Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Ambtenaren - Aanwerving - Procedures - Keuze - Voorrang voor bevordering boven overplaatsing en intern vergelijkend onderzoek
(Ambtenarenstatuut, art. 29, lid 1)
Samenvatting
$$Door het gebruik van de term mogelijkheden" in artikel 29, lid 1, van het Statuut wordt duidelijk uitgedrukt, dat het tot aanstelling bevoegd gezag niet absoluut verplicht is om bij wege van bevordering of overplaatsing in een vacature te voorzien, doch alleen dient na te gaan, of die maatregelen kunnen leiden tot de benoeming van een iemand die uit het oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoet. De onderverdeling van artikel 29, lid 1, van het Statuut impliceert weliswaar, dat het tot aanstelling bevoegd gezag de bevorderingsmogelijkheden uiterst zorgvuldig moet onderzoeken alvorens tot de volgende fase over te gaan, doch dit staat niet eraan in de weg, dat het bij een dergelijk onderzoek ook rekening houdt met de mogelijkheid om via de andere in dit lid genoemde procedures betere kandidaten aan te trekken.
Hieruit volgt, dat het tot aanstelling bevoegd gezag vrij is om de daarna genoemde mogelijkheden te onderzoeken en ook tot een volgende fase van de aanwervingsprocedure kan overgaan wanneer er een of meer kandidaten zijn die voldoen aan alle in de kennisgeving van vacature voor het te vervullen ambt gestelde voorwaarden en eisen.
Het tot aanstelling bevoegd gezag is evenmin verplicht, een afwijzend besluit te nemen alvorens tot een volgende fase over te gaan. Wanneer het naar een volgende aanwervingsfase overgaat, doet het dit immers om zijn keuzemogelijkheid te verruimen teneinde een kandidaat te vinden die uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoet, en dit doel zou worden voorbijgeschoten, indien het vóór de overgang naar een volgende fase van de procedure de in de voorgaande fasen ingediende sollicitaties moet afwijzen zonder ze met de sollicitaties van de volgende fasen te kunnen vergelijken.
Wanneer overeenkomstig het Statuut in een vacature bij een instelling moet worden voorzien, dient het tot aanstelling bevoegd gezag zich onder meer te houden aan de in artikel 7, lid 1, van het Statuut geformuleerde verplichting om de ambtenaar uitsluitend in het belang van de dienst en ongeacht zijn nationaliteit te werk te stellen, aan het in artikel 27, derde alinea, van het Statuut neergelegde verbod om ambten voor te behouden aan onderdanen van een bepaalde lidstaat, en aan de verplichting om de in artikel 29, lid 1, van het Statuut bepaalde volgorde te volgen.Deze bepalingen moeten in elke fase van de aanwervingsprocedure worden nageleefd en met name wanneer na afloop van een algemeen vergelijkend onderzoek een reservelijst wordt opgesteld, op basis waarvan de aanwerving eventueel kan plaatsvinden.
Ten slotte is het tot aanstelling bevoegd gezag verplicht, wanneer naar zijn oordeel de sollicitaties uit hoofde van bevordering of overplaatsing niet volstaan, de door artikel 29, lid 1, sub b en c, van het Statuut geboden mogelijkheden te onderzoeken, alvorens de aanwervingsprocedure voort te zetten.
( cf. punten 38-45, 50 )
Partijen
In zaak C-174/99 P,
Europees Parlement, vertegenwoordigd door J. Sant'Anna, lid van de juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door D. Waelbroeck, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij het secretariaat-generaal van het Europees Parlement, Kirchberg,
rekwirant,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Vijfde kamer) van 9 maart 1999, Richard/Parlement (T-273/97, JurAmbt., blz. I-A-45 en II-235), en strekkende tot vernietiging van dat arrest,
andere partij bij de procedure:
P. Richard, ambtenaar van het Europees Parlement, wonende te Luxemburg, vertegenwoordigd door A. Lutgen en J. Feltgen, advocaten te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van laatstgenoemden, Rue Jean-Pierre Brasseur 1,
verzoeker in eerste aanleg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: D. A. O. Edward, kamerpresident, P. J. G. Kapteyn, P. Jann, H. Ragnemalm (rapporteur), en M. Wathelet, rechters,
advocaat-generaal: J. Mischo
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 27 januari 2000,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 maart 2000,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 10 mei 1999, heeft het Europees Parlement krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG en de overeenkomstige bepalingen van de Statuten-EGKS en -EGA hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 9 maart 1999, Richard/Parlement (T-273/97, JurAmbt., blz. I-A-45 en II-235; hierna: bestreden arrest"), waarbij het besluit tot aanstelling van S. in het ambt van afdelingshoofd in de rang A 3 nietig is verklaard.
Feiten en toepasselijke bepalingen
2 Op 24 juni 1996 publiceerde het Parlement kennisgeving van vacature nr. 8011 teneinde te voorzien in het ambt (rang A 3) van hoofd van de afdeling Uitrusting en interne dienst" van directoraat A Infrastructuur en huishoudelijke dienst" van directoraat-generaal Administratie" (hierna: DG VI"); deze kennisgeving werd gewijzigd bij corrigendum van 28 juni 1996, waarbij de eis van kennis van de Franse taal werd geschrapt (punt 1).
3 Richard, hoofdadministrateur in de rang A 4, en elf anderen solliciteerden naar het vacante ambt. Bij nota van 25 juli 1996 droeg de directeur-generaal van DG VI Richard voor bevordering naar het te bekleden ambt voor (punten 2 en 3).
4 Het hoofd van de personeelsafdeling, dat de keuze van de directeur-generaal van DG VI had vernomen, zond deze op 23 december 1996 een nota met het verzoek, het aantal potentiële kandidaten uit te breiden en overeenkomstig de instructies van de voorzitter van het Parlement de reservelijsten die na afloop van de voor onderdanen van de nieuwe lidstaten voorbehouden algemene vergelijkende onderzoeken voor de rang A 3 waren opgesteld, te raadplegen alvorens een eindbeslissing te nemen (punt 4).
5 In een nota van 11 oktober 1996 expliciteerde de directeur-generaal van DG VI de functie-eisen die hij voor de voordracht tot aanstelling van Richard had gehanteerd, en verklaarde hij, dat indien het tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: TABG") deze functie-eisen van minder belang acht dan meer geografische criteria, hij op grond van een onderzoek van de reservelijsten van mening is, dat twee kandidaten, waarvan S., van Zweedse nationaliteit, de eerste in volgorde van voorkeur was, na een ongetwijfeld lange en lastige inwerkingsperiode eventueel de post zouden kunnen bezetten (punt 6).
6 Op 8 januari 1997 stelde de secretaris-generaal van het Parlement voor, S. in de vacature aan te stellen, hetgeen op 9 januari 1997 door het TABG werd goedgekeurd (punt 7).
7 Bij brief van 11 februari 1997 deelde de dienst Aanwervingen Richard mee, dat het TABG zijn sollicitatie niet had aanvaard (punt 8).
8 Op 6 mei 1997 diende Richard een klacht in, waarin hij intrekking van het besluit van het TABG vorderde. Deze klacht werd afgewezen bij besluit van 17 juli 1997 (punten 9 en 10).
9 Artikel 7, lid 1, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: Statuut") bepaalt:
Het tot aanstelling bevoegde gezag stelt de ambtenaar, uitsluitend in het belang van de dienst en ongeacht zijn nationaliteit, bij wege van aanstelling of overplaatsing, overeenkomstig zijn rang te werk in een tot zijn categorie of groep behorend ambt.
(...)"
10 Artikel 27, derde alinea, van het Statuut luidt als volgt:
Geen enkel ambt mag worden bestemd voor onderdanen van een bepaalde lidstaat."
11 Artikel 29, lid 1, van het Statuut bepaalt:
Teneinde te voorzien in vacatures bij een instelling, onderzoekt het tot aanstelling bevoegde gezag:
a) de mogelijkheden tot bevordering en tot overplaatsing binnen de instelling,
b) de mogelijkheden tot het organiseren van een vergelijkend onderzoek binnen de instelling,
c) de verzoeken tot overgang van ambtenaren van andere instellingen der drie Europese Gemeenschappen,
en gaat vervolgens over tot een vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken, van een examen of op de grondslag van beide. De procedure voor het vergelijkend onderzoek is vastgesteld in bijlage III.
Tot vergelijkend onderzoek kan eveneens worden overgegaan voor het vormen van een reserve ter vervulling van vacatures."
12 Artikel 1, lid 1, van verordening (EG) nr. 626/95 van de Raad van 20 maart 1995 tot instelling van bijzondere tijdelijke maatregelen betreffende de aanwerving van ambtenaren van de Europese Gemeenschappen naar aanleiding van de toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden (PB L 66, blz. 1), bepaalt:
Tot en met 31 december 1999 kan, in afwijking van artikel 4, tweede en derde alinea, artikel 5, lid 3, artikel 7, lid 1, artikel 27, derde alinea, artikel 29, lid 1, onder a, b en c, en artikel 31 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, in vacatures worden voorzien door de aanstelling van Oostenrijkse, Finse en Zweedse onderdanen, voor zover het om ambten gaat die in het kader van de beraadslagingen over de begroting door de bevoegde instellingen te dien einde zijn toegewezen."
Het bestreden arrest
13 Op 16 oktober 1997 stelde Richard beroep in bij het Gerecht.
14 Richard voerde vijf middelen aan: 1) schending van artikel 29, lid 1, van het Statuut; 2) schending van artikel 25 van het Statuut, en overschrijding van bevoegdheid als gevolg daarvan; 3) schending van artikel 7 van het Statuut; 4) kennelijke beoordelingsfout, en 5) schending van een aantal door de rechtspraak ontwikkelde beginselen (inaanmerkingneming van het dienstbelang, beoordeling op grond van vergelijkbare informatiebronnen en inachtneming van de selectiecriteria van de kennisgeving van vacature).
15 Met zijn eerste middel stelde Richard onder meer, dat volgens artikel 29, lid 1, van het Statuut het TABG de procedure van externe aanwerving slechts kan inleiden na onderzoek van de door de procedures van interne aanwerving geboden mogelijkheden om in de vacature te voorzien, zulks ter verzekering van de inachtneming van het beginsel dat de ambtenaren recht hebben op ontwikkeling van een loopbaan.
16 Bovendien voerde Richard aan, dat zowel de letter van artikel 29, lid 1, sub a, b en c, van het Statuut als de rechtspraak van het Hof en het Gerecht het TABG verplichten, de verschillende mogelijkheden om in een vacature te voorzien apart en achtereenvolgens te onderzoeken, hetgeen elke vorm van vergelijking van interne en externe kandidaten verbiedt.
17 Het Parlement antwoordde, dat ingevolge artikel 29, lid 1, sub a, b en c, van het Statuut het TABG gewoon dient na te gaan, of een ambtenaar die uit het oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoet, overeenkomstig dit artikel kan worden aangesteld. Daartoe heeft de rechtspraak ook de mogelijkheid erkend om voor eenzelfde ambt gelijktijdig een interne en een interinstitutionele kennisgeving van vacature bekend te maken of om rechtstreeks van de procedure van artikel 29, lid 1, naar die van artikel 29, lid 2, van het Statuut over te gaan.
18 Volgens het Parlement kan het TABG ook zijn keuzemogelijkheid verruimen door andere sollicitaties toe te voegen aan die bedoeld in artikel 29, lid 1, van het Statuut, indien het niet voldoende keuze heeft om een aanwerving te waarborgen die zoveel mogelijk aan de eisen van het te vervullen ambt beantwoordt.
19 In punt 40 van het bestreden arrest merkte het Gerecht op, dat het TABG in casu had vastgesteld, dat de sollicitatie van Richard voldeed aan de eisen van het te vervullen ambt. Derhalve stelde het in punt 41 van dat arrest vast, dat het TABG, ondanks zijn ruime beoordelingsvrijheid, niet op goede gronden kon oordelen, dat zijn keuzemogelijkheid niet zo ruim was, dat het een aanwerving in overeenstemming met de kennisgeving van vacature kon verzekeren.
20 Het Gerecht stelde in punt 42 van het bestreden arrest tevens vast, dat ingeval het TABG had geoordeeld, dat de sollicitatie van Richard niet voldeed, het hoe dan ook verplicht was zijn sollicitatie af te wijzen en de door artikel 29, lid 1, sub b en c, van het Statuut geboden mogelijkheden te onderzoeken alvorens de aanwervingsprocedure voort te zetten. Bovendien verklaarde het Gerecht in hetzelfde punt, dat voor raadpleging van de reservelijst van onderdanen van de nieuwe lidstaten de ingeleide procedure moest worden geannuleerd en nieuwe voorwaarden voor de voorziening in het ambt moesten worden vastgesteld.
21 Het Gerecht stelde in punt 43 van het bestreden arrest evenwel vast, dat blijkens het dossier de sollicitatie van Richard niet was afgewezen, maar juist met die van S. was vergeleken, en dat het TABG had besloten, de reservelijsten van onderdanen van de nieuwe lidstaten rechtstreeks te raadplegen.
22 Het Gerecht concludeerde in punt 45 van het bestreden arrest, dat het TABG, door de sollicitatie van Richard niet formeel af te wijzen en ze met die van S. te vergelijken, artikel 29, lid 1, van het Statuut had geschonden.
23 Zonder de andere middelen van Richard te onderzoeken heeft het Gerecht derhalve de procedure tot aanstelling van S. in het ambt van afdelingshoofd in de rang A 3 en het besluit van het TABG van 9 januari 1997 nietig verklaard.
De hogere voorziening
24 Met zijn hogere voorziening verzoekt het Parlement het Hof, het bestreden arrest te vernietigen, de zaak naar het Gerecht terug te verwijzen en de beslissing omtrent de kosten aan te houden tot aan de eindbeslissing.
25 Het Parlement stelt, dat het Gerecht de rechtspraak van het Hof en het Gerecht inzake de toepassing van artikel 29 van het Statuut verkeerd heeft uitgelegd.
26 Richard verzoekt het Hof, de hogere voorziening niet-ontvankelijk of ongegrond te verklaren en het Parlement in de kosten van het geding te verwijzen.
Beoordeling door het Hof
De ontvankelijkheid
27 Richard betwist de ontvankelijkheid van de hogere voorziening op twee verschillende gronden.
28 In de eerste plaats beroept hij zich op het feit dat de hogere voorziening van het Parlement niet vergezeld gaat van een besluit van het TABG tot instelling van een hogere voorziening.
29 Uit artikel 91 van het Statuut volgt, dat de beroepen van ambtenaren worden ingesteld tegen de instelling waaronder het TABG ressorteert. Aangezien krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG de hogere voorzieningen openstaan voor iedere partij die geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld, moet deze eerste niet-ontvankelijkheidsgrond worden afgewezen.
30 In de tweede plaats heeft Richard ter terechtzitting voor het Hof betoogd, dat de hogere voorziening niet-ontvankelijk is op grond dat het Parlement geen procesbelang heeft. Richard stelde, dat het ambt van afdelingshoofd in de rang A 3, waarin S. was aangesteld, bij besluit van het Parlement van 22 april 1999 was opgeheven.
31 Zonder door het Parlement te worden weersproken, verklaarde Richard, dat hij van het bestaan van dit besluit eerst op de hoogte was gesteld op 4 oktober 1999, nadat hij de memorie van antwoord had ingediend.
32 In die omstandigheden zij vastgesteld, dat Richard volgens artikel 42, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof het recht had, dit nieuwe middel van niet-ontvankelijkheid ter terechtzitting aan te voeren.
33 Wat de gegrondheid van het middel betreft, zij er om te beginnen op gewezen, dat het bestaan van procesbelang onderstelt, dat de uitslag van de hogere voorziening in het voordeel van de rekwirant kan zijn (arrest van 19 oktober 1995, Rendo e.a./Commissie, C-19/93 P, Jurispr. blz. I-3319, punt 13).
34 Zoals de advocaat-generaal in punt 34 van zijn conclusie heeft opgemerkt, staat in dit geval vast, dat een arrest houdende vernietiging van het bestreden arrest het Parlement een zeker voordeel biedt, voor zover het het Parlement immers definitief kan vrijwaren tegen elke vordering van Richard tot vergoeding van de schade die hij zijns inziens als gevolg van het bestreden aanstellingsbesluit heeft geleden.
35 Mitsdien moet de hogere voorziening ontvankelijk worden verklaard.
Ten gronde
36 Met zijn enig middel stelt het Parlement, dat het Gerecht de rechtspraak van het Hof en het Gerecht inzake de toepassing van artikel 29 van het Statuut verkeerd heeft uitgelegd, allereerst door het TABG te verbieden zijn keuzemogelijkheid te verruimen wanneer er een voor bevordering in aanmerking komende kandidaat is, vervolgens door te overwegen dat de sollicitatie van Richard formeel moest worden afgewezen alvorens de reservelijsten van onderdanen van de nieuwe lidstaten konden worden geraadpleegd, en ten slotte door vast te stellen dat raadpleging van de reservelijst annulering van de reeds ingeleide procedure en vaststelling van nieuwe voorwaarden voor de vervulling van het ambt vereiste.
37 Ten aanzien van de eerste grief van het Parlement zij vastgesteld, dat het TABG beschikt over een ruime discretionaire bevoegdheid om de kandidaten te vinden die uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoen (zie, onder meer, arrest van 8 juni 1988, Vlachou/Rekenkamer, 135/87, Jurispr. blz. 2901, punt 23).
38 Door het gebruik van de term mogelijkheden" in artikel 29, lid 1, van het Statuut wordt immers duidelijk uitgedrukt, dat het TABG niet verplicht is om bij wege van bevordering of overplaatsing in een vacature te voorzien, doch alleen dient na te gaan, of die maatregelen kunnen leiden tot de benoeming van een ambtenaar die uit het oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoet (zie arrest van 31 maart 1965, Ley/Commissie, 12/64 en 29/64, Jurispr. blz. 141, inzonderheid blz. 160).
39 De onderverdeling van artikel 29, lid 1, van het Statuut impliceert weliswaar, dat het TABG de bevorderingsmogelijkheden uiterst zorgvuldig moet onderzoeken alvorens tot de volgende fase over te gaan, doch dit staat niet eraan in de weg, dat het bij een dergelijk onderzoek ook rekening houdt met de mogelijkheid om via de andere in dit lid genoemde procedures betere kandidaten aan te trekken. Hieruit volgt, dat het TABG vrij is om de daarna genoemde mogelijkheden te onderzoeken (arrest van 14 juli 1983, Mogensen e.a./Commissie, 10/82, Jurispr. blz. 2397, punt 10).
40 Bijgevolg kan het TABG ook tot een volgende fase van de aanwervingsprocedure overgaan wanneer er een of meer kandidaten zijn die voldoen aan alle in de kennisgeving van vacature voor het te vervullen ambt gestelde voorwaarden en eisen.
41 Ten aanzien van de tweede grief zij opgemerkt, dat wanneer het TABG naar een volgende aanwervingsfase overgaat, het dit doet om zijn keuzemogelijkheid te verruimen teneinde een kandidaat te vinden die uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoet.
42 Dit doel zou worden voorbijgeschoten, indien het TABG vóór de overgang naar een volgende fase van de procedure de in de voorgaande fasen ingediende sollicitaties moet afwijzen zonder ze met de sollicitaties van de volgende fasen te kunnen vergelijken.
43 Bijgevolg is het TABG evenmin verplicht, een afwijzend besluit te nemen alvorens tot een volgende fase over te gaan.
44 Wat de derde grief betreft, zij eraan herinnerd, dat wanneer overeenkomstig het Statuut in een vacature bij een instelling moet worden voorzien, het TABG zich onder meer dient te houden aan de in artikel 7, lid 1, van het Statuut geformuleerde verplichting om de ambtenaar uitsluitend in het belang van de dienst en ongeacht zijn nationaliteit te werk te stellen, aan het in artikel 27, derde alinea, van het Statuut neergelegde verbod om ambten voor te behouden aan onderdanen van een bepaalde lidstaat, en aan de verplichting om de in artikel 29, lid 1, van het Statuut bepaalde volgorde te volgen.
45 Vastgesteld zij, dat deze bepalingen in elke fase van de aanwervingsprocedure moeten worden nageleefd en met name wanneer na afloop van een algemeen vergelijkend onderzoek een reservelijst wordt opgesteld, op basis waarvan de aanwerving eventueel kan plaatsvinden.
46 Hoewel artikel 1 van verordening nr. 625/95 bepaalt, dat in afwijking van een aantal artikelen van het Statuut, met name artikel 7, lid 1, artikel 27, derde alinea, artikel 29, lid 1, sub a, b en c, in vacatures kan worden voorzien door de aanstelling van Oostenrijkse, Finse en Zweedse onderdanen, blijkt uit de verklaringen van het Parlement voor het Hof en uit de punten 26 en 44 van het bestreden arrest, dat deze verordening bij de betrokken aanwervingsprocedure niet is toegepast.
47 In die omstandigheden moet worden vastgesteld, dat geslaagde kandidaten uit reservelijsten die na afloop van voor onderdanen van de nieuwe lidstaten voorbehouden algemene vergelijkende onderzoeken zijn opgesteld, niet in aanmerking kunnen worden genomen in het kader van een op grond van artikel 29 van het Statuut ingeleide aanwervingsprocedure.
48 Het Gerecht heeft dus in punt 42 van het bestreden arrest terecht vastgesteld, dat voor raadpleging van de reservelijst de ingeleide procedure moest worden geannuleerd.
49 Bovendien moet worden vastgesteld, dat de grieven van het Parlement niet afdoen aan de vaststelling door het Gerecht in punt 34 van het bestreden arrest, dat het TABG, zonder de door artikel 29, lid 1, sub b en c, van het Statuut geboden mogelijkheden te onderzoeken, had besloten de sollicitatie van Richard, kandidaat uit hoofde van bevordering, en van S., die op een van de reservelijsten van onderdanen van nieuwe lidstaten was geplaatst, te vergelijken.
50 Gelijk het Gerecht in punt 42 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, is het TABG verplicht, wanneer naar zijn oordeel de sollicitaties uit hoofde van bevordering of overplaatsing niet volstaan, de door artikel 29, lid 1, sub b en c, van het Statuut geboden mogelijkheden te onderzoeken, alvorens de aanwervingsprocedure voort te zetten (zie, onder meer, arrest van 18 maart 1999, Carbajo Ferrero/Parlement, C-304/97 P, Jurispr. blz. I-1749, punt 29).
51 Aangezien het TABG deze verplichting niet was nagekomen, heeft het Gerecht in punt 45 van het bestreden arrest terecht geconcludeerd, dat artikel 29, lid 1, van het Statuut was geschonden.
52 Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld, dat al zijn de eerste twee grieven van het Parlement tegen de redenering van het Gerecht gerechtvaardigd, de derde grief ongegrond is.
53 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat de door het Gerecht dienaangaande geformuleerde overwegingen het dictum van het bestreden arrest kunnen dragen en dat de eventuele gebreken in de andere overwegingen van het bestreden arrest niet ter zake dienend zijn (zie arrest van 18 maart 1993, Parlement/Frederiksen, C-35/92 P, Jurispr. I-991, punt 31).
54 Bijgevolg dient de hogere voorziening ongegrond te worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
55 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien het Parlement in het ongelijk is gesteld, dient het overeenkomstig de vordering van Richard in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verwijst het Europees Parlement in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy