Zaak C-195/99 P
Krupp Hoesch Stahl AG
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
«Hogere voorziening – Overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen – Europese balkenproducenten»
Conclusie van advocaat-generaal C. Stix-Hackl van 26 september 2002 I - 0000 Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 2 oktober 2003 I - 0000
Samenvatting van het arrest
1.. Hogere voorziening – Middelen – Onjuiste beoordeling van feiten – Niet-ontvankelijkheid – Afwijzing
(Artikel 32 quinquies, lid 1, KS; Statuut-EGKS van het Hof van Justitie, art. 51)
2.. Mededinging – Beschikking tot toepassing van mededingingsregels – Rechterlijke toetsing – Draagwijdte – Grenzen
(EGKS-Verdrag, art. 33 en 65; art. 81 EG en 82 EG)
3.. EGKS – Mededingingsregelingen – Onderling samenhangende gedragingen – Begrip – Criteria coördinatie en samenwerking – Uitlegging – Overeenkomst inzake informatie-uitwisseling
(EGKS-Verdrag, art. 65, lid 1; art. 81, lid 1, EG)
4.. Handelingen van de instellingen – Motivering – Verplichting – Omvang – Beschikking waarbij geldboeten worden opgelegd wegens inbreuk op mededingingsregels – Loutere wenselijkheid, wijze van berekening van geldboete mee te delen
(EGKS-Verdrag, art. 15, eerste alinea, en 65, lid 5)
5.. Procedure – Duur van procedure voor Gerecht – Redelijke termijn – Beoordelingscriteria
1. Volgens artikel 32 quinquies, lid 1, KS en artikel 51 van het Statuut-EGKS van het Hof van Justitie is hogere voorziening beperkt tot rechtsvragen. Het Gerecht is dus bij uitsluiting bevoegd om de relevante feiten vast te stellen en te beoordelen, alsook om de bewijselementen te beoordelen, behoudens in het geval van een verdraaiing van deze feiten en bewijselementen. cf. punt 19
2. Hoewel de gemeenschapsrechter in het algemeen volledig nagaat of aan de voorwaarden voor toepassing van de bepalingen van het EG- en het EGKS-Verdrag inzake mededinging is voldaan, kan hij niet anders dan zich bij de toetsing van een ingewikkelde economische beoordeling door de Commissie beperken tot de vraag, of de procedurevoorschriften en het motiveringsvereiste in acht zijn genomen, of de feiten juist zijn weergegeven en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling dan wel van misbruik van bevoegdheid. cf. punten 55-56
3. Een overeenkomst inzake informatie-uitwisseling is in strijd met de mededingingsregels, zelfs wanneer de betrokken markt geen sterk geconcentreerde oligopolistische markt is, wanneer zij de onzekerheid over de werking van deze markt vermindert of wegneemt en bijgevolg de mededinging tussen de ondernemingen beperkt. De criteria coördinatie en samenwerking, die voorwaarden zijn voor onderling samenhangende gedragingen, houden immers niet in dat er een werkelijk plan moet zijn opgesteld, maar dienen te worden verstaan in het licht van de aan de bepalingen van het EG- en het EGKS-Verdrag inzake de mededinging ten grondslag liggende idee dat iedere ondernemer zelfstandig moet bepalen welk beleid hij op de gemeenschappelijke markt zal voeren en welke condities hij zijn klanten zal bieden. Deze eis van zelfstandigheid sluit weliswaar niet uit dat de ondernemer gerechtigd is zijn beleid intelligent aan het vastgestelde of te verwachten marktgedrag van de concurrenten aan te passen, doch staat onverbiddelijk in de weg aan enigerlei al dan niet rechtstreeks contact tussen zulke ondernemers, dat tot doel of ten gevolge heeft dat mededingingsvoorwaarden ontstaan die, gelet op de aard van de producten of verleende diensten, de grootte en het aantal van de ondernemingen en de omvang van de betrokken markt, niet met de normale voorwaarden van die markt overeenkomen. cf. punten 58-61, 63
4. De verplichting tot motivering van een individuele beschikking heeft tot doel, het Hof in staat te stellen de wettigheid van de beschikking te toetsen, en de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of de beschikking gegrond is dan wel eventueel een gebrek vertoont op grond waarvan de wettigheid ervan kan worden betwist. Voor de nakoming van de verplichting tot motivering van een beschikking waarbij aan verschillende ondernemingen geldboeten worden opgelegd wegens een inbreuk op de communautaire mededingingsregels, is de vermelding van cijfergegevens met betrekking tot de berekeningswijze van deze geldboeten, hoe nuttig en wenselijk deze gegevens ook zijn, niet onmisbaar, waarbij dient te worden aangetekend dat de Commissie hoe dan ook geen afstand kan doen van haar beoordelingsvrijheid door uitsluitend en mechanisch wiskundige formules toe te passen. cf. punten 110, 114
5. Het algemene beginsel van gemeenschapsrecht, dat eenieder recht heeft op een eerlijk proces, en inzonderheid op een proces binnen een redelijke termijn, is van toepassing op een beroep in rechte tegen een beschikking van de Commissie waarbij aan een onderneming een geldboete is opgelegd wegens schending van het mededingingsrecht. De redelijkheid van de termijn moet worden beoordeeld met inachtneming van de specifieke omstandigheden van de zaak, in het bijzonder het belang ervan voor de betrokkene, de complexiteit van de zaak en het gedrag van de verzoeker en van de bevoegde autoriteiten. De lijst van deze criteria is niet uitputtend en de beoordeling van de redelijkheid van de termijn vereist niet dat de zaak stelselmatig aan al deze criteria wordt getoetst, wanneer de duur van de procedure volgens een van de criteria gerechtvaardigd lijkt. De functie van deze criteria is, te bepalen of de duur van de behandeling van een zaak gerechtvaardigd is. Zo kan de complexiteit van de zaak of vertragingsgedrag van de verzoeker een rechtvaardiging vormen voor een termijn die op het eerste gezicht te lang is. Omgekeerd kan een termijn ook onredelijk lang worden bevonden in het licht van één enkel criterium, in het bijzonder wanneer de duur het gevolg is van het gedrag van de bevoegde autoriteiten. In voorkomend geval kan de duur van een fase van de procedure zonder meer als redelijk worden aangemerkt wanneer zij in overeenstemming lijkt met de gemiddelde behandelingsduur van een zaak van dat type. cf. punten 121-123
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
2 oktober 2003 (1)
„Hogere voorziening – Overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen – Europese balkenproducenten”
In zaak C-195/99 P,
Krupp Hoesch Stahl AG, gevestigd te Dortmund (Duitsland), vertegenwoordigd door F. Montag, Rechtsanwalt, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
rekwirante,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Tweede kamer ─ uitgebreid) van 11 maart 1999, Krupp Hoesch/Commissie (T-147/94, Jurispr. blz. II-603), strekkende tot vernietiging van dat arrest,
andere partij bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Currall en W. Wils als gemachtigden, bijgestaan door H.-J. Freund, Rechtsanwalt, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,verweerster in eerste aanleg, wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),,
samengesteld als volgt: M. Wathelet, kamerpresident, D. A. O. Edward, A. La Pergola, P. Jann (rapporteur) en S. von Bahr, rechters,
advocaat-generaal: C. Stix-Hackl,
griffier: M.-F. Contet, hoofdadministrateur,
gezien het rapport ter terechtzitting,gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 31 januari 2002,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 september 2002,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 25 mei 1999, heeft Krupp Hoesch Stahl AG krachtens artikel 49 van het Statuut-EGKS van het Hof van Justitie hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 11 maart 1999, Krupp Hoesch/Commissie (T-147/94, Jurispr. blz. II-603; hierna: bestreden arrest), waarbij haar beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 94/215/EGKS van de Commissie van 16 februari 1994 inzake een procedure op grond van artikel 65 van het EGKS-Verdrag betreffende overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen van Europese balkenproducenten (PB L 116, blz. 1; hierna: litigieuze beschikking), gedeeltelijk is verworpen. Bij deze beschikking had de Commissie rekwirante krachtens artikel 65 EGKS-Verdrag een geldboete opgelegd.
Feiten en litigieuze beschikking
2 Volgens het bestreden arrest heeft de Europese staalsector vanaf 1974 een crisis doorgemaakt, gekenmerkt door een scherpe daling van de vraag die zorgde voor problemen van overproductie, overcapaciteit en lage prijzen.
3 Eerst had de Commissie gepoogd de crisis te beheersen door middel van eenzijdige, vrijwillige verbintenissen van de ondernemingen betreffende de op de markt aangeboden hoeveelheden staal en betreffende minimumprijzen ( plan Simonet), of door richt- en minimumprijzen vast te stellen ( plan Davignon, Eurofer I-akkoord). In 1980 stelde zij vast dat er sprake was van een uitgesproken crisis in de zin van artikel 58 EGKS-Verdrag, en legde zij bindende productiequota op, met name voor balken. Deze communautaire regeling is geëindigd op 30 juni 1988.
4 Reeds lang voor deze datum had de Commissie in verschillende mededelingen en beschikkingen aangekondigd dat de quotaregeling zou worden afgeschaft, en erop gewezen dat het einde van dit systeem de terugkeer zou betekenen naar een markt van vrije mededinging tussen de ondernemingen. In de sector bleef evenwel een overtollige productiecapaciteit bestaan, die volgens de deskundigen voldoende en snel diende te worden ingekrompen om de ondernemingen in staat te stellen stand te houden tegen de mondiale concurrentie.
5 Zodra de quotaregeling een einde had genomen, heeft de Commissie een toezichtsysteem opgezet, waarbij statistieken over productie en leveringen werden bijgehouden, de ontwikkeling van de markten werd gevolgd, en de ondernemingen regelmatig werden geraadpleegd over de marktsituatie en -tendensen. In het kader van overlegbijeenkomsten hebben de ondernemingen van de sector, waarvan een aantal lid waren van de ondernemersvereniging Eurofer, dus regelmatige contacten onderhouden met DG III (directoraat-generaal Interne markt en industrie) van de Commissie (hierna: DG III). Het toezichtsysteem werd op 30 juni 1990 beëindigd en vervangen door een individueel en vrijwillig informatiesysteem.
6 Begin 1991 heeft de Commissie verschillende inspecties uitgevoerd bij een aantal staalondernemingen en ondernemersverenigingen in die sector. Op 6 mei 1992 heeft zij hun een mededeling van punten van bezwaar gezonden. Begin 1993 hebben hoorzittingen plaatsgevonden.
7 In de litigieuze beschikking van 16 februari 1994 heeft de Commissie vastgesteld, dat zeventien Europese staalondernemingen en een van hun ondernemersverenigingen, in strijd met artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag, hadden deelgenomen aan een reeks overeenkomsten, besluiten en onderling samenhangende gedragingen tot vaststelling van prijzen, verdeling van markten en uitwisseling van vertrouwelijke informatie op de markt van balken in de Gemeenschap. Bij deze beschikking heeft zij aan veertien ondernemingen geldboeten opgelegd voor inbreuken die tussen 1 juli 1988 en 31 december 1990 waren gepleegd.
Procesverloop voor het Gerecht en bestreden arrest
8 Op 11 april 1994 heeft rekwirante bij het Gerecht beroep ingesteld tot gedeeltelijke nietigverklaring van de litigieuze beschikking.
9 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep van rekwirante gedeeltelijk toegewezen en de haar opgelegde geldboete verlaagd.
Conclusies van partijen
10 Rekwirante concludeert dat het den Hove behage:
─ het bestreden arrest te vernietigen, voorzover in punt 1 van het dictum aan rekwirante een geldboete van 9 000 euro is opgelegd, in punt 2 van het dictum haar beroep is verworpen, en zij in punt 3 van het dictum in haar eigen kosten en in de helft van de kosten van de Commissie is verwezen;
─ de artikelen 1, 3 en 4 van de litigieuze beschikking nietig te verklaren;
─ de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hogere voorziening.
11 De Commissie concludeert dat het den Hove behage:
─ de hogere voorziening af te wijzen;
─ rekwirante in de kosten te verwijzen.
Middelen van de hogere voorziening
12 Tot staving van de hogere voorziening voert rekwirante zeven middelen aan:
1) schending van het reglement van orde van de Commissie, zoals gewijzigd bij beschikking 93/492/Euratom, EGKS, EEG van de Commissie van 17 februari 1993 (PB L 230, blz. 15; hierna: reglement van orde van 1993);
2) schending van artikel 33 EGKS-Verdrag;
3) schending van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag, wat de informatie-uitwisseling, de uitlegging van het begrip normale werking van de mededinging en de deelneming van rekwirante aan de verweten feiten betreft;
4) onjuiste rechtsopvatting wat de gelaakte gedragingen tot vaststelling van prijzen op de Duitse markt betreft;
5) schending van artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag, wat de beoordeling van rekwirantes onrechtmatige gedraging betreft;
6) schending van de door artikel 15 EGKS-Verdrag opgelegde motiveringsplicht;
7) schending van artikel 6 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), wegens de buitensporige duur van de procedure voor het Gerecht.
13 Bij de uiteenzetting van de middelen zal telkens worden aangegeven tegen welke punten van het bestreden arrest het middel is gericht.
De hogere voorziening
Het eerste middel
14 Het eerste middel omvat twee onderdelen: schending van de artikelen 5 en 6 van het reglement van orde van 1993, en schending van artikel 16 van dat reglement.
Het eerste onderdeel van het eerste middel
15 Volgens rekwirante heeft het Gerecht de artikelen 5 en 6 van het reglement van orde van 1993 geschonden, waarin het quorum respectievelijk het aantal stemmen zijn vastgesteld die voor de geldigheid van de besluiten van de Commissie zijn vereist. In punt 63 van het bestreden arrest heeft het Gerecht immers de notulen van de zitting van de Commissie waarop de litigieuze beschikking is vastgesteld (hierna: notulen), verkeerd uitgelegd, zodat het tot de verkeerde conclusie is gekomen dat de beschikking in overeenstemming met deze bepalingen is vastgesteld.
16 Bovendien stemt deze uitlegging niet overeen met het collegialiteitsbeginsel, zoals omschreven door het Hof in het arrest van 15 juni 1994, Commissie/BASF e.a. (C-137/92 P, Jurispr. blz. I-2555, punt 64), dat vereist dat de leden van het college bij de vaststelling van de beschikkingen aanwezig zijn.
17 De Commissie stelt dat rekwirante opkomt tegen feitelijke vaststellingen en tegen de beoordeling van bewijselementen, zodat de grief niet-ontvankelijk is.
18 Subsidiair stelt zij, dat dit onderdeel van het middel ongegrond is. De verklaring op bladzijde 40 van de notulen, dat de kabinetschefs en een lid van het kabinet van twee commissarissen bij afwezigheid van de leden van de Commissie de betrokken zitting hebben bijgewoond, doet immers geen afbreuk aan de bewijskracht en de geldigheid van de presentielijst op bladzijde 2 van de notulen, waarop staat aangegeven welke leden van de Commissie tijdens de beraadslaging over de litigieuze beschikking aanwezig of afwezig waren.
Beoordeling door het Hof
19 Vooraf dient eraan te worden herinnerd, dat volgens artikel 32 quinquies, lid 1, KS en artikel 51 van 's Hofs Statuut-EGKS hogere voorziening beperkt is tot rechtsvragen. Het Gerecht is dus bij uitsluiting bevoegd om de relevante feiten vast te stellen en te beoordelen, alsook om de bewijselementen te beoordelen, behoudens in het geval van een verdraaiing van deze feiten en bewijselementen (zie in die zin arresten van 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi e.a., C-136/92 P, Jurispr. blz. I-1981, punten 49 en 66; 15 oktober 2002, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, C-238/99 P, C-244/99 P, C-245/99 P, C-247/99 P, C-250/99 P─C-252/99 P en C-254/99 P, Jurispr. blz. I-8375, punt 194, en 10 december 2002, Commissie/Camar en Tico, C-312/00 P, Jurispr. blz. I-11355, punt 69).
20 Rekwirante voert niet aan, dat het Gerecht de inhoud van de notulen heeft verdraaid, maar komt enkel op tegen de beoordeling ervan door het Gerecht in punt 63 van het bestreden arrest.
21 Vastgesteld moet dus worden, dat het eerste onderdeel van het eerste middel niet-ontvankelijk is.
Het tweede onderdeel van het eerste middel
22 Rekwirante stelt dat het Gerecht artikel 16 van het reglement van orde van 1993, betreffende de waarmerking en de formele presentatie van de besluiten van de Commissie, verkeerd heeft toegepast. Het Gerecht heeft immers ten onrechte vastgesteld, dat de door de Commissie aan rekwirante betekende litigieuze beschikking op 23 februari 1994 was gewaarmerkt. In de eerste plaats heeft het Gerecht niet vastgesteld, dat de aan verzoekster betekende versie van de litigieuze beschikking overeenkwam met de versies C(94)321/2 en C(94)321/3 van deze beschikking, en evenmin dat deze betekende versie zelf regelmatig als bijlage bij de notulen was gevoegd. In de tweede plaats bleek de Commissie niet in staat de notulen met de originele handtekeningen van haar voorzitter en van haar secretaris-generaal over te leggen, en ontbrak op de notulen de datum van ondertekening.
23 Het Gerecht is uitgegaan van de veronderstelling, dat de beschikking op regelmatige wijze is gewaarmerkt, en heeft zich in punt 85 van het bestreden arrest gebaseerd op het vermoeden van geldigheid van de gemeenschapshandelingen. Aldus is het voorbijgegaan aan het doel van dit vermoeden, want indien bij de vaststelling van een beschikking de vormvereisten niet in acht worden genomen, kan het geldigheidsvermoeden er niet aan in de weg staan dat de beschikking nietig wordt verklaard.
24 Volgens de Commissie is de grief inzake het ontbreken van overeenstemming tussen de versies van de litigieuze beschikking niet-ontvankelijk, aangezien rekwirante haar kritiek op de redenering van het Gerecht ter zake niet onderbouwt, en dit middel betrekking heeft op de vaststelling van feiten, waarvoor het Gerecht bij uitsluiting bevoegd is. De grief dat niet is bewezen dat de litigieuze beschikking is gewaarmerkt, is volgens de Commissie eveneens niet-ontvankelijk aangezien, behoudens in het geval van verdraaiing van de bewijselementen, het Gerecht bij uitsluiting bevoegd is om daarover te oordelen.
Beoordeling door het Hof
25 Met dit onderdeel van het eerste middel komt rekwirante opnieuw op tegen de beoordeling van feiten en bewijselementen door het Gerecht in het bestreden arrest, namelijk:
─ in punt 83, waarin het Gerecht ervan is uitgegaan dat de documenten C(94)321/2 en C(94)321/3 als bijlage bij de notulen waren gevoegd,
─ in punt 84, waarin het Gerecht heeft geoordeeld dat niet was bewezen dat er een materieel verschil bestond tussen de betekende versie van de litigieuze beschikking en de als bijlage bij de notulen gevoegde versie,
─ in punt 85, waarin het Gerecht heeft geoordeeld dat de documenten C(94)321/2 en C(94)321/3 moesten worden beschouwd als gewaarmerkt door de op de eerste bladzijde van de notulen geplaatste handtekening van de voorzitter en van de secretaris-generaal van de Commissie,
─ in punt 86, waarin het Gerecht heeft vastgesteld dat de echtverklaring van het afschrift door de toenmalige secretaris-generaal van de Commissie voldoende bewijs opleverde dat de originele versie van de notulen de originele handtekening van de voorzitter en van de secretaris-generaal van de Commissie draagt, en
─ in punt 88, waarin het Gerecht heeft vastgesteld dat de notulen op 23 februari 1994 naar behoren door de voorzitter en de secretaris-generaal van de Commissie waren ondertekend.
26 Wat de vermelding in punt 85 van het bestreden arrest van het vermoeden van geldigheid van de gemeenschapshandelingen betreft (zie met name arrest Commissie/BASF e.a., reeds aangehaald, punt 48), kan worden volstaan met vast te stellen dat het Gerecht hieruit geen enkele conclusie feitelijk of rechtens heeft getrokken, maar enkel op basis van zijn eigen beoordeling van de feiten en de bewijselementen tot de conclusie is gekomen dat de litigieuze beschikking regelmatig was gewaarmerkt.
27 Voorzover het tweede onderdeel van het eerste middel tegen deze vermelding gericht is, kan het dus niet worden aanvaard en moet het ongegrond worden verklaard.
28 Bijgevolg dient te worden geoordeeld, dat dit onderdeel deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond is.
29 Gelet op een en ander, dient het eerste middel deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond te worden verklaard.
Het tweede middel
30 Met het tweede middel stelt rekwirante dat het Gerecht artikel 33 EGKS-Verdrag heeft geschonden, doordat het bij de toetsing van de litigieuze beschikking de grenzen van zijn bevoegdheden heeft overschreden.
31 Artikel 33, eerste en tweede alinea, EGKS-Verdrag luidt als volgt: Het Hof van Justitie is bevoegd uitspraak te doen op elk door een deelnemende staat of de Raad ingesteld beroep tot nietigverklaring van beschikkingen en aanbevelingen van de Commissie op grond van onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van het Verdrag of van enige uitvoeringsregeling daarvan dan wel van misbruik van bevoegdheid. Het onderzoek door het Hof van Justitie kan echter geen betrekking hebben op een beoordeling van de toestand die voortvloeit uit economische feiten of omstandigheden, met het oog op welke toestand de beschikkingen zijn gegeven of de aanbevelingen zijn gedaan, tenzij de Commissie het verwijt wordt gemaakt, dat zij haar bevoegdheden heeft misbruikt of de bepalingen van het Verdrag of enige op de uitvoering daarvan betrekking hebbende rechtsregel klaarblijkelijk heeft miskend.Voor de ondernemingen en verenigingen, bedoeld in artikel 48, staat onder dezelfde voorwaarden beroep open tegen de hen individueel betreffende beschikkingen en aanbevelingen of tegen algemene beschikkingen en aanbevelingen, die volgens hun mening te hunnen opzichte misbruik van bevoegdheid inhouden.
32 Het middel is gericht tegen punt 122 van het bestreden arrest, dat luidt als volgt: Bijgevolg zijn de betrokken informatie-uitwisselingssystemen in de punten 263 tot en met 272 van de [bestreden] beschikking beschouwd als zelfstandige inbreuken op artikel 65, lid 1, van het Verdrag. De afwijkende juridische beoordeling die de Commissie in haar antwoord van 19 januari 1998 en ter terechtzitting ter zake heeft gegeven, moet derhalve van de hand worden gewezen.
33 Volgens rekwirante heeft het Gerecht de grenzen van de hem bij artikel 33 EGKS-Verdrag verleende bevoegdheid overschreden, doordat het in punt 122 van het bestreden arrest de litigieuze beschikking heeft gecorrigeerd door ze uit te leggen op een wijze die, gelet op de uitdrukkelijke verklaringen van de Commissie en de formulering van de beschikking, niet in overeenstemming is met de inhoud ervan. Het Gerecht heeft immers vastgesteld, dat de Commissie de informatie-uitwisseling als zelfstandige inbreuk had aangemerkt, terwijl de Commissie zelf op een vraag van het Gerecht heeft geantwoord dat zij ervan was uitgegaan dat de informatie-uitwisseling deel uitmaakte van een ruimer geheel van inbreuken, met name prijs- en marktverdelingsovereenkomsten, en de uitvoering van deze overeenkomsten had vergemakkelijkt.
34 Volgens de Commissie is dit middel niet-ontvankelijk, aangezien de kwalificatie van de informatie-uitwisseling door de Commissie geen juridische, maar een feitenkwestie is, die niet onder de controlebevoegdheid van het Hof valt. Subsidiair stelt zij dat het middel ongegrond is. Het beroep is immers gericht tegen de litigieuze beschikking en niet tegen de door de vertegenwoordigers van de Commissie tijdens de procedure verstrekte uitleg, waarmee het Gerecht overigens geen rekening hoeft te houden.
Beoordeling door het Hof
35 Rekwirante toont niet aan, en tracht ook niet aan te tonen, in welke zin het Gerecht artikel 33 EGKS-Verdrag heeft geschonden en de grenzen van zijn bevoegdheden heeft overschreden door zelf de litigieuze beschikking uit te leggen en niet af te gaan op de uitleg die de vertegenwoordigers van de Commissie in het antwoord van 19 januari 1998 en ter terechtzitting hebben verstrekt.
36 Dienaangaande kan worden volstaan met op te merken dat, wanneer het Gerecht uitspraak doet op een beroep tot nietigverklaring van een gemeenschapshandeling, het deze handeling zelf mag uitleggen.
37 Waar het Gerecht de litigieuze beschikking heeft uitgelegd, heeft het de grenzen van zijn bevoegdheden dus niet overschreden, zodat het tweede middel ongegrond is.
Het derde middel
38 Met het derde middel stelt rekwirante dat het Gerecht artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag heeft geschonden. Dit middel omvat vier onderdelen: onjuiste kwalificatie van de informatie-uitwisseling als zelfstandige inbreuk; onjuiste uitlegging van het begrip normale werking van de mededinging; onjuiste rechtsopvatting voorzover het Gerecht de uitsluitend door rekwirante vervaardigde U-profielen in aanmerking heeft genomen, en onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van de deelneming van rekwirante aan de informatie-uitwisseling.
Het eerste onderdeel van het derde middel
39 Met het eerste onderdeel van het derde middel stelt rekwirante, dat het Gerecht artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag heeft geschonden, doordat het ─ zo al zou vaststaan dat de informatie-uitwisseling een zelfstandige inbreuk is, hetgeen rekwirante met haar tweede middel heeft betwist ─ niet heeft uitgelegd welke gevolgen deze informatie-uitwisseling heeft voor de mededinging, en deze gevolgen evenmin heeft aangetoond.
40 Dit onderdeel van het middel is gericht tegen de punten 124 tot en met 150 van het bestreden arrest, meer in het bijzonder tegen de punten 135 en 142.
41 In punt 126 van het bestreden arrest heeft het Gerecht eraan herinnerd, dat de opvatting dat iedere ondernemer zelfstandig en zonder heimelijke afspraken met zijn concurrenten moet bepalen, welk beleid hij op de gemeenschappelijke markt wil voeren, inherent is aan het EGKS-Verdrag en met name aan de artikelen 4, sub d, en 65, lid 1, ervan.
42 In de volgende punten van het bestreden arrest heeft het Gerecht zich uitgesproken over het gedetailleerde karakter van de verspreide gegevens (punt 128), over de actualiteit en de frequentie ervan (punten 129-131), over het feit dat deze gegevens slechts aan bepaalde producenten en niet aan de verbruikers en de overige concurrenten zijn meegedeeld (punt 132), over het homogene karakter van de betrokken producten (punt 133), en over de oligopolistische structuur van de markt, die op zich reeds de mededinging kan beperken (punt 134).
43 In punt 135 van het bestreden arrest heeft het Gerecht op basis hiervan geoordeeld: Het gestelde in de punten 49 tot en met 60 van de [bestreden] beschikking bevestigt, dat de omstreden systemen gelet op alle omstandigheden van het geval ─ in het bijzonder de actualiteit en de vorm van de gegevens, die uitsluitend voor de producenten waren bestemd, de kenmerken van de producten en de concentratiegraad van de markt ─ de beslissingsvrijheid van de deelnemers aanzienlijk beïnvloedden.
44 Verder heeft het Gerecht in punt 136 van het bestreden arrest opgemerkt, dat de verspreide informatie in het Poutrelles Committee van Eurofer (hierna: Poutrelles Committee) een vast gespreksonderwerp was, waarbij bepaalde ondernemingen werden bekritiseerd. In punt 137 van het arrest heeft het Gerecht hieruit afgeleid, dat de informatie die de ondernemingen in het kader van de omstreden systemen ontvingen, een merkbare invloed op hun gedrag kon uitoefenen.
45 In punt 139 van het bestreden arrest heeft het Gerecht vastgesteld, dat de aan deze informatie-uitwisseling verbonden wederzijdse controle was afgestemd op een vroeger beleid van de Commissie, dat was gericht op handhaving van de traditionele handelsstromen. Punt 141 van het arrest had betrekking op de informatie-uitwisseling binnen de Walzstahl-Vereinigung, een vereniging van producenten van gewalste staalproducten.
46 In punt 142 van het bestreden arrest kwam het Gerecht tot de volgende conclusie: De litigieuze systemen voor het uitwisselen van informatie hebben derhalve de beslissingsvrijheid van de deelnemende producenten merkbaar beperkt, doordat zij de normale risico's van concurrentie vervingen door een praktische samenwerking tussen de producenten.
47 Volgens rekwirante heeft het Gerecht ten onrechte de rechtspraak inzake de markt van landbouwtrekkers aangehaald (arresten Gerecht van 27 oktober 1994, Fiatagri en New Holland Ford/Commissie, T-34/92, Jurispr. blz. II-905, en Deere/Commissie, T-35/92, Jurispr. blz. II-957, en arresten Hof van 28 mei 1998, Deere/Commissie, C-7/95 P, Jurispr. blz. I-3111, en New Holland Ford/Commissie, C-8/95 P, Jurispr. blz. I-3175), en aangenomen dat de markt van balken gelijk deze markt een strikt oligopolistische structuur heeft, tot staving van zijn beoordeling dat de systemen van informatie-uitwisseling, zelfs op zich beschouwd, een inbreuk op het mededingingsrecht vormden. Zoals het Gerecht in punt 134 van het bestreden arrest zelf heeft vastgesteld, hadden de tien grootste ondernemingen die bij de uitwisseling betrokken waren, slechts tweederde van de balkenmarkt in handen, hetgeen wijst op een sterke concurrentie tussen een groot aantal ondernemingen. Dit betekent dat er in ieder geval geen sprake is van een eenvoudige oligopolistische structuur, en nog veel minder van een sterk geconcentreerde markt.
48 Volgens de Commissie is het eerste onderdeel van het derde middel, dat op zeer algemene wijze is geformuleerd, niet-ontvankelijk, aangezien het niet preciseert tegen welk deel van het bestreden arrest de erin vervatte kritiek gericht is en op welk juridisch argument deze kritiek is gebaseerd.
49 Volgens haar is rekwirantes kritiek op de vaststellingen van het Gerecht over de structuur van de balkenmarkt niet-ontvankelijk, aangezien zij gericht is tegen een feitelijke beoordeling. Verder heeft rekwirante zelf tijdens de procedure voor het Gerecht de balkenmarkt als een oligopolistische markt omschreven.
50 De Commissie is het ook oneens met rekwirantes kritiek op de verwijzingen naar de zaken betreffende de markt van landbouwtrekkers. Het Gerecht heeft in deze in punt 47 van het onderhavige arrest bedoelde arresten uitdrukkelijk vastgesteld, dat de transparantie tussen de marktdeelnemers slechts een positief effect op de mededinging kan hebben, indien het aanbod op de markt versnipperd is, hetgeen volgens de Commissie op de balkenmarkt niet het geval was.
51 Bovendien is rekwirantes kritiek volgens de Commissie beperkt tot een enkel punt, terwijl het Gerecht zijn beoordeling van het mededingingsverstorende karakter van de informatie-uitwisseling op een groot aantal omstandigheden heeft gebaseerd. De balkenmarkt onderscheidt zich van de markt van landbouwtrekkers door de grotere homogeniteit van haar producten, waardoor de mededinging op het gebied van de productkenmerken beperkt is.
52 In repliek stelt rekwirante dat haar kritiek gericht is tegen de rechtsgevolgen die aan de vastgestelde marktstructuur zijn verbonden. Het gaat dus om een rechtsvraag die aan de controle van het Hof is onderworpen.
53 Volgens rekwirante is de balkenmarkt niet met die van landbouwtrekkers te vergelijken, en is het criterium van de homogeniteit van de producten in casu irrelevant. In de beschikking die heeft geleid tot de in punt 47 van het onderhavige arrest aangehaalde arresten, heeft de Commissie landbouwtrekkers immers als homogene producten beschouwd omdat zij dezelfde functies vervullen en compatibel zijn met alle andere landbouwmachines die bestemd zijn om aan een trekker te worden gekoppeld. De uitzonderlijke marktstructuur die in die arresten aan de orde was, bestaat in de onderhavige zaak niet.
Beoordeling door het Hof
54 Om te beginnen dient te worden opgemerkt, dat het eerste onderdeel van het derde middel zelfs niet indirect kan afdoen aan de vaststelling van het Gerecht bij het onderzoek van het tweede middel, dat de informatie-uitwisseling in de litigieuze beschikking als een zelfstandige inbreuk wordt beschouwd.
55 Verder dient eraan te worden herinnerd dat de gemeenschapsrechter, hoewel hij in het algemeen een volledige toetsing verricht inzake de vraag, of aan de voorwaarden voor toepassing van de bepalingen van het EG- en het EGKS-Verdrag inzake mededinging is voldaan, niet anders kan dan zich bij de toetsing van een ingewikkelde economische beoordeling door de Commissie beperken tot de vraag, of de procedurevoorschriften en het motiveringsvereiste in acht zijn genomen, of de feiten juist zijn weergegeven en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling dan wel van misbruik van bevoegdheid [zie in die zin met betrekking tot artikel 85 EG-Verdrag (thans artikel 81 EG), arresten van 11 juli 1985, Remia e.a./Commissie, 42/84, Jurispr. blz. 2545, punt 34, en 17 november 1987, BAT en Reynolds/Commissie, 142/84 en 156/84, Jurispr. blz. 4487, punt 62].
56 Een dergelijke regel is vastgelegd in artikel 33, eerste alinea, EGKS-Verdrag, volgens hetwelk het onderzoek door het Hof van Justitie [...] geen betrekking [kan] hebben op een beoordeling van de toestand die voortvloeit uit economische feiten of omstandigheden, met het oog op welke toestand de beschikkingen zijn gegeven of de aanbevelingen zijn gedaan, tenzij de Commissie het verwijt wordt gemaakt, dat zij haar bevoegdheden heeft misbruikt of de bepalingen van het Verdrag of enige op de uitvoering daarvan betrekking hebbende rechtsregel klaarblijkelijk heeft miskend.
57 Tegen deze achtergrond dient het eerste onderdeel van het middel te worden onderzocht.
58 Volgens de in punt 47 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak inzake de markt van landbouwtrekkers, waarin het Hof en het Gerecht voor het eerst een overeenkomst inzake informatie-uitwisseling aan het EG-Verdrag hebben getoetst, en waarvan de algemene redenering ook op het EGKS-Verdrag kan worden toegepast, is een dergelijke overeenkomst in strijd met de mededingingsregels wanneer het de onzekerheid over de werking van de betrokken markt vermindert of wegneemt en bijgevolg de mededinging tussen de ondernemingen beperkt (zie in het bijzonder arrest Hof, Deere/Commissie, reeds aangehaald, punt 90).
59 De criteria coördinatie en samenwerking, die voorwaarden zijn voor onderling samenhangende gedragingen, houden immers niet in dat er een werkelijk plan moet zijn opgesteld, maar dienen te worden verstaan in het licht van de aan de bepalingen van het EG- en het EGKS-Verdrag inzake de mededinging ten grondslag liggende idee, dat iedere ondernemer zelfstandig moet bepalen welk beleid hij op de gemeenschappelijke markt zal voeren en welke condities hij zijn klanten zal bieden (arrest Hof, Deere/Commissie, reeds aangehaald, punt 86, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
60 Deze eis van zelfstandigheid sluit weliswaar niet uit, dat de ondernemer gerechtigd is zijn beleid intelligent aan het vastgestelde of te verwachten marktgedrag van de concurrenten aan te passen, doch staat onverbiddelijk in de weg aan enigerlei al dan niet rechtstreeks contact tussen zulke ondernemers, dat tot doel of ten gevolge heeft dat mededingingsvoorwaarden ontstaan die, gelet op de aard van de producten of verleende diensten, de grootte en het aantal van de ondernemingen en de omvang van de betrokken markt, niet met de normaal te achten voorwaarden van die markt overeenkomen (arrest Hof, Deere/Commissie, reeds aangehaald, punt 87, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
61 In de punten 88 tot en met 90 van het reeds aangehaalde arrest Deere/Commissie heeft het Hof het algemene uitgangspunt bevestigd waarop het Gerecht zijn redenering heeft gebaseerd, namelijk:
─ dat in beginsel op een markt met echte mededinging de transparantie tussen de marktdeelnemers de concurrentie tussen de aanbieders verscherpt, daar in dat geval de omstandigheid dat een marktdeelnemer zijn marktgedrag aanpast op basis van de hem dankzij het informatie-uitwisselingssysteem ter beschikking staande gegevens over de werking van de markt, gelet op de versnippering van het aanbod voor de andere marktdeelnemers de onzekerheid omtrent het te verwachten gedrag van hun concurrenten niet vermindert of wegneemt;
─ dat daarentegen op een oligopolistische markt met een hoge concentratiegraad de uitwisseling van marktgegevens de ondernemingen in staat stelt kennis te krijgen van de marktpositie en de marketingstrategie van hun concurrenten, en aldus aanmerkelijk de nog resterende concurrentie tussen de marktdeelnemers aantast.
62 In punt 89 van het reeds aangehaalde arrest Deere/Commissie heeft het Hof verder opgemerkt, dat het Gerecht rekening had gehouden met het vertrouwelijke en gedetailleerde karakter en de frequentie van de uitgewisselde informatie, en met het feit dat deze slechts bestemd was voor de ondernemingen die aan de uitwisseling deelnamen, met uitsluiting van hun concurrenten en de klanten.
63 Anders dan rekwirante stelt, kan een systeem van informatie-uitwisseling ook een inbreuk op de mededingingsregels vormen wanneer de betrokken markt geen sterk geconcentreerde oligopolistische markt is. In het reeds aangehaalde arrest Deere/Commissie heeft het Gerecht weliswaar vastgesteld dat de markt van landbouwtrekkers een dergelijke markt was, hetgeen door het Hof in het reeds aangehaalde arrest Deere/Commissie is bevestigd, doch in deze arresten is in dit verband uitgegaan van een reeks criteria, waarbij met betrekking tot de marktstructuur als enig algemeen beginsel is gesteld dat het aanbod niet versnipperd mag zijn.
64 Bijgevolg heeft het Gerecht, door de oligopolistische structuur van de betrokken markt als een van de beoordelingscriteria te gebruiken, zonder na te gaan of het om een sterk geconcentreerde markt ging, geen inbreuk gemaakt op artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag, zoals dit in het licht van de rechtspraak van het Hof inzake informatie-uitwisseling dient te worden uitgelegd.
65 De vaststelling dat in het onderhavige geval de balkenmarkt een oligopolistische structuur had, berust op een feitelijke beoordeling die door het Hof in hogere voorziening niet kan worden getoetst. Hetzelfde geldt voor de vaststelling dat de betrokken producten homogeen zijn.
66 Gelet op de in de punten 58 tot en met 62 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak en op de verschillende vaststellingen van het Gerecht in de punten 128 tot en met 134 van het bestreden arrest, waaruit blijkt dat de litigieuze systemen van informatie-uitwisseling de onzekerheid over de werking van de markt verminderden, heeft het Gerecht in punt 135 van het arrest terecht vastgesteld, dat deze systemen de beslissingsvrijheid van de deelnemers aanzienlijk beïnvloedden. Zo ook heeft het Gerecht aan de vaststellingen in de punten 136 tot en met 139 van het arrest in punt 142 terecht de gevolgtrekking verbonden dat de beslissingsvrijheid van de ondernemingen die aan deze systemen deelnamen, aanzienlijk werd beperkt.
67 Bijgevolg is het eerste onderdeel van het derde middel ongegrond.
Het tweede onderdeel van het derde middel
68 Volgens rekwirante heeft het Gerecht met name in de punten 147 en 149 van het bestreden arrest artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag geschonden, door er op basis van een onjuiste uitlegging van het criterium van de gevolgen voor de normale werking van de mededinging van uit te gaan, dat deze laatste was aangetast door de systemen van informatie-uitwisseling over orders en leveringen. Het is aldus voorbijgegaan aan het feit, dat de normale werking van de mededinging in de zin van deze bepaling tussen juli 1988 en juni 1990 werd bepaald door een door de Commissie ingestelde toezichtsregeling, in het kader waarvan de ondernemingen gemeenschappelijke prognoses over de marktparameters aan haar dienden te verstrekken, en dus noodzakelijkerwijs onderling hun individuele gegevens moesten bespreken. Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, door geen rekening te houden met het feit dat de betrokken ondernemingen gedwongen waren om aldus te werk te gaan met het oog op hun samenwerking met de Commissie.
69 Volgens de Commissie is de vraag of het voor deze samenwerking noodzakelijk was om gegevens over orders en leveringen uit te wisselen, van feitelijke en niet van juridische aard. Dit onderdeel van het middel is dus niet-ontvankelijk.
70 Subsidiair stelt de Commissie, dat uit het bestreden arrest geenszins blijkt dat het in het kader van deze samenwerking noodzakelijk was om individuele gegevens over de orders en leveringen uit te wisselen.
71 Verder stelt zij dat het Gerecht in de punten 168 en 175 van het bestreden arrest heeft vastgesteld, dat de ondernemingen het bestaan van de litigieuze informatie-uitwisselingssystemen voor de Commissie verborgen hadden gehouden.
Beoordeling door het Hof
72 Rekwirante voert geen enkel argument aan ter weerlegging van de overwegingen van het Gerecht in de punten 168 tot en met 177 van het bestreden arrest. In die punten heeft het Gerecht aangetoond, dat de betrokken ondernemingen het bestaan en de inhoud van hun besprekingen over mededingingsverstorende maatregelen en de door hen gemaakte afspraken voor de Commissie verborgen hebben gehouden.
73 Rekwirante kan dan ook niet met succes stellen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van het begrip normale werking van de mededinging in de zin van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag, door geen rekening te houden met de gestelde noodzaak voor de ondernemingen om in het kader van hun samenwerking met de Commissie onderling informatie uit te wisselen.
74 Bijgevolg is het tweede onderdeel van het derde middel ongegrond.
Het derde onderdeel van het derde middel
75 Dit onderdeel van het middel is gericht tegen punt 143 van het bestreden arrest, dat luidt als volgt: Verder dient het argument te worden verworpen, dat de deelneming van verzoekster aan de litigieuze systemen geen mededingingsverstorend effect heeft gehad wegens haar geringe marktaandeel en wegens het feit dat de betrokken statistieken de verkopen van U-profielen, het enige product dat betrekking had op verzoekster, niet weergaven. Ook al had verzoekster slechts een gering marktaandeel, dat verandert niets aan het feit dat haar deelneming aan de litigieuze systemen de andere deelnemende ondernemingen in staat heeft gesteld een volledig en actueel overzicht te krijgen van alle orders en leveringen van balken op de verschillende nationale markten, waardoor de waarde en de betrouwbaarheid van de betrokken informatiesystemen werd verhoogd. Meer in het bijzonder verschaften de door verzoekster verstrekte gegevens aan de andere ondernemingen die U-profielen produceerden, een zeer nauwkeurig inzicht in de evolutie van haar omzet van deze producten op de verschillende geografische markten, en konden deze ondernemingen met name nagaan in welke mate verzoekster de traditionele handelsstromen eerbiedigde. Ten slotte valt moeilijk in te zien waarom zij aan de betrokken systemen heeft deelgenomen indien de gegevens die zij ontving voor haar onbruikbaar waren, zoals zij stelt.
76 Volgens rekwirante heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, voorzover het heeft vastgesteld dat haar deelneming aan het informatie-uitwisselingssysteem een mededingingsbeperkend karakter had, hoewel rekwirante, gelet op het algemene karakter van de uitgewisselde informatie, daaruit geen enkele conclusie met betrekking tot de door haar vervaardigde producten, namelijk U-profielen, heeft kunnen trekken. Verder kon het Gerecht rekwirante niet ten laste leggen, dat de andere ondernemingen dankzij de door haar verstrekte gegevens een algemeen overzicht van de marktsituatie hebben kunnen krijgen.
77 Volgens de Commissie is dit argument niet-ontvankelijk, aangezien het is gericht tegen de vaststelling en de beoordeling van feiten door het Gerecht. Subsidiair acht zij het argument ongegrond. Om te beginnen konden de andere ondernemingen dankzij rekwirantes deelneming aan de informatie-uitwisselingssystemen nagaan in welke mate zij de traditionele handelsstromen eerbiedigde. Verder vormt de verstrekking van informatie die gewoonlijk vertrouwelijk is, en de vermindering van de onzekerheid waarin de andere ondernemingen over het algemeen verkeren, een zelfstandige inbreuk op de mededingingsregels. Ten slotte legt rekwirante niet uit waarom zij aan de litigieuze systemen heeft deelgenomen, indien de informatie die dit voor haar opleverde, zo onbruikbaar was als zij zelf stelt.
Beoordeling door het Hof
78 Het Gerecht heeft in punt 143 van het bestreden arrest vastgesteld, dat de door rekwirante verstrekte informatie de waarde en de betrouwbaarheid van de litigieuze informatie-uitwisselingssystemen verhoogde, en dat dankzij deze informatie kon worden nagegaan in welke mate zij de traditionele handelsstromen eerbiedigde. Gelet op deze feitelijke vaststellingen, die door het Hof in het kader van een hogere voorziening niet kunnen worden getoetst, is het Gerecht in hetzelfde punt van het arrest terecht tot de conclusie gekomen dat de deelneming van rekwirante aan deze systemen een mededingingsverstorend effect heeft gehad.
79 Bijgevolg is het derde onderdeel van het derde middel ongegrond.
Het vierde onderdeel van het derde middel
80 Met dit onderdeel van het middel verwijt rekwirante het Gerecht dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van haar deelneming aan de informatie-uitwisselingssystemen.
81 Het heeft betrekking op de punten 143 en 149 van het bestreden arrest. Het eerstgenoemde punt is aangehaald bij het onderzoek van het derde onderdeel van het middel. Punt 149 luidt als volgt: Het Gerecht wijst er ten slotte op dat de betrokken ondernemingen, gelet op de aard van de besprekingen die binnen het Poutrelles Committee hebben plaatsgevonden en waarvan verzoekster voortdurend op de hoogte werd gehouden via de door de Walzstahl-Vereinigung ter beschikking gestelde notulen, en op de bewoordingen van de mededeling van 1968, redelijkerwijs geen twijfels konden hebben over het feit dat de betrokken uitwisseling ertoe kon leiden dat de normale werking van de mededinging werd belet, beperkt of vervalst, en dus evenmin over het feit dat de betrokken uitwisseling verboden was in de zin van artikel 65, lid 1, van het Verdrag. Deze conclusie volgt overigens ook uit de overwegingen van het Gerecht in het hiernavolgende deel C. In elk geval kunnen de gestelde eventuele moeilijkheden om uit te maken of een gedraging verboden is, geen afbreuk doen aan het verbod zelf, dat een objectief karakter heeft. Verder is het Gerecht van oordeel, dat de Commissie in de punten 266 tot en met 271 van de [bestreden] beschikking haar standpunt dat de litigieuze systemen onverenigbaar waren met de normale werking van de mededinging, rechtens toereikend heeft gemotiveerd.
82 Rekwirante brengt tegen de punten 143 en 149 van het bestreden arrest in, dat het loutere feit dat zij kennis had van het mededingingsverstorende gedrag van andere ondernemingen, of dat zij hun eventueel eenvoudige hulp heeft geboden, niet de kritiek kan staven dat zij inbreuk heeft gepleegd op artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag. Bij ontbreken van communautaire regelgeving die de verantwoordelijkheid voor de in deze bepaling bedoelde feiten waarop sancties staan, uitbreidt tot aanstokers of medeplichtigen, heeft het Gerecht het beginsel nullum crimen, nulla poena sine lege geschonden.
83 Volgens de Commissie neemt het feit dat rekwirante bepaalde vergaderingen en besprekingen niet heeft bijgewoond, niet weg dat zij aan de litigieuze informatie-uitwisselingssystemen heeft deelgenomen, hetgeen het Gerecht in de punten 101 tot en met 103 van het bestreden arrest heeft aangetoond.
Beoordeling door het Hof
84 Om te beginnen dienen de punten 101 tot en met 106 van het bestreden arrest te worden aangehaald, waarin het Gerecht tot de conclusie is gekomen dat rekwirante aan de overeenkomst inzake de litigieuze informatie-uitwisselingssystemen heeft deelgenomen:
101 Het Gerecht wijst er in de eerste plaats op, dat de door verzoekster vervaardigde U-profielen onder het door het Poutrelles Committee georganiseerde systeem van monitoring van orders en leveringen vielen. Vaststaat eveneens, dat de U-profielen onder de door de Commissie met het oog op de [bestreden] beschikking (zie punt 3) gehanteerde definitie van balken vallen.
102 In de tweede plaats staat vast, dat verzoekster in casu, in de periode waarin de inbreuk is gepleegd, regelmatig cijfers over haar orders en leveringen van U-profielen aan de Walzstahl-Vereinigung heeft gezonden, en dat deze vereniging deze cijfers, tezamen met de individuele cijfers van de orders en de leveringen van de andere Duitse balkenproducenten, heeft doorgezonden aan het secretariaat van het Poutrelles Committee, dat destijds door Usinor Sacilor werd verzorgd.
103 In de derde plaats staat eveneens vast, dat verzoekster via de Walzstahl-Vereinigung de tabellen ontving die het secretariaat van het Poutrelles Committee op basis van de door verzoekster meegedeelde cijfers en van de overeenkomstige cijfers van haar concurrenten had opgesteld. Deze tabellen bevatten cijfers over de orders en leveringen van balken, uitgesplitst per onderneming en per land, van alle aan het systeem deelnemende ondernemingen, waaronder verzoekster. In deze omstandigheden kan het feit dat de cijfers van verzoekster voortdurend zijn doorgezonden, niet anders worden uitgelegd dan dat zij met de mededeling ervan aan haar concurrenten en, meer in het algemeen, met een wederzijdse informatie-uitwisseling met de andere deelnemende ondernemingen heeft ingestemd.
104 Weliswaar heeft verzoekster volgens de [bestreden] beschikking (punt 38) niet deelgenomen aan de vergaderingen van het Poutrelles Committee, zodat behoudens tegengestelde aanwijzingen het aan verzoekster gerichte verwijt geen betrekking heeft op de besprekingen die daar zijn gevoerd op basis van de uit het monitoring-systeem resulterende cijfers (zie de punten 268 en 49-60 van de [bestreden] beschikking), doch het feit dat verzoekster geen actief lid was van het Poutrelles Committee vormt nog geen bewijs dat zij niet tot de gelaakte overeenkomst is toegetreden. Haar effectieve deelneming aan een systeem van wederzijdse informatie-uitwisseling, waarvan zij de werking kende, vormt immers op zich het bewijs dat zij tot de overeenkomst betreffende dit systeem is toegetreden. Voorts heeft verzoekster niet betwist, dat zij via de Walzstahl-Vereinigung van alle werkzaamheden van het Poutrelles Committee op de hoogte werd gehouden (zie punt 33 van de [bestreden] beschikking).
105 Ten slotte heeft verzoekster niet betwist, dat zij via de Walzstahl-Vereinigung aan de in punt 272 van de [bestreden] beschikking bedoelde informatie-uitwisseling heeft deelgenomen.
106 In deze omstandigheden dient het betoog van verzoekster, dat zij niet aan de litigieuze informatie-uitwisseling heeft deelgenomen, te worden verworpen.
85 Vastgesteld dient te worden dat het Gerecht, door in punt 104 van het bestreden arrest te oordelen dat de effectieve deelneming van rekwirante aan een systeem van wederzijdse informatie-uitwisseling, waarvan zij de werking kende, op zich het bewijs vormde dat zij tot de overeenkomst betreffende dit systeem was toegetreden, artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag correct heeft toegepast.
86 Deze bepaling, volgens welke in het algemeen verboden zijn: alle overeenkomsten [...] welke er [...] toe zouden kunnen leiden om [...] de normale werking van de mededinging te beletten, te beperken of te vervalsen, is immers ook van toepassing wanneer de deelnemer aan een overeenkomst hieruit geen profijt heeft gehaald.
87 Bijgevolg is het vierde onderdeel van het derde middel ongegrond.
88 Gelet op een en ander, dient het derde middel ongegrond te worden verklaard.
Het vierde middel
89 Met het vierde middel verwijt rekwirante het Gerecht, dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting wat de gelaakte gedragingen tot vaststelling van prijzen op de Duitse markt betreft.
90 Het is gericht tegen de vaststelling in punt 163 van het bestreden arrest, dat de Commissie naar behoren heeft vastgesteld dat rekwirante aan de haar in de litigieuze beschikking verweten prijsvaststellingsovereenkomsten op de Duitse markt heeft deelgenomen.
91 Het Gerecht is tot deze conclusie gekomen na het onderzoek in de punten 156 tot en met 162 van het bestreden arrest, die luiden als volgt:
156 In de punten 152 (feitelijk gedeelte) en 273, vierde streepje, (juridisch gedeelte) van de [bestreden] beschikking verwijt de Commissie verzoekster, dat zij met TradeARBED een overeenkomst tot vaststelling van prijzen op de Duitse markt heeft gesloten. De Commissie baseert zich op een door de Walzstahl-Vereinigung opgestelde handgeschreven nota betreffende de vergadering van de groep VA Profilstahl van 18 april 1989.
157 Verzoekster stelt in de eerste plaats, dat zij op de betrokken vergadering niet vertegenwoordigd was. In de tweede plaats kan volgens haar uit de door de Walzstahl-Vereinigung opgestelde handgeschreven nota betreffende deze vergadering (punt 152 van de [bestreden] beschikking) niet worden geconcludeerd, dat verzoekster heeft deelgenomen aan een vóór deze vergadering gemaakte prijsafspraak. Gelet op de oligopolistische structuur van de markt betekent het feit dat TradeARBED van verzoekster verwachtte dat zij bepaalde overeengekomen prijzen zou toepassen, niet noodzakelijkerwijs dat zij door een eventuele prijsafspraak gebonden was. Verder werd verzoekster volgens de bewoordingen van deze nota geacht de betrokken prijzen te eerbiedigen ( respektieren) (welke uitdrukking betrekking kan hebben op een derde partij), en niet om aan contractuele verplichtingen te voldoen ( einhalten) (welke uitdrukking gewoonlijk wordt gebruikt voor deelnemers aan een kartel). Het verband tussen bovenbedoelde vergadering en die van 20 januari 1988 te Düsseldorf, op basis waarvan de Commissie deze redenering betwist, is door haarzelf uitgevonden.
158 Bovendien is in bovenbedoelde nota van de Walzstahl-Vereinigung niet op voldoende concrete wijze omschreven op welk ogenblik de zogenaamde prijsafspraak is gemaakt, wat het precieze voorwerp ervan was, en welke ondernemingen hierbij betrokken waren. Door dit gebrek aan concretisering worden verzoeksters rechten van verdediging geschonden, en kan niet worden uitgesloten dat de gestelde inbreuk is verjaard.
159 In elk geval blijkt uit bovengenoemde nota, dat verzoekster de eventueel overeengekomen prijzen niet heeft geëerbiedigd, hetgeen erop wijst dat zij geen partij was bij de gestelde overeenkomst.
160 Het Gerecht wijst erop, dat de relevante passage van de nota van de vergadering van 18 april 1989 (stuk nr. 56) luidt als volgt: Arbed sprak haar veto uit over hogere toeslagen volgens grootte voor UNP 320 en grotere afmetingen (de overige producenten ─ met name Hoesch [Stahl AG, de vennootschap die na de fusie met Krupp Stahl de verzoekende vennootschap vormt] ─ zouden zich eerst aan de overeengekomen prijzen moeten houden).
161 Uit punt 273, vierde streepje, van de [bestreden] beschikking blijkt, dat de Commissie verzoekster niet verwijt dat zij aan een tijdens de vergadering van 18 april 1989 gemaakte prijsafspraak heeft deelgenomen, maar dat zij partij was bij een eerder met TradeARBED gesloten akkoord. Vaststaat ook, dat verzoekster de zogenaamde UPN 320-profielen vervaardigde, waarnaar in de nota van de vergadering van 18 april 1989 is verwezen.
162 Naar het oordeel van het Gerecht toont deze nota in de omstandigheden van het onderhavige geval rechtens genoegzaam aan, dat TradeARBED en Hoesch vóór 18 april 1989 een prijsafspraak hebben gemaakt. Dat de Commissie noch de datum van deze afspraak, noch het precieze voorwerp ervan heeft kunnen vaststellen (behoudens het feit dat het ging om door Hoesch vervaardigde producten), doet niet af aan de conclusie dat destijds een dergelijke afspraak bestond.
92 Volgens rekwirante heeft het Gerecht, door in punt 162 van het bestreden arrest vast te stellen dat zij vóór 18 april 1989 een prijsafspraak heeft gemaakt, zonder de inhoud of het tijdstip ervan vast te stellen, haar rechten van verdediging geschonden, alsook artikel 15 EGKS-Verdrag en haar recht op een passende rechtsbescherming. Volgens haar kan een nota zoals bedoeld in de punten 156 tot en met 160 van het bestreden arrest, niet het bewijs opleveren dat zij een afspraak heeft gemaakt.
93 Volgens de Commissie is het argument niet-ontvankelijk, aangezien het gericht is tegen een beoordeling van feiten, maar niet is aangetoond dat de vaststellingen van het Gerecht onjuist zijn of dat het Gerecht bewijselementen heeft verdraaid. Verder voert rekwirante geen enkel argument aan dat kan afdoen aan de bewijskracht van bovenbedoelde nota.
Beoordeling door het Hof
94 Er kan worden volstaan met vast te stellen, dat rekwirante met het vierde middel opkomt tegen de beoordeling van bewijselementen door het Gerecht, zonder zelfs maar te betogen dat deze verdraaid zijn.
95 Bijgevolg is het vierde middel, gelet op de in punt 19 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, niet-ontvankelijk.
Het vijfde middel
96 Met het vijfde middel stelt rekwirante schending van artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag, wat de beoordeling van haar onrechtmatige gedraging betreft.
97 Dit middel is gericht tegen punt 149 van het bestreden arrest, dat reeds is aangehaald in punt 81 van het onderhavige arrest.
98 Met dit middel stelt rekwirante, dat het Gerecht artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag, op grond waarvan de Commissie geldboeten kan opleggen aan ondernemingen, alsook het schuldbeginsel heeft geschonden, waar het rekwirantes onrechtmatige gedrag te streng heeft beoordeeld. Het Gerecht heeft met name geen rekening gehouden met de door het gedrag van de Commissie gecreëerde onduidelijkheid omtrent het begrip normale werking van de mededinging in artikel 65, lid 1. Het is er in punt 149 van het bestreden arrest ten onrechte van uitgegaan dat rekwirante zich ten volle bewust was van de onrechtmatigheid van haar gedrag. Ten onrechte heeft het bij de vaststelling van de geldboete niet als verzachtende omstandigheid in aanmerking genomen, dat rekwirante zich in werkelijkheid slechts in geringe mate bewust was van het ongeoorloofde karakter van haar gedrag.
99 Volgens de Commissie heeft het Gerecht in de punten 101 tot en met 103 van het bestreden arrest aangetoond, dat rekwirante persoonlijk aan de litigieuze informatie-uitwisselingssystemen heeft deelgenomen. Verder wisselden de producenten niet de aan de Commissie meegedeelde algemene statistieken uit, maar geïndividualiseerde gegevens over de orders en leveringen van de ondernemingen, waarvan de Commissie geen kennis had, zoals in punt 168 van het bestreden arrest is gepreciseerd, en ten aanzien waarvan haar gedrag dus geen onduidelijkheid heeft kunnen creëren.
Beoordeling door het Hof
100 Er zij aan herinnerd, dat rekwirante met het eerste onderdeel van haar derde middel zonder succes het mededingingsverstorende karakter van de betrokken informatie-uitwisseling heeft betwist.
101 Verder komt zij niet op tegen deel C van het bestreden arrest, betreffende de betrokkenheid van de Commissie bij de aan rekwirante verweten inbreuk bestaande in de uitwisseling van informatie over de orders en leveringen binnen het Poutrelles Committee, en meer in het bijzonder tegen de punten 167 tot en met 177 van het arrest, waarin het Gerecht vaststelt dat de gelaakte informatie-uitwisseling betrekking had op per onderneming en per nationale markt opgesplitste gegevens, en niet op de aan de Commissie verstrekte algemene maandelijkse gegevens, en dat deze laatste niet wist dat de ondernemingen onderling informatie uitwisselden.
102 Rekwirante komt dan ook tevergeefs op tegen punt 149 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht op basis van de aard van de besprekingen binnen het Poutrelles Committee, waarvan rekwirante voortdurend op de hoogte werd gehouden, en van de overweging dat de Commissie niet betrokken was bij de litigieuze informatie-uitwisseling, tot de conclusie is gekomen dat er voor de betrokken ondernemingen redelijkerwijs geen twijfel kon bestaan over het feit dat de betrokken uitwisseling ertoe kon leiden dat de normale werking van de mededinging werd belet, beperkt of vervalst.
103 Uit het voorgaande blijkt integendeel, dat het Gerecht terecht tot deze conclusie is gekomen en hiermee artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag en het schuldbeginsel niet heeft geschonden.
104 Bijgevolg dient het vijfde middel te worden verworpen.
Het zesde middel
105 Met het zesde middel stelt rekwirante schending van artikel 15 EGKS-Verdrag.
106 Volgens rekwirante is het Gerecht voorbijgegaan aan de verplichting tot toereikende motivering van de berekening van de geldboete, waar het in punt 196 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat de litigieuze beschikking in dat opzicht toereikend was gemotiveerd.
107 Volgens haar heeft het Gerecht bovendien zichzelf tegengesproken door in de punten 198 en 199 van het arrest vast te stellen dat de ondernemingen in bijzonderheden kennis moeten kunnen nemen van de berekeningswijze van de geldboete zonder daarvoor beroep te hoeven instellen, en tegelijkertijd in de punten 200 en 201 van het arrest te oordelen dat de gegevens betreffende deze berekening geen deel uitmaken van de motivering.
108 De Commissie wijst erop, dat het Gerecht de motivering van het bedrag van de geldboete met name in punt 197 van het bestreden arrest heeft onderzocht. Volgens haar heeft het Gerecht zichzelf niet tegengesproken. In punt 198 van het arrest heeft het Gerecht het immers wenselijk geacht dat de berekeningswijze wordt aangegeven in de beschikking waarbij een geldboete wordt opgelegd, maar het heeft dit niet als een verplichting gezien. Het heeft dus kunnen oordelen dat de Commissie zijn motiveringsverplichting was nagekomen, aangezien alle criteria ter beoordeling van het bedrag van de geldboete in de litigieuze beschikking waren vermeld.
Beoordeling door het Hof
109 Volgens artikel 15, eerste alinea, EGKS-Verdrag worden de beschikkingen, aanbevelingen en adviezen van de Commissie [...] met redenen omkleed en vermelden [zij] de adviezen, welke zij verplicht heeft ingewonnen.
110 Volgens vaste rechtspraak heeft de verplichting tot motivering van een individuele beschikking tot doel, het Hof in staat te stellen de wettigheid van de beschikking te toetsen, en de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of de beschikking gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de wettigheid kan worden betwist (arrest van 7 april 1987, Sisma/Commissie, 32/86, Jurispr. blz. 1645, punt 8).
111 In casu heeft het Gerecht in punt 196 van het bestreden arrest terecht geoordeeld, dat de factoren die bij de algemene beoordeling van de zwaarte van de verschillende verweten inbreuken zijn betrokken, in de punten 300 tot en met 312, 314 en 315 van de litigieuze beschikking voldoende en adequaat zijn uiteengezet.
112 In punt 300 van de litigieuze beschikking is immers gewezen op de zwaarte van de inbreuken en is uiteengezet welke factoren bij de bepaling van de geldboete in aanmerking zijn genomen. Aldus is in punt 301 rekening gehouden met de economische situatie van de staalsector, in de punten 302 tot en met 304 met de economische weerslag van de inbreuken, in de punten 305 tot en met 307 met de omstandigheid dat althans sommige van de ondernemingen zich ervan bewust waren dat hun gedrag in strijd was of kon zijn met artikel 65 EGKS-Verdrag, in de punten 308 tot en met 312 met de misverstanden die tijdens de crisisregeling zijn kunnen ontstaan, en in punt 316 met de duur van de inbreuken. Bovendien bevat de litigieuze beschikking een gedetailleerde uiteenzetting van de deelneming van elke onderneming aan elk van de inbreuken.
113 Vastgesteld dient te worden, dat de vermeldingen in de litigieuze beschikking de betrokken onderneming in staat hebben gesteld de gronden voor de genomen maatregel te kennen, zodat zij haar rechten kon doen gelden, en de gemeenschapsrechter de mogelijkheid bieden deze beschikking op haar wettigheid te toetsen. Bijgevolg heeft het Gerecht artikel 15 EGKS-Verdrag niet geschonden waar het oordeelde dat de bepaling van het bedrag van de geldboeten in de beschikking toereikend was gemotiveerd.
114 Aangaande de vermelding van cijfergegevens betreffende de berekeningswijze van de geldboeten dient erop te worden gewezen dat dergelijke gegevens, hoe nuttig en wenselijk zij ook zijn, niet onmisbaar zijn voor de nakoming van de verplichting tot motivering van een beschikking waarbij geldboeten worden opgelegd, waarbij dient te worden aangetekend dat de Commissie hoe dan ook geen afstand kan doen van haar beoordelingsbevoegdheid door uitsluitend en mechanisch wiskundige formules toe te passen (arrest van 16 november 2000, Sarrió/Commissie, C-291/98 P, Jurispr. blz. I-9991, punten 75-77, en arrest Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 464).
115 Bijgevolg is het zesde middel ongegrond.
Het zevende middel
116 Met het zevende middel stelt rekwirante schending van artikel 6 EVRM, wegens de buitensporig lange duur van de procedure voor het Gerecht.
117 Rekwirante stelt dat het Gerecht door de buitensporig lange duur van de procedure ─ bijna vijf jaar ─ haar recht op rechtsbescherming binnen een redelijke termijn heeft geschonden. Zij betoogt dat het Hof in het arrest van 17 december 1998, Baustahlgewebe/Commissie (C-185/95 P, Jurispr. blz. I-8417), tot de conclusie was gekomen dat een procedureduur van vijf jaar en zes maanden niet gerechtvaardigd was.
118 Volgens haar moet de totale duur van de procedure in aanmerking worden genomen. In de onderhavige zaak moet het Hof kennis nemen van handelingen die bijna vijftien jaar vóór de uitspraak van zijn arrest hebben plaatsgevonden. Een beslissing die na zo'n lange tijd is genomen, treft niet meer de onderneming zoals deze bestond ten tijde van de aanklacht, noch de personen die haar daadwerkelijk bestuurden, maar heeft veel weg van rechtsweigering.
119 Volgens de Commissie heeft de procedure in de onderhavige zaak, vergeleken met die in de zaak waarin het reeds aangehaalde arrest Baustahlgewebe/Commissie is gewezen, niet buitensporig lang geduurd. Bij de beoordeling van de duur van een procedure dient rekening te worden gehouden met de specifieke omstandigheden van elke zaak en met name met het belang ervan voor de betrokkene, de complexiteit van het dossier en het gedrag van de verzoeker en van de bevoegde autoriteiten.
120 Volgens de Commissie bedroeg de aan rekwirante opgelegde geldboete in casu 13 000 ECU, ging het om een ingewikkelde zaak, hetgeen blijkt uit de lengte van de litigieuze beschikking, waren er elf beroepen in vier talen, en werden er 65 ordners met 10 563 genummerde stukken neergelegd. Ter behandeling van de verzoeken van rekwirante tot inzage van de interne documenten van de Commissie dienden de in de punten 20 tot en met 25 van het bestreden arrest genoemde maatregelen tot organisatie van de procesgang te worden genomen.
Beoordeling door het Hof
121 Er zij aan herinnerd dat het algemene beginsel van gemeenschapsrecht, dat eenieder recht heeft op een eerlijk proces, en inzonderheid op een proces binnen een redelijke termijn, van toepassing is op een beroep in rechte tegen een beschikking van de Commissie waarbij een onderneming een geldboete is opgelegd wegens schending van het mededingingsrecht (reeds aangehaalde arresten Baustahlgewebe/Commissie, punt 21, en Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, punt 179).
122 De redelijkheid van de termijn moet worden beoordeeld met inachtneming van de specifieke omstandigheden van de zaak, in het bijzonder het belang ervan voor de betrokkene, de complexiteit van de zaak en het gedrag van de verzoeker en van de bevoegde autoriteiten (reeds aangehaalde arresten Baustahlgewebe/Commissie, punt 29, en Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, punt 187).
123 Dienaangaande heeft het Hof gepreciseerd, dat de lijst van deze criteria niet uitputtend is en dat de beoordeling van de redelijkheid van de termijn niet vereist dat de zaak stelselmatig aan al deze criteria wordt getoetst, wanneer de duur van de procedure volgens een van de criteria gerechtvaardigd lijkt. De functie van deze criteria is, te bepalen of de duur van de behandeling van een zaak al dan niet gerechtvaardigd is. Zo kan de complexiteit van de zaak of vertragingsgedrag van de verzoeker worden gezien als rechtvaardiging van een termijn die op het eerste gezicht te lang is. Omgekeerd kan een termijn ook onredelijk lang worden bevonden in het licht van één enkel criterium, in het bijzonder wanneer de duur het gevolg is van het gedrag van de bevoegde autoriteiten. In voorkomend geval kan de duur van een fase van de procedure zonder meer als redelijk worden aangemerkt wanneer zij in overeenstemming lijkt met de gemiddelde behandelingsduur van een zaak van dat type (arrest Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 188).
124 In casu heeft de procedure voor het Gerecht een aanvang genomen met de neerlegging op 11 april 1994 van het verzoekschrift waarmee rekwirante het beroep tot nietigverklaring van de litigieuze beschikking heeft ingesteld, en is zij beëindigd op 11 maart 1999, datum van de uitspraak van het bestreden arrest. Zij heeft dus bijna vijf jaar geduurd.
125 Een dergelijke duur lijkt op het eerste gezicht lang. Er dient evenwel aan te worden herinnerd, dat elf ondernemingen in vier procestalen een beroep tot nietigverklaring van dezelfde beschikking hebben ingesteld.
126 Zoals in de punten 19 tot en met 25 van het bestreden arrest is opgemerkt, heeft het Gerecht verschillende betwistingen over de inzage van stukken in verband met de administratieve procedure moeten beslechten. Nadat de Commissie op 24 november 1994 een dossier met 11 000 met de litigieuze beschikking verband houdende stukken had gedeponeerd, en daarbij had gesteld dat aan de betrokken ondernemingen geen inzage mocht worden gegeven van de stukken die zakengeheimen bevatten, en evenmin van haar eigen interne documenten, diende het Gerecht partijen hierover te horen, alle documenten te onderzoeken en voor iedere partij vast te stellen welke stukken zij mocht inzien.
127 Bij beschikking van 19 juni 1996, NMH Stahlwerke e.a./Commissie (T-134/94, T-136/94─T-138/94, T-141/94, T-145/94, T-147/94, T-148/94, 151/94, T-156/94 en T-157/94, Jurispr. blz. II-537), heeft het Gerecht uitspraak gedaan over het recht van de verzoekende partijen tot inzage van de stukken van het dossier van de Commissie die enerzijds van de verzoekende partijen zelf en anderzijds van niet aan de procedure deelnemende derden afkomstig waren en die door de Commissie in het belang van deze partijen en deze derden als vertrouwelijk waren aangemerkt.
128 Bij beschikking van 10 december 1997, NMH Stahlwerke e.a./Commissie (T-134/94, T-136/94─T-138/94, T-141/94, T-145/94, T-147/94, T-148/94, T-151/94, T-156/94 en T-157/94, Jurispr. blz. II-2293), heeft het Gerecht beslist op de vorderingen van de verzoekende partijen tot inzage van de door de Commissie als intern aangemerkte stukken.
129 De verschillende zaken die door andere door de litigieuze beschikking getroffen ondernemingen waren ingeleid, zijn met het oog op de instructie en de mondelinge behandeling gevoegd. Zoals in de punten 26 tot en met 35 van het bestreden arrest is uiteengezet, heeft het Gerecht in het kader van de voorbereiding van de mondelinge behandeling talrijke instructiemaatregelen gelast. Daarbij heeft het Gerecht de partijen verschillende schriftelijke vragen gesteld en de overlegging van stukken alsmede getuigenverhoren gelast.
130 Tot slot van de terechtzitting van 27 maart 1998 is de mondelinge behandeling gesloten.
131 Het bestreden arrest is uitgesproken op 11 maart 1999, dat wil zeggen op dezelfde dag als de tien andere arresten waarin uitspraak is gedaan op de tegen de litigieuze beschikking ingestelde beroepen.
132 Uit het voorgaande volgt dat de duur van de procedure die tot het bestreden arrest heeft geleid, met name kan worden toegeschreven aan het aantal ondernemingen die aan het gelaakte kartel hebben deelgenomen en beroep tegen de litigieuze beschikking hebben ingesteld, wat een parallel onderzoek van deze verschillende beroepen noodzakelijk maakte, aan de rechtsvragen in verband met de inzage in het omvangrijke dossier van de Commissie, aan het grondige onderzoek van de stukken door het Gerecht en aan de door het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht gestelde taaleisen.
133 Gelet op de bijzondere complexiteit van de zaak, is de duur van de procedure voor het Gerecht dan ook gerechtvaardigd.
134 Bijgevolg is het zevende middel ongegrond.
135 Gelet op een ander, moet de hogere voorziening worden afgewezen.
Kosten
136 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 118 van dat Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien rekwirante volledig in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de conclusies van de Commissie in de kosten te worden verwezen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verwijst Krupp Hoesch Stahl AG in de kosten.
Wathelet
Edward
La Pergola
Jann
von Bahr
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 2 oktober 2003.
De griffier
De president van de Vijfde kamer
R. Grass
M. Wathelet
1 – Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy