie is geweigerd. Laatstgenoemde behoeft de onregelmatigheid van de door de lidstaten toegezonden gegevens niet volledig aan te tonen, doch enkel een bewijs te leveren voor de ernstige en redelijke twijfel die zij omtrent de door de nationale autoriteiten meegedeelde cijfers koestert. Deze verlichting van de bewijslast voor de Commissie is te verklaren door het feit, dat de lidstaat zelf het best in staat is de voor de goedkeuring van de EOGFL-rekeningen benodigde gegevens te verzamelen en te verifiëren, zodat de lidstaat gedetailleerd en volledig dient te bewijzen dat zijn cijfers juist zijn en, in voorkomend geval, de berekeningen van de Commissie onjuist (zie, met name, arrest van 21 oktober 1999, Duitsland/Commissie, C-44/97, Jurispr. blz. I-7177, punt 28).
10 Met haar eerste middel betwist de Italiaanse regering enkel drie specifieke correcties, die te wijten zouden zijn aan fouten in de berekening van de hoeveelheden niet voor interventie in aanmerking komende durumtarwe die in de drie bovengenoemde plaatsen waren opgeslagen. De correcties op zich worden dus niet in twijfel getrokken, maar de hoogte ervan. Overeenkomstig de in het vorige punt genoemde verdeling van de bewijslast moet derhalve worden nagegaan of de Italiaanse regering de onjuistheid van de litigieuze correcties heeft aangetoond.
Het pakhuis San Lorenzo
11 De Italiaanse regering betwist de weigering van de Commissie om een hoeveelheid van 954,22 ton durumtarwe die gedurende het seizoen 1987/1988 in het pakhuis van San Lorenzo was opgeslagen, tot interventie toe te laten. Voorzover de Commissie betoogt dat zij geen enkele rectificatie betreffende het gedurende het seizoen 1987/1988 opgeslagen graan heeft aangebracht, maar wel betreffende 1 076,22 ton gedurende het seizoen 1991/1992 opgeslagen durumtarwe, vermeld in punt 4.5.1.1.1.3, sub b, van het syntheseverslag, waarvan 954,22 ton voor het pakhuis San Lorenzo, antwoordt de Italiaanse regering dat in het schema dat als bijlage bij een nota van de Commissie van 6 augustus 1997 is gevoegd, de betwiste hoeveelheid van 954,22 ton durumtarwe, de datum van opslag, 26 mei 1988, welke valt in het seizoen 1987/1988, alsmede de aanduiding van het pakhuis, te weten San Lorenzo, zijn genoemd.
12 Volgens de Italiaanse regering heeft de Commissie in een brief van 31 augustus 1998 voor het eerst gesteld dat zij 1 076,22 ton, waarvan 954,22 ton voor het pakhuis San Lorenzo, aan bij de controle van december 1993 ontbrekende hoeveelheden heeft toegerekend, en heeft zij tijdens de procedure voor het Hof vermeld dat die hoeveelheid van 954,22 ton gedurende het jaar 1991/1992 was opgeslagen. Uit de genoemde stukken en de stellingen van de Commissie blijkt volgens de Italiaanse regering dus, dat zij gedurende de procedure de grondslag van haar eigen grief heeft gewijzigd met betrekking tot het pakhuis San Lorenzo, de hoeveelheid die daarop betrekking heeft en het referentiejaar, en hiermee het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden en de Italiaanse regering heeft verhinderd zich op dit punt tijdig en afdoende te verdedigen.
13 Vervolgens stelt de Italiaanse regering met betrekking tot het jaar 1991/1992, dat twee verschillende controlebedrijven, Sitris en SGS, de controle van de daadwerkelijk aanwezige hoeveelheden in het pakhuis San Lorenzo hebben verricht en tot verschillende uitkomsten zijn gekomen, waarna de Commissie ten onrechte de voorkeur heeft gegeven aan de door Sitris gemaakte raming van de ontbrekende waar, welke de hoogste raming is.
14 Ten slotte betoogt de Italiaanse regering dat het verschil tussen de hoeveelheden durumtarwe die daadwerkelijk in het pakhuis San Lorenzo aanwezig waren en de hoeveelheden die in de door de nationale autoriteiten meegedeelde boekhouding zijn genoemd, is ontstaan doordat bepaalde uitslagen uit het entrepot niet in de registers voor goederenbewegingen zijn ingeschreven.
15 Dienaangaande zij om te beginnen opgemerkt, dat uit een aan de Italiaanse autoriteiten gerichte brief van de Commissie van 1 oktober 1998 blijkt dat de Commissie naar aanleiding van het eindrapport van het bemiddelingsorgaan en van een uitwisseling van informatie met die autoriteiten heeft geoordeeld, dat de in de nota van de Commissie van 6 augustus 1997 en in het syntheseverslag over het begrotingsjaar 1994 vermelde correcties betreffende de gedurende het verkoopseizoen 1987/1988 in het pakhuis San Lorenzo opgeslagen durumtarwe, moesten worden ingetrokken. Het proces-verbaal van controle nr. 4 bis, dat naar aanleiding van de controle van 10 december 1993 door de Eenheid voor coördinatie van de fraudebestrijding (unité de coordination de la lutte antifraude; hierna: UCLAF") is opgesteld en door de Italiaanse regering zelf aan het dossier is toegevoegd, verwijst daarentegen uitdrukkelijk naar het begrotingsjaar 1991/1992. De Commissie heeft dus niet gedurende de procedure haar grief gewijzigd.
16 Met betrekking tot het onderdeel van dit middel, volgens hetwelk de Commissie de voorkeur heeft gegeven aan de door Sitris gemaakte raming van de in het pakhuis San Lorenzo ontbrekende waar zonder rekening te houden met de raming van SGS, moet vervolgens worden vastgesteld dat de Commissie zich louter heeft gebaseerd op de resultaten van een door eerstgenoemd bedrijf in aanwezigheid van alle belanghebbende partijen verrichte controle. De redenen voor die beslissing vloeien voort uit het - op tegenspraak opgestelde - controlerapport van 3 januari 1994. De Commissie heeft haar beslissing derhalve op aannemelijke gegevens gebaseerd.
17 Ten slotte moet worden vastgesteld dat de stelling van de Italiaanse regering volgens welke het verschil tussen de daadwerkelijk in het pakhuis San Lorenzo aanwezige hoeveelheid durumtarwe en de hoeveelheid die in de boekhouding is vermeld, voortvloeit uit de niet-inschrijving van bepaalde uitslagen uit het pakhuis, door geen enkel bewijselement wordt gestaafd.
Het pakhuis Castellaci
18 Volgens de boekhouding van de Italiaanse autoriteiten had 956,77 ton gedurende het verkoopseizoen 1991/1992 opgeslagen durumtarwe zich in december 1993 in het pakhuis Castellaci moeten bevinden. Bij een door de UCLAF verrichte controle werd echter geconstateerd dat daar slechts 861,37 ton durumtarwe aanwezig was. Bovendien hebben analyses aangetoond dat de in het pakhuis opgeslagen tarwe niet van voor interventie in aanmerking komende kwaliteit was. De Commissie heeft derhalve een financiële correctie voor 956,77 ton durumtarwe aangebracht.
19 De Italiaanse regering betwist de correctie met betrekking tot de ontbrekende hoeveelheid, dat wil zeggen 95,4 ton durumtarwe. Volgens haar had de Commissie moeten bewijzen dat de ontbrekende hoeveelheid eveneens van niet voor interventie in aanmerking komende kwaliteit was.
20 Dienaangaande zij opgemerkt dat voor de goedkeuring van de uitgaven die betrekking hebben op de ten laste van het EOGFL gebrachte hoeveelheden, niet moet worden gekeken naar de daadwerkelijk aanwezige hoeveelheid, maar naar de in de boeken opgenomen en ten laste van het EOGFL gebrachte hoeveelheid. Wanneer de analysen aantonen dat de op het tijdstip van de controle in de voorraden aanwezige durumtarwe niet van voor interventie in aanmerking komende kwaliteit is, moet de correctie door de Commissie bijgevolg op basis van de in de boeken opgenomen hoeveelheid worden aangebracht. Overeenkomstig de in punt 9 van het onderhavige arrest beschreven verdeling van de bewijslast, staat het aan de Italiaanse regering om aan te tonen dat de op het tijdstip van de controle ontbrekende hoeveelheden voor interventie in aanmerking kwamen. Zij heeft echter geen enkel bewijs in die zin geleverd.
Het pakhuis Jungetto
21 Volgens de door de Italiaanse autoriteiten meegedeelde boekhoudkundige gegevens had het pakhuis Jungetto 1 994,014 ton gedurende het verkoopseizoen 1991/1992 opgeslagen durumtarwe moeten bevatten. De raming van de hoeveelheden in voorraad die door Sitris bij het controlebezoek van 9 februari 1994 is gemaakt, heeft echter aangetoond dat slechts 1 450,80 ton daadwerkelijk aanwezig was. Bovendien hebben de analysen aangetoond dat de werkelijk aanwezige tarwe van niet voor interventie in aanmerking komende kwaliteit was. De Commissie heeft derhalve tevens een financiële correctie aangebracht voor de ontbrekende hoeveelheid, te weten 543,214 ton durumtarwe.
22 De Italiaanse regering betwist deze correctie. Waar de Commissie betoogt dat op het tijdstip van de controle door de UCLAF de door de Italiaanse autoriteiten verschafte boekhoudkundige documenten in het pakhuis van Jungetto een opgeslagen hoeveelheid van 1 994,014 ton vermeldden, betoogt de Italiaanse regering dat op 30 oktober 1993 slechts 969,25 ton durumtarwe in dat pakhuis was opgeslagen. 1 024,764 ton extra zou daar tussen 30 december 1993 en 5 januari 1994 zijn ingeslagen, na ter beschikking te zijn gesteld door de pakhuizen Grammichele et Raddusa. Op het moment van de controle door de UCLAF op 16 december 1993, was dus slechts 969,25 ton in voorraad. Derhalve kan alleen die hoeveelheid voor een eventuele correctie in aanmerking komen. De Italiaanse regering verklaart de aanwezigheid van slechts 1 450,80 ton in het pakhuis Jungetto na het controlebezoek van Sitris op 9 februari 1994 door het feit, dat op 29 december 1993 een hoeveelheid van 500 ton was uitgeslagen om te worden verkocht. De rest van de ontbrekende hoeveelheid wordt door natuurlijk verlies tijdens de opslag verklaard.
23 De Commissie heeft zich bereid verklaard dit argument te aanvaarden en van een correctie op dit punt af te zien indien de Italiaanse regering haar sluitende bewijzen ter zake zou leveren. Niettemin acht zij de argumentatie van de Italiaanse regering, gelet op het dossier, tegenstrijdig en onvolledig.
24 Dienaangaande zij opgemerkt dat hoewel de Italiaanse regering inslagen afkomstig uit andere pakhuizen aanvoert, zij daarvoor geen bewijs heeft geleverd. Zij voert immers met name een transfer van 997,244 ton afkomstig uit het pakhuis Raddusa aan, terwijl daar volgens het proces-verbaal van de controle van 16 december 1993 betreffende dat pakhuis slechts 888,44 ton was opgeslagen.
25 Het eerste middel van het beroep moet derhalve worden afgewezen.
De correctie ter zake van de consumptiesteun voor olijfolie
26 Artikel 11 van verordening nr. 136/66/EEG van de Raad van 22 september 1966 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten (PB 1966, 172, blz. 3025), heeft een steunstelsel ingevoerd dat bestemd is om de consumptie van in de Gemeenschap geproduceerde en in de handel gebrachte olijfolie te bevorderen. In de versie voortvloeiend uit de verordeningen van de Raad (EEG) nrs. 1917/80 van 15 juli 1980 (PB L 186, blz. 1) en 2210/88 van 19 juli 1988 (PB L 197, blz. 1), bepaalt dit artikel dat bedrijven voor verpakking van olijfolie consumptiesteun kunnen aanvragen wanneer de met de productiesteun verminderde productierichtprijs hoger is dan de representatieve marktprijs voor olijfolie. In een dergelijk geval is de steun gelijk aan het verschil tussen deze twee bedragen.
27 De algemene voorschriften voor de toekenning van consumptiesteun voor olijfolie zijn vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 3089/78 van de Raad van 19 december 1978 (PB L 369, blz. 12), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3461/87 van de Raad van 17 november 1987 (PB L 329, blz. 1; hierna: verordening nr. 3089/78").
28 Artikel 1 van verordening nr. 3089/78 bepaalt dat steun slechts wordt verleend aan erkende bedrijven voor de verpakking van olijfolie. De artikelen 2 en 3 stellen de voorwaarden voor toekenning en intrekking van de erkenning vast. Volgens de artikelen 5 en 6 ontstaat het recht op consumptiesteun op het ogenblik waarop de olijfolie het verpakkingsbedrijf verlaat en moet het bedrijf zijn aanvragen met een bepaalde frequentie indienen.
29 Artikel 7 van verordening nr. 3089/78 bepaalt dat de lidstaten een controlesysteem instellen om te waarborgen dat het product waarvoor steun wordt aangevraagd, voldoet aan de voorschriften om ervoor in aanmerking te komen. Volgens artikel 8 wordt de steun slechts uitbetaald wanneer de controle-instantie die is aangewezen door de lidstaat, heeft vastgesteld dat voldaan is aan de voorwaarden voor toekenning ervan. Vanaf de indiening van de aanvraag van de steun kan echter een voorschot worden verleend op voorwaarde dat een toereikende waarborg wordt gesteld.
30 Artikel 9, lid 3, van verordening (EEG) nr. 2677/85 van de Commissie van 24 september 1985 houdende uitvoeringsbepalingen van de consumptiesteunregeling voor olijfolie (PB L 254, blz. 5), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 643/93 van de Commissie van 19 maart 1993 (PB L 69, blz. 19; hierna: verordening nr. 2677/85"), luidt:
De lidstaat keert binnen 150 dagen na de dag van indiening van de aanvraag de steun uit voor de hoeveelheden waarvoor op grond van de controles ter plaatse het recht op steun is erkend. [...]
De instantie die met de controle op het recht op steun is belast, brengt uiterlijk 45 dagen na de controle ter plaatse en ten minste 20 dagen vóór het verstrijken van de in de eerste alinea bedoelde termijn het betaalorgaan op de hoogte van haar werkzaamheden in verband met de erkenning van het recht op steun voor ieder erkend bedrijf."
31 Artikel 12 van verordening nr. 2677/85 stelt de modaliteiten vast voor de controles die de nationale autoriteiten moeten verrichten en verlangt met name dat die controles ten minste één keer per twaalf maanden plaatsvinden. Artikel 12, lid 6, luidt als volgt:
Wanneer door de bevoegde autoriteit wordt geconstateerd dat de consumptiesteunaanvraag betrekking heeft op een hoeveelheid die groter is dan die waarvoor het recht op steun is erkend, legt de lidstaat het verpakkingsbedrijf een sanctie op waarvan het bedrag, naar gelang van de ernst van de inbreuk, overeenkomt met drie- tot achtmaal de ten onrechte aangevraagde steun. [...]
Wanneer evenwel de hoeveelheid waarvoor ten onrechte steun is aangevraagd, 20 % of meer van de hoeveelheid waarvoor na controle het recht op steun is erkend, overschrijdt, past de lidstaat niet alleen de financiële sanctie toe doch trekt bovendien voor een periode van één tot drie jaar, naar gelang van de ernst van de inbreuk, de erkenning in.
Bij recidive wordt, ongeacht de omvang van de overschrijding, niet alleen de financiële sanctie toegepast, doch wordt bovendien voor een periode van één tot vijf jaar, naar gelang van de ernst van de inbreuk, de erkenning ingetrokken.
De in de eerste, tweede en derde alinea bedoelde sancties laten de toepassing van eventuele andere sancties onverlet."
32 Uit punt 4.7.3.1 van het syntheseverslag blijkt dat de financiële correctie betreffende de consumptiesteun voor olijfolie die gedurende de verkoopseizoenen 1993/1994 (ter zake van het begrotingsjaar 1994) en 1994/1995 (ter zake van het begrotingsjaar 1995) is betaald, in totaal 2 751 722 888 ITL bedraagt. Volgens de Commissie hebben de Italiaanse autoriteiten steun uitbetaald aan bedrijven waarvan de erkenning had moeten worden ingetrokken omdat zij in voorgaande verkoopseizoenen ten onrechte aangevraagde steun hadden ontvangen voor hoeveelheden die de grens van 20 % als bepaald in artikel 12, lid 6, van verordening nr. 2677/85, overschreden. De Commissie was van mening dat de datum van ingang van de intrekking van de erkenning veeleer die van elke individuele te hoge aanvraag was dan die van het proces-verbaal van de controle van de aanvraag. Volgens haar kan geen enkele steun ten laste van het EOGFL worden gebracht wanneer de controles ter plekke aantonen dat de erkenning als verpakkingsbedrijf ingevolge artikel 12, lid 6, van verordening nr. 2677/85 moet worden ingetrokken. Het is duidelijk dat die intrekking des te later plaatsvindt naar gelang de controles later zijn uitgevoerd.
33 De Italiaanse regering betwist de specifieke correcties ten aanzien van de consumptiesteun voor olijfolie. Zij betoogt dat de Commissie ten onrechte van mening was dat de intrekking van de erkenning moest plaatsvinden met ingang van de dag van indiening van de te hoge aanvraag en niet met ingang van de opstelling van het proces-verbaal tot vaststelling van de onregelmatigheden. Volgens de regering leidt de opvatting van de Commissie ertoe dat ten onrechte terugwerkende kracht wordt verleend aan de door een lidstaat genomen beslissing tot intrekking.
34 De Commissie handhaaft haar uitlegging van artikel 12, lid 6, van verordening nr. 2677/85. Zij betoogt dat er binnen de Italiaanse administratie meningsverschil heeft bestaan ten aanzien van de bevoegde autoriteit voor de intrekking van erkenningen. Hierdoor werden de controles niet met de vereiste spoed verricht en pas met aanzienlijke vertraging geanalyseerd. De Commissie is van mening dat zij ervoor moet waken dat de gevolgen van die vertragingen niet ten laste van het EOGFL worden gebracht.
35 Zij betoogt bovendien dat de specifieke correcties die zijn aangebracht, voor de betrokken lidstaat in elk geval minder zware gevolgen hebben dan een forfaitaire correctie van 2 %. Volgens haar zou een dergelijke forfaitaire correctie, gelet op de onzekerheid die in die periode binnen de Italiaanse administratie heerste met betrekking tot de verdeling van bevoegdheden en de uitvoering van de controles, absoluut gerechtvaardigd zijn.
36 De Italiaanse regering antwoordt hierop dat de meningsverschillen met betrekking tot de intrekkingen van erkenningen die de Commissie aanvoert, geen enkele negatieve invloed hebben gehad op de uitvoering van de noodzakelijke controles. In elk geval is intrekking zonder voorafgaande controle onmogelijk.
37 Er zij aan herinnerd dat artikel 12, lid 6, van verordening nr. 2677/85 bepaalt, dat wanneer de hoeveelheid waarvoor ten onrechte steun is aangevraagd, 20 % of meer van de hoeveelheid waarvoor na controle het recht op steun is erkend, overschrijdt, de lidstaat de erkenning intrekt. Evenwel wordt niet gepreciseerd, op welke datum die intrekking moet ingaan. Hoewel artikel 12, lid 6, van verordening nr. 2677/85 de sanctie van intrekking afhankelijk maakt van de constatering door de bevoegde autoriteit dat de consumptiesteunaanvraag betrekking heeft op een hoeveelheid die groter is dan die waarvoor het recht op steun is erkend, blijkt uit de bewoordingen van deze bepaling immers niet, of de betrokken constatering declaratief dan wel constitutief is.
38 In die omstandigheden moet het doel van de sanctie van intrekking van de erkenning worden onderzocht.
39 De verzwaring van de sancties in geval van te hoge consumptiesteunaanvragen voor olijfolie past in de context van de fraudebestrijding. De considerans van verordening nr. 643/93, waarbij artikel 12, lid 6, van verordening nr. 2677/85 is geherformuleerd, legt immers een verband tussen de goede werking van de regeling [voor consumptiesteunaanvragen voor olijfolie]" en de noodzaak om de sanctieregeling aan te vullen voor de verpakkingsbedrijven die steun aanvragen voor te grote hoeveelheden. De doeltreffendheid en de preventieve werking van dergelijke sancties kunnen in het kader van de beoordeling van de werking en de gelding in de tijd van de sanctie van intrekking van de erkenning dus niet worden verwaarloosd.
40 Rekening houdend met deze omstandigheden kan de financiering van consumptiesteun door het EOGFL niet worden aanvaard wanneer die steun betrekking heeft op een periode ná de datum waarop de voorwaarden voor toepassing van de in artikel 12, lid 6, tweede alinea, van verordening nr. 2677/85 gestelde sanctie waren vervuld.
41 Er zou van de sanctie van intrekking immers minder kracht uitgaan indien een verpakkingsbedrijf dat in de loop van een gegeven verkoopseizoen aanvragen heeft ingediend voor te grote hoeveelheden in de zin van deze bepalingen, in de loop van de volgende jaren nieuwe aanvragen kon indienen, zonder enig risico te lopen totdat eventueel een proces-verbaal van een controle wordt opgesteld. Toepassing van de intrekking, overeenkomstig artikel 12, lid 6, tweede alinea, van verordening nr. 2677/85, met ingang van de datum waarop de voorwaarden voor toepassing van de sanctie zijn vervuld, is derhalve noodzakelijk om de doelmatigheid van deze regeling te waarborgen.
42 In tegenstelling tot de opvatting van de Italiaanse regering krijgt de beslissing tot intrekking hiermee geen onrechtmatige terugwerkende kracht, omdat de sanctie in het kader van deze uitlegging louter wordt toegepast vanaf het tijdstip waarop aan de toepassingsvoorwaarden ervan is voldaan en niet vanaf de controle met betrekking tot de vervulling van de toepassingsvoorwaarden.
43 Derhalve moet worden vastgesteld dat wanneer een verpakkingsbedrijf steun heeft aangevraagd voor hoeveelheden die de hoeveelheid waarvoor na controle het recht op steun is erkend, met ten minste 20 % overschrijden, de erkenning met ingang van de datum van overschrijding moet worden ingetrokken, dat wil zeggen vanaf de indiening van de daarop betrekking hebbende aanvragen.
44 In die omstandigheden moet het tweede middel van het beroep worden afgewezen.
De correctie ter zake van de ooien- en geitenpremies
45 Volgens artikel 5 van verordening (EEG) nr. 3013/89 van de Raad van 25 september 1989 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector schapen- en geitenvlees (PB L 289, blz. 1, en rectificatie PB L 296, blz. 40), wordt voorzover zulks nodig is ter compensatie van inkomensverliezen gedurende een verkoopseizoen, een premie toegekend aan de producenten van schapen- en geitenvlees binnen de Gemeenschap.
46 Naar aanleiding van in 1995 en in 1996 verrichte controlebezoeken, met name in Calabrië en Sicilië, heeft de Commissie een forfaitaire correctie aangebracht van 25 % van de ooien- en geitenpremies die aan de producenten in Calabrië en Sicilië waren uitbetaald voor de verkoopseizoenen 1993 en 1994.
47 Punt 4.9.4.6 van het syntheseverslag bevat de volgende constateringen:
- een vergelijking tussen de premiestatistieken en de veterinaire statistieken voor Sicilië hebben belangrijke verschillen aan het licht gebracht;
- bij op verzoek van eenheid A.I.3 uitgevoerde inspecties op de landbouwbedrijven in Calabrië en op Sicilië zijn zeer veel onregelmatigheden geconstateerd, waarvan een belangrijk deel tot de volledige of gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag heeft geleid;
- de kudderegisters waren niet bruikbaar, zodat het onmogelijk was om ook buiten de aanhoudperiode zinvolle inspecties uit te voeren;
- de plaats waar de dieren werden gehouden, was vaak niet op passende wijze meegedeeld;
- de kuddes waren niet gemerkt, zodat zinvolle controles onmogelijk waren waar verscheidene kuddes samen werden gehouden;
- bij de subsidiabiliteit van sommige dieren moeten vraagtekens worden geplaatst aangezien is gebleken dat inspecteurs ten onrechte ook mannelijke dieren en niet-subsidiabele jonge vrouwelijke dieren hebben meegerekend;
- er moet ook rekening worden gehouden met de controles die de Italiaanse autoriteiten in 1996 zelf op Sicilië hebben uitgevoerd.
De Italiaanse autoriteiten hebben in 1996 besloten tot volledige inspectie op de landbouwbedrijven voor alle Siciliaanse aanvragers van ooipremies. Voor Sicilië als geheel is uit de Italiaanse inspectieresultaten, die zijn gebaseerd op inspecties voor 79 % van de aanvragers, gebleken dat 33,66 % van de aanvragen gedeeltelijk, en 19,8 % van de aanvragen volledig moet worden afgewezen."
48 In het eindverslag nr. 98/IT/92 van 10 september 1998, betreffende de controle van ooien- en geitenpremies gedurende de verkoopseizoenen 1993 en 1994, kwam het bemiddelingsorgaan tot de slotsom dat voor het verkoopseizoen 1993 meer statistische gegevens moesten worden onderzocht en dat de forfaitaire correcties van 25 % voor Calabrië en Sicilië onvoldoende waren gemotiveerd.
49 Vervolgens heeft de Commissie de voorgestelde correcties voor bepaalde gebieden verlaagd of zelfs ingetrokken en voor andere verhoogd. De correctie van 25 % voor Calabrië voor het verkoopseizoen 1993 is met 10 % verlaagd. De correcties van 25 % voor Sicilië voor het verkoopseizoen 1993 en voor Calabrië en Sicilië voor het seizoen 1994 zijn onveranderd gebleven.
50 De Italiaanse regering betwist de toepassing van deze forfaitaire correcties. Zij betoogt om te beginnen dat het percentage van de forfaitaire correctie van 25 % onwettig is toegepast voorzover dit met terugwerkende kracht is gebeurd. Dat percentage is immers ingevoerd door de richtsnoeren voor de toepassing van forfaitaire correcties die in 1997 door de Commissie zijn opgesteld (document nr. VI/5330/97 van 23 december 1997). De seizoenen 1993 en 1994 liggen vóór de inwerkingtreding van deze richtsnoeren, zodat de forfaitaire correcties daarover slechts kunnen worden toegepast volgens de richtsnoeren die zijn omschreven in het zogenoemde rapport-Belle (document nr. VI/216/93 van 1 juni 1993), dat niet in een percentage van 25 % voorziet.
51 Vervolgens merkt de Italiaanse regering subsidiair op, dat volgens de richtsnoeren van 1997 een correctie van 25 % slechts gerechtvaardigd is wanneer de uitvoering van het controlesysteem door een lidstaat geheel ontbreekt of ernstige gebreken vertoont en er aanwijzingen bestaan voor zeer frequente onregelmatigheden en van onzorgvuldigheden in de bestrijding van onregelmatige en frauduleuze praktijken". Derhalve is zij van mening dat de correctie van 25 %, rekening houdend met de omstandigheden van het onderhavige geval, kennelijk onevenredig is.
52 Ondanks het verslag van het bemiddelingsorgaan waarin de conclusie werd getrokken dat zij de toepassing van dat percentage onvoldoende had gemotiveerd, heeft de Commissie ten slotte enkel de correctie voor Calabrië verlaagd van 25 % tot 10 %, en dit alleen voor het seizoen 1993, zonder uiteen te zetten waarom zij niet een overeenkomstige correctie voor Sicilië voor het seizoen 1993 en voor Calabrië en voor Sicilië voor het seizoen 1994 toepaste.
53 Dienaangaande moet om te beginnen worden vastgesteld, dat de toepassing van een percentage van 25 % voor de seizoenen 1993 en 1994 geen terugwerkende kracht heeft en niet onrechtmatig is. Bij gebreke van nauwkeurige regels met betrekking tot de te onttrekken bedragen in artikel 5, lid 2, sub c, voorlaatste alinea, van verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 94, blz. 13), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1287/95 van de Raad van 22 mei 1995 (PB L 125, blz. 1), moeten bij de voorbereiding van de beschikking tot goedkeuring van de rekeningen de beleidslijnen betreffende de beoordeling van de financiële gevolgen, welke de Commissie in het verslag VI/216/93 heeft vastgesteld, in aanmerking worden genomen. Deze beleidslijnen bepaalden reeds dat de Commissie in uitzonderlijke omstandigheden de mogelijkheid had om een forfaitaire correctie aan te brengen met een hoger percentage dan hetgeen gewoonlijk was voorzien, te weten 2 %, 5 % of 10 % van de uitgaven.
54 In de tweede plaats zij herinnerd aan de vaste rechtspraak volgens welke de Commissie ingevolge de artikelen 2 en 3 van verordening nr. 729/70 slechts bedragen die overeenkomstig de in de verschillende sectoren landbouwproducten opgestelde regels zijn betaald, ten laste van het EOGFL mag brengen, en dat alle overige betaalde bedragen, met name de bedragen waarvan de nationale autoriteiten ten onrechte hebben aangenomen dat zij deze in het kader van de gemeenschappelijke marktordening mochten betalen, ten laste van de lidstaten blijven. De Commissie moet dus aantonen, dat de communautaire regels zijn geschonden, maar de lidstaat dient in voorkomend geval te bewijzen, dat de Commissie een vergissing heeft begaan met betrekking tot de daaraan te verbinden financiële consequenties (zie met name arrest van 1 oktober 1998, Italië/Commissie, C-242/96, Jurispr. blz. I-5863, punten 121-123).
55 In het onderhavige geval moet worden vastgesteld dat de Italiaanse regering niet heeft aangetoond in hoeverre een lagere correctie dan die welke door de Commissie is toegepast, passender zou zijn geweest. Overeenkomstig de uiteenzetting van de feiten door de Commissie, die de Italiaanse regering niet heeft betwist, bevatte het Italiaanse controlestelsel enerzijds aanzienlijke gebreken, en zijn anderzijds ernstige onregelmatigheden in de betrokken gebieden geconstateerd.
56 De correctie waartoe de Commissie heeft besloten, komt derhalve niet ongerechtvaardigd voor.
57 Ten slotte moet volgens de rechtspraak van het Hof betreffende de omvang van de motiveringsverplichting van de Commissie zoals die volgt uit artikel 190 EG-Verdrag (thans artikel 253 EG), in de speciale context waarin beschikkingen inzake de goedkeuring van de rekeningen tot stand komen, de motivering van een beschikking als voldoende worden beschouwd wanneer de betrokken lidstaat nauw betrokken is geweest bij de voorbereiding van die beschikking en dus bekend was met de redenen waarom de Commissie meende het litigieuze bedrag niet ten laste van het EOGFL te moeten brengen (zie arrest Duitsland/Commissie, reeds aangehaald, punt 21).
58 In casu blijkt uit de stukken, dat de Italiaanse regering bij de voorbereiding van de bestreden beschikking betrokken is geweest. De aanzienlijke gebreken in het Italiaanse controlestelsel en de geconstateerde onregelmatigheden in de betrokken gebieden, zijn immers zowel schriftelijk als door inschakeling van het bemiddelingsorgaan onder de aandacht van de Italiaanse autoriteiten gebracht.
59 Zo heeft de Commissie de Italiaanse autoriteiten op 4 maart 1998 een brief gezonden die dezelfde aanwijzingen bevatte als die welke in het syntheseverslag zijn vermeld. Die brief informeerde de Italiaanse autoriteiten zowel over de percentages van de op de verschillende Italiaanse gebieden, waaronder Calabrië en Sicilië, voor de seizoenen 1993 en 1994 toegepaste forfaitaire correcties als over de specifieke redenen die de diensten van de Commissie ertoe hadden gebracht de betrokken percentages vast te stellen. Uit die kennisgeving bleek bovendien dat het percentage van 25 % op Calabrië en Sicilië was toegepast vanwege de uitzonderlijke ernst van de situatie in die gebieden, waar controles zeer zelden en ondoeltreffend waren en waar de vastgestelde onregelmatigheden zeer groot in aantal waren.
60 Voor het overige moet worden beklemtoond dat de Commissie bij het geven van haar beschikking niet aan de conclusies van het bemiddelingsorgaan gebonden is (zie arrest Duitsland/Commissie, reeds aangehaald, punt 18).
61 In die omstandigheden moet de beslissing van de Commissie om een forfaitaire correctie van 25 % voor Sicilië voor het seizoen 1993 en voor Calabrië en Sicilië voor het seizoen 1994 toe te passen, als voldoende gemotiveerd worden beschouwd.
62 Derhalve moet het derde middel van het beroep worden afgewezen.
63 Gelet op het voorgaande moet het beroep van de Italiaanse Republiek worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
64 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Italiaanse Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst de Italiaanse Republiek in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy