Zaak C-198/99 P
Empresa Nacional Siderúrgica SA (Ensidesa)
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
«Hogere voorziening – Overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen – Europese balkenproducenten»
Conclusie van advocaat-generaal C. Stix-Hackl van 26 september 2002 I - 0000 Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 2 oktober 2003 I - 0000
Samenvatting van het arrest
1.. Hogere voorziening – Middelen – Onjuiste beoordeling van feiten – Niet-ontvankelijkheid – Afwijzing
(Art. 32 quinquies, lid 1, KS; Statuut-EGKS van het Hof van Justitie, art. 51)
2.. Procedure – Maatregelen van instructie – Verzoek om overlegging van document – Beoordelingsvrijheid van Gerecht
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 49 en 65, sub b)
3.. Hogere voorziening – Bevoegdheid van Hof – Maatregelen van instructie – Daarvan uitgesloten
(Statuut-EGKS van het Hof van Justitie, art. 54, eerste alinea)
4.. EGKS – Mededingingsregelingen – Aantasting van mededinging – Mededingingsverstorend doel – Vaststelling voldoende
(EGKS-Verdrag, art. 65, lid 1)
5.. EGKS – Mededingingsregelingen – Geldboeten – Bedrag – Berekeningsmethode – Vaststelling, voor alle ondernemingen die aan inbreuk hebben deelgenomen, in ecu op basis van omzet in ecu van laatste volledige jaar waarin inbreuk is gepleegd – Toelaatbaarheid
(EGKS-Verdrag, art. 65, lid 5)
1. Volgens artikel 32 quinquies, lid 1, KS en artikel 51 van het Statuut-EGKS van het Hof van Justitie is hogere voorziening beperkt tot rechtsvragen. Het Gerecht is dus bij uitsluiting bevoegd om de relevante feiten vast te stellen en te beoordelen, alsook om de bewijselementen te beoordelen, behoudens in het geval van een verdraaiing van deze feiten en bewijselementen. cf. punt 25
2. Het staat aan de gemeenschapsrechter om op basis van de omstandigheden van het geding te beslissen over de noodzaak tot overlegging van een stuk, overeenkomstig de bepalingen van het Reglement voor de procesvoering inzake de maatregelen van instructie. Wat het Gerecht betreft, volgt uit de artikelen 49 en 65, sub b, van het Reglement voor de procesvoering, in hun onderlinge samenhang beschouwd, dat het verzoek om overlegging van documenten deel uitmaakt van de maatregelen van instructie die het Gerecht in iedere stand van het geding kan gelasten indien het deze nodig acht om de waarheid aan het licht te brengen. cf. punten 28-29
3. Op het verzoek van een partij aan het Hof om zelf maatregelen van instructie, zoals de overlegging van documenten, te gelasten, kan niet worden ingegaan in het kader van een hogere voorziening, die tot doel heeft een beslissing van het Gerecht op haar wettigheid te toetsen, en die beperkt is tot rechtsvragen. Maatregelen van instructie zouden immers noodzakelijkerwijs ertoe leiden, dat het Hof zich uitspreekt over feitelijke vragen. Voorts gaat het in de hogere voorziening alleen om het bestreden arrest en kan het Hof volgens artikel 54, eerste alinea, van het Statuut-EGKS van het Hof van Justitie uitsluitend in geval van vernietiging van dit arrest, zelf de zaak afdoen. cf. punten 30-32
4. Aangezien artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag overeenkomsten verbiedt die ertoe zouden kunnen leiden dat de normale werking van de mededinging wordt belet, beperkt of vervalst, is een overeenkomst die tot doel heeft de mededinging te beperken, maar waarvan de mededingingsbeperkende gevolgen niet zijn aangetoond, verboden in de zin van deze bepaling, en hoeft de Commissie voor de vaststelling van een schending van deze bepaling geen nadelig effect op de mededinging aan te tonen. cf. punten 59-60
5. Wanneer de Commissie aan verschillende ondernemingen geldboeten oplegt wegens inbreuken op de mededingingsregels in het kader van het EGKS-Verdrag, is de omzet die elk der ondernemingen heeft behaald in de loop van het referentiejaar, dat wil zeggen het laatste volledige jaar van de in aanmerking genomen periode van de inbreuk, een relevante factor voor de beoordeling van de zwaarte van de door elke onderneming gepleegde inbreuk. Bij de beoordeling van de omvang en de economische macht van een onderneming ten tijde van de inbreuk moet immers noodzakelijkerwijs worden uitgegaan van de omzet in de betrokken periode en niet van de omzet ten tijde van de vaststelling van de beschikking waarbij de geldboete is opgelegd. Verder geeft het gebruik van een gemeenschappelijk referentiejaar voor alle ondernemingen die aan dezelfde inbreuk hebben deelgenomen, elke onderneming de garantie dat zij op dezelfde wijze als de andere wordt behandeld, aangezien de sancties op uniforme wijze worden bepaald, zonder rekening te houden met extrinsieke en aleatoire factoren die een invloed zouden hebben kunnen uitoefenen op de omzet tussen het laatste jaar van de inbreuk en het tijdstip van de vaststelling van de beschikking waarbij de geldboeten worden opgelegd. Overigens biedt het feit dat het referentiejaar deel uitmaakt van de periode waarin de inbreuk is gepleegd, de mogelijkheid om de omvang van de gepleegde inbreuk te beoordelen op basis van de economische werkelijkheid in die periode. Wat de geldboete zelf betreft, kan dankzij de vaststelling van het bedrag ervan in ecu op basis van de omzet van het referentiejaar tegen de wisselkoers van die periode worden verhinderd dat de omvang van elk van de ondernemingen die aan de inbreuk hebben deelgenomen, door de inaanmerkingneming van extrinsieke en aleatoire factoren, zoals de ontwikkeling van de nationale valuta in de periode daarna, wordt vertekend. Verder is het gebruik van een gemeenschappelijke munt, zoals de ecu, voor de vaststelling van de geldboeten die worden opgelegd aan ondernemingen die aan eenzelfde inbreuk hebben deelgenomen, niet verboden door artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag, maar integendeel gerechtvaardigd door de wens om de sanctie voor deze ondernemingen op uniforme wijze te bepalen. Ten slotte vormen de valutaschommelingen een toeval dat zowel voordeel als nadeel kan opleveren; ondernemingen krijgen in het kader van hun commerciële activiteiten gewoonlijk met dit toeval te maken, en deze toevallige omstandigheid brengt op zich niet mee dat het bedrag van een geldboete dat op wettige wijze is vastgesteld op basis van de zwaarte van de inbreuk en de omzet in het laatste jaar waarin die inbreuk is gepleegd, niet langer passend zou zijn. cf. punten 101-106
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
2 oktober 2003 (1)
„Hogere voorziening – Overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen – Europese balkenproducenten”
In zaak C-198/99 P,
Empresa Nacional Siderúrgica SA (Ensidesa), gevestigd te Avilés (Spanje), vertegenwoordigd door S. Martínez Lage en J. Pérez-Bustamante Köster, abogados, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
rekwirante,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Tweede kamer ─ uitgebreid) van 11 maart 1999, Ensidesa/Commissie (T-157/94, Jurispr. blz. II-707), strekkende tot vernietiging van dat arrest,
andere partij bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Currall en W. Wils als gemachtigden, bijgestaan door J. Rivas de Andrés, abogado, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,verweerster in eerste aanleg, wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),,
samengesteld als volgt: M. Wathelet, kamerpresident, D. A. O. Edward, A. La Pergola, P. Jann (rapporteur) en S. von Bahr, rechters,
advocaat-generaal: C. Stix-Hackl,
griffier: M.-F. Contet, hoofdadministrateur,
gezien het rapport ter terechtzitting,gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 31 januari 2002,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 september 2002,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 25 mei 1999, heeft Empresa Nacional Siderúrgica SA (Ensidesa) krachtens artikel 49 van het Statuut-EGKS van het Hof van Justitie hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 11 maart 1999, Ensidesa/Commissie (T-157/94, Jurispr. blz. II-707; hierna: bestreden arrest), waarbij haar beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 94/215/EGKS van de Commissie van 16 februari 1994 inzake een procedure op grond van artikel 65 van het EGKS-Verdrag betreffende overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen van Europese balkenproducenten (PB L 116, blz. 1; hierna: litigieuze beschikking), gedeeltelijk is verworpen. Bij deze beschikking had de Commissie rekwirante krachtens artikel 65 EGKS-Verdrag een geldboete opgelegd.
Feiten en litigieuze beschikking
2 Volgens het bestreden arrest heeft de Europese staalsector vanaf 1974 een crisis doorgemaakt, gekenmerkt door een scherpe daling van de vraag die problemen van overproductie, overcapaciteit en lage prijzen teweegbracht.
3 Eerst had de Commissie gepoogd de crisis te beheersen door middel van eenzijdige, vrijwillige verbintenissen van de ondernemingen betreffende de op de markt aangeboden hoeveelheden staal en betreffende minimumprijzen ( plan Simonet), of door richt- en minimumprijzen vast te stellen ( plan Davignon, Eurofer I-akkoord). In 1980 stelde zij vast dat er sprake was van een uitgesproken crisis in de zin van artikel 58 EGKS-Verdrag, en legde zij bindende productiequota op, met name voor balken. Deze communautaire regeling is geëindigd op 30 juni 1988.
4 Reeds lang voor deze datum had de Commissie in verschillende mededelingen en beschikkingen aangekondigd dat de quotaregeling zou worden afgeschaft, en erop gewezen dat het einde van dit systeem de terugkeer zou betekenen naar een markt van vrije mededinging tussen de ondernemingen. In de sector bleef evenwel een overtollige productiecapaciteit bestaan, die volgens de deskundigen voldoende en snel diende te worden ingekrompen om de ondernemingen in staat te stellen stand te houden tegen de mondiale concurrentie.
5 Zodra de quotaregeling een einde had genomen, heeft de Commissie een toezichtsysteem opgezet, waarbij statistieken over productie en leveringen werden bijgehouden, de ontwikkeling van de markten werd gevolgd, en de ondernemingen regelmatig werden geraadpleegd over de marktsituatie en -tendensen. In het kader van overlegbijeenkomsten hebben de ondernemingen van de sector, waarvan een aantal lid waren van de ondernemersvereniging Eurofer, dus regelmatige contacten onderhouden met DG III (directoraat-generaal Interne markt en industrie) van de Commissie (hierna: DG III). Het toezichtsysteem werd op 30 juni 1990 beëindigd en vervangen door een individueel en vrijwillig informatiesysteem.
6 Begin 1991 heeft de Commissie verschillende inspecties uitgevoerd bij een aantal staalondernemingen en ondernemersverenigingen in die sector. Op 6 mei 1992 heeft zij hun een mededeling van punten van bezwaar gezonden. Begin 1993 hebben hoorzittingen plaatsgevonden.
7 In de litigieuze beschikking van 16 februari 1994 heeft de Commissie vastgesteld, dat zeventien Europese staalondernemingen en een van hun ondernemersverenigingen, in strijd met artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag, hadden deelgenomen aan een reeks overeenkomsten, besluiten en onderling samenhangende gedragingen tot vaststelling van prijzen, verdeling van markten en uitwisseling van vertrouwelijke informatie op de markt van balken in de Gemeenschap. Bij deze beschikking heeft zij aan veertien ondernemingen geldboeten opgelegd voor inbreuken die tussen 1 juli 1988 en 31 december 1990 waren gepleegd.
Procesverloop voor het Gerecht en bestreden arrest
8 Op 18 april 1994 heeft rekwirante in de onderhavige zaak bij het Gerecht een beroep ingesteld dat met name strekte tot de gedeeltelijke nietigverklaring van de litigieuze beschikking.
9 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep van rekwirante gedeeltelijk toegewezen en de haar opgelegde geldboete verlaagd.
Conclusies van partijen
10 Rekwirante concludeert dat het den Hove behage:
─ primair, het bestreden arrest te vernietigen voorzover daarbij aan rekwirante een geldboete van 3 350 000 euro is opgelegd, het beroep voor het overige is verworpen en zij in haar eigen kosten alsmede in drievierde van de kosten van de Commissie is verwezen;
─ subsidiair, het bestreden arrest, gelet op de in de hogere voorziening uiteengezette middelen, gedeeltelijk te vernietigen en de aan rekwirante opgelegde boete te verlagen;
─ in elk geval de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hogere voorziening.
11 De Commissie concludeert dat het den Hove behage:
─ de hogere voorziening in haar geheel af te wijzen;
─ rekwirante in de kosten te verwijzen.
Middelen in hogere voorziening
12 Tot staving van haar hogere voorziening voert rekwirante zes middelen aan:
1) schending van het gemeenschapsrecht, doordat het Gerecht geen negatieve gevolgen heeft verbonden aan de niet-inachtneming van wezenlijke vormvoorschriften bij de vaststelling van de litigieuze beschikking;
2) schending van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag;
3) schending van het gemeenschapsrecht, doordat het Gerecht artikel 1 van de litigieuze beschikking niet heeft nietig verklaard, hoewel daarin niet is aangegeven hoelang de ongeoorloofde prijsvaststelling heeft geduurd;
4) onjuiste beoordeling van de overeenkomst inzake verdeling van de Franse markt;
5) onregelmatige uitoefening door het Gerecht van zijn controlefunctie en schending van de rechten van verdediging van rekwirante;
6) schending van het gemeenschapsrecht bij de keuze van de omzet op basis waarvan de geldboete is berekend, en wat de omrekening van deze omzet in ecu betreft.
13 Bij de uiteenzetting van de middelen zal telkens worden aangegeven tegen welke punten van het bestreden arrest het middel is gericht.
De hogere voorziening
Het eerste middel
14 Met het eerste middel stelt rekwirante dat het Gerecht het gemeenschapsrecht heeft geschonden, door geen negatieve gevolgen te verbinden aan het feit dat bij de vaststelling van de litigieuze beschikking wezenlijke vormvoorschriften zijn geschonden.
15 Dit middel omvat drie onderdelen: bij de vaststelling van de litigieuze beschikking was niet voldaan aan het quorum, er bestond geen formele overeenstemming tussen de vastgestelde en de betekende beschikking, en deze laatste was niet gewaarmerkt.
Het eerste onderdeel van het eerste middel
16 Volgens rekwirante heeft het Gerecht zich vergist bij de beoordeling van de notulen van de zitting van de Commissie waarop de litigieuze beschikking is vastgesteld (hierna: notulen). Het Gerecht is er immers, zonder alle door rekwirante aangedragen bewijzen te hebben onderzocht en op basis van een duidelijk tegenstrijdige uitlegging van de notulen, van uitgegaan dat deze beschikking met inachtneming van het toepasselijke quorum was vastgesteld.
17 In het bestreden arrest heet het, dat volgens bladzijde 2 van de notulen bij de beraadslaging door de Commissie negen commissarissen aanwezig waren, terwijl volgens bladzijde 40 van deze notulen de heren Budd en Santopinto, kabinetschefs van respectievelijk Sir Leon Brittan en de heer Ruberti, alsmede mevrouw Evans, lid van het kabinet van de heer Flynn, de zitting hebben bijgewoond bij afwezigheid van de leden van de Commissie, hetgeen er volgens rekwirante op wijst dat Sir Leon Brittan en de heren Ruberti en Flynn 's namiddags niet aanwezig waren toen de in punt XXV van de notulen bedoelde litigieuze beschikking werd vastgesteld.
18 Dit onderdeel van het middel is gericht tegen de punten 122 tot en met 124 van het bestreden arrest, die luiden als volgt:
122 Volgens de presentielijst op bladzijde 2 van de notulen waren bij de behandeling van punt XXV negen leden van de Commissie aanwezig, te weten: de heer Delors, Sir Leon Brittan, de heren Van Miert, Ruberti, Millan, Van den Broek, Flynn, Steichen en Paleokrassas. Het in artikel 5 van het reglement van orde [van de Commissie, zoals gewijzigd bij besluit 93/492/Euratom, EGKS, EEG van de Commissie van 17 februari 1993 (PB L 230, blz. 15); hierna: reglement van orde van 1993] voorgeschreven quorum was derhalve bereikt. Conform artikel 6 van dit reglement kon de [bestreden] beschikking ook met de instemming van de negen aanwezige leden worden goedgekeurd.
123 Verzoeksters beroepen zich evenwel op de presentielijst op bladzijde 40 van de notulen; volgens deze lijst hebben de heren Budd en Santopinto, kabinetschefs van respectievelijk Sir Leon Brittan en de heer Ruberti, alsmede mevrouw Evans, lid van het kabinet van de heer Flynn, de zitting bijgewoond bij afwezigheid van de leden van de Commissie. Verzoeksters leiden hieruit af, dat Sir Leon Brittan en de heren Ruberti en Flynn in tegenstelling tot wat op bladzijde 2 van de notulen staat aangegeven, niet aanwezig waren bij de goedkeuring van de [bestreden] beschikking onder punt XXV.
124 Dit argument faalt. De lijst op bladzijde 2 van de notulen heeft blijkens de tekst ervan tot doel, nauwkeurig de aan- of afwezigheid van de Commissieleden bij de betrokken zitting vast te leggen. De lijst omvat zowel de ochtend- als de namiddagzitting en bewijst dus, dat de betrokken Commissieleden tijdens deze twee zittingen aanwezig waren, tenzij volgens uitdrukkelijke aantekening op die lijst een lid afwezig was bij de bespreking van een specifiek punt. De lijst op bladzijde 40 van de notulen dient daarentegen niet ter registratie van de aanwezige Commissieleden, maar betreft uitsluitend eventueel andere aanwezige personen, zoals de kabinetschefs. De indirecte conclusies die verzoeksters willen verbinden aan deze lijst, kunnen niet prevaleren boven de uitdrukkelijke aantekening van de aan- of afwezigheid van de Commissieleden op bladzijde 2 van de notulen.
19 Volgens rekwirante is de interpretatie die het Gerecht in deze punten van het bestreden arrest geeft, onjuist en tegenstrijdig.
20 Verder stelt rekwirante dat het Gerecht haar verzoek om een maatregel van instructie heeft afgewezen; dit strekte ertoe aan de hand van de agenda's van de commissarissen na te gaan, wie van hen daadwerkelijk aanwezig was tijdens de zitting waarop de litigieuze beschikking is vastgesteld. Aldus heeft het Gerecht het recht van rekwirante geschonden om zich te kunnen vergewissen van de wettigheid van de bij de vaststelling van deze beschikking gevolgde procedure, welk recht het Hof uitdrukkelijk heeft erkend in punt 64 van het arrest van 15 juni 1994, Commissie/BASF e.a. (C-137/92 P, Jurispr. blz. I-2555).
21 Volgens rekwirante moet het Hof overeenkomstig artikel 24 van 's Hofs Statuut-EGKS de Commissie uitnodigen om de agenda's en andere soortgelijke documenten van haar leden over te leggen, om definitief uit te maken wie van hen daadwerkelijk aanwezig was bij de vaststelling van de litigieuze beschikking tijdens de namiddagzitting van 16 februari 1994.
22 De Commissie stelt om te beginnen dat het middel niet-ontvankelijk is, aangezien het Gerecht bij uitsluiting bevoegd is om de feiten en de waarde van de aangedragen bewijselementen te beoordelen.
23 Het verzoek om overlegging van de agenda's en andere soortgelijke documenten van de leden van de Commissie is volgens haar eveneens niet-ontvankelijk, aangezien een dergelijke maatregel niet in het kader van een hogere voorziening kan worden gelast. Artikel 118 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat specifiek van toepassing is op de hogere voorziening, verwijst immers naar de artikelen 43, 44, 55 tot en met 90, 93, 95 tot en met 100 en 102 van dit Reglement, maar duidelijk niet naar de artikelen 45 tot en met 54, die betrekking hebben op de maatregelen van instructie.
24 Voor het geval dat het Hof dit onderdeel van het middel toch ontvankelijk zou achten, stelt de Commissie dat het ongegrond is. Het Gerecht heeft immers terecht de lijst van bladzijde 2 van de notulen in aanmerking genomen, die tot doel heeft een nauwkeurig overzicht te geven van de tijdens de betrokken vergadering aanwezige of afwezige leden van de Commissie. Verder stelt de Commissie dat rekwirante bladzijde 40 van de notulen verkeerd interpreteert. Zoals het Gerecht heeft vastgesteld, blijkt uit de vermelding op deze bladzijde immers niet dat de drie betrokken leden van de Commissie afwezig waren bij de beraadslaging over punt XXV van de agenda.
Beoordeling door het Hof
25 Volgens artikel 32 quinquies, lid 1, KS en artikel 51 van 's Hofs Statuut-EGKS is hogere voorziening beperkt tot rechtsvragen. Het Gerecht is dus bij uitsluiting bevoegd om de relevante feiten vast te stellen en te beoordelen, alsook om de bewijselementen te beoordelen, behoudens in het geval van een verdraaiing van deze feiten en bewijselementen (zie in die zin arresten van 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi e.a., C-136/92 P, Jurispr. blz. I-1981, punten 49 en 66; 15 oktober 2002, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, C-238/99 P, C-244/99 P, C-245/99 P, C-247/99 P, C-250/99 P─C-252/99 P en C-254/99 P, Jurispr. blz. I-8375, punt 194, en 10 december 2002, Commissie/Camar en Tico, C-312/00 P, Jurispr. blz. I-11355, punt 69).
26 Rekwirante voert in casu niet aan, dat het Gerecht de inhoud van de notulen heeft verdraaid. Zij trekt enkel de uitlegging ervan door het Gerecht in punt 124 van het bestreden arrest in twijfel.
27 Bijgevolg dient te worden vastgesteld, dat dit deel van het eerste onderdeel van het eerste middel, voorzover hiermee wordt opgekomen tegen een beoordeling van feiten en bewijselementen door het Gerecht, niet-ontvankelijk is.
28 Wat het verzoek om overlegging van de agenda's van de commissarissen betreft, dient eraan te worden herinnerd dat het aan de gemeenschapsrechter staat om op basis van de omstandigheden van het geding te beslissen over de noodzaak tot overlegging van een document, overeenkomstig de bepalingen van het Reglement voor de procesvoering inzake de maatregelen van instructie. Wat het Gerecht betreft, volgt uit de artikelen 49 en 65, sub b, van het Reglement voor de procesvoering, in hun onderlinge samenhang beschouwd, dat het verzoek om overlegging van documenten deel uitmaakt van de maatregelen van instructie die het Gerecht in iedere stand van het geding kan gelasten (arrest van 6 april 2000, Commissie/ICI, C-286/95 P, Jurispr. blz. I-2341, punten 49 en 50).
29 Aangezien het Gerecht over een afschrift van de notulen beschikte, dat wil zeggen het stuk dat volgens het reglement van orde van 1993 het verloop van de vergaderingen van de Commissie dient weer te geven en waarvan het Gerecht de regelmatigheid heeft gecontroleerd, zoals in punt 147 van het bestreden arrest is gepreciseerd, was het geenszins verplicht om via een aanvullende bewijsmaatregel andere stukken op te vragen indien het van oordeel was dat een dergelijke maatregel niet nodig was om de waarheid aan het licht te brengen (zie in die zin arrest Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 404).
30 Aangaande het verzoek aan het Hof om zelf de overlegging van de agenda en andere soortgelijke documenten van de commissarissen te gelasten, kan worden volstaan met op te merken dat een dergelijke maatregel van instructie niet kan worden gelast binnen het kader van een hogere voorziening, die tot doel heeft een beslissing van het Gerecht op haar wettigheid te toetsen, en die beperkt is tot rechtsvragen.
31 Instructiemaatregelen zouden immers noodzakelijkerwijs ertoe leiden, dat het Hof zich uitspreekt over feitelijke vragen (zie in die zin arrest van 8 juli 1999, Hüls/Commissie, C-199/92 P, Jurispr. blz. I-4287, punt 91).
32 Voorts gaat het in de hogere voorziening enkel om het bestreden arrest en kan het Hof volgens artikel 54, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EGKS uitsluitend in geval van vernietiging van dit arrest, zelf uitspraak doen (zie in die zin arrest Hüls/Commissie, reeds aangehaald, punt 92).
33 Bijgevolg is het eerste onderdeel van het eerste middel niet-ontvankelijk.
Het tweede onderdeel van het eerste middel
34 Rekwirante komt op tegen punt 135 van het bestreden arrest, dat luidt als volgt: Een materieel verschil tussen de versie C(94)321/2 in combinatie met de versie C(94)321/3 van de [bestreden] beschikking zoals de Commissie die in de vier authentieke talen ter griffie van het Gerecht heeft gedeponeerd, en de aan verzoeksters betekende versies van [deze] beschikking, is door verzoeksters evenwel niet gesteld en heeft het Gerecht ook niet kunnen ontdekken. Dat de beschikking is goedgekeurd in de vorm van twee documenten, C(94)321/2 en C(94)321/3, en dat het tweede document diverse deels handgeschreven wijzigingen in het eerste document aanbrengt, is onder deze omstandigheden niet van belang, te meer omdat deze wijzigingen in feite enkel betrekking hebben op de betaling van de geldboeten in termijnen en op het besluit, geen geldboeten van minder dan 100 ecu op te leggen. Ook het feit dat de documenten C(94)321/2 en C(94)321/3 in sommige taalversies niet doorlopend zijn gepagineerd of typografische verschillen vertonen, is niet van belang, aangezien het intellectuele en het formele element van deze documenten in hun onderling verband gelezen, overeenkomen met de aan verzoeksters betekende versie van de [bestreden] beschikking (arrest [Commissie/BASF e.a., reeds aangehaald], punt 70).
35 Volgens rekwirante heeft het Gerecht, waar het heeft geoordeeld dat de goedgekeurde en de betekende versie van een beschikking niet noodzakelijkerwijs met elkaar moet overeenstemmen, de rechtspraak die het aanhaalt verkeerd toegepast. Volgens deze rechtspraak dient het ontbreken van formele overeenstemming tussen de goedgekeurde en de aan de partijen betekende beschikking de nietigheid van deze laatste beschikking met zich te brengen.
36 Volgens de Commissie is dit middel niet-ontvankelijk, aangezien het Gerecht met de vermelding dat het geen materieel verschil tussen de verschillende versies van de beschikking heeft geconstateerd, enkel de feiten van het geding heeft vastgesteld.
37 Verder stelt zij dat het middel rechtens ongegrond is en gebaseerd is op een onjuiste interpretatie van punt 135 van de bestreden arrest. Het Gerecht heeft immers niet vastgesteld, dat de Commissie aan de partijen een tekst mocht betekenen die niet met de goedgekeurde tekst overeenstemde, maar wel dat elementen zoals een niet-doorlopende paginering of typografische verschillen het intellectuele en het formele element van documenten niet aantastten.
Beoordeling door het Hof
38 Met dit onderdeel van het eerste middel komt rekwirante op tegen de beoordeling van bewijselementen door het Gerecht. In punt 135 van het bestreden arrest heeft het Gerecht immers na onderzoek van de overgelegde stukken geoordeeld, dat geen materieel verschil was aangetoond tussen de betekende versie van de litigieuze beschikking en de als bijlage bij de notulen gevoegde versies C(94)321/2 en C(94)321/3.
39 Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het eerste middel niet-ontvankelijk worden verklaard.
Het derde onderdeel van het eerste middel
40 Het derde onderdeel van het eerste middel is gericht tegen de punten 143 tot en met 147 van het bestreden arrest, die luiden als volgt:
143 In artikel 16, eerste alinea, van het reglement van orde van 1993 was niets bepaald over de wijze waarop de tijdens de vergadering genomen besluiten bij de notulen moesten worden gevoegd; volgens artikel 16 van het reglement van orde van de Commissie in de redactie van besluit 95/148/EG, Euratom, EGKS van 8 maart 1995 (PB L 97, blz. 82) moeten de besluiten onlosmakelijk met de notulen verbonden worden.
144 Het Gerecht heeft de onderhavige notulen met de verschillende authentieke taalversies van de documenten C(94)321/2 en C(94)321/3 tezamen in een en dezelfde legger ontvangen van de gemachtigden van de Commissie, die hebben verklaard, dat zij deze legger zo van het secretariaat-generaal van de Commissie hadden ontvangen na het verzoek van het Gerecht van 11 maart 1998. Bijgevolg moet worden aangenomen, dat deze stukken aldus bij de notulen waren gevoegd, dat zij bij de notulen werden bewaard, zonder fysiek ermee te zijn verbonden.
145 Artikel 16, eerste alinea, van het reglement van orde van 1993 strekt ertoe te verzekeren dat de Commissie de aan de adressaat betekende handeling behoorlijk heeft vastgesteld. In casu heeft verzoekster evenwel geen bewijs geleverd van een materieel verschil tussen de haar betekende versie van de [bestreden] beschikking en de versie die volgens de Commissie bij de notulen was gevoegd.
146 Onder deze omstandigheden heeft verzoekster, gelet op het vermoeden van geldigheid van gemeenschapshandelingen (arrest Gerecht van 27 oktober 1994, Deere/Commissie, T-35/92, Jurispr. blz. II-957, punt 31), niet bewezen, dat de documenten C(94)321/2 en C(94)321/3 niet in de zin van artikel 16 van het reglement van orde van 1993 bij de notulen waren gevoegd. Deze stukken moeten derhalve door de op de eerste bladzijde van de notulen geplaatste handtekeningen van de voorzitter en van de secretaris-generaal als gewaarmerkt worden beschouwd.
147 Ten aanzien van de omstandigheid, dat het bij de aan het Gerecht voorgelegde notulen gaat om een fotokopie die niet de originele handtekeningen van de voorzitter en van de secretaris-generaal draagt, moet worden vastgesteld, dat de eerste bladzijde van dit stuk is voorzien van de gestempelde vermelding voor eensluidend afschrift, de secretaris-generaal Carlo Trojan, met daarbij de originele handtekening van de heer Trojan, de huidige secretaris-generaal van de Commissie. Naar het oordeel van het Gerecht levert deze echtverklaring door de huidige secretaris-generaal van de Commissie voldoende bewijs op, dat de originele versie van de notulen de originele handtekening van de voorzitter en van de secretaris-generaal van de Commissie draagt.
41 Volgens rekwirante heeft het Gerecht, door in punt 144 van het bestreden arrest te oordelen dat de versies C(94)321/2 en C(94)321/3 naar behoren als bijlage bij de notulen waren gevoegd, artikel 16, eerste alinea, van het reglement van orde van 1993 geschonden, dat luidt als volgt: De ter vergadering of langs de weg van de schriftelijke procedure genomen besluiten worden, in de taal of talen waarin zij authentiek zijn, als bijlage gevoegd bij de notulen van de vergadering van de Commissie waarop zij zijn aangenomen of waarop van de aanneming ervan akte is genomen. Deze besluiten worden gewaarmerkt door de op de eerste bladzijde van deze notulen geplaatste handtekening van de voorzitter en van de secretaris-generaal.
42 Verder stelt rekwirante dat het Gerecht in punt 147 van het bestreden arrest het bewijsmateriaal waaruit zou moeten blijken dat de voorzitter en de secretaris-generaal van de Commissie de betekende versie van de litigieuze beschikking hebben gewaarmerkt, niet correct heeft beoordeeld.
43 Volgens de Commissie zijn deze twee grieven niet-ontvankelijk, aangezien zij betrekking hebben op de vaststelling van feiten of de beoordeling van bewijselementen, waarvoor het Gerecht bij uitsluiting bevoegd is.
44 Verder stelt zij dat het middel ongegrond is, aangezien ook rekening moet worden gehouden met de punten 145 en 146 van het bestreden arrest, en merkt zij op dat rekwirante geen enkele aanwijzing heeft verstrekt dat er een materieel verschil bestaat tussen de verschillende versies van de litigieuze beschikking.
45 Aangaande punt 147 van het bestreden arrest betoogt zij, dat volgens artikel 16 van het reglement van orde van 1993 niet de betekende beschikkingen, maar enkel de notulen van de vergaderingen moeten worden gewaarmerkt.
Beoordeling door het Hof
46 Vastgesteld dient te worden dat rekwirante opnieuw opkomt tegen de beoordeling van bewijselementen door het Gerecht. In punt 144 van het bestreden arrest is het Gerecht er immers van uitgegaan dat de documenten C(94)321/2 en C(94)321/3 als bijlage bij de notulen waren gevoegd, terwijl het in punt 147 van het arrest heeft geoordeeld, dat de echtverklaring van het afschrift door de toenmalige secretaris-generaal van de Commissie voldoende bewijs opleverde, dat de originele versie van de notulen de originele handtekening van de voorzitter en van de secretaris-generaal van de Commissie draagt.
47 Bijgevolg moet het derde onderdeel van het eerste middel niet-ontvankelijk worden verklaard.
48 Gelet op een en ander, moet het eerste middel in zijn geheel niet-ontvankelijk worden verklaard.
Het tweede middel
49 Het tweede middel, dat betrekking heeft op de schending van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag, omvat drie onderdelen: schending van het begrip normale werking van de mededinging in de zin van deze bepaling, niet-nakoming van de verplichting om de nadelige gevolgen van de in de litigieuze beschikking verweten gedragingen voor de mededinging aan te tonen, en niet-inaanmerkingneming van de door DG III gespeelde rol.
Het eerste onderdeel van het tweede middel
50 Met het eerste onderdeel van het tweede middel, dat betrekking heeft op de schending van het begrip normale werking van de mededinging in de zin van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag, stelt verzoekster dat het Gerecht de begrippen overeenkomst en onderling samenhangende gedraging van deze bepaling op dezelfde wijze heeft uitgelegd als de overeenkomstige begrippen van artikel 85 EG-Verdrag (thans artikel 81 EG), terwijl het de feiten die in de litigieuze beschikking aan de orde waren had moeten uitleggen overeenkomstig de regels van de artikelen 46 tot en met 48, 60 en 65 EGKS-Verdrag, en niet volgens de specifieke regels van het EG-Verdrag.
51 Volgens rekwirante is de in het EGKS-Verdrag bedoelde mededinging niet de door het EG-Verdrag beschermde mededinging, maar gaat het om een onvolmaakte mededinging op een oligopolistische markt. Artikel 60 EGKS-Verdrag introduceert een overlegelement tussen de ondernemingen, doordat het leidt tot een vrijwel automatische aanpassing van hun prijzen aan de overeenkomstig deze bepaling bekendgemaakte prijzen. Het Gerecht heeft de aan rekwirante verweten gedragingen dus ten onrechte aan artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag getoetst zonder rekening te houden met dit artikel 60.
52 De Commissie stelt in de eerste plaats, dat dit onderdeel van het middel slechts een herhaling is van voor het Gerecht aangevoerde argumenten, en dus niet-ontvankelijk is.
53 Zij betoogt in de tweede plaats, dat de redenering van het Gerecht in de punten 238 tot en met 242 en 245 tot en met 253 van het bestreden arrest correct is. Zij wijst er met name op, dat het bij de aan rekwirante verweten gedragingen ging om overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen tot vaststelling van prijzen en marktaandelen. Dergelijke praktijken zijn in artikel 60 EGKS-Verdrag niet genoemd en door de erkenning van de wettigheid ervan zou afbreuk worden gedaan aan de nuttige werking van artikel 65 van dit Verdrag.
Beoordeling door het Hof
54 Het Gerecht heeft in de punten 237 tot en met 242 van het bestreden arrest onderzocht binnen welke context artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag dient te worden geplaatst. Verder heeft het in de punten 243 tot en met 253 van het arrest nagegaan, of artikel 60 van het Verdrag relevant is voor de toetsing van de aan rekwirante verweten gedragingen aan datzelfde artikel 65, lid 1. In punt 254 van het arrest heeft het de artikelen 46 tot en met 48 EGKS-Verdrag onderzocht, en in het volgende punt is het tot de conclusie gekomen dat geen van de in het onderhavige punt genoemde bepalingen de ondernemingen toelaat om het verbod van artikel 65, lid 1, te schenden via overeenkomsten of door onderling samenhangende gedragingen tot vaststelling van prijzen, zoals die welke in casu aan de orde zijn.
55 Dit alles heeft het Gerecht op goede gronden overwogen.
56 Bijgevolg is het eerste onderdeel van het tweede middel ongegrond.
Het tweede onderdeel van het tweede middel
57 Volgens rekwirante heeft het Gerecht in punt 230 van het bestreden arrest blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie niet verplicht was om het nadelige effect van de in de litigieuze beschikking verweten gedragingen op de mededinging aan te tonen, hoewel de Commissie het nuttig heeft geacht om in punt 222 van de beschikking te preciseren, dat deze gedragingen ter zake niet geringe gevolgen hebben gehad. Bovendien spreekt het Gerecht zichzelf tegen, aangezien het elders, in punt 517 van het arrest, heeft geoordeeld dat de Commissie [...] de economische gevolgen van de in casu geconstateerde prijsvaststellingsovereenkomsten [heeft] overgewaardeerd ten opzichte van de mededinging zoals die zonder deze inbreuken zou hebben bestaan, gelet op de gunstige economische conjunctuur en de aan de ondernemingen gegeven ruimte voor algemene besprekingen over prijsprognoses met andere ondernemingen en met DG III.
58 Volgens de Commissie zijn volgens de bewoordingen zelf van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen reeds met deze bepaling in strijd wanneer zij nog maar tot een beperking van de mededinging zouden kunnen leiden. Bijgevolg heeft het Gerecht terecht geoordeeld, dat niet behoefde te worden aangetoond dat de verweten mededingingsregeling daadwerkelijk een dergelijk nadelig effect op de mededinging had gehad.
Beoordeling door het Hof
59 Volstaan kan worden met op te merken, dat artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag overeenkomsten verbiedt die ertoe zouden kunnen leiden dat de normale werking van de mededinging wordt belet, beperkt of vervalst.
60 Bijgevolg is een overeenkomst die tot doel heeft de mededinging te beperken, maar waarvan de mededingingsbeperkende gevolgen niet zijn aangetoond, verboden in de zin van deze bepaling. Het Gerecht heeft in punt 230 van het bestreden arrest dus terecht bevestigd, dat de Commissie voor de vaststelling van een schending van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag geen nadelig effect op de mededinging hoefde aan te tonen.
61 Volgens rekwirante blijkt uit punt 517 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht heeft vastgesteld dat de Commissie de economische gevolgen van de in casu geconstateerde prijsvaststellingsovereenkomsten had overgewaardeerd, dat het arrest tegenstrijdig is gemotiveerd, en dat maar kan worden vastgesteld dat deze overeenkomsten een inbreuk vormen indien de gevolgen ervan worden aangetoond. Dit punt is evenwel vervat in dat deel van het bestreden arrest waarin het Gerecht de economische weerslag van de inbreuken onderzoekt om na te gaan of een buitensporige geldboete is opgelegd (punten 505-518).
62 Aldus heeft het Gerecht in dit deel van het bestreden arrest een van de criteria toegepast aan de hand waarvan de zwaarte van een inbreuk gewoonlijk wordt beoordeeld, en tevens in punt 507 van het arrest beklemtoond, dat voor de vaststelling van een inbreuk op artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag en voor de oplegging van een geldboete op grond van lid 5 van deze bepaling niet vereist is, dat de betrokken gedraging mededingingsverstorende gevolgen heeft gehad.
63 Het Gerecht heeft dus zichzelf niet tegengesproken, waar het bij de beoordeling van het bedrag van de geldboete de economische gevolgen van bovenbedoelde overeenkomsten in aanmerking heeft genomen, ook al zijn dergelijke gevolgen niet vereist voor de vaststelling van een inbreuk op artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag.
64 Het tweede onderdeel van het tweede middel is dus ongegrond.
Het derde onderdeel van het tweede middel
65 Het derde onderdeel van het tweede middel heeft betrekking op de punten 395 en 404 tot en met 439 van het bestreden arrest. Na verschillende bewijselementen te hebben onderzocht, is het Gerecht in punt 436 van het arrest tot de conclusie gekomen, dat de bedoelde ondernemingen bewust aldus te werk waren gegaan dat de ambtenaren van DG III geen kennis hadden van hun mededingingsbeperkende overeenkomsten en van hun precieze en gedetailleerde besprekingen betreffende individuele ondernemingen.
66 Volgens rekwirante kan de redenering van het Gerecht niet worden aanvaard, omdat zij een duidelijke verdraaiing inhoudt van schriftelijke bewijzen en getuigenverklaringen waaruit blijkt dat DG III kennis had van de uitwisseling van prognoses over toekomstige prijzen. Het is evenwel op basis van deze redenering dat het Gerecht tot de conclusie is kunnen komen, dat rekwirante niet had aangetoond dat DG III bij de vastgestelde inbreuken betrokken was of althans kennis had van de inhoud van de tussen de betrokken ondernemingen georganiseerde vergaderingen. Rekwirante komt meer in het bijzonder op tegen de punten 395, 409 en 414 tot en met 416 van het bestreden arrest.
67 Deze punten luiden als volgt:
395 In de eerste plaats moet erop worden gewezen, dat eventuele na het einde van de crisisperiode nog bestaande twijfel over de werkelijke draagwijdte van artikel 65, lid 1, van het Verdrag of, gezien de onduidelijke houding van de Commissie tot 30 juni 1988 (zie in dit verband de punten 491-502 van het arrest van heden in zaak T-141/94, Thyssen [Stahl]/Commissie) over haar standpunt ter zake, geen invloed kan hebben op de kwalificatie van de inbreuken die verzoekster voor de periode na die datum, en meer in het bijzonder vanaf 1 januari 1989, worden verweten. Het Gerecht heeft dienaangaande reeds herinnerd aan de rechtspraak van het Hof volgens hetwelk het verbod van artikel 65, lid 1, van het Verdrag zeer streng is en kenmerkend voor het bij het Verdrag in het leven geroepen stelsel (advies 1/61, [van 13 december 1961, Jurispr. blz. 535,] 550).
[...]
409 Het is juist, dat de algemene doelstelling van de Commissie in dat kader was, het evenwicht tussen vraag en aanbod te handhaven en dus het algemene prijsniveau te stabiliseren, teneinde de staalondernemingen in staat te stellen weer winst te maken (zie bijvoorbeeld de interne nota van DG III van 24 oktober 1988 over de vergadering met de industrie op 27 oktober 1988, het memorandum van DG III van 10 mei 1989 over de overlegvergadering van 27 april 1989, het memorandum van DG III van 28 oktober 1989 over de overlegvergadering van 26 oktober 1989 en de interne nota van DG III van 8 november 1989 over een bijeenkomst met producenten op 7 november 1989).
[...]
414 Het is juist, dat in tal van stukken over de bijeenkomsten tussen de industrie en DG III sprake is van prijsprognoses.
415 Het is eveneens juist, dat achteraf uit de aan het Gerecht overgelegde stukken in hun totaliteit bezien blijkt, dat sommige inlichtingen die aan DG III zijn verstrekt over de toekomstige balkenprijzen, het uitvloeisel waren van overeenkomsten die in het [zogenaamde Poutrelles Committee van Eurofer (hierna: Poutrelles Committee)] waren gesloten (zie onder meer de notulen van de vergaderingen van het Poutrelles Committee van 10 januari, 19 april, 6 juni en 11 juli 1989 in combinatie met de notulen en de speaking notes van de overlegvergaderingen van 26 januari, 27 april en 27 juli 1989).
416 Naar het oordeel van het Gerecht konden de ambtenaren van DG III destijds echter niet doorzien, dat van de vele inlichtingen die Eurofer hun verstrekte over onder meer de algemene marktsituatie, de voorraden, de in- en uitvoer en de tendensen in de vraag, de informatie over de prijzen voortvloeide uit overeenkomsten tussen de ondernemingen.
68 Volgens de Commissie dient dit onderdeel van het middel niet-ontvankelijk te worden verklaard, aangezien het betrekking heeft op de beoordeling van bewijselementen en niet op de verdraaiing ervan. Rekwirante preciseert geenszins, waarin de zogenaamde verdraaiing van deze bewijselementen concreet bestaat, hoewel het aan haar staat om de oorsprong en de aard van de uitleggingsfout van het Gerecht ter zake aan te geven.
Beoordeling door het Hof
69 Rekwirante stelt dat het Gerecht de overgelegde stukken en de getuigenverklaringen heeft verdraaid, maar toont geenszins aan, en tracht overigens ook niet aan te tonen, in welke zin het Gerecht in de in dit onderdeel van het middel bedoelde punten van het bestreden arrest de feiten verkeerd zou hebben vastgesteld en de duidelijke en precieze betekenis van deze stukken en getuigenverklaringen zou hebben gewijzigd.
70 Bovendien kan bij een eenvoudige lezing van deze punten van het bestreden arrest worden vastgesteld, dat het Gerecht zich daarin uitspreekt over de verstrekte bewijzen en zijn eigen oordeel geeft over de wijze waarop de feiten zich hebben afgespeeld.
71 Bijgevolg dient te worden vastgesteld, dat het derde onderdeel van het tweede middel in werkelijkheid gericht is tegen de beoordeling van bewijselementen door het Gerecht. Gelet op de in punt 25 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, dient dit onderdeel dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.
72 Gelet op een en ander, dient het tweede middel deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond te worden verklaard.
Het derde middel
73 Met het derde middel stelt rekwirante, dat het Gerecht het gemeenschapsrecht heeft geschonden door artikel 1 van de litigieuze beschikking niet nietig te verklaren, hoewel daarin niet is aangegeven hoelang de ongeoorloofde prijsvaststelling heeft geduurd.
74 Rekwirante wijst erop dat het Gerecht in punt 259 van het bestreden arrest heeft vastgesteld dat de punten 227 tot en met 237 van de litigieuze beschikking geen elementen bevatten die de totale duur van de ongeoorloofde prijsvaststelling kunnen staven. Zij komt dan ook op tegen de zienswijze van het Gerecht in punt 263 van het arrest, dat de aan rekwirante verweten overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen tot vaststelling van prijzen een voortdurende geheime afspraak vormden, hoewel volgens de rechtspraak van het Gerecht de Commissie in de litigieuze beschikking het bestaan van elke inbreuk en de duur ervan individueel diende aan te tonen (arresten van 10 maart 1992, Shell/Commissie, T-11/89, Jurispr. blz. II-757, punt 190, en 14 mei 1998, Buchmann/Commissie, T-295/94, Jurispr. blz. II-813, punten 82 en 119).
75 Volgens de Commissie is het middel ongegrond. Volgens haar tracht rekwirante de inhoud van het bestreden arrest te verdraaien, door slechts naar punt 259 ervan te verwijzen. Het Gerecht heeft weliswaar in dat punt erkend, dat op basis van de punten 227 tot en met 237 van de litigieuze beschikking niet kan worden vastgesteld hoe lang de inbreuk heeft geduurd, maar zijn conclusie is gebaseerd op het onderzoek, in de punten 260 tot en met 262 van het arrest, van andere passages van de beschikking en van de aldaar aangehaalde stukken.
Beoordeling door het Hof
76 De punten 259 tot en met 263 van het bestreden arrest, die volledig dienen te worden weergegeven, luiden als volgt:
259 Het is juist, dat de punten 227 tot en met 237 van de [bestreden] beschikking zelf geen elementen bevatten die de totale duur van de in artikel 1 van [deze beschikking] aan verzoekster verweten inbreuk bestaande in de vaststelling van prijzen binnen het Poutrelles Committee kunnen staven, namelijk een periode van 24 maanden tussen 1 januari 1989 en 31 december 1990. Uit dat deel van [de beschikking] blijkt immers niet, dat de deelnemers aan de vergaderingen van het Poutrelles Committee in het vierde kwartaal van 1990 een overeenkomst hebben gesloten of toegepast, of een onderling samenhangende gedraging hebben toegepast met betrekking tot de vaststelling van prijzen.
260 Uit de punten 118 tot en met 121 van de [bestreden] beschikking en de aldaar geciteerde stukken blijkt echter, dat de leden van het Poutrelles Committee, nadat zij in de vergadering van 11 september 1990 de mogelijkheid en de details van een gematigde prijsverhoging waarschijnlijk per 1 januari 1991 hadden besproken, hun discussie voortzetten in de vergadering van 9 oktober 1990 tot zij overeenstemming bereikten over een verhoging van de prijzen op de continentale markten in het eerste kwartaal van 1991 met 20 tot 30 DEM (zie de notulen van die vergadering, documenten nrs. 346-354 van het dossier). Voorts wordt in die notulen gezegd: Wat de prijzen betreft, konden de niveaus T3/90 ondanks enige moeilijkheden in bepaalde landen in het vierde kwartaal onder volledige toepassing van de nieuwe toeslagen worden gehandhaafd.
261 Aangezien er regelmatig afspraken werden gemaakt of de afspraken telkens met een kwartaal werden verlengd, en gelet op de praktijken die gewoonlijk binnen het Poutrelles Committee werden toegepast tot de eerste inspecties door de Commissie in januari 1991, vormen deze stukken naar het oordeel van het Gerecht het bewijs dat de geheime prijsafspraak, en met name de verlenging van de eerder gemaakte afspraken, in het vierde kwartaal van 1990 is voortgezet.
262 Meer in het algemeen is het Gerecht van oordeel, dat de overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen tot vaststelling van prijzen die op basis van de feitelijke vaststellingen in de punten 95 tot en met 121 en 227 tot en met 237 van de [bestreden] beschikking aan verzoekster zijn verweten, het resultaat zijn van regelmatige vergaderingen en permanente contacten tussen producenten, die hun de gelegenheid boden tot voortdurende samenwerking binnen het Poutrelles Committee.
263 De Commissie heeft dus in punt 221 van de [bestreden] beschikking terecht vastgesteld, dat tussen de betrokkenen een voortdurende geheime afspraak bestond om met name de prijzen in de verschillende lidstaten van de EGKS te verhogen en te harmoniseren, en in punt 242 van [de beschikking], dat de verantwoordelijkheid voor de in de beschikking beschreven overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen tot vaststelling van prijzen binnen het Poutrelles Committee door de ondernemingen moet worden gedragen voor de gehele periode waarin zij aan de vergaderingen en de daarmee verbonden samenwerking hebben deelgenomen; in het geval van verzoekster gaat het, rekening houdend met de bijzondere situatie van de Spaanse producenten (zie punt 313 van de beschikking), om een periode van 24 maanden, van 1 januari 1989 tot en met 31 december 1990.
77 Uit het citaat in het vorige punt blijkt, dat het Gerecht de verschillende elementen van de litigieuze beschikking heeft onderzocht en op basis daarvan in punt 263 van het bestreden arrest tot de conclusie is gekomen, dat de inbreuk wel degelijk 24 maanden heeft geduurd. Het heeft weliswaar in punt 259 van het arrest vastgesteld, dat uit de punten 227 tot en met 237 van de litigieuze beschikking niet bleek dat rekwirante in het vierde kwartaal van 1990 aan de inbreuk had deelgenomen, maar heeft zijn conclusie gebaseerd op verschillende, in de punten 260 tot en met 262 van het arrest beschreven passages van deze beschikking.
78 Rekwirante kan de vaststelling in punt 259 van het bestreden arrest niet tegenover de conclusie in punt 263 van het arrest stellen zonder rekening te houden met de punten 260 tot en met 262, waarin het Gerecht heeft uiteengezet welke factoren het in aanmerking heeft genomen.
79 Bijgevolg is het derde middel ongegrond.
Het vierde middel
80 Met het vierde middel stelt rekwirante schending van het gemeenschapsrecht door onjuiste juridische beoordeling van de overeenkomst inzake verdeling van de Franse markt.
81 Dit middel is gericht tegen de punten 296 en 297 van het bestreden arrest, die luiden als volgt:
296 Gelet op deze onderling overeenstemmende elementen, die het resultaat zijn van de vergaderingen van het Poutrelles Committee, waarvan een van de voornaamste doelstellingen was de penetratiegraad van de invoer ten opzichte van de traditionele handelsstromen te stabiliseren (zie hierna), heeft de Commissie naar het oordeel van het Gerecht in punt 260 van de [bestreden] beschikking terecht geconcludeerd dat verzoekster, zonder actief aan de uitwerking van deze regeling betrokken te zijn geweest, zich eraan hield, zodat haar terecht kon worden verweten dat zij aan de betrokken inbreuk had deelgenomen.
297 Aangezien is aangetoond, dat de betrokken overeenkomst tot doel had de leveringen van de deelnemers op het niveau van hun traditionele handelsstromen te stabiliseren, kan het feit dat de door verzoekster in het vierde kwartaal naar de Franse markt geëxporteerde hoeveelheden erg vergelijkbaar waren met haar exporten in het eerste en het tweede kwartaal, niet worden gezien als een aanwijzing dat zij niet aan deze overeenkomst heeft deelgenomen, en evenmin als een omstandigheid die de toepassing van de door het Hof in het arrest [van 28 maart 1984,] CRAM en Rheinzink/Commissie, [(29/83 en 30/83, Jurispr. blz. 1679)] genoemde beginselen op het onderhavige geval rechtvaardigt.
82 Het Gerecht heeft in punt 298 van het bestreden arrest geoordeeld, dat rechtens genoegzaam was aangetoond dat rekwirante aan een door artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag verboden marktverdelingsovereenkomst had deelgenomen.
83 Volgens rekwirante heeft het Gerecht in het bestreden arrest ten onrechte geweigerd het door het Hof in het reeds aangehaalde arrest CRAM en Rheinzink/Commissie vastgestelde beginsel toe te passen, dat de beschikking waarbij een inbreuk is vastgesteld, nietig dient te worden verklaard wanneer ook een andere verklaring voor de verweten feiten kan worden gegeven dan in deze beschikking is gebeurd. Rekwirante heeft in eerste instantie gesteld, dat de in het vierde kwartaal van 1989 geëxporteerde hoeveelheid helemaal niet ongewoon was, maar met haar normale export overeenstemde en als zodanig te verklaren viel. Het Gerecht heeft deze uitleg ten onrechte van de hand gewezen en geoordeeld dat deze hoeveelheid geen aanwijzing kon vormen dat zij niet had deelgenomen aan een overeenkomst die tot doel had de leveringen van de deelnemers op het niveau van hun traditionele handelsstromen te handhaven.
84 Volgens de Commissie moet dit middel niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien het louter argumenten overneemt die reeds in eerste aanleg zijn uiteengezet, en tegen een feitelijke beoordeling is gericht.
Beoordeling door het Hof
85 Volstaan kan worden met op te merken, dat het Gerecht in de punten 296 tot en met 298 van het bestreden arrest bewijselementen heeft beoordeeld. Het Gerecht heeft daarin met name zijn overtuiging uitgedrukt, dat voor de vastgestelde feiten geen andere verklaring kan worden gegeven dan dat rekwirante aan de gelaakte overeenkomst heeft deelgenomen.
86 Gelet op de in punt 25 van het onderhavige arrest genoemde rechtspraak moet het vierde middel dus niet-ontvankelijk worden verklaard.
Het vijfde middel
87 Met het vijfde middel stelt rekwirante dat het Gerecht zijn controlefunctie op onregelmatige wijze heeft uitgeoefend en haar rechten van verdediging heeft geschonden.
88 Dit middel is gericht tegen de punten 332 tot en met 339 van het bestreden arrest. In haar antwoord van 19 januari 1998 op een schriftelijke vraag van het Gerecht en tijdens de terechtzitting had de Commissie gesteld, dat de litigieuze informatie-uitwisselingssystemen geen zelfstandige inbreuk op artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag vormden, maar deel uitmaakten van ruimere inbreuken. Na in de punten 333 tot en met 338 van het arrest de litigieuze beschikking te hebben onderzocht, is het Gerecht evenwel in punt 339 van het arrest tot de conclusie gekomen, dat deze systemen in deze beschikking als een zelfstandige inbreuk waren beschouwd, zodat de argumenten die de Commissie in haar antwoord en ter terechtzitting had uiteengezet, dienden te worden verworpen, voorzover zij hiermee deze juridische beoordeling trachtte te wijzigen.
89 Rekwirante verwijt het Gerecht, dat het in het bestreden arrest de litigieuze beschikking onjuist heeft uitgelegd door deze te herformuleren, de inhoud ervan te wijzigen en er een gevolgtrekking aan te verbinden die er niet in staat. Het Gerecht heeft dus zijn controlefunctie met betrekking tot de wettigheid van een handeling waarbij sancties worden opgelegd, op onregelmatige wijze uitgeoefend. Volgens rekwirante had het Gerecht de geldboete, die ten onrechte was opgelegd voor een inbreuk die volgens de verklaringen van de Commissie zelf geen zelfstandig karakter had, nietig moeten verklaren.
90 Volgens de Commissie is het middel niet-ontvankelijk, aangezien het voor het eerst voor het Hof wordt opgeworpen, en verschilt van het in eerste aanleg aangevoerde middel, zoals blijkt uit punt 324 van het bestreden arrest. Verder is het middel ongegrond. Het Gerecht heeft geenszins de inhoud van de litigieuze beschikking geherformuleerd of gewijzigd, maar heeft eenvoudigweg de uitleg verworpen die de Commissie in haar opmerkingen en ter terechtzitting heeft verstrekt.
Beoordeling door het Hof
91 Rekwirante toont niet aan, en tracht ook niet aan te tonen, in welke zin het Gerecht het gemeenschapsrecht heeft geschonden door zelf de litigieuze beschikking uit te leggen en niet af te gaan op de uitleg die de vertegenwoordigers van de Commissie in het antwoord van 19 januari 1998 en ter terechtzitting hebben verstrekt.
92 Dienaangaande kan worden volstaan met op te merken dat, wanneer het Gerecht uitspraak doet op een beroep tot nietigverklaring van een gemeenschapshandeling, het deze handeling zelf mag uitleggen.
93 Voorzover het middel kan worden uitgelegd als een verwijt aan het Gerecht dat het de litigieuze beschikking heeft verdraaid, dient te worden opgemerkt dat het Gerecht in de punten 333 tot en met 337 van het bestreden arrest de punten 263 tot en met 271 van deze beschikking in detail heeft onderzocht. Uit een vergelijking van deze punten van het bestreden arrest en van de litigieuze beschikking kan evenwel niet worden afgeleid, dat het Gerecht de inhoud van deze beschikking heeft verdraaid.
94 Bijgevolg is het vijfde middel ongegrond.
Het zesde middel
95 Met het zesde middel stelt rekwirante schending van het gemeenschapsrecht bij de keuze van de omzet op basis waarvan de geldboete is berekend, en bij de omrekening van deze omzet in ecu.
96 Volgens rekwirante heeft het Gerecht in punt 474 van het bestreden arrest ten onrechte geoordeeld dat voor de berekening van de geldboete de omzet in het laatste jaar van de inbreuk, namelijk 1990, in aanmerking mocht worden genomen, hoewel de Commissie daarvoor de omzet van het jaar vóór de vaststelling van de litigieuze beschikking, waarvoor zij over geconsolideerde rekeningen beschikte, 1992 in het geval van rekwirante, in aanmerking had moeten nemen. Door 1990 als criterium te hanteren, heeft het het rechtszekerheids- en het billijkheidsbeginsel geschonden.
97 Verder stelt rekwirante dat de Commissie, in plaats van de geldboete in Spaanse peseta uit te drukken en in ecu om te rekenen tegen de officiële wisselkoers van de dag vóór de litigieuze beschikking, haar omzet in ecu heeft omgerekend tegen de wisselkoers van 1990. Gelet op het verschil tussen de wisselkoers tussen de Spaanse peseta en de ecu in 1990 en deze koers op de dag vóór de beschikking, heeft deze werkwijze de financiële last die de geldboete op rekwirante legt met 800 000 ecu verhoogd.
98 Volgens rekwirante heeft het Gerecht in punt 471 van het bestreden arrest ten onrechte de wettigheid van de door de Commissie gebruikte omrekeningsmethode gerechtvaardigd geacht op basis van het arrest van het Gerecht van 14 mei 1998, Sarrió/Commissie (T-334/94, Jurispr. blz. II-1439, punten 394 e.v.). Het billijkheidsbeginsel vereist dat de koers wordt toegepast die voor de justitiabele het minst belastend is (arrest van 1 februari 1978, Lührs, 78/77, Jurispr. blz. 169, punt 13).
99 Volgens de Commissie is het middel in zijn geheel niet-ontvankelijk, aangezien het zonder meer argumenten overneemt die voor het Gerecht zijn aangevoerd.
100 Verder stelt zij dat het middel ongegrond is. De toepassing van het billijkheidsbeginsel, zoals rekwirante dat begrijpt, zou er immers toe leiden dat de geldboeten willekeurig, geval per geval, worden vastgesteld. Dit zou in strijd zijn met het rechtszekerheidsbeginsel, volgens hetwelk het mogelijk moet zijn met een zekere mate van zekerheid het bedrag van de geldboete waarmee een gedraging kan worden bestraft, vast te stellen. De inaanmerkingneming van de wisselkoers en de omzet van het laatste jaar van de inbreuk biedt de garantie dat voor alle beschuldigde personen eenzelfde uniforme procedure wordt toegepast. Bovendien houdt deze methode het beste rekening met de door de inbreukmakers behaalde winsten. Een andere methode zou niet de mogelijkheid bieden een sanctie op te leggen die rekening houdt met het ogenblik waarop het verweten gedrag heeft plaatsgevonden en die in een juiste verhouding staat tot de gevolgen ervan.
Beoordeling door het Hof
101 In punt 474 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld, dat de Commissie, door uit te gaan van de omzet die elk der ondernemingen heeft behaald in de loop van het referentiejaar, dat wil zeggen het laatste volledige jaar van de in aanmerking genomen periode van de inbreuk, de omvang en de economische macht van elke onderneming alsmede de omvang van de door elk van hen gepleegde inbreuk [heeft] kunnen beoordelen; deze factoren zijn relevant voor de beoordeling van de zwaarte van de door elke onderneming gepleegde inbreuk (zie arrest [van 7 juni 1983, Musique Diffusion française e.a./Commissie, 100/80─103/80, Jurispr. blz. 1825], punten 120 en 121).
102 Aldus heeft het Gerecht rechtens toereikend gemotiveerd dat voor de berekening van de geldboete de omzet in het laatste jaar van de inbreuk in aanmerking kon worden genomen. Volgens de rechtspraak van het Hof moet immers bij de beoordeling van de omvang en de economische macht van een onderneming ten tijde van de inbreuk noodzakelijkerwijs worden uitgegaan van de omzet in de betrokken periode en niet van de omzet ten tijde van de vaststelling van de beschikking waarbij de geldboete is opgelegd (zie in die zin arrest van 16 november 2000, Sarrió/Commissie, C-291/98 P, Jurispr. blz. I-9991, punt 86).
103 Verder toont rekwirante niet aan, in welke zin de toepassing van dit referentiejaar een schending zou opleveren van de beginselen van rechtszekerheid en billijkheid. Integendeel, de toepassing van een gemeenschappelijk referentiejaar voor alle ondernemingen die aan dezelfde inbreuk hebben deelgenomen, geeft elke onderneming de garantie dat zij op dezelfde wijze als de andere wordt behandeld, aangezien de sancties op uniforme wijze worden bepaald, zonder rekening te houden met extrinsieke en aleatoire factoren die een invloed zouden hebben kunnen uitoefenen op de omzet tussen het laatste jaar van de inbreuk en het tijdstip van de vaststelling van de beschikking waarbij de geldboeten worden opgelegd. Overigens heeft het feit dat het referentiejaar deel uitmaakte van de periode waarin de inbreuk is gepleegd, de mogelijkheid geboden om de omvang van de gepleegde inbreuk te beoordelen op basis van de economische werkelijkheid in die periode.
104 Met betrekking tot de vaststelling van de geldboete in ecu op basis van een tegen de wisselkoers van 1990 omgerekende omzet, moet er om te beginnen op worden gewezen, dat dankzij de omrekening van de omzet van het referentiejaar tegen de wisselkoers van die periode kan worden verhinderd dat de omvang van elk van de ondernemingen die aan de inbreuk hebben deelgenomen, door de inaanmerkingneming van extrinsieke en aleatoire factoren, zoals de ontwikkeling van de nationale valuta in de periode daarna, wordt vertekend (arrest Hof, Sarrió/Commissie, reeds aangehaald, punt 86).
105 Verder is het volgens artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag niet verboden om een geldboete in ecu vast te stellen. Integendeel, de toepassing van een gemeenschappelijke munt voor de vaststelling van de geldboeten die worden opgelegd aan ondernemingen die aan eenzelfde inbreuk hebben deelgenomen, is gerechtvaardigd door de wens om de sanctie voor deze ondernemingen op uniforme wijze te bepalen.
106 Ten slotte vormen de valutaschommelingen een toeval dat zowel voordeel als nadeel kan opleveren; ondernemingen krijgen in het kader van hun commerciële activiteiten gewoonlijk met dit toeval te maken, en deze toevallige omstandigheid brengt op zich niet mee dat het bedrag van een geldboete dat op wettige wijze is vastgesteld op basis van de zwaarte van de inbreuk en de omzet in het laatste jaar waarin die inbreuk is gepleegd, niet langer passend zou zijn (zie arrest Hof, Sarrió/Commissie, reeds aangehaald, punt 89).
107 Bijgevolg heeft het Gerecht in de punten 470 tot en met 477 van het bestreden arrest terecht de door de Commissie toegepaste methode voor de berekening van de geldboete gerechtvaardigd geacht.
108 Het zesde middel is dus ongegrond.
109 Gelet op een ander, moet de hogere voorziening worden afgewezen.
Kosten
110 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 118 van dat Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien rekwirante volledig in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de conclusies van de Commissie in de kosten te worden verwezen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verwijst Empresa Nacional Siderúrgica SA (Ensidesa) in de kosten.
Wathelet
Edward
La Pergola
Jann
von Bahr
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 2 oktober 2003.
De griffier
De president van de Vijfde kamer
R. Grass
M. Wathelet
1 – Procestaal: Spaans.
Full & Egal Universal Law Academy