Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Sociale politiek - Mannelijke en vrouwelijke werknemers - Gelijke beloning - Belgische aanvullende vergoeding bij vervroegde uittreding - Kwalificatie als ondernemings- of sectoriële regeling inzake sociale zekerheid in de zin van richtlijn 86/378 - Toepasselijkheid van aan Verdrag betreffende de Europese Unie gehecht protocol nr. 2 ad artikel 119 van Verdrag (de artikelen 117-120 van het Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG) - Niet-toepasselijkheid van richtlijn 76/207
[EG-Verdrag, protocol nr. 2 ad artikel 119 (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG); richtlijnen van de Raad 76/207, art. 5, en 86/378, art. 2 en 4]
Samenvatting
$$Een ondernemings- of sectoriële regeling zoals de Belgische regeling inzake de aanvullende vergoeding bij vervroegde uittreding uit hoofde van de bij koninklijk besluit van 16 januari 1975 algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 en van de collectieve arbeidsovereenkomst van 23 mei 1984 die binnen paritair subcomité nr. 315.1 is gesloten, die bescherming biedt tegen de eventualiteit van werkloosheid door aan alle werknemers binnen een onderneming uitkeringen ter aanvulling van de uitkeringen van de wettelijke socialezekerheidsregeling inzake werkloosheid toe te kennen, moet worden aangemerkt als een ondernemings- en sectoriële regeling inzake sociale zekerheid in de zin van de artikelen 2 en 4 van richtlijn 86/378, zoals gewijzigd bij richtlijn 96/97. De betrokken aanvullende vergoeding vormt dus een uitkering uit hoofde van een ondernemings- of sectoriële regeling inzake sociale zekerheid in de zin van het aan het Verdrag betreffende de Europese Unie gehechte protocol nr. 2 ad artikel 119 EG-Verdrag (de artikelen 117-120 van het Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG), zodat dit protocol van toepassing kan zijn, indien aan de daarin gestelde voorwaarden is voldaan.
Een aanvullende vergoeding die, zoals in casu, een beloning in de zin van artikel 119 van het Verdrag vormt, valt niet onder artikel 5 van richtlijn 76/207 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden.
( cf. punten 29-30, 33, 36, dictum 1-2 )
Partijen
In zaak C-166/99,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) van het Arbeidshof te Brussel (België), in het aldaar aanhangig geding tussen
M. Defreyn
en
Sabena NV,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van het aan het EG-Verdrag gehechte protocol nr. 2 ad artikel 119 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en van artikel 5 van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB L 39, blz. 40),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: D. A. O. Edward, kamerpresident, L. Sevón, P. J. G. Kapteyn (rapporteur), P. Jann en M. Wathelet, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Sabena NV, vertegenwoordigd door L. de Schrijver, advocaat te Gent,
- de Belgische regering, vertegenwoordigd door P. Rietjens, directeur-generaal bij de juridische dienst van het Ministerie van Buitenlandse zaken, Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Aresu, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van M. Defreyn, vertegenwoordigd door G. Faveers, advocaat te Brussel; Sabena NV, vertegenwoordigd door L. de Schrijver en F. Lagasse, advocaat te Brussel; de Belgische regering, vertegenwoordigd door P. Rietjens; de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door C. Lewis, Barrister, en de Commissie, vertegenwoordigd door H. Michard, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, ter terechtzitting van 24 februari 2000,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 maart 2000,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij arrest van 28 april 1999, ingekomen bij het Hof op 4 mei daaraanvolgend, heeft het Arbeidshof te Brussel krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van het aan het EG-Verdrag gehechte protocol nr. 2 ad artikel 119 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: protocol") en van artikel 5 van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB L 39, blz. 40; hierna: richtlijn").
2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen M. Defreyn en Sabena NV (hierna: Sabena").
De gemeenschapsregeling
3 Artikel 119 EG-Verdrag (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG) bepaalt:
Iedere lidstaat verzekert gedurende de eerste etappe en handhaaft vervolgens de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke arbeid.
Onder beloning in de zin van dit artikel dient te worden verstaan het gewone basis- of minimumloon of -salaris, en alle overige voordelen in geld of in natura die de werkgever direct of indirect aan de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking betaalt."
4 Het protocol bepaalt:
Voor de toepassing van artikel 119 van het Verdrag worden uitkeringen uit hoofde van een ondernemings- of sectoriële regeling inzake sociale zekerheid niet als beloning beschouwd indien en voor zover zij kunnen worden toegerekend aan tijdvakken van arbeid vóór 17 mei 1990, behalve in het geval van werknemers of hun rechtverkrijgenden die vóór die datum een rechtsvordering of een naar geldend nationaal recht daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingesteld."
5 Artikel 5, lid 1, van de richtlijn luidt:
De toepassing van het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van de ontslagvoorwaarden, houdt in dat voor mannen en vrouwen dezelfde voorwaarden gelden, zonder discriminatie op grond van geslacht."
De nationale regeling
6 Collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 van 19 december 1974 van de Nationale Arbeidsraad, algemeen verbindend verklaard bij het koninklijk besluit van 16 januari 1975 (Belgisch Staatsblad van 31 januari 1975, blz. 1055), stelt een regeling van aanvullende vergoedingen in voor ontslagen bejaarde werknemers van 60 jaar en ouder, voor zover zij werkloosheidsuitkeringen genieten (artikelen 3 en 4). De aanvullende vergoedingen komen ten laste van de laatste werkgever en zijn gelijk aan de helft van het verschil tussen een nettoreferteloon en de werkloosheidsuitkering.
7 Volgens artikel 144 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid (onder meer gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 november 1991) hebben de werklozen geen recht meer op werkloosheidsuitkering vanaf de eerste dag van de kalendermaand, volgend op die van de 65ste verjaardag voor mannen of de 60ste verjaardag voor vrouwen. Deze regeling is niet aangepast aan de wet van 20 juli 1990 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers tussen 60 en 65 jaar voor zowel mannen als vrouwen.
8 Volgens collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 kunnen op het niveau van de bedrijfstak collectieve arbeidsovereenkomsten worden gesloten die de regeling uitbreiden tot werknemers van 55 jaar en ouder. Op 23 mei 1984 is een dergelijke collectieve arbeidsovereenkomst in paritair subcomité nr. 315.1 (Sabena) gesloten ter bestrijding van ondertewerkstelling ten gevolge van onder meer de ontwikkeling van bijzondere arbeidstechnieken in de sector commerciële luchtvaart en ter bevordering van het behoud van de werkgelegenheid van jongere werknemers.
9 Deze overeenkomst breidt de regeling van vergoedingen ter aanvulling van werkloosheidsuitkeringen uit tot ontslagen werknemers van 55 jaar en ouder die met hun ontslag hebben ingestemd. De vergoeding wordt uitgekeerd tot en met de maand van de 65ste verjaardag voor mannen en de 60ste verjaardag voor vrouwen. Ingevolge deze overeenkomst verleent Sabena de werknemer met ten minste 25 jaar dienstjaren een aanvullende vergoeding die hem 82 % van het nettoloon van de laatste maand vóór de datum van ingang van het ontslag garandeert.
10 Na het arrest van 17 februari 1993, Commissie/België (C-173/91, Jurispr. blz. I-673), waarin het Hof het verschil in behandeling veroordeelde op basis waarvan vrouwelijke werknemers ouder dan 60 jaar niet in aanmerking kwamen voor de aanvullende vergoeding bij ontslag waarin de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 voorzag, is artikel 4 van deze overeenkomst op 17 december 1997 aangepast door de Nationale Arbeidsraad (collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 vicies).
11 Sinds deze aanpassing genieten alle werknemers de aanvullende vergoeding ten laste van de werkgever tot de laatste dag van de kalendermaand waarin zij de leeftijd van 65 jaar bereiken, ongeacht of zij de maximumleeftijd voor werkloosheidsuitkeringen hebben overschreden.
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
12 Defreyn is op 27 juni 1960 als werkneemster in dienst getreden bij Sabena. Op 14 november 1984 verzocht zij om toepassing van de collectieve arbeidsovereenkomst van 23 mei 1984. Op 29 november 1984 kreeg zij toestemming voor vervroegde uittreding (brugpensioen) met een opzegtermijn van twee jaar (van 1 december 1984 tot en met 31 december 1986). Op grond daarvan verbond Sabena zich, vanaf 1 januari 1987 tot het einde van de maand waarin Defreyn 60 jaar werd (30 november 1991), de in de collectieve overeenkomst bedoelde aanvullende vergoeding te betalen. De vergoeding ter aanvulling van de werkloosheidsvergoedingen is inderdaad aan Defreyn uitbetaald tot aan het einde van de maand waarin zij zestig jaar is geworden. Daarna ontving zij een pensioen.
13 Op 17 februari 1993 heeft het Hof het arrest Commissie/België (reeds aangehaald) gewezen waarin het Hof voor recht verklaarde, dat het Koninkrijk België, door een wettelijke regeling te handhaven volgens welke vrouwelijke werknemers ouder dan 60 jaar niet in aanmerking komen voor de aanvullende vergoeding bij ontslag waarin de bij koninklijk besluit van 16 januari 1975 algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 voorziet, de krachtens artikel 119 van het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
14 Na dit arrest verzocht Defreyn Sabena bij brief van 10 juni 1993 om betaling van de aanvullende vergoeding waarop zij haars inziens recht had tot haar 65ste verjaardag, dat wil zeggen tot en met 30 november 1996.
15 Sabena weigerde. Daarop vorderde Defreyn voor de Arbeidsrechtbank te Brussel op 21 december 1993, dat Sabena werd veroordeeld tot betaling van de vergoeding ter aanvulling van de werkloosheidsuitkeringen over het tijdvak van 1 december 1991 tot en met 30 november 1996. Bij vonnis van 28 juni 1995 wees de Arbeidsrechtbank te Brussel deze vordering af.
16 Volgens de Arbeidsrechtbank vielen de litigieuze vergoedingen onder het protocol dat de werking van artikel 119 van het Verdrag in de tijd beperkte. Onbetwist was evenwel enerzijds, dat Defreyn haar verzoek baseerde op een diensttijd vóór 17 mei 1990 en anderzijds, dat zij pas na die datum een vordering had ingesteld.
17 De vraag of de betrokken vergoedingen onder de uitdrukking uitkeringen uit hoofde van een ondernemings- of sectoriële regeling inzake sociale zekerheid" van het protocol vallen, heeft de Arbeidsrechtbank, na vergelijking van de Nederlandse en de Franse tekst van het protocol, bevestigend beantwoord. Haars inziens volgt uit de Nederlandse tekst, dat deze uitdrukking doelt op ondernemings- of sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid", zodat het protocol op het geschil van toepassing was.
18 Op 12 februari 1996 stelde Defreyn tegen deze beschikking hoger beroep in bij het Arbeidshof te Brussel en vorderde zij opnieuw veroordeling van Sabena tot betaling van de vergoeding ter aanvulling van de werkloosheidsuitkeringen over het tijdvak van 1 december 1991 tot en met 30 november 1996. Subsidiair verzocht zij het Arbeidshof, het Hof prejudiciële vragen te stellen om uit te maken, of de betrokken aanvullende vergoeding als een uitkering uit hoofde van een ondernemings- of sectoriële regeling inzake sociale zekerheid in de zin van het protocol kon worden beschouwd, en of ter beslechting van het geschil rekening diende te worden gehouden met artikel 5, lid 1, van de richtlijn.
19 Volgens Defreyn blijkt uit het arrest Commissie/België (reeds aangehaald), dat de betrokken vergoeding een beloning in de zin van artikel 119 van het Verdrag is. Derhalve dient volgens haar het protocol buiten toepassing te blijven en dienen enkel de bepalingen van dat artikel te worden toegepast die zich ertegen verzetten dat alleen de ontslagen mannelijke werknemers tussen 60 en 65 jaar voor deze vergoeding in aanmerking komen, terwijl de ontslagen vrouwelijke werknemers in dezelfde leeftijdsgroep daarvan zijn uitgesloten.
20 Sabena verzocht daarentegen het hoger beroep ongegrond te verklaren en Defreyns eis af te wijzen. Volgens Sabena heeft de Arbeidsrechtbank de rechtsbeginselen terzake correct toegepast. Uit het protocol volgt, dat de betrokken aanvullende vergoeding, die volgens Sabena als een ondernemings- of sectoriële regeling inzake sociale zekerheid moet worden aangemerkt, slechts als grondslag voor een vordering op basis van artikel 119 van het Verdrag kan dienen, indien de vordering betrekking had op een vóór 17 mei 1990 vervulde diensttijd of betrekking had op uitkeringen van voor die datum, voor zover de verzoeker daartoe vóór deze datum een vordering heeft ingesteld. Aangezien niet aan deze voorwaarden is voldaan kan Defreyn zich volgens Sabena niet op artikel 119 van het Verdrag beroepen, om een vergoeding ter aanvulling van de werkloosheidsuitkeringen over het tijdvak van 1 december 1991 tot en met 30 november 1996 te verkrijgen.
21 In deze omstandigheden heeft de verwijzende rechter de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
1) Kan de aanvullende vergoeding bij vervroegde uittreding uit hoofde van de bij koninklijk besluit van 16 januari 1975 algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 en van de collectieve arbeidsovereenkomst van 23 mei 1984 die binnen paritair subcomité nr. 315.1 is gesloten, worden beschouwd als een uitkering die verschuldigd is uit hoofde van een ondernemings- of sectoriële regeling inzake sociale zekerheid, waarop het protocol ad artikel 119 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van toepassing is?
2) Zijn de bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 en van de in paritair subcomité nr. 315.1 gesloten collectieve arbeidsovereenkomst van 23 mei 1984 verenigbaar met artikel 5 van richtlijn 76/207/EEG, voor zover zij vrouwelijke werknemers ouder dan 60 jaar uitsluiten van de uitkeringen bij vervroegde uittreding, die een aanvullende vergoeding bij ontslag vormen en die ter aanvulling van de werkloosheidsuitkeringen worden toegekend, terwijl mannelijke werknemers tot de leeftijd van 65 jaar recht op die uitkeringen hebben?
3) Indien de voorgaande twee vragen bevestigend worden beantwoord, staat de toepassing van het protocol ad artikel 119 van het Verdrag eraan in de weg, dat de vordering van Defreyn wordt toegewezen, voor zover zij is gebaseerd op schending van artikel 5 van richtlijn 76/207?"
De eerste vraag
22 Om de verwijzende rechter een dienstig antwoord te geven dient vooraf te worden bepaald, of de betrokken vergoeding een uitkering is uit hoofde van een ondernemings- of sectoriële regeling inzake sociale zekerheid in de zin van het protocol.
23 Vaststaat dat de betrokken uitkering een bij overeenkomst vastgestelde vergoeding is die een van de wettelijke socialezekerheidsregelingen, namelijk de werkloosheidsregeling, aanvult.
24 Volgens Defreyn en de Commissie blijkt uit het arrest Commissie/België (reeds aangehaald), dat de vergoeding ter aanvulling van de werkloosheidsuitkeringen als een beloning en niet als een socialezekerheidsuitkering moet worden beschouwd, zodat deze uitkering niet onder het protocol valt en dus het beginsel van gelijke behandeling van artikel 119 van het Verdrag van toepassing is.
25 Daarentegen stellen Sabena alsook de Belgische regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk, dat de betrokken vergoeding weliswaar een beloning in de zin van artikel 119 van het Verdrag is, doch onder het protocol valt, omdat zij deel uitmaakt van een op ondernemings- of sectoriële basis georganiseerde socialezekerheidsregeling.
26 Dienaangaande zij er in de eerste plaats aan herinnerd, dat het Hof in het arrest Commissie/België (reeds aangehaald) heeft verklaard, dat de aanvullende vergoeding bij vervroegde uittreding geen socialezekerheidsuitkering was, doch daarentegen los stond van de algemene socialezekerheidsregeling, zodat zij een beloning in de zin van artikel 119 van het Verdrag vormde. Het in punt 18 van dit laatste arrest aangehaalde argument van de Belgische regering, dat de aanvullende vergoeding wegens de onafscheidelijke band met de werkloosheidsuitkering als een socialezekerheidsuitkering moest worden beschouwd, werd dus verworpen.
27 Anders dan Defreyn en de Commissie stellen, kan de kwalificatie door het Hof van de betrokken vergoeding als beloning in de zin van artikel 119 van het Verdrag evenwel niet prejudiciëren op het antwoord op de vraag, of deze vergoeding als een uitkering uit hoofde van een ondernemings- of sectoriële regeling inzake sociale zekerheid in de zin van het protocol kan worden aangemerkt.
28 Vóór de inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de Europese Unie en dus van het protocol, kon deze vraag niet rijzen, zodat het Hof zich op dit punt niet behoefde uit te spreken.
29 Een ondernemings- of sectoriële regeling als bedoeld in het hoofdgeding, die bescherming biedt tegen de eventualiteit van werkloosheid door aan alle werknemers binnen een onderneming, in casu Sabena, uitkeringen ter aanvulling van de uitkeringen van de wettelijke socialezekerheidsregeling inzake werkloosheid toe te kennen, moet worden aangemerkt als een ondernemings- en sectoriële regeling inzake sociale zekerheid in de zin van de artikelen 2 en 4 van richtlijn 86/378/EEG van de Raad van 24 juli 1986 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in ondernemings- en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid (PB L 225, blz. 40), zoals gewijzigd bij richtlijn 96/97/EG van de Raad van 20 december 1996 (PB 1997, L 46, blz. 20).
30 De betrokken aanvullende vergoeding vormt dus een uitkering uit hoofde van een ondernemings- of sectoriële regeling inzake sociale zekerheid in de zin van het protocol, zodat dit laatste van toepassing kan zijn, indien aan de daarin gestelde voorwaarden is voldaan.
31 Ingevolge het protocol is artikel 119 van het Verdrag niet van toepassing op uitkeringen uit hoofde van een ondernemings- of sectoriële regeling inzake sociale zekerheid die kunnen worden toegerekend aan tijdvakken van arbeid vóór 17 mei 1990, behalve in het geval van werknemers die vóór die datum een rechtsvordering of een daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingesteld.
32 Blijkens het dossier in het hoofdgeding heeft Defreyn tussen juni 1960 en december 1986 voor Sabena gewerkt. Ook staat vast, dat Sabena haar de betrokken aanvullende vergoeding heeft uitgekeerd als laatste werkgever. De vergoeding is dus onbetwistbaar uitgekeerd uit hoofde van de dienstbetrekking die vóór 17 mei 1990 is beëindigd. Ten slotte wordt niet betwist, dat Defreyn op die datum geen rechtsvordering of daarmee gelijk te stellen vordering had ingesteld.
33 In deze omstandigheden moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat het protocol van toepassing is op een vergoeding zoals de aanvullende vergoeding bij vervroegde uittreding uit hoofde van de bij koninklijk besluit van 16 januari 1975 algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 en van de collectieve arbeidsovereenkomst van 23 mei 1984 die binnen paritair subcomité nr. 315.1 is gesloten.
De tweede en de derde vraag
34 Met zijn tweede en zijn derde vraag, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 5 van de richtlijn van toepassing is in het hoofdgeding.
35 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat een uitkering die, zoals in casu, een beloning in de zin van artikel 119 van het Verdrag is, niet eveneens onder de richtlijn kan vallen (arrest van 13 februari 1996, Gillespie e.a., C-342/93, Jurispr. blz. I-475, punt 24).
36 Op de tweede en de derde vraag dient dus te worden geantwoord, dat een aanvullende vergoeding die, zoals in casu, een beloning in de zin van artikel 119 van het Verdrag vormt, niet onder artikel 5 van de richtlijn valt.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
37 De kosten door de Belgische regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk alsook door de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het Arbeidshof te Brussel bij arrest van 28 april 1999 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Het aan het EG-Verdrag gehechte protocol nr. 2 ad artikel 119 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is van toepassing op een vergoeding zoals de aanvullende vergoeding bij vervroegde uittreding uit hoofde van de bij koninklijk besluit van 16 januari 1975 algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 en van de collectieve arbeidsovereenkomst van 23 mei 1984 die binnen paritair subcomité nr. 315.1 is gesloten.
2) Een aanvullende vergoeding die, zoals in casu, een beloning in de zin van artikel 119 EG-Verdrag (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG) vormt, valt niet onder artikel 5 van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden.
Full & Egal Universal Law Academy