Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Partijen
In zaak C-167/99,
Europees Parlement, vertegenwoordigd door T. Millett en O. Caisou-Rousseau als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoeker,
tegen
Société d'aménagement et d'équipement de la Région de Strasbourg (SERS), gevestigd te Straatsburg (Frankrijk), vertegenwoordigd door G. Alexandre, avocat,
en
Ville de Strasbourg, vertegenwoordigd door B. Alexandre, avocat,
verweersters,
"betreffende enerzijds een beroep van het Europees Parlement krachtens artikel 181 EG-Verdrag (thans artikel 238 EG) strekkende tot nietigverklaring van het advies van het college van bemiddelaars waarop partijen een beroep hadden gedaan, alsmede tot het verkrijgen van betaling van boetes wegens vertraging, en anderzijds een reconventionele vordering van de Société d'aménagement et d'équipement de la Région de Strasbourg (SERS) en de Stad Straatsburg tot gedeeltelijke nietigverklaring van dat advies,
wijst HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: J.-P. Puissochet, kamerpresident, R. Schintgen (rapporteur), V. Skouris, F. Macken en J. N. Cunha Rodrigues, rechters,
advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 24 januari 2002, waarbij het Europees Parlement werd vertegenwoordigd door O. Caisou-Rousseau en door D. Petersheim als gemachtigde; de Société d'aménagement et d'équipement de la Région de Strasbourg (SERS) door G. Alexandre en A. Friederich, advocaat, en de Stad Straatsburg door B. Alexandre,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 september 2002,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen op 20 april 1999 en ingekomen ter griffie van het Hof op 4 mei daaraanvolgend, heeft het Europees Parlement krachtens artikel 181 EG-Verdrag (thans artikel 238 EG) beroep ingesteld strekkende tot nietigverklaring van het advies van het college van bemiddelaars waarop partijen een beroep hadden gedaan, en tot het verkrijgen van betaling van een boete wegens vertraging vanwege de te late uitvoering van de overeenkomst die hem aan de Société d'aménagement et d'équipement de la Région de Strasbourg (hierna: "SERS") en de Stad Straatsburg (hierna: "Stad") bond. In hun verweerschrift vorderen laatstgenoemden bij wege van reconventionele vordering de gedeeltelijke nietigverklaring van dat advies.
Feiten en toepasselijke bepalingen
2 Blijkens het dossier is op 31 maart 1994 tussen het Europees Parlement, de Stad en SERS een overeenkomst (hierna: "kaderovereenkomst") gesloten over de regeling van de voorwaarden van de erfpacht en de koopoptie voor een gebouwencomplex (hierna: "gebouw") dat SERS voor het Parlement zou bouwen op een voor dit doel door de Stad ter beschikking gesteld terrein, alsmede over de verhoudingen tussen de partijen gedurende de constructie van het gebouw.
3 Overeenkomstig artikel 3.1 van de kaderovereenkomst zou de tussen SERS en het Parlement overeengekomen erfpacht pas bij de vaststelling van de voltooiing van het gebouw ingaan.
4 Artikel 3.2 van de kaderovereenkomst bepaalt dat de oplevering van het gebouw "is voorzien uiterlijk 31 december 1997".
5 Artikel 3.3 van deze overeenkomst luidt:
"De aanvang van het werk aan de bovengrondse delen van het gebouw is voorzien op 1 oktober 1994. De SERS zal vanaf die datum voor de voltooiing van het gebouw beschikken over een op 36 maanden geraamde termijn.
De termijn voor voltooiing in de zin van dit subartikel zal echter met een passende periode worden verlengd in geval van een naar behoren door SERS verantwoorde vertraging. Dit geldt met name bij:
- aanvullende werkzaamheden of wijzigingen waarom door het Europees Parlement is gevraagd;
- vertragingen bij het verkrijgen van administratieve vergunningen door toedoen van de met de voorbereiding of afgifte daarvan belaste autoriteiten, of door toedoen van derden;
- gevolgen van surseance of faillissement van een (of meer) medecontractant(en) van de opdrachtnemer;
- overmacht of toeval in de zin van de rechtspraak en doctrine;
- stakingen die de bouwplaats treffen;
- administratieve of gerechtelijke beslissingen of bevelen tot stillegging van de werkzaamheden;
- vandalisme, slechte weersomstandigheden, natuurrampen, oorlog, terrorisme, archeologische opgravingen;
- nalatigheid of vertraging met meer dan drie weken in de reactie van het Europees Parlement op mededelingen."
6 Artikel 4 van de kaderovereenkomst bepaalt:
"Het gebouw wordt als voltooid beschouwd op de datum van oplevering, in geval van een enkele oplevering, dan wel op de datum van de laatste oplevering, in geval van achtereenvolgende of gedeeltelijke opleveringen, tenzij het Europees Parlement met redenen omklede bezwaren indient wegens niet-naleving van het programmadossier in al zijn onderdelen. In dat geval moet de datum van voltooiing door partijen onderling worden vastgesteld, of indien dit niet gebeurt door een beslissing van de bevoegde Franse rechter. Het begrip oplevering moet in de zin van artikel 1792-6 van het Franse burgerlijk wetboek worden opgevat.
[...]
SERS nodigt het Europees Parlement bij aangetekende brief, die ten minste tien kalenderdagen voor de vastgestelde datum moet zijn verzonden, uit voor een bezichtiging alvorens oplevering(en) plaatsvindt(en). SERS verbindt zich ertoe niet tot enige vorm van oplevering over te gaan zonder rekening te houden met eventuele opmerkingen en commentaar van het Europees Parlement, die deze naar behoren met redenen heeft omkleed onder naleving van het programmadossier in al zijn aspecten.
Bij gebreke van overeenstemming tussen SERS en de aannemers over de vaststelling van de datum van een van deze opleveringen, zal de datum volgens artikel 1792-6 van het Franse burgerlijk wetboek door de rechter worden vastgesteld, hetgeen door partijen uitdrukkelijk wordt aanvaard. Ingeval van een verzoek tot het uitspreken van gerechtelijke oplevering, verbindt SERS zich ertoe het Parlement daarvan onverwijld in kennis te stellen.
[...]"
7 In artikel 5 van de kaderovereenkomst, getiteld "Termijnen en boetes wegens vertraging", is bepaald:
"5.1 Zelfs indien de in artikel 3.3 bedoelde termijn van 36 maanden eindigt ná de in artikel 3.2 bedoelde datum, eventueel opgeschort krachtens artikel 5.2, zal SERS vanaf de in artikel 3.2 bedoelde datum, eventueel opgeschort krachtens artikel 5.2, van rechtswege en zonder vormvereisten op grond van het loutere feit van de termijnoverschrijding een boete verschuldigd zijn van 28 000 ECU per werkdag, ten belope van maximaal 3 % van de vastgestelde bouwkosten (het bedrag van de feitelijke bouwkosten met inbegrip van de honoraria voor studies).
[...]
De looptijd van de boete per dag - of de verminderde boete waarvan hiervoor sprake is - stopt op de dag waarop de voltooiing overeenkomstig artikel 4 wordt vastgesteld, en in ieder geval wanneer het plafond wordt bereikt.
5.2 De termijn voorzien in artikel 3.2 wordt opgeschort in geval van:
- naar behoren vastgestelde overmacht of toeval;
- beslissingen van een administratieve of gewone rechter waarbij de stillegging van de werkzaamheden wordt bevolen;
- natuurrampen, oorlog, terrorisme, archeologische opgravingen;
- slechte weersomstandigheden erkend door de Caisse des congés payés du bâtiment de Strasbourg;
- vertraging bij het verkrijgen van administratieve vergunning(en) door toedoen van de met de voorbereiding of afgifte daarvan belaste autoriteiten, met uitzondering van die waartoe de Stad Straatsburg bevoegd is.
In deze gevallen zal met wederzijdse instemming van partijen, of bij ontstentenis daarvan door de in artikel 29 bedoelde rechter, een aanvullende termijn worden vastgesteld.
De SERS zal, zodra zij daarvan kennis krijgt, het Europees Parlement op de hoogte stellen van iedere mogelijke oorzaak van vertraging die zich voordoet. Bij gebreke van kennisgeving zal zij zich daarop niet kunnen beroepen om een aanvullende termijn te verkrijgen.
5.3 Bij de datum bedoeld in artikel 3.2, is geen rekening gehouden met door het Europees Parlement verlangde of aanvaarde aanvullende werkzaamheden of wijzigingen.
De bijkomende termijnen hiervoor moeten volgens de in het protocol neergelegde procedures worden vastgesteld."
8 Artikel 6.3 van de kaderovereenkomst luidt als volgt:
"De tussentijdse rente is van toepassing op alle uitgavenposten die voorkomen op de financiële staat, vanaf de datum van betaling door SERS tot de datum waarop de eerste staat van de tussentijdse investeringskosten wordt opgemaakt of van de investeringskosten die zijn vastgesteld voor de bedragen die niet in aanmerking zijn genomen in de tussentijdse investeringskosten.
Uit dien hoofde is de tussentijdse rente met name van toepassing tussen de datum van de eerste vervaldag en de datum van de daadwerkelijke betaling.
Zij wordt volgens de procedure van artikel 6.4 berekend tegen de gunstigste rentevoet en de beste voorwaarden gehanteerd op de financiële markten, die SERS hiertoe voortdurend onderzoekt.
De berekening van het aantal dagen en de kapitalisatie van de rente geschiedt volgens de door de banken gehanteerde methodes. De omschrijving daarvan maakt integrerend deel uit van de in artikel 6.4 genoemde financieringsovereenkomst.
Voor de vaststelling van de voorlopige investeringskosten wordt uitgegaan van tussentijdse rente van 7,3 %.
Het Europees Parlement is geen tussentijdse rente verschuldigd over het tijdvak tussen de datum van oplevering voorzien in artikel 3.2, eventueel opgeschort krachtens artikel 5.2, en de feitelijke opleveringsdatum indien het uitstel van de opleveringsdatum toe te rekenen is aan SERS of het gevolg is van een vertraging die door de in artikel 29 bedoelde rechter niet als gerechtvaardigd is erkend."
9 Artikel 21.1 van de kaderovereenkomst bepaalt dat de mededeling van stukken of van informatie officieel wordt aangetoond door een briefwisseling tussen de directeur-generaal van SERS en de directeur-generaal van de administratie van het Parlement of, in geval van verhindering degene die daartoe naar behoren is gemachtigd, zodat geen van partijen zich kan beroepen op een mondelinge beslissing of akkoord van de andere partij of op een schrijven dat niet door een van deze twee personen of hun uitdrukkelijk aangewezen gemachtigden is ondertekend.
10 Overeenkomstig artikel 22.1 van de kaderovereenkomst stelt SERS elke maand een gedetailleerd rapport op over de voortgang van het project.
11 Krachtens artikel 25 van de kaderovereenkomst moet het als bijlage bij deze overeenkomst gevoegde algemene tijdschema in acht worden genomen en moet SERS, met de genoemde maandelijkse voortgangsrapportage, de tijdschema's voor de bouwwerkzaamheden overleggen, alsmede eventuele vertragingen aangeven en verklaren. In geval van vertraging moet het Europees Parlement in kennis worden gesteld van de passende correctieve maatregelen die SERS voornemens is te treffen, een en ander onverminderd de toepassing van artikel 5 van de kaderovereenkomst.
12 Artikel 28 van de kaderovereenkomst bepaalt dat de Franse wettelijke regeling van toepassing is op deze overeenkomst.
13 Artikel 29 van de kaderovereenkomst luidt:
"Bij gebreke van een voorafgaande minnelijke schikking zullen alle gedingen die betrekking hebben op de onderhavige overeenkomst krachtens artikel 181 EEG-Verdrag, artikel 153 EGA-Verdrag en artikel 42 EGKS-Verdrag voor het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen worden gebracht."
14 Blijkens het dossier hebben partijen vele brieven en documenten uitgewisseld. Uit de aan het Hof overgelegde stukken blijkt met name dat het Parlement op 22 november 1994 aan SERS het advies van een onderzoeksbureau over het door SERS opgestelde maandelijkse rapport nr. 6 heeft toegezonden. In een brief van 20 december daaraanvolgend heeft SERS op de bezwaren in dat advies met name geantwoord dat sinds augustus 1994, dat wil zeggen reeds vóór de aanbesteding van de opdracht voor de ruwbouw, vaststond dat de ruwbouwondernemingen tot begin januari 1995 konden worden aangewezen, en dat de hervatting van het overleg een uitstel meebracht waarmee ruimschoots binnen de in de kaderovereenkomst vastgestelde termijnen kon worden gebleven, aangezien de termijnmarge waarmee SERS ten opzichte van de daarin gegeven doelstelling rekening hield, niet was verbruikt en voor het grootste gedeelte beschikbaar bleef.
15 Bij wijzigingsmemorie (PEU 008) gedateerd 28 september 1995, heeft het Parlement verzocht om aanbrenging van bepaalde wijzigingen in het ontwerp van de zittingzaal. Met betrekking tot de invloed van deze wijzigingen op de termijn voor voltooiing, bepaalt deze memorie dat de verlenging van de termijn voor voltooiing van het werk gelijk zal zijn aan het tijdvak tussen 31 augustus 1995 en de datum van ontvangst door SERS van de goedkeuring van het Parlement.
16 Bij haar brieven van 1 maart, 11 april en 9 juli 1996, en van 3 februari, 9 april en 13 augustus 1997 heeft SERS het Parlement in kennis gesteld van verschillende overzichten inzake ongunstige weersomstandigheden die een verlenging van de termijn voor voltooiing van het gebouw noodzakelijk maken, op grond van artikel 3.3 dan wel van artikel 5.2 van de kaderovereenkomst. Deze overzichten betreffen in totaal 152 werkdagen.
17 Het Parlement heeft in zijn brieven van 18 maart, 21 juni en 18 juli 1996 enerzijds geantwoord dat SERS, om rechtsgeldig een beroep op artikel 3.3 van de kaderovereenkomst te kunnen doen, moet bewijzen dat de betrokken ongunstige weersomstandigheden daadwerkelijk een vertraging in het algemene verloop van het bouwproject teweeg hebben gebracht. Het heeft anderzijds vermeld dat de termijn van artikel 5.2 van de kaderovereenkomst slechts op basis van onderlinge overeenstemming tussen partijen of bij beslissing door de rechter kon worden verlengd, en dat voor ongunstige weersomstandigheden niet in een afwijking van deze procedure was voorzien.
18 Gelet op de vertraging die is toe te schrijven aan de werkzaamheden voor de installatie van een computernetwerk, waarover een andere wijzigingsmemorie (PEU 055) gaat, heeft het Parlement op 29 juli 1997 besloten SERS een bijkomende termijn van vijf werkdagen toe te kennen voor de voltooiing van het gebouw.
19 In een brief van 10 december 1997 heeft de secretaris-generaal van het Parlement het standpunt van het Parlement in herinnering gebracht ten aanzien van de inaanmerkingneming van de ongunstige weersomstandigheden in de berekening van de termijn voor voltooiing van het gebouw, en heeft hij van SERS gevorderd hem binnen drie weken na ontvangst van die brief de tussentijdse investeringskosten mee te delen, zoals in artikel 6.2, sub c, van de kaderovereenkomst is voorzien.
20 In haar antwoord van 16 januari 1998 betoogde SERS dat het door het Parlement ingenomen standpunt in strijd was met de artikelen 3.3 en 5.2 van de kaderovereenkomst. Zij voegde daaraan toe dat zij het verzoek van het Parlement niet kon inwilligen, want aangezien het gebouw niet was voltooid, was artikel 6.2 van deze overeenkomst nog niet in werking getreden. Het standpunt van het Parlement was haars inziens overigens volledig tegenstrijdig, aangezien het enerzijds boetes wil opleggen wegens vertraging omdat het gebouw niet was voltooid, en anderzijds het gebouw als voltooid wil aanmerken in de zin van artikel 6.2, sub c, van de kaderovereenkomst.
21 Bij aangetekende brief van 14 december 1998 heeft SERS het Parlement meegedeeld dat zij het gebouw op 18 november daaraan voorafgaand had opgeleverd, en dat deze laatstgenoemde datum de opleveringsdatum in de zin van artikel 4 van de kaderovereenkomst vormde.
22 Op 16 december 1998 heeft het Parlement geantwoord dat het zich ertegen verzette dat het gebouw op de datum van de oplevering door SERS als voltooid wordt aangemerkt.
23 Op 14 januari 1999 hebben de Stad en het Parlement drie overeenkomsten gesloten, die op 19 januari daaropvolgend ook door de SERS zijn ondertekend. Daarbij ging het om:
- een aanvulling op artikel 29 van de kaderovereenkomst (hierna: "aanvullende kaderovereenkomst"), die strekte tot instelling van een college van bemiddelaars (hierna: "college") met als strikte opdracht het meningsverschil tussen partijen op te lossen over de uitlegging en toepassing van de artikelen 3, 5, 6 en 25 van de kaderovereenkomst ten aanzien van de contractuele datum voor oplevering van het gebouw;
- een bemiddelingsprotocol waarbij partijen besloten hun meningsverschil zoals in de aanvullende kaderovereenkomst omschreven aan het oordeel van het college voor te leggen;
- een akte tot vaststelling van de voltooiing van het gebouw waarin partijen overeengekomen zijn dat de datum van de voltooiing, zoals voorzien in artikel 4, eerste alinea, van de kaderovereenkomst, werd vastgesteld op 15 december 1998, zodat de erfpacht gesloten tussen SERS en het Europees Parlement op die datum ingaat volgens de in die overeenkomst gestelde voorwaarden.
24 Overeenkomstig artikel 1, lid 2, van de aanvullende kaderovereenkomst beperkt het college zijn advies op basis van de bepalingen van de kaderovereenkomst tot de rechtsvragen. Bovendien was elk der partijen gehouden zich naar dit advies te voegen, onverminderd de mogelijkheid voor elk van hen om binnen een termijn van 30 dagen na de betekening ervan, tegen dit advies in beroep te gaan bij de rechterlijke instantie bedoeld in artikel 29 van de kaderovereenkomst.
25 Voor het college heeft SERS de volgende vertragingen aangevoerd:
- 25 werkdagen wegens extra werkzaamheden voortvloeiende uit de wijzigingen waarom in wijzigingsmemories PEU 008 en 055 was verzocht;
- 128 werkdagen wegens het mislukken van de eerste aanbesteding van de opdracht voor de ruwbouw;
- 180 werkdagen wegens ongunstige weersomstandigheden;
- 106 werkdagen wegens wanprestatie van ondernemingen;
- 4 werkdagen wegens een staking;
- 16 werkdagen omdat wegens ongunstige weersomstandigheden wegen waren afgesloten en dooiversperringen waren geplaatst;
- 20 werkdagen wegens bestuurlijke bevelen;
- 81 werkdagen omdat de groep DRE-Lefort-Franchteau (hierna: "DRE") en de met de stukadoorwerkzaamheden belaste onderneming niet langer aan het bouwproject meewerkten.
26 Op 22 maart 1999 heeft het college het gevraagde advies gegeven (hierna: "advies van het college") en de partijen daarvan in kennis gesteld.
27 In punt V.3 van zijn advies heeft het college geoordeeld als volgt:
"[...]
[...] de overeenkomst houdt twee reeksen wel te onderscheiden bedingen in: die van artikel 3.3 met betrekking tot de geraamde bouwtermijn, en die van de artikelen 3.2 en 5 met betrekking tot de opleveringsdatum;
[...] de overeenkomst voorziet in verschillende gronden voor de verlenging van de geraamde bouwtermijn en voor het uitstel van oplevering;
[...] de overeenkomst verbindt de opleveringsdatum die in artikel 3.2 is vastgelegd, consequent met de redenen voor uitstel die in artikel 5.2 zijn omschreven (zie, onder meer, de artikelen 5.1, 6.3 en 7.2);
[...] artikel 5.1 luidt als volgt:
Zelfs indien de in artikel 3.3 bedoelde termijn van 36 maanden eindigt ná de in artikel 3.2 bedoelde datum, eventueel opgeschort (prorog[é]) krachtens artikel 5.2, zal SERS vanaf de in artikel 3.2 bedoelde datum, eventueel opgeschort krachtens artikel 5.2, van rechtswege en zonder vormvereisten een boete verschuldigd zijn [...]'
Niettegenstaande de onjuiste uitgang van het voltooid deelwoord 'prorogé', waardoor de uitlegging van de bepaling weliswaar wordt bemoeilijkt, maar waaromtrent partijen het eens zijn dat het om een verschrijving gaat, zou het geen andere betekenis kunnen hebben dan de volgende: iedere oplevering van het bouwwerk ná de in artikel 3.2 bedoelde termijn, uitsluitend verlengd om redenen voor verlenging als bedoeld in artikel 5.2, geeft aanleiding tot betaling van de in de overeenkomst voorziene boetes wegens vertraging, zelfs wanneer de geraamde termijn van artikel 3.3 overschreden zou zijn op legitieme gronden voor verlenging, die wel in artikel 3.3 zijn omschreven, maar niet in artikel 5.2 zijn overgenomen.
Dientengevolge dwingen de bewoordingen zelve van artikel 5.1, in samenhang met de bepalingen die artikel 3.2 (datum van oplevering) met artikel 5.2 (redenen voor opschorting van de datum van oplevering) in verband brengen, een onderscheid te maken tussen de geraamde termijn van artikel 3.3 en de datum van oplevering.
Op grond hiervan komt het college tot zijn oordeel dat de contractuele opleveringsdatum 31 december 1997 is, eventueel opgeschort ten gevolge van uitsluitend de in artikel 5.2 voorziene redenen voor opschorting. Vanaf die datum zijn dus de boetes wegens vertraging verschuldigd."
28 Punt VI van het advies van het college betreffende de vraag onder welke voorwaarden de redenen voor verlenging in respectievelijk de artikelen 3.3 en 5.2 van de kaderovereenkomst kunnen worden toegepast, luidt als volgt:
"[...]
Gelet op de bewoordingen van artikel 3.3, kunnen de daarin genoemde redenen voor verlenging enkel opgaan voorzover zij zich vóór 31 december 1997 hebben voorgedaan, en kunnen zij slechts in aanmerking worden genomen voor maximaal drie maanden zoals voortvloeit uit de bepalingen van artikel 3.2 en 3.3, in hun onderlinge samenhang beschouwd.
Uit de door het Parlement tijdens de bijeenkomst van 5 maart 1999 overgelegde nota (punten 24 en 25) blijkt in dit verband dat het impliciet maar noodzakelijkerwijs erkent dat deze beperking van drie maanden krachtens artikel 3.3 door SERS regelmatig is gehanteerd.
Het Parlement geeft echter niet aan wat de door SERS aangevoerde redenen zijn die het aanvaardt om deze verlenging van de geraamde termijn toe te staan. Het is niet mogelijk twee keer dezelfde reden voor verlenging aan te voeren: eerst om de geraamde termijn van 36 maanden te verlengen, en dan om de contractuele opleveringsdatum uit te stellen.
Het college [...] adviseert partijen derhalve zich met elkaar te verstaan over de vaststelling van de redenen voor verlenging van de termijn van 36 maanden, vanzelfsprekend bij voorrang rekening houdend met de redenen voor verlenging die wel uit hoofde van artikel 3.3, maar niet uit hoofde van artikel 5.2 zijn toegestaan.
Uit het voorgaande volgt dus dat tussen partijen alleen nog onenigheid blijft bestaan over de redenen voor uitstel van de opleveringsdatum ná 31 december 1997 krachtens artikel 5.2.
Het college [...] meent dat de redenen voor opschorting in artikel 5.2 op hun beurt een overeenkomstige opschorting van de opleveringsdatum van artikel 3.2 (31 december 1997) meebrengen, ongeacht het tijdstip waarop zij zich voordoen, zelfs na 31 december 1997, mits zij zich gedurende een periode van verlenging voordoen die gelet op artikel 5.2 rechtmatig is."
29 In punt VII van het advies geeft het college zijn oordeel over de verschillende redenen voor vertraging waarmee bij de vaststelling van de contractuele datum voor oplevering van het gebouw rekening kan worden gehouden. Betreffende de door SERS genoemde gebeurtenissen die als overmacht in aanmerking kunnen worden genomen, is in punt VII.1.A.2, sub a, van het advies van het college te lezen:
"De eerste gebeurtenis die als overmacht kan worden aangemerkt, is de vertraging tengevolge van het mislukken van de eerste aanbesteding van de opdracht voor de ruwbouw vanwege het vermoeden van prijsafspraken tussen de inschrijvende ondernemingen, en de noodzaak van een nieuwe aanbesteding voor de gunning van genoemde opdracht.
[...]
Opgemerkt zij echter dat de brief van 20 december 1994 van de directeur-generaal van SERS aan de directeur-generaal van de administratie van het Parlement te verstaan geeft dat SERS de termijnen van de kaderovereenkomst zou naleven niettegenstaande de heraanbesteding en de door dit ernstige incident verloren tijd.
Het college [...] is echter van oordeel dat de elementen die bepalend zijn voor een geval van overmacht van objectieve aard zijn: zij dienen derhalve op zichzelf te worden beoordeeld, ongeacht de eventueel onjuiste beoordeling daarvan door een partij bij de overeenkomst op een moment waarop alle gevolgen van die gebeurtenis overigens nog niet aan het licht waren gekomen.
In die omstandigheden is het standpunt van het college [...] dat de twee partijen in onderling overleg de daadwerkelijke gevolgen van de betrokken gebeurtenis op het verloop van het bouwproject, gelet op de zorgvuldigheidsplicht van SERS, a posteriori moeten bezien.
Op basis van dat onderzoek zullen zij moeten uitmaken of die gebeurtenis, geheel of gedeeltelijk, al dan niet als reden voor opschorting van de opleveringsdatum kan dienen."
30 In punt VII.1.A.2, sub d, van het advies behandelt het college in de volgende bewoordingen de wanprestatie van ondernemingen, die SERS aanvoert ter rechtvaardiging van een opschorting van de datum van oplevering van het gebouw:
"[...]
* In het algemeen beschouwd, worden dergelijke feiten niet geacht onder het begrip overmacht vallen omdat zij in beginsel niet onvoorzienbaar zijn. Wanprestatie van ondernemingen komt immers betrekkelijk frequent voor bij de realisatie van een bouwproject en wordt door de rechtspraak als gewoon risico van het bouwproces beschouwd.
** Niettemin vormt het niet-presteren van de groep [DRE] een bijzonder geval vanwege de omstandigheden waarin het plaatsvond. Deze groep heeft immers nadat zij op een aanbesteding had ingeschreven en nadat de opdracht haar was gegund, geweigerd de overeenkomst zelf te ondertekenen.
Deze situatie kan op zich beschouwd onder overmacht vallen, mits de daaruit voortvloeiende aanmerkelijke vertraging door partijen, die zich hierover met elkaar moeten verstaan, als onoverkomelijk wordt aangemerkt.
Mochten partijen beslissen dat er sprake is van overmacht, dan is het college [...] echter van mening dat in dit uiterst bijzondere geval de betaling van boetes wegens vertraging niet kan worden vermeden. De vrijstelling van deze betaling zou er immers toe leiden dat de in gebreke blijvende ondernemingsgroep zou worden gevrijwaard van de gevolgen van haar onrechtmatig gedrag, en dat het Europees Parlement schade moet dragen die SERS weliswaar heeft geleden, maar waarvoor zij vergoeding bij genoemde groep kan verkrijgen.
Dit advies van het college is echter gebaseerd op de veronderstelling van onrechtmatig gedrag van de groep DRE die heeft geweigerd haar verplichtingen na te komen. Indien de bevoegde rechter waarbij SERS beroep instelt, tot een tegengestelde conclusie zou komen, dienen partijen zich in het licht van die uitspraak van de rechter opnieuw met elkaar te verstaan over de vraag of er hier sprake is van overmacht.
[...]"
31 Punt VII.1.D van het advies van het college betreffende de wijzigingen en bijkomende werkzaamheden luidt als volgt:
"[...]
Het functioneringsprotocol, dat als bijlage 5 aan de kaderovereenkomst is gehecht, bepaalt dat:
'voor de toepassing van artikel 5.3 van de kaderovereenkomst en voor wijzigingen die van invloed zijn op de planning, SERS het Europees Parlement moet informeren over de gevolgen van de voorgenomen wijzigingen voor de globale termijn.
De medeondertekening van de wijzigingen door het Europees Parlement zal van rechtswege een dienovereenkomstige verlenging van de in artikel 3 voorziene termijn meebrengen.'
Het college [...] staat op het standpunt dat de termijnen op basis van de door het Parlement gevraagde of aanvaarde bijkomende werkzaamheden of wijzigingen volgens deze tekst in hun geheel in aanmerking moeten worden genomen voor het uitstel van de opleveringsdatum indien aan de voorwaarden van artikel 3.2 van het functioneringsprotocol is voldaan.
Dit geldt des te meer nu uit het dossier blijkt dat de termijnen volgens [wijzigingsmemorie] PEU 055 - Vergadernetwerk - door het Europees Parlement in aanmerking zijn genomen en dat de termijnen volgens [wijzigingsmemorie] PEU 008 - Wijzigingen aan de zittingzaal - uitdrukkelijk door hem zijn geaccepteerd, zoals uit genoemde wijzigingsmemorie blijkt."
32 Wat de voorwaarden betreft voor de inaanmerkingneming van de redenen voor opschorting van de contractuele datum voor oplevering van het gebouw, stelde het college in punt VII.2 van zijn advies, dat artikel 5.2 van de kaderovereenkomst, dat bepaalt dat de daarin bedoelde redenen voor opschorting slechts tot een uitstel van deze datum kunnen leiden voorzover SERS het Parlement daarover heeft geïnformeerd zodra zij er kennis van had dat zij zich voordeden, te goeder trouw moet worden toegepast en "onder uitsluiting van elk onnodig formalisme voorzover het Parlement voldoende expliciet van de informatie in kennis is gesteld".
33 Betreffende de tussentijdse rente, vermeldt punt VIII van het advies van het college:
"[...]
Blijkens [de bepalingen van artikel 6.3, laatste alinea, van de kaderovereenkomst] is het stelsel van de tussentijdse rente een autonoom stelsel ten aanzien van dat voor de boetes wegens vertraging, hetgeen zijn verklaring vindt in het feit dat zij niet hetzelfde voorwerp hebben.
Daaruit volgt dat het Europees Parlement slechts van de verplichting tot betaling van de tussentijdse rente kan worden vrijgesteld onder de dubbele voorwaarde dat:
- enerzijds, de datum van de feitelijke oplevering van het gebouw een latere is dat die van de contractuele oplevering;
- anderzijds, dit verschil hetzij te wijten is aan een fout van de SERS, hetzij voortvloeit uit een vertraging die door de rechterlijke instantie bedoeld in artikel 29 als niet gerechtvaardigd wordt aangemerkt.
Onder fout van SERS moet volgens het college [...] worden verstaan een persoonlijke fout van de opdrachtnemer met uitzondering met name van die welke kunnen worden toegerekend aan zijn medecontractanten of aan hun onderaannemers.
Aangaande de 'vertragingen die door de rechterlijke instantie bedoeld in artikel 29 als niet gerechtvaardigd worden aangemerkt', geeft de overeenkomst geen enkel beoordelingscriterium en verwijst zij naar het Gerecht van eerste aanleg.
Het college [...] vraagt zich bijgevolg af op welke criteria hijzelf of partijen zich voorafgaand aan een beroep op deze rechter zouden kunnen baseren om vast te stellen of een door SERS aangevoerde vertraging al dan niet gerechtvaardigd is.
Het staat op het standpunt dat aangezien de in artikel 5.2 opgesomde redenen voor opschorting reeds op grond van de formulering van artikel 6.3, laatste alinea, in aanmerking worden genomen, de in artikel 3.3 opgesomde redenen - die zoals in herinnering moet worden gebracht niet limitatief zijn opgesomd - hiervoor nuttige aanwijzingen kunnen geven."
Procesverloop
34 Het verzoekschrift van het Parlement is op 20 april 1999 neergelegd ter griffie van het Gerecht.
35 Bij brief van 21 april daaraanvolgend heeft de griffier van het Gerecht de ontvangst van het verzoekschrift bevestigd. Hij heeft erop gewezen dat het Gerecht niet bevoegd was om op grond van een arbitragebeding uit hoofde van artikel 181 van het Verdrag uitspraak te doen op een door een instelling ingesteld beroep, en het Parlement geïnformeerd over zijn voornemen om het verzoekschrift overeenkomstig artikel 47, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG door te zenden naar de griffier van het Hof, tenzij het Parlement hem er vóór 3 mei 1999 van in kennis zou stellen dat het inderdaad zijn bedoeling was de zaak bij het Gerecht aanhangig te maken.
36 Op 28 april daaraanvolgend antwoordde het Parlement dat het geen enkel bezwaar had tegen doorzending van zijn verzoekschrift naar de griffier van het Hof.
37 Het verzoekschrift is op 4 mei 1999 door de griffier van het Gerecht ter griffie van het Hof neergelegd en daar de volgende dag ingeschreven.
38 Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 23 juli 1999, hebben de Stad en SERS overeenkomstig artikel 91, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof een exceptie van niet-ontvankelijkheid van het beroep opgeworpen, door te stellen dat het beroep te laat was ingesteld en dat doorzending ervan naar het Hof onregelmatig was.
39 Bij beschikking van 7 december 1999 heeft het Hof, de advocaat-generaal gehoord, krachtens artikel 91, lid 4, van zijn Reglement voor de procesvoering de exceptie van niet-ontvankelijkheid met de zaak ten gronde gevoegd.
40 Op 7 april 2000 heeft het Parlement overeenkomstig artikel 82 bis, lid 1, eerste alinea, sub b, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof een verzoek ingediend tot schorsing van de behandeling, omdat er onderhandelingen tussen partijen gaande waren.
41 Bij brief van 17 april 2000 hebben SERS en de Stad bezwaar gemaakt tegen dit verzoek, omdat SERS niet betrokken zou zijn geweest bij de onderhandelingen waarvan het Parlement gewag maakte.
42 Daarop heeft het Hof, de advocaat-generaal gehoord, op 10 mei 2000 besloten de behandeling niet te schorsen.
43 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 11 oktober 2002, hebben SERS en de Stad om heropening van de mondelinge behandeling verzocht, die op 26 september 2002 na de conclusie van de advocaat-generaal was beëindigd. Dit verzoek is bij beschikking van het Hof van 3 februari 2003 afgewezen.
Conclusies van partijen
44 Wat de exceptie van niet-ontvankelijkheid betreft, concluderen de Stad en SERS dat het het Hof behage:
- deze exceptie op grond van artikel 91 en volgende van het Reglement voor de procesvoering van het Hof ontvankelijk en gegrond te verklaren;
- vast te stellen dat de vooraf vastgestelde termijn van 30 dagen om bij de bevoegde rechter beroep in te stellen tegen het advies van het college, op de datum waarop de zaak bij het Hof aanhangig is gemaakt, te weten op 5 mei 1999, was verstreken;
- vast te stellen dat het advies van het college definitief en onherroepelijk is geworden;
- het Parlement te verwijzen in de kosten en te veroordelen tot betaling aan elk van hen van een vergoeding voor de procedure van 20 000 euro;
- uiterst subsidiair en voor het geval het Hof, tegen alle waarschijnlijkheid in, mocht besluiten hetzij de exceptie met de zaak ten gronde te voegen, hetzij de exceptie bij afzonderlijke beschikking af te wijzen, de Stad en SERS nieuwe termijnen te verlenen voor hun conclusie ten gronde.
45 Aangaande de exceptie van niet-ontvankelijkheid concludeert het Parlement dat het het Hof behage:
- de exceptie van niet-ontvankelijkheid te verwerpen;
- de eis van de Stad en SERS tot betaling van een vergoeding voor de procedure van 20 000 euro af te wijzen;
- die partijen te verwijzen in de kosten;
- de procedure ten gronde te voort te zetten, subsidiair, de zaak naar het Gerecht terug te verwijzen.
46 Ten gronde concludeert het Parlement dat het het Hof behage:
- SERS te veroordelen tot betaling van de boetes wegens vertraging te rekenen vanaf 9 januari 1998, de contractuele datum voor oplevering van het gebouw, tot en met 14 december 1998, de dag voorafgaande aan de datum van de vaststelling van de oplevering van bedoeld gebouw, subsidiair, SERS te veroordelen tot betaling van de boetes wegens vertraging te rekenen vanaf de contractuele opleveringsdatum zoals het Hof die zal hebben bepaald;
- vast te stellen dat de geconstateerde vertragingen vanaf 9 januari 1998, de contractuele datum voor oplevering van het gebouw, ongerechtvaardigd zijn, en dientengevolge vast te stellen dat het Parlement geen tussentijdse rentes verschuldigd is vanaf die datum tot en met 14 december 1998, de dag voorafgaande aan de datum waarop de oplevering van genoemd gebouw is vastgesteld, subsidiair, vast te stellen dat het Parlement geen tussentijdse rentes verschuldigd is vanaf de datum van de contractuele oplevering zoals het Hof die zal hebben bepaald;
- het advies van het college van bemiddelaars nietig te verklaren;
- de Stad en SERS te verwijzen in de kosten;
- de reconventionele vordering van deze partijen tegen het advies van het college niet-ontvankelijk te verklaren;
- de eis van deze partijen tot betaling van een vergoeding voor de procedure van 300 000 FRF af te wijzen;
- de overige conclusies van deze partijen in hun geheel af te wijzen.
47 Ten gronde concluderen de Stad en SERS dat het het Hof behage:
- hun akte te verlenen dat de Stad en SERS slechts ten gronde concluderen onder het voorbehoud van de conclusies van niet-ontvankelijkheid van het beroep van het Parlement, zonder daarvan af te zien, doch integendeel onder bevestiging daarvan;
onder dit voorbehoud:
- hun akte te verlenen dat zij een reconventionele vordering instellen tegen het advies van het college, voorzover het heeft geoordeeld dat de termijn voor voltooiing op 31 december 1997 verstreek en slechts om de in artikel 5.2 van de kaderovereenkomst bedoelde redenen kon worden verlengd;
- vast te stellen en te oordelen dat de termijn van 31 december 1997 slechts een geraamde termijn is, die kan worden verlengd om alle redenen die onder toepassing van alle bepalingen van artikel 3, als een ondeelbaar geheel beschouwd, gerechtvaardigd zijn;
en ten aanzien van het beroep van het Parlement:
- dat beroep te verwerpen;
- vast te stellen dat het Hof geen andere noch verder strekkende bevoegdheid heeft dan het college;
- vast te stellen dat het Hof zich slechts kan uitspreken over de beginselen van het op het geschil toepasselijke recht, met uitsluiting van een beoordeling van de feiten, en, a fortiori, dat het Hof geen veroordeling kan uitspreken noch de opleveringsdatum kan vaststellen, aangezien het daarbij om feitelijke vragen gaat, waarvoor het bemiddelingsorgaan en het Hof niet bevoegd zijn, en waarover het Hof oordeelt door de devolutieve werking van het beroep van het Europees Parlement;
- het advies van het college te bevestigen op alle onderdelen die niet aan de orde zijn in de reconventionele vordering van de Stad en SERS;
- het Europees Parlement te veroordelen tot betaling van de kosten en van een vergoeding voor de procedure ten belope van 300 000 FRF.
Ontvankelijkheid van het beroep van het Parlement
Argumenten van partijen
48 De door de Stad en SERS opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid van het beroep van het Parlement is op twee verschillende middelen gebaseerd.
49 Tot staving van hun eerste middel ontleend aan het verstrijken van de beroepstermijn, betogen zij dat bij het Gerecht, hoewel het het verzoekschrift van het Parlement binnen de toepasselijke termijn van 30 dagen had ontvangen, niet vóór het verstrijken van die termijn een regelmatig en tijdig ingeschreven beroep is ingesteld, omdat de griffier van het Gerecht, nadat hij had vastgesteld dat het Gerecht niet bevoegd was om uitspraak te doen in dat beroep, daaraan geen gevolg heeft gegeven. Bovendien leidt het instellen van een beroep bij een daarvoor onbevoegde rechterlijke instantie niet tot onderbreking van de beroepstermijn. Zij voegen daaraan toe dat deze termijn was verstreken toen het beroep door de bevoegde rechterlijke instantie werd ingeschreven. Het beroep is a fortiori tardief omdat het Parlement pas op 28 april 1999 zijn toestemming voor het doorzenden van zijn beroep naar het Hof heeft gegeven, dat wil zeggen na het verstrijken van de beroepstermijn.
50 Tot staving van hun tweede middel, ontleend aan onregelmatigheid van de procedure waarmee het verzoekschrift naar het Hof is doorgezonden, betogen de Stad en SERS om te beginnen dat bij het Hof geen beroep kan worden ingesteld bij eenvoudige brief. Vervolgens kan de griffier van het Gerecht niet in verzoekers plaats een beroep bij het Hof instellen. Ten slotte heeft de griffier ten onrechte en zonder rechtsgevolg onder toepassing van artikel 47, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG het verzoekschrift naar de griffier van het Hof doorgezonden. Dit artikel beoogt immers uitsluitend gevallen waarin "een tot het Gerecht gericht verzoekschrift of ander processtuk bij vergissing wordt neergelegd bij de griffier van het Hof" en omgekeerd. In casu is er echter geen sprake van een vergissing omdat het verzoekschrift aan het Gerecht was gericht en bij de griffier daarvan is neergelegd. In die omstandigheden stond het aan het Gerecht het bevoegdheidsprobleem op te lossen door onder toepassing van artikel 47, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EG een beschikking vast te stellen.
51 Wat het eerste middel betreft, betoogt het Parlement dat het Hof en het Gerecht geen afzonderlijke rechterlijke instellingen zijn, maar een en dezelfde als zodanig door het EG-Verdrag voorziene gemeenschapsinstelling vormen. Blijkens de bewoordingen van artikel 47, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG wordt de beroepstermijn bovendien opgeschort terwijl het verzoekschrift van de ene naar de andere griffie van deze instelling wordt doorgezonden. Een beroep is rechtsgeldig ingesteld wanneer het verzoekschrift binnen de toepasselijke termijn bij één van de griffies van de instelling is neergelegd. Dit is in casu het geval, omdat het verzoekschrift vóór het verstrijken van de beroepstermijn van 30 dagen ter griffie van het Gerecht is neergelegd.
52 Betreffende het tweede middel betoogt het Parlement dat de door de Stad en SERS verdedigde stelling op een overdreven formalistische uitlegging van artikel 47 van 's Hofs Statuut-EG berust. Aangezien het Gerecht en het Hof twee rechterlijke instanties zijn waarover de uitoefening van de bevoegdheden van één zelfde instelling onderling is verdeeld, is het noch nuttig noch bevorderlijk voor een goede rechtsbedeling dat de in deze bepaling voorziene procedures uiterst rigide worden toegepast. Hoe dan ook blijkt uit de brief waarbij het Parlement het verzoekschrift heeft neergelegd, dat het niet de bedoeling had het beroep niet bij het Hof maar wél bij het Gerecht in te stellen. De griffier van het Gerecht kon dus terecht op het standpunt staan dat het neerleggen van het verzoekschrift bij het Gerecht voortvloeide uit een vergissing, waarvan het Parlement inzag dat dit waarschijnlijk het geval was en het noodzakelijke gevolg ervan aanvaardde, te weten het doorzenden van het verzoekschrift naar de griffie van het Hof. Subsidiair, voor het geval het Hof toch zou oordelen dat dit doorzenden onwettig was, verzoekt het Parlement om verwijzing van de zaak naar het Gerecht opdat laatstgenoemde zich formeel onbevoegd kan verklaren en de zaak naar het Hof kan verwijzen.
Beoordeling door het Hof
53 Wat het eerste middel betreft, inzake de datum van neerlegging van het verzoekschrift op basis waarvan moet worden beoordeeld of de beroepstermijn is nageleefd, zij eraan herinnerd dat wanneer het Hof ingevolge artikel 47, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EG een zaak naar het Gerecht verwijst, bij laatstgenoemde rechtsgeldig beroep is ingesteld ook al is de beroepstermijn verstreken (zie in die zin beschikking van 23 mei 1990, Asia Motor France/Commissie, C-72/90, Jurispr. blz. I-2181, punten 16-20). Hetzelfde geldt wanneer het Gerecht een zaak naar het Hof verwijst.
54 Daaruit volgt dat het eerste middel moet worden afgewezen.
55 Betreffende het tweede middel, ontleend aan onregelmatigheid van de procedure waarmee het verzoekschrift door het Gerecht naar het Hof is doorgezonden, zij opgemerkt dat het Gerecht ingevolge artikel 47, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EG hoe dan ook zijn onbevoegdheid had moeten vaststellen in het beroep van het Parlement, dat inderdaad tot de bevoegdheid van het Hof behoort, en dat het dat beroep dus naar het Hof had moeten verwijzen zonder dat dit de niet-ontvankelijkheid ervan kon teweegbrengen wegens te late instelling, zoals blijkt uit punt 53 van het onderhavige arrest. Dat de griffier van het Gerecht zelf het beroep naar de griffier van het Hof heeft doorgezonden, heeft bijgevolg geen invloed op de ontvankelijkheid ervan.
56 Het tweede middel kan dus niet slagen.
57 Gelet op een en ander, moet de exceptie van niet-ontvankelijkheid van het beroep van het Parlement worden afgewezen.
Ontvankelijkheid van de reconventionele vordering van de Stad en SERS
Argumenten van partijen
58 Het Parlement heeft een middel van niet-ontvankelijkheid opgeworpen tegen de door de Stad en SERS in hun verweerschrift ingestelde reconventionele vordering. Het betoogt in dit verband dat de termijn om een beroep tegen het advies van het college in te stellen, was verstreken toen het verweerschrift op 8 mei 2000 ter griffie van het Hof werd neergelegd. Aangezien de reconventionele vordering niet gericht was op de nietigverklaring van een punt in het door het Parlement bestreden advies van het college, is zij niet-ontvankelijk.
59 De Stad en SERS betogen dat hun reconventionele vordering ontvankelijk is omdat zij pas na het verstrijken van de in artikel 1, lid 2, van de aanvullende kaderovereenkomst gestelde termijn, van het beroep van het Parlement in kennis zijn gesteld, en dat het recht om een dergelijke vordering in te stellen nauw samenhangt met het begrip eerlijk proces en het beginsel van "gelijkwaardigheid van processuele rechten" ("equality of arms").
Beoordeling door het Hof
60 Blijkens artikel 1, lid 2, van de aanvullende kaderovereenkomst was het door het college te geven advies bindend voor partijen, tenzij een van hen daartegen beroep instelt bij de bevoegde rechter. Een dergelijke beroep kan dus worden gelijkgesteld met een beroep tegen een beslissing van een rechterlijke instantie. Het Reglement voor de procesvoering van het Hof verzet zich niet tegen het instellen van een reconventionele vordering in een dergelijk kader wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan.
61 Artikel 116, lid 1, van dat Reglement dat in casu naar analogie van toepassing is bepaalt:
"De conclusies van de memorie van antwoord moeten strekken tot:
- gehele of gedeeltelijke verwerping van de hogere voorziening dan wel gehele of gedeeltelijke vernietiging van de beslissing van het Gerecht;
- gehele of gedeeltelijke toewijzing van het in eerste aanleg gevorderde; nieuwe conclusies zijn niet toegelaten."
62 In casu voldoen de conclusies in het door de Stad en SERS ingediende verweerschrift aan deze criteria, omdat zij met name strekken tot gedeeltelijke nietigverklaring van het advies van het college en erop gericht zijn dat recht wordt gedaan aan de bij dat college ingediende conclusies betreffende de vaststelling van de contractuele datum voor oplevering van het gebouw.
63 Ten aanzien van de termijn waarbinnen een dergelijke reconventionele vordering moet worden ingediend, bepaalt artikel 115, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof dat binnen twee maanden vanaf de betekening van het verzoekschrift een antwoord kan worden ingediend.
64 Aangezien deze termijn in casu in acht is genomen, moet de reconventionele vordering ontvankelijk worden verklaard.
Devolutieve werking van het door het Parlement ingestelde beroep
Argumenten van partijen
65 De Stad en SERS betogen, anders dan het Parlement in zijn verzoekschrift stelt, dat het Hof hen niet kan veroordelen tot betaling van de boetes wegens vertraging, omdat het door het Parlement ingestelde beroep geen devolutieve werking heeft en het Hof niet over andere bevoegdheden beschikt dan het college. Aangezien het college enkel over rechtsvragen bij de uitlegging van bepaalde voorschriften van de kaderovereenkomst moest beslissen, kan het Hof niet een van de partijen in het geschil tot betaling van enige geldsom veroordelen en zich evenmin uitspreken over de feiten en de berekening van de verlengingen van de termijn voor oplevering van het gebouw of het uitstel van de contractuele datum voor oplevering daarvan. De Stad en SERS voegen daaraan toe, dat waar partijen besloten hebben hun geschil via een minnelijke schikking te regelen door een beroep op bemiddelaars te doen, het Hof niet de rechter van de overeenkomst kan worden wanneer bij hem beroep is ingesteld waarbij het advies van het college ter discussie wordt gesteld.
66 Het Parlement betoogt daarentegen, dat het Hof ingevolge artikel 29 van de kaderovereenkomst en artikel 4 van het bemiddelingsprotocol niet enkel bevoegd is om uitspraak te doen over het gedeelte van het beroep dat strekt tot nietigverklaring van het advies van het college, maar dat het tevens als rechter van de overeenkomst bevoegd is om uitspraak te doen over de feiten en de feitelijke toepassing van de kaderovereenkomst.
Beoordeling door het Hof
67 Enerzijds is blijkens artikel 29 van de kaderovereenkomst de in deze bepaling bedoelde rechter bevoegd om kennis te nemen van alle geschillen in verband met die overeenkomst. Derhalve vallen onder dit bevoegdheidsbeding zowel de geschillen inzake de betaling van een geldsom als de geschillen tussen partijen over de kwalificatie van bepaalde feiten of over de vaststelling van de datum van oplevering van het gebouw waarvan SERS de bouw op zich had genomen.
68 Anderzijds kan noch het feit dat de aanvullende kaderovereenkomst bepaalt dat partijen een beroep doen op een college van bemiddelaars dat tot doel heeft het geschil tussen partijen over de uitlegging en de toepassing van de artikelen 3, 5, 6 en 25 van de kaderovereenkomst op te lossen, noch de omstandigheid dat het advies van het college overeenkomstig artikel 1, lid 2, van die aanvullende overeenkomst voor partijen bindend is indien daartegen geen beroep wordt ingesteld, het Hof beletten met volledige rechtsmacht te beslissen aangezien geen tussen partijen overeengekomen bepaling uitdrukkelijk dan wel impliciet de bij het arbitragebeding van artikel 29 van de kaderovereenkomst aan het Hof toegekende bevoegdheden beperkt.
69 Daaruit volgt dat het Hof in casu bevoegd is met volledige rechtsmacht te beslissen.
Het advies van het college
Argumenten van partijen
70 Volgens het Parlement blijkt uit de bepalingen van artikel 3.2 en 3.3 van de kaderovereenkomst in hun onderlinge samenhang beschouwd, dat de contractuele datum voor oplevering van het gebouw 31 december 1997 is. Deze datum vormt een van de modaliteiten van een resultaatsverplichting en ter verzekering van de naleving ervan zijn in de artikelen 3.2, 5.1, 5.2 en 25 van de kaderovereenkomst uitdrukkelijk beschermende maatregelen geformuleerd.
71 Wat de boetes wegens vertraging betreft, betoogt het Parlement dat gelet op het feit dat de in de artikelen 3.2 en 3.3 van de kaderovereenkomst gestelde voorwaarden in casu niet zijn vervuld, SERS vanwege het loutere feit dat de termijn voor oplevering niet is nageleefd van rechtswege en zonder formaliteiten de in artikel 5.1 van de kaderovereenkomst voorziene boete wegens vertraging verschuldigd is. Het voegt daar echter aan toe, dat het krachtens wijzigingsmemorie PEU 055 vijf extra werkdagen aan SERS heeft toegekend voor de voltooiing van het gebouw. De boetes wegens vertraging zijn derhalve pas vanaf 9 januari 1998 verschuldigd. Subsidiair, voor het geval de vastgestelde contractuele opleveringsdatum later dan 9 januari 1998 zou uitvallen, stelt het Parlement dat SERS moet worden veroordeeld tot betaling van de boetes wegens vertraging vanaf die datum tot en met 14 december 1998, de dag vóór die van de vaststelling van de oplevering van het gebouw.
72 Betreffende de tussentijdse rente betoogt het Parlement, dat het overeenkomstig artikel 6.3 van de kaderovereenkomst tussen de contractuele datum voor oplevering van het gebouw en de datum van vaststelling van deze oplevering van betaling van deze rente is vrijgesteld indien het uitstel van de opleveringsdatum het gevolg is van hetzij een fout van SERS hetzij een vertraging die door de in artikel 29 bedoelde rechter niet als gerechtvaardigd is erkend. Het begrip "uitstel" is in deze context gericht op de overschrijding van de contractuele opleveringsdatum.
73 Wat de tweede tak van het alternatief betreft, te weten het geval van een vertraging die door bedoelde rechter niet als gerechtvaardigd is erkend, betoogt het Parlement dat op grond van artikel 6 van de kaderovereenkomst een vertraging niet als al dan niet gerechtvaardigd kan worden erkend buiten hetgeen daaromtrent elders in de kaderovereenkomst is bepaald. Daar artikel 6.3, laatste alinea, daarvan bedoeld is om pas na de contractuele datum voor oplevering van het gebouw te gelden, kan het al dan niet gerechtvaardigd zijn van een vertraging slechts voortvloeien uit artikel 5.2 van de kaderovereenkomst, dat het uitstel van deze datum regelt. Daaruit volgt zijns inziens dat een vertraging slechts gerechtvaardigd is in de zin van artikel 6.3 van de kaderovereenkomst, mits:
- SERS, zodra zij vernam dat er een reden voor vertraging kon zijn als bedoeld in artikel 5.2 van de kaderovereenkomst, het Parlement daarover heeft ingelicht,
- door SERS om uitstel van de contractuele datum voor oplevering van het gebouw is verzocht, waarover partijen vervolgens overeenstemming hebben bereikt, en
- SERS het Parlement heeft ingelicht over de voorgenomen passende maatregelen om de opgelopen achterstand te compenseren.
74 In casu zijn deze inlichtingen echter niet formeel juist verstrekt en is niet volgens de vastgestelde procedure om instemming van het Parlement verzocht, aangezien de meegedeelde inlichtingen onvolledig waren en inlichtingen over de te treffen passende correctieve maatregelen ontbraken.
75 In die omstandigheden is elke vertraging na 31 december 1997, buiten de vertraging vanwege de bijkomende werkzaamheden om rekening te houden met wijziginsmemorie PEU 055, volgens het Parlement ongerechtvaardigd.
76 Betreffende de eerste tak van het alternatief, te weten het geval waarin de vertraging door een fout van SERS is ontstaan, merkt het Parlement vooraf op dat SERS als opdrachtgever een essentiële rol moest spelen bij de verwezenlijking van het bouwproject. In die hoedanigheid had zij met name moeten toezien op de goede afwikkeling van het project en zich strikt van haar taak van betaling van de ondernemingen en de andere schuldeisers volgens de overeengekomen termijnen moeten kwijten. Tevens had zij de nodige instructies moeten geven voor de uitvoering van het project en de verantwoordelijkheid daarvoor op zich moeten nemen, aangezien deze verplichtingen de hoofdreden vormden voor de vergoeding die zij van het Parlement zou ontvangen.
77 Volgens het Parlement heeft SERS deze verplichtingen echter niet afdoende op zich genomen en niet werkelijk de leiding van het werk op zich genomen. Het ontbreken van correctieve maatregelen om de achterstand in te halen en het tekort aan mankracht op de bouwplaats hebben veelvuldig uitstel van de datum van oplevering van het gebouw veroorzaakt. De geconstateerde tekortkomingen in de leiding van het project komen bovendien duidelijk tot uiting in verschillende in opdracht van het Parlement verrichte audits.
78 In die omstandigheden betoogt het Parlement dat de fout van SERS in de zin van artikel 6.3 van de kaderovereenkomst afdoende is aangetoond en dat het derhalve geen tussentijdse rente verschuldigd is over het tijdvak tussen 9 januari en 14 december 1998, of subsidiair, over het tijdvak tussen de door het Hof vastgestelde contractuele datum van oplevering van het gebouw en 14 december 1998.
79 Wat punt VII.1.A van het advies van het college betreft, dat over overmacht gaat, betoogt het Parlement in de eerste plaats dat de vertraging die het gevolg was van het mislukken van de aanbesteding van de opdracht voor de ruwbouw, niet op overmacht kan worden gebaseerd. Aangezien SERS enerzijds immers pas na de instelling van het college heeft verzocht om uit dien hoofde 128 dagen vertraging toegekend te kunnen krijgen, is dit verzoek niet binnen de in de kaderovereenkomst gestelde termijn ingediend zodat het kennelijk niet-ontvankelijk is.
80 Het Parlement betoogt anderzijds dat aangezien SERS in een brief van 20 december 1994 heeft erkend dat de voor het voltooien van het gebouw voorziene marge haar ondanks het mislukken van de betrokken aanbesteding in staat stelde ruimschoots binnen de in de kaderovereenkomst gestelde termijnen te blijven, en aangezien de uit dien hoofde aangevoerde vertraging niet is vermeld in de periodiek aan het Parlement overgelegde rapporten over de vorderingen van de werkzaamheden, het standpunt van SERS in die brief, anders dan het college stelt, niet gebaseerd kan zijn op een onjuiste inschatting van de situatie.
81 Daaruit volgt volgens het Parlement, dat de vertraging ten gevolge van het mislukken van de aanbesteding van de opdracht voor de ruwbouw, noch onoverkomelijk noch onontkoombaar was. Waar het college die vertraging als een geval van overmacht beschouwde, heeft het de feiten juridisch onjuist gekwalificeerd.
82 Het Parlement betoogt in de tweede plaats dat het college, waar het in punt VII.1.A.2, sub d, van zijn advies, ook het niet-presteren door de groep DRE als overmacht heeft beschouwd, een fout heeft gemaakt. Aangezien de door SERS aangegane overeenkomsten voor opdrachten in beginsel uit aanbestedingen moesten voortvloeien, kan de weigering van een vennootschap aan wie de opdracht was gegund, om de desbetreffende overeenkomst te ondertekenen, anders dan het college in zijn advies stelt, geen tekortkoming van bijzondere aard vormen, omdat elke wanprestatie van een onderneming die ertoe leidt dat zij niet meer aan het project meewerkt, SERS ertoe zou hebben verplicht voor de vervanging van deze onderneming te zorgen onder naleving van de in de kaderovereenkomst gestelde voorwaarden.
83 Het Parlement voegt daar in dit verband aan toe, dat SERS tegen DRE een vordering heeft ingesteld tot vergoeding van de schade die door de handelwijze van deze groep is ontstaan, hetgeen er een extra aanwijzing voor vormt dat de vertraging waarop SERS zich beroept, niet het gevolg is van een situatie van overmacht, maar is ontstaan door de fout van een derde. Derhalve staat het aan SERS de vergoeding te vorderen van alle kosten die zij door de schuld van DRE heeft moeten maken, met inbegrip van het gedeelte van de boetes wegens vertraging die zij door het niet-presteren van deze groep moest voldoen en het gedeelte van de tussentijdse rente dat SERS vanwege dat niet-presteren op zich moest nemen.
84 Wat punt VII.1.D van het advies van het college betreft, betoogt het Parlement dat wijziginsmemorie PEU 008 die daarin wordt onderzocht, geen enkele aanwijzing bevat betreffende de vertraging in verband met de bijkomende werkzaamheden die in deze memorie zijn omschreven. Anders dan het advies van het college vermeldt, kan deze memorie dus niet gelden als uitdrukkelijke aanvaarding door het Parlement van een vertraging van 20 dagen uit hoofde van artikel 5.3 van de kaderovereenkomst. Bovendien betwist het Parlement dat de verrichte werkzaamheden om rekening te houden met de wijzigingen waarom in die memorie was verzocht, ook maar de minste vertraging hebben meegebracht. De tijdschema's waarvan de met de uitvoering van de betrokken werkzaamheden belaste onderneming vóór het opstellen van de wijziginsmemorie in kennis is gesteld, verschillen niet van die waarvan zij daarna in kennis is gesteld. Ook op dit punt moet het advies van het college dus worden nietig verklaard.
85 Betreffende het door het Parlement ingestelde beroep, stellen de Stad en SERS in de eerste plaats dat het Parlement weliswaar verlangt dat de contractuele opleveringsdatum op 9 januari 1998 wordt vastgesteld, doch niet punt V.3 van het advies van het college inzake de vaststelling van de contractuele datum van oplevering van het gebouw betwist. Volgens hen moet het beroep van het Parlement bij gebreke van een zinvolle betwisting van dit advies derhalve worden verworpen.
86 Zij betogen in de tweede plaats dat wat de redenen voor de vertraging betreft op grond waarvan de contractuele termijn voor voltooiing van het gebouw kan worden verlengd, het Parlement niet het deel van het advies van het college betreffende de door SERS aangevoerde redenen voor vertraging heeft betwist. Het heeft zich beperkt tot de stelling dat dergelijke redenen slechts rechtsgeldig kunnen worden aangevoerd op voorwaarde dat het Parlement ervan in kennis is gesteld dat die redenen zich voordoen, dat de extra termijn in onderlinge overeenstemming is vastgesteld, en dat SERS passende correctieve maatregelen heeft getroffen.
87 In de eerste plaats is het Parlement door middel van de maandelijkse rapporten ingelicht over het zich voordoen van alle aangevoerde redenen voor vertraging, en de aanwezigheid van verschillende ambtenaren van hem op de bouwplaats maakte het hem mogelijk afdoende te worden ingelicht over de vorderingen van de werkzaamheden. In de tweede plaats was de overeenstemming van partijen over de extra termijn niet onmisbaar, omdat overeenkomstig de kaderovereenkomst de in artikel 29 daarvan bedoelde rechter eveneens bevoegd is om hierover te beslissen, aangezien het Parlement niet over een discretionaire bevoegdheid beschikt om gerechtvaardigde verlengingen te weigeren. In de derde plaats is niet aangetoond dat SERS geen passende correctieve maatregelen heeft getroffen om de vertragingen te verhelpen. Derhalve is het advies van het college op dit punt volledig gegrond.
88 De Stad en SERS betogen in de derde plaats, dat er blijkens artikel 6.3 van de kaderovereenkomst geen automatisch verband bestaat tussen de sanctie in de vorm van de verplichting tot betaling van de boetes wegens vertraging en de sanctie bestaande in de opschorting van de verplichting tot betaling van de tussentijdse rente. Deze laatste sanctie kan alleen worden toegepast wanneer de fout van SERS is bewezen en de in artikel 29 van de kaderovereenkomst bedoelde rechter oordeelt dat de vertraging niet gerechtvaardigd is.
89 Wat de eerste voorwaarde betreft, heeft het college huns inziens terecht gesteld dat het aan het Parlement stond aan te tonen dat er sprake was van een fout van SERS en dat deze fout de persoonlijke schuld van SERS was en niet van de met de uitvoering van de werkzaamheden belaste ondernemingen. Deze benadering is in overeenstemming met de beginselen die naar Frans recht de verantwoordelijkheid van de opdrachtgever regelen. Bovendien is er slechts sprake van een krachtens artikel 6.3 van de kaderovereenkomst in aanmerking te nemen fout voorzover er sprake is van het materiële element én van opzet, en er een causaal verband bestaat tussen de fout en de gestelde vertraging.
90 Betreffende de tweede voorwaarde, stellen de Stad en SERS dat, zoals het college in zijn advies terecht heeft vermeld, de in artikel 29 bedoelde rechter zelfs in het geval van een persoonlijke fout van SERS kan oordelen dat deze fout verschoonbaar is en geen gevolg mag hebben voor de betaling van de tussentijdse rente.
91 Tot staving van hun reconventionele vordering betogen de Stad en SERS in de eerste plaats, dat uit het gebruik van de term "prévu" [voorzien] in de artikelen 3.2 en 3.3 van de kaderovereenkomst, alsmede uit de bepalingen ervan betreffende de gerechtvaardigde redenen voor vertraging, volgt dat de datum van 31 december 1997 slechts een geraamde datum is en dat de termijn voor voltooiing van het gebouw niet dwingend is en niet onherroepelijk is vastgesteld. Deze termijn kan om vele redenen worden verlengd zoals het gebruik van de term "met name" in artikel 3.3 van de kaderovereenkomst aantoont. De stelling dat de in artikel 3.2 daarvan voorziene datum slechts een geraamde datum is vindt steun in de bewoordingen van artikel 5.3 van die overeenkomst waaruit blijkt dat deze datum geen rekening houdt met de bijkomende werkzaamheden of met de door het Parlement verlangde of aanvaarde wijzigingen.
92 De Stad en SERS betogen in de tweede plaats, dat het onlogisch is dat de boetes wegens vertraging vóór het verstrijken van de contractuele termijn voor voltooiing van het gebouw in kunnen gaan of dat deze boetes in kunnen gaan terwijl er geen overschrijding van die termijn is. Gelet op deze overwegingen, moet artikel 5.1 van de kaderovereenkomst volgens hen aldus worden uitgelegd dat de boetes wegens vertraging pas verschuldigd worden indien de overschrijding van de geraamde datum van 31 december 1997 niet gerechtvaardigd is en er geen geldige reden is voor verlenging van de geraamde termijn die op die datum verstrijkt. De in het advies van het college gegeven analyse mondt uit in "de paradox van het stellen van een contractuele termijn tot 31 december 1997 die niet verlengd kan worden om de redenen van artikel 3, doch waarop een sanctie kan staan hoewel hij niet is overschreden [...] behoudens de limitatieve redenen van artikel 5."
93 De Stad en SERS voegen daaraan toe, dat de door het college gegeven uitlegging van artikel 5.2 van de kaderovereenkomst "onrechtmatig, onduidelijk en onlogisch" is voorzover zij het mogelijk maakt de contractuele opleveringsdatum vast te stellen zonder rekening te houden met de geraamde termijn voor voltooiing en de redenen die tot een verlenging van die termijn kunnen leiden. Het is bovendien tegenstrijdig dat SERS het gebouw op grond van de kaderovereenkomst na 31 december 1997 mag voltooien en toch boetes wegens vertraging verschuldigd is.
Beoordeling door het Hof
94 Vooraf zij opgemerkt, dat uit zowel de procedure voor het Hof als die voor het college enerzijds blijkt dat het Parlement niet in twijfel trekt dat de in artikel 3.3 van de kaderovereenkomst voorziene maximale verlenging met drie maanden van de termijn voor voltooiing van het gebouw door SERS regelmatig is benut, en anderzijds dat het geschil niet de vaststelling van die termijn betreft, maar de vaststelling van de in artikel 3.2 van deze overeenkomst bedoelde contractuele opleveringsdatum, en van het tijdvak waarvoor het Parlement eventueel geen tussentijdse rente moet betalen.
Reconventionele vordering van de Stad en SERS
95 Wat de vaststelling van de in artikel 3.2 van de kaderovereenkomst bedoelde contractuele datum voor oplevering van het gebouw betreft, zij vastgesteld dat wanneer een bepaling van een overeenkomst als de onderhavige moet worden uitgelegd, deze bepaling niet op zichzelf moet worden beschouwd, maar in de context van de algemene opzet van de overeenkomst waarvan zij deel uitmaakt. Daaruit volgt dat de uitlegging ervan zoveel mogelijk met alle andere bepalingen van die overeenkomst verenigbaar moet zijn en die andere bepalingen hun nuttige werking niet mag ontnemen.
96 In casu ontneemt de door SERS en de Stad voorgestane uitlegging van artikel 3.2 van de kaderovereenkomst aan artikel 5.1 van die overeenkomst zijn nuttige werking, aangezien die uitlegging tot gevolg heeft dat de datum vanaf wanneer het daarin voorziene boetebeding van toepassing wordt, niet langer een vaststaande datum is, waardoor de in deze bepaling bedoelde boetes niet meer van rechtswege en zonder formaliteiten, van toepassing zouden zijn. Daarentegen is de door het Parlement verdedigde uitlegging volledig verenigbaar met de overige bepalingen van genoemde overeenkomst.
97 Derhalve moet deze laatste uitlegging worden aanvaard.
98 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het gebruik van het werkwoord "voorzien" ["prévoir"] in artikel 3.2 van de kaderovereenkomst, aangezien dit werkwoord tevens een synoniem voor het werkwoord "vaststellen" ["fixer"] is, wat tot gevolg heeft dat de datum in deze bepaling dus moet worden opgevat als een vooraf vastgestelde datum. Gelet op de opzet van de kaderovereenkomst en de doelstelling van met name artikel 5.1 daarvan, moet het gebruikte werkwoord kennelijk in die zin worden begrepen.
99 Daaruit volgt dat de in artikel 3.2 van de kaderovereenkomst bedoelde datum moet worden opgevat als een vooraf vastgestelde datum die slechts onder bepaalde voorwaarden kan worden opgeschort.
100 De enige redenen die van invloed kunnen zijn op de in artikel 3.2 van de kaderovereenkomst voorziene datum, zijn de in de artikelen 5.2 en 5.3 daarvan opgesomde redenen.
101 Enerzijds dient blijkens de bewoordingen van artikel 3.3 van de kaderovereenkomst de daarin voorziene niet-uitputtende lijst van redenen voor verlenging immers enkel te worden toegepast op de in deze bepaling genoemde voltooiingstermijn, van 36 maanden.
102 Anderzijds volgt uit de artikelen 5.2 en 5.3 van de kaderovereenkomst dat de daarin limitatief opgesomde redenen voor opschorting de redenen zijn die van invloed kunnen zijn op de in artikel 3.2 van deze overeenkomst vastgelegde contractuele datum voor oplevering van het gebouw.
103 Daaruit volgt dat de contractuele datum voor oplevering van het gebouw 31 december 1997 is en dat deze datum kan worden opgeschort om de in de artikelen 5.2 en 5.3 van de kaderovereenkomst voorziene redenen.
104 Bijgevolg moet de reconventionele vordering van de Stad en SERS worden afgewezen.
Het beroep van het Parlement
105 Wat de uitlegging betreft van artikel 6.3 van de kaderovereenkomst en de voorwaarden waaronder het Parlement bevrijd is van zijn verplichting om tussentijdse rente te betalen, zij opgemerkt dat deze bepaling geen aanwijzingen bevat over de redenen die ter rechtvaardiging van het uitstel van de feitelijke datum van oplevering van het gebouw kunnen worden aangevoerd.
106 Anders dan het Parlement betoogt, zijn deze redenen niet beperkt tot de in artikel 5.2 van de kaderovereenkomst voorziene gevallen. Enerzijds zijn deze redenen blijkens de bewoordingen van deze bepaling immers bedoeld om enkel voor de contractuele opleveringsdatum te gelden. Anderzijds vormt de in artikel 6.3 laatste alinea, van de kaderovereenkomst neergelegde vrijstelling van de verplichting tot betaling van tussentijdse rente een uitzondering op de bij dit artikel ingestelde regeling, en de restrictieve uitlegging die aan een dergelijke uitzondering moet worden gegeven, verzet zich er, gelet op het zwijgen van de tekst, tegen dat de redenen die kunnen worden aangevoerd om de toepassing van de uitzondering te verhinderen, zelf restrictief worden uitgelegd.
107 Derhalve heeft het college zich in punt VIII van zijn advies niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de redenen voor opschorting die rechtsgeldig kunnen worden aangevoerd om het tijdvak te verkorten waarvoor het Parlement van de betaling van tussentijdse rente is vrijgesteld, niet de redenen van artikel 5.2 van de kaderovereenkomst zijn, maar veeleer moeten worden gezocht onder de niet-limitatieve opsomming van redenen in artikel 3.3 van deze overeenkomst.
108 Daaruit volgt dat het middel van het Parlement inzake dit deel van het advies van het college moet worden afgewezen.
109 Betreffende de concrete toepassing van de kaderovereenkomst en de beoordeling van de verschillende redenen die door SERS uit hoofde van artikel 5.2 daarvan zijn aangevoerd ter rechtvaardiging van de bij de voltooiing van het gebouw opgelopen vertraging, moet in de eerste plaats de rechtvaardiging worden onderzocht die is ontleend aan de invloed van ongunstige weersomstandigheden op de voortgang van het project. In dat verband dient SERS niet enkel te bewijzen dat de door haar aangevoerde redenen voor vertraging reëel zijn, maar tevens dat zij invloed hebben gehad op de datum van voltooiing van het bouwproject.
110 SERS heeft echter niet aangetoond in hoeverre deze ongunstige weersomstandigheden daadwerkelijk de vertragingen hebben veroorzaakt. Voorts heeft SERS niet bewezen dat zij adequate correctieve maatregelen heeft getroffen, waartoe zij krachtens artikel 25 van de kaderovereenkomst verplicht is, om deze vertragingen te compenseren. Evenmin heeft zij aangetoond dat het Parlement volgens de in de artikelen 5.2 en 21.1 van de kaderovereenkomst vastgestelde vorm en termijn over het zich voordoen van deze ongunstige weersomstandigheden is ingelicht.
111 Daaruit volgt dat deze ongunstige weersomstandigheden niet kunnen worden aanvaard als een reden voor verlenging in de zin van artikel 5.2 van de kaderovereenkomst.
112 Wat in de tweede plaats de door de Stad en SERS aangevoerde gevallen van overmacht betreft, te weten het mislukken van de eerste aanbesteding betreffende de ruwbouw, wanprestaties van bepaalde ondernemingen, wegafsluitingen wegens ongunstige weersomstandigheden en de plaatsing van dooiversperringen alsmede de staking die de bouwplaats trof, zij er enerzijds aan herinnerd dat het begrip overmacht naar Frans recht, dat op de kaderovereenkomst van toepassing is, wordt gekenmerkt door drie constitutieve elementen, te weten dat het feit onafhankelijk van de wil van de betrokken persoon plaatsvindt [extériorité], en onvoorzienbaar [imprévisibilité] en onontkoombaar [irrésistibilité] is. Of de aangevoerde feiten al dan niet overmacht opleveren, moet dus aan de hand van deze drie criteria worden bepaald.
113 Anderzijds moeten bedingen betreffende overmacht volgens de rechtspraak van de Conseil d'État (Frankrijk) in het administratief recht strikt worden toegepast. Indien dus bijvoorbeeld een contractant niet binnen de in een overeenkomst gestelde termijnen overmacht heeft aangevoerd, kan hij zich niet meer daarop beroepen. Indien echter de administratie noodzakelijkerwijs op de hoogte was van de betrokken feiten, kan zij, eveneens blijkens deze rechtspraak, de omstandigheid dat niet aan de in de overeenkomst vastgestelde formaliteiten is voldaan, niet aanvoeren om aan deze feiten geen consequenties te verbinden.
114 Artikel 5.2 van de kaderovereenkomst bepaalt dat indien SERS niet onverwijld het Parlement heeft ingelicht, zij zich niet op eventuele gevallen van overmacht kan beroepen, en artikel 25 van deze overeenkomst bepaalt dat het Parlement maandelijks moet worden ingelicht over de vorderingen op de bouwplaats en dat opgelopen vertragingen duidelijk moeten worden geïdentificeerd, zodat op basis van deze bedingen moet worden beoordeeld of het mislukken van de eerste aanbesteding inzake opdracht voor de ruwbouw, hetgeen een gestelde vertraging van 128 werkdagen zou hebben veroorzaakt, terecht als overmacht kan worden aangevoerd.
115 Het Parlement is weliswaar op zijn laatst bij een brief van 20 december 1994 ingelicht over het mislukken van de betrokken aanbesteding, doch SERS heeft pas in een nota van 2 maart 1999 aan het college, dat wil zeggen meer dan vier jaar na dit mislukken en buiten alle gestelde termijnen, voor het eerst met een beroep op deze omstandigheid overmacht aangevoerd. Bovendien stelde SERS in haar brief van 20 december 1994 dat de hervatting van het overleg na het mislukken van de aanbesteding haar niet beletten ruimschoots binnen de in de kaderovereenkomst gestelde termijnen te blijven. Dat die mislukking haars inziens geen invloed had op de voortgang van de werkzaamheden, wordt bevestigd door de aan het Hof overgelegde algemene tijdschema's, waarin geen gewag is gemaakt van een situatie van vertraging veroorzaakt door het mislukken van de aanbesteding.
116 Gelet op het beginsel dat overeenkomsten te goeder trouw moeten worden uitgevoerd, verzet in die omstandigheden de handelwijze van SERS zich ertegen dat zij alsnog rechtsgeldig het mislukken van de eerste aanbesteding van de opdracht voor de ruwbouw als overmacht kan aanvoeren.
117 Derhalve moet de vordering van het Parlement worden toegewezen voorzover zij strekt tot nietigverklaring van punt VII.1.A.2, sub a, van het advies van het college.
118 Wat de tweede reeks van door SERS aangevoerde gevallen van overmacht betreft, te weten de wanprestatie van bepaalde ondernemingen en met name het feit dat zowel DRE als de met stukadoorwerkzaamheden belaste onderneming het project hebben opgegeven, hetgeen een vertraging van in totaal 187 werkdagen zou hebben veroorzaakt, zij vastgesteld dat de voorwaarden waaronder deze feiten zich hebben voorgedaan, niet van dien aard zijn dat zij als onvoorzienbaar kunnen worden aangemerkt, omdat de opdrachtgever reeds vóór de aanvang van de werkzaamheden moet weten dat de kans bestaat dat een aantal ondernemingen tekort zullen schieten, en dat hij daar bij de vaststelling van de termijn voor voltooiing en de datum van oplevering van de betrokken werkzaamheden rekening mee moet houden.
119 In die omstandigheden, en zonder dat behoeft te worden vastgesteld of het verzoek strekkende tot de erkenning van het niet-presteren van DRE als een geval van overmacht binnen de door de kaderovereenkomst gestelde termijn is ingediend, moet de conclusie worden getrokken dat de door SERS aangevoerde omstandigheid dat bepaalde ondernemingen het project hebben laten vallen, geen overmacht vormt en dus geen opschorting van de in artikel 3.2 van de kaderovereenkomst voorziene datum rechtvaardigt.
120 Derhalve moet ook punt VII.1.A.2, sub d, van het advies van het college nietig worden verklaard.
121 Betreffende de wegafsluitingen wegens ongunstige weersomstandigheden en de plaatsing van dooiversperringen, moet worden vastgesteld dat hoewel deze gebeurtenissen in voorkomend geval overmacht kunnen opleveren, SERS in gebreke blijft te bewijzen enerzijds dat de duur van de wegafsluitingen uitzonderlijk was voor de regio Straatsburg, en anderzijds dat de consequenties daarvan voor de bouwplaats niet konden worden verholpen. Daar niet is aangetoond dat de aangevoerde feiten onvoorzienbaar en onoverkomelijk waren, kan niet worden gesteld dat er in dat opzicht sprake is van overmacht.
122 Betreffende de laatste door SERS aangevoerde reden voor overmacht, te weten een staking die een vertraging van vier werkdagen zou hebben veroorzaakt, heeft SERS het Hof geen element voorgelegd dat kan aantonen dat deze staking de criteria van overmacht vervulde. Daaruit volgt dat daarmee geen rekening kan worden gehouden uit hoofde van artikel 5.2 van de kaderovereenkomst.
123 Wat in de derde plaats de vertraging van twintig werkdagen betreft die door administratieve bevelen zou zijn veroorzaakt, heeft SERS geen enkel gegeven aangevoerd dat kan aantonen dat er zelfs maar sprake is van dergelijke bevelen.
124 Betreffende in de vierde plaats de door het Parlement verlangde of aanvaarde wijzigingen waarop overeenkomstig artikel 5.3 van de kaderovereenkomst onder bepaalde voorwaarden rechtsgeldig een beroep kan worden gedaan om uitstel van de in artikel 3.2 van deze overeenkomst vastgestelde opleveringsdatum te verkrijgen, erkent het Parlement enerzijds dat het op basis van wijzigingsmemorie PEU 055 aan SERS een extra termijn van vijf werkdagen voor de oplevering van het gebouw heeft toegekend en verzoekt het dat de contractuele opleveringsdatum op 9 januari 1998 wordt vastgesteld.
125 Blijkens wijzigingsmemorie PEU 008 is het door de daarin verlangde wijzigingen teweeggebrachte uitstel van de datum van voltooiing van de werkzaamheden gelijk aan het tijdvak tussen 31 augustus 1995 en de datum van de ontvangst door SERS van de goedkeuring van die wijziginsmemorie. Aangezien SERS de betrokken wijzigingsmemorie blijkens het dossier op zijn vroegst op 28 september 1995 heeft ontvangen, moet worden vastgesteld dat zij recht heeft op een opschorting van de datum van oplevering van het gebouw met twintig werkdagen.
126 Anders dan het Parlement betoogt, behoeft SERS niet te bewijzen dat de werkzaamheden in verband met de verlangde wijzigingen daadwerkelijk een vertraging hebben veroorzaakt, omdat blijkens punt 3.2 van het aan de kaderovereenkomst gehechte functioneringsprotocol de medeondertekening van de wijzigingen door het Parlement van rechtswege en voor het in de wijzigingsmemorie vastgestelde aantal dagen, opschorting van de in artikel 3.2 van de kaderovereenkomst voorziene opleveringsdatum meebrengt.
127 In die omstandigheden moet:
- de contractuele datum van oplevering van het gebouw op 6 februari 1998 worden vastgesteld;
- SERS worden veroordeeld tot betaling van de in artikel 5.1 van de kaderovereenkomst voorziene boete vanaf deze datum en volgens de in deze bepaling omschreven modaliteiten.
128 Wat de vaststelling van het tijdvak waarvoor het Parlement is vrijgesteld van de betaling van tussentijdse rente, zij in herinnering gebracht dat deze vrijstelling overeenkomstig artikel 6.3, laatste alinea, van de kaderovereenkomst slechts geldt indien de opschorting van de feitelijke opleveringsdatum het gevolg is van een fout van SERS of van een door het Hof niet als gerechtvaardigd erkende vertraging.
129 Anders dan SERS stelt, zijn dit geen cumulatieve voorwaarden, zoals het gebruik van het woord "of" in deze bepaling aangeeft. Om van zijn verplichting tot betaling van tussentijdse rente te worden bevrijd behoeft het Parlement derhalve niet het bewijs te leveren dat de te late oplevering van het gebouw door een aan SERS toe te rekenen fout is veroorzaakt. Het volstaat dat de betrokken vertraging door het Hof als niet gerechtvaardigd wordt aangemerkt. Zoals uit de punten 106 en 107 van het onderhavige arrest blijkt, zijn de redenen die door SERS kunnen worden aangevoerd ter rechtvaardiging van de opschorting van de datum van de feitelijke oplevering van het gebouw, niet uitsluitend de in artikel 5.2 van de kaderovereenkomst genoemde redenen.
130 Het tijdvak waarvoor het Parlement is vrijgesteld van de betaling van de in artikel 6.3 van de kaderovereenkomst voorziene tussentijdse rente, moet op basis van deze overwegingen worden bepaald.
131 Wat de eerste voorwaarde betreft, te weten dat er sprake is van een fout van SERS, kan de aan SERS verweten handelwijze, waarvan de realiteit volgens de aan het Hof overgelegde stukken niet kan worden betwijfeld, weliswaar een fout vormen en heeft zij er zonder twijfel toe bijgedragen dat het gebouw niet op de voorziene datum is opgeleverd, doch het Parlement heeft niet aangetoond dat de betrokken vertraging uitsluitend aan die fout is te wijten. Bij het ontbreken van een rechtstreeks causaal verband tussen de aangevoerde fout en de vertraging die daarvan het gevolg zou zijn, kan SERS dus niet voor de gehele vertraging verantwoordelijk worden gesteld.
132 Betreffende de voorwaarde of de opschorting van de datum van feitelijke oplevering al dan niet gerechtvaardigd is, heeft SERS het recht iedere reden waarmee niet reeds krachtens artikel 5.2 van de kaderovereenkomst rekening is gehouden, aan te voeren. Aangezien alleen de door het Parlement verlangde of aanvaarde wijzigingen de contractuele opleveringsdatum hebben opgeschort, moet worden onderzocht of en in hoeverre de andere door SERS aangevoerde redenen de bij de voltooiing van het gebouw opgelopen vertraging in het kader van artikel 6.3 van de kaderovereenkomst kunnen rechtvaardigen.
133 Wat om te beginnen de vertragingen betreft die het gevolg zouden zijn van een staking en administratieve bevelen, volstaat de vaststelling dat SERS geen enkel gegeven heeft aangevoerd dat zelfs maar het plaatsvinden van deze feiten kan bewijzen. Bijgevolg kunnen deze vertragingen niet als gerechtvaardigd worden aangemerkt.
134 Betreffende vervolgens de vertragingen die zijn aangevoerd wegens ongunstige weersomstandigheden en de gevolgen daarvan alsmede wegens het uitvallen van ondernemingen, zij opgemerkt dat SERS niet heeft aangetoond dat deze feiten, die tot de normale risico's van ieder bouwproject behoren en waarmee rekening moet worden gehouden bij het opstellen van het tijdschema voor de werkzaamheden, uitzonderlijk waren, met name vanwege hun aantal en hun gevolgen, en ook niet dat de achterstanden die daarvan het gevolg waren, niet konden worden ingehaald. Daaruit volgt dat deze vertragingen evenmin als gerechtvaardigd kunnen worden aangemerkt.
135 Wat ten slotte de vertraging tengevolge van het mislukken van de aanbesteding van de opdracht voor de ruwbouw betreft, zij vastgesteld dat een dergelijke gebeurtenis, waarmee een ondernemer slechts bij zeer grote uitzondering wordt geconfronteerd, een aanzienlijke vertraging in de voltooiing van een bouwproject kan veroorzaken. Blijkens het dossier is deze conclusie overigens niet betwist door het Parlement, dat zich er vanaf oktober 1994 van bewust was dat dit mislukken hoogstwaarschijnlijk een negatieve invloed op het verloop van het bouwproject zou hebben, en dat SERS er vanaf dat moment aan heeft herinnerd dat het van belang was de in de kaderovereenkomst voorziene termijnen te respecteren.
136 Betreffende de formaliteiten die in acht moeten worden genomen opdat een vertraging als gerechtvaardigd in de zin van artikel 6.3 van de kaderovereenkomst kan worden aangemerkt, bepaalt deze overeenkomst, anders dan het Parlement betoogt, niet dat een dergelijke vertraging binnen de termijnen en volgens de formaliteiten van de artikelen 5.2 of 25 van de kaderovereenkomst moet worden meegedeeld. Daaruit volgt dat het feit dat een gebeurtenis die vertraging heeft veroorzaakt, niet onverwijld aan het Parlement is meegedeeld, of dat SERS toen een dergelijke gebeurtenis zich voordeed meende dat het tijdschema van het bouwproject daar niet door zou worden beïnvloed, zich er niet tegen kan verzetten dat de daaruit voortvloeiende vertraging als gerechtvaardigd in de zin van artikel 6.3 van de kaderovereenkomst kan worden aangemerkt.
137 Wat de achterstand die aan het mislukken van de eerste aanbesteding zou zijn te wijten, te weten 128 werkdagen, lijkt een achterstand van ongeveer zes maanden op werkzaamheden die 36 maanden in beslag zouden nemen, op het eerste gezicht weliswaar niet in te halen, doch aangezien deze achterstand in casu vóór de aanvang van de werkzaamheden was opgetreden, beschikte SERS over de volledige geraamde duur van de werkzaamheden om te trachten een gedeelte daarvan in te halen.
138 Nu het dossier geen aanwijzing bevat betreffende de maatregelen die zijn getroffen of hadden kunnen worden getroffen om te achterstand te verminderen, en evenmin een beoordeling van het gedeelte van deze achterstand dat had kunnen worden ingehaald, moet de achterstand die SERS redelijkerwijs had kunnen inhalen, gelet op het tijdstip waarop de oorzaak van de achterstand zich heeft voorgedaan en de relatief lange periode waarover SERS beschikte om maatregelen te treffen om de gevolgen van het mislukken van de aanbesteding voor het tijdschema van de werkzaamheden af te zwakken, op de helft van de aangevoerde vertraging, te weten 64 werkdagen, worden geraamd.
139 Daaraan zij toegevoegd dat het des te redelijker lijkt het verzoek van het Parlement strekkende tot afwijzing van de volledige betrokken vertraging niet toe te wijzen, omdat uit het dossier blijkt dat de heraanbesteding van de opdracht voor de ruwbouw het Parlement in hoofdzaak ten goede is gekomen, aangezien daardoor de kosten van de ruwbouw aanzienlijk zijn verlaagd en binnen het voor het project geraamde financiële kader kon worden gebleven.
140 In die omstandigheden moet het verzoek van SERS ten dele worden toegewezen en moet haar worden toegestaan in het kader van de toepassing van artikel 6.3 van de kaderovereenkomst, een beroep te doen op een vertraging van 64 werkdagen uit hoofde van het mislukken van de aanbesteding betreffende de ruwbouw.
141 Derhalve is het Parlement over het tijdvak van 10 mei tot en met 14 december 1998 vrijgesteld van betaling van de in artikel 6.3 van de kaderovereenkomst voorziene tussentijdse rente.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
142 Volgens artikel 69, lid 3, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof een partij, ook wanneer zij in het gelijk wordt gesteld, veroordelen tot vergoeding van de door haar toedoen aan de wederpartij opgekomen kosten die naar 's Hofs oordeel nodeloos of vexatoir zijn veroorzaakt. In casu hebben de Stad en SERS het Hof verzocht het Parlement te veroordelen tot betaling van de kosten alsmede tot betaling van een vergoeding voor de procedure van 20 000 euro en 300 000 FRF. Afgezien van het feit dat zij dit verzoek niet hebben gemotiveerd, zij vastgesteld dat het door het Parlement ingestelde beroep noch nodeloos noch vexatoir is en dat het gedeeltelijk is toegewezen. Het Parlement dient derhalve niet te worden veroordeeld tot betaling van een vergoeding uit hoofde van deze bepaling.
143 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen voorzover dit is gevorderd. Volgens artikel 69, lid 3, eerste alinea, kan het Hof echter de proceskosten over de partijen verdelen of beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld. Daar partijen gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld, moet worden beslist dat elke partij haar eigen kosten zal dragen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende:
1) Verklaart het beroep van het Europees Parlement alsmede de reconventionele vordering van de Stad Straatsburg (Frankrijk) en de Société d'équipement et d'aménagement de la Région de Strasbourg (SERS) ontvankelijk.
2) Verklaart dat het Hof bevoegd is om met volledige rechtsmacht uitspraak te doen.
3) Wijst de reconventionele vordering af.
4) Verklaart nietig punt VII.1.A.2. sub a en sub d, van het advies van het college van bemiddelaars van 22 maart 1999.
5) Stelt de contractuele datum van de oplevering van het gebouw, zoals bedoeld in de overeenkomst van 31 maart 1994 tussen het Europees Parlement, de Stad Straatsburg en de Société d'équipement et d'aménagement de la Région de Strasbourg (SERS), vast op 6 februari 1998.
6) Veroordeelt de Société d'équipement et d'aménagement de la Région de Strasbourg (SERS) tot betaling van de in artikel 5.1 van die overeenkomst voorziene boete vanaf 6 februari 1998 en volgens de in deze bepaling omschreven modaliteiten.
7) Verklaart dat het Europees Parlement over het tijdvak van 10 mei tot en met 14 december 1998 is vrijgesteld van betaling van de in artikel 6.3 van de kaderovereenkomst voorziene tussentijdse rente.
8) Verwerpt het beroep voor het overige.
9) Verstaat dat elke partij haar eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy