Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Beroep wegens niet-nakoming - Onderzoek van gegrondheid door Hof - In aanmerking te nemen situatie - Situatie bij verstrijken van in met redenen omkleed advies gestelde termijn
(Art. 226 EG)
2. Beroep wegens niet-nakoming - Inleidend verzoekschrift - Uiteenzetting van grieven en middelen
(Art. 226 EG)
3. Vrij verkeer van personen - Vrijheid van vestiging - Vrij verrichten van diensten - Beoefenaars van tandheelkunde - Erkenning van diploma's en titels - Richtlijn 78/686 - Coördinatie van nationale bepalingen - Richtlijn 78/687 - Handhaving van tweede opleidingsprogramma dat toegang geeft tot beroep van tandarts - Ontoelaatbaarheid
(Richtlijnen van de Raad 78/686, art. 19, en 78/687, art. 1)
4. Vrij verkeer van personen - Vrijheid van vestiging - Vrij verrichten van diensten - Beoefenaars van tandheelkunde - Erkenning van diploma's en titels - Richtlijn 78/686 - Coördinatie van nationale bepalingen - Richtlijn 78/687 - Dubbele inschrijving in register van artsen en in register van tandartsen - Ontoelaatbaarheid - Afwijking voor lidstaat - Invloed
(Richtlijnen van de Raad 78/686, art. 19, en 78/687)
Samenvatting
1. In het kader van een krachtens artikel 226 EG ingesteld beroep strekkend tot vaststelling dat een lidstaat een met een gemeenschapsrichtlijn strijdige wettelijke regeling heeft gehandhaafd, worden de verweermogelijkheden van de betrokken lidstaat niet beperkt door het feit dat de litigieuze bepalingen strikt genomen niet konden worden gehandhaafd omdat zij na de vaststelling van de betrokken richtlijn in het nationale recht zijn ingevoerd. Enerzijds hangt het bestaan van een niet-nakoming namelijk af van het bestaan van maatregelen die bij het verstrijken van de door de Commissie in haar met redenen omklede advies gestelde termijn niet in overeenstemming zijn met het gemeenschapsrecht, zodat de datum van vaststelling van de betrokken nationale bepalingen in dit verband niet relevant is. Anderzijds is het zo, dat een lidstaat die met het gemeenschapsrecht strijdige nationale bepalingen invoert, deze bepalingen vanaf de datum van inwerkingtreding ervan handhaaft tot een eventuele wijziging of intrekking.
( cf. punten 11-12 )
2. De Commissie moet in elk krachtens artikel 226 EG ingediend verzoekschrift de exacte grieven aangeven waarover zij een uitspraak van het Hof verlangt, evenals - in elk geval summier - de juridische en feitelijke gronden waarop die grieven berusten. Wat meer in het bijzonder de verplichting betreft om de elementen rechtens aan te geven waarop de grieven van de Commissie berusten, is het niet voldoende dat de Commissie tot staving van de stelling dat de verwerende lidstaat een bepaling van gemeenschapsrecht niet in acht heeft genomen, deze bepaling enkel aanhaalt in het onderdeel van het met redenen omklede advies of van het verzoekschrift dat is gewijd aan het juridische kader, welk onderdeel louter beschrijvend is en geen bewijsfunctie heeft.
Wanneer de Commissie echter stelt dat een nationale regeling in strijd is met het stelsel, de opzet of de geest van een harmonisatierichtlijn, zonder dat de daaruit voortvloeiende schending van het gemeenschapsrecht kan worden gekoppeld aan specifieke bepalingen van die richtlijn, kan haar verzoekschrift niet enkel op deze grond niet-ontvankelijk worden geacht. In een dergelijke situatie kan het Hof evenwel enkel onderzoeken, of de betrokken nationale regeling in deze zin in strijd is met de betrokken richtlijn.
( cf. punten 20-21, 23 )
3. Een lidstaat die voorziet in een tweede opleidingsprogramma voor de toegang tot het beroep van tandarts, bestaande in een basisartsenopleiding aangevuld met een specialisatie in de tandheelkunde, komt de verplichtingen niet na die op hem rusten krachtens richtlijn 78/687 inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde.
De in artikel 1, lid 2, van richtlijn 78/687 bedoelde opleiding wordt uitdrukkelijk aangemerkt als tandheelkundige opleiding", hetgeen veronderstelt dat er een studieprogramma bestaat dat specifiek gericht is op de opleiding van beoefenaars der tandheelkunde. Het diploma waarmee het tweede studieprogramma wordt afgesloten, is geen tandartsendiploma, maar een basisartsendiploma gecombineerd met een diploma ter afronding van een specialisatie in de tandheelkunde. Een dergelijke opeenvolging van diploma's strookt niet met de eisen van richtlijn 78/687 en van richtlijn 78/686 inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels van de beoefenaar der tandheelkunde, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten, welke richtlijnen beide spreken van één diploma.
Artikel 19, tweede alinea, van richtlijn 78/686, dat in het kader van de speciaal voor een lidstaat gecreëerde regeling voorziet in de erkenning, met het oog op de uitoefening van de werkzaamheden van beoefenaar der tandheelkunde, van een basisartsendiploma gecombineerd met een diploma ter afronding van een specialisatie in de tandheelkunde, verzet zich niet tegen deze uitlegging. Indien de communautaire wetgever de mogelijkheid van onderlinge erkenning van een dergelijke opleiding namelijk algemeen had willen erkennen, zou hij de onderlinge erkenning van de kwalificatie van de beroepsbeoefenaars die deze opleiding hebben genoten, niet in de vorm van een tijdelijke afwijkende maatregel hebben gegoten door hierin slechts te voorzien voor degenen die vóór 28 januari 1980 met hun artsenopleiding zijn begonnen.
( cf. punten 37-39 en dictum )
4. Indien richtlijn 78/687 buiten de in artikel 19 van richtlijn 78/686 voor lidstaten voorziene afwijkings- en overgangsregeling de mogelijkheid uitsluit om na afloop van een opleiding bestaande uit zes jaar basisartsenopleiding en drie jaar specialisatie in de tandheelkunde toegang te krijgen tot de werkzaamheden van beoefenaar der tandheelkunde in de zin van voornoemde richtlijnen, betekent dit dat zij ook de mogelijkheid uitsluit dat een persoon die slechts één van deze opleidingen heeft genoten, tegelijkertijd kan worden ingeschreven in het artsenregister en in het register van beoefenaars der tandheelkunde.
Weliswaar streven voornoemde richtlijnen naar een duidelijke scheiding van het beroep van beoefenaar der tandheelkunde en dat van arts, doch er is geen enkele aanwijzing dat de bij deze richtlijnen ingevoerde geharmoniseerde regeling tevens tot doel heeft artsen die onder artikel 19 van richtlijn 78/686 vallen, te verhinderen zich in te schrijven in het artsenregister.
Bij artikel 19 van richtlijn 78/686 is een speciale regeling gecreëerd voor een bepaalde categorie artsen wier diploma is afgegeven in Italië, namelijk artsen die weliswaar over een artsendiploma beschikken, doch die zich als hoofdwerkzaamheid in Italië hebben bezig gehouden met de uitoefening van het beroep van tandarts, teneinde de overgang na de invoering in Italië van het beroep van beoefenaar der tandheelkunde als bedoeld in voornoemde richtlijnen, te vergemakkelijken. Hiertoe schept dit artikel de verplichting voor de lidstaten om onder bepaalde voorwaarden het artsendiploma van deze categorie beroepsbeoefenaars te erkennen met het oog op de uitoefening van de werkzaamheden van beoefenaar der tandheelkunde.
De vraag of de andere lidstaten verplicht zijn de diploma's van deze beroepsbeoefenaren tevens te erkennen met het oog op de uitoefening van de werkzaamheden van arts, onafhankelijk van de inschrijving van de betrokken beroepbeoefenaren in het artsenregister, is een kwestie die moet worden geregeld in het kader van de communautaire regelgeving inzake de erkenning van diploma's, certificaten en andere artsentitels, en niet in het kader van de richtlijnen 78/686 en 78/687 betreffende de beoefenaars der tandheelkunde.
( cf. punten 48, 50-54 )
Partijen
In zaak C-202/99,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. Traversa en B. Mongin als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door U. Leanza als gemachtigde, bijgestaan door P. G. Ferri, avvocato dello Stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door een tweede studieprogramma voor de toegang tot het beroep van tandarts te handhaven dat niet in overeenstemming is met richtlijn 78/687/EEG van de Raad van 25 juli 1978 inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde (PB L 233, blz. 10), en door de mogelijkheid van dubbele inschrijving in het register van artsen en in het register van tandartsen te handhaven voor artsen die de tandheelkunde beoefenen, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, D. A. O. Edward (rapporteur), A. La Pergola, L. Sevón en C. W. A. Timmermans, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger,
griffier: L. Hewlett, administrateur,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 22 maart 2001, waar de Commissie werd vertegenwoordigd door E. Traversa en de Italiaanse Republiek door M. Fiorilli, avvocato dello Stato,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 31 mei 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 26 mei 1999, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld strekkende tot vaststelling dat de Italiaanse Republiek, door een tweede studieprogramma voor de toegang tot het beroep van tandarts te handhaven dat niet in overeenstemming is met richtlijn 78/687/EEG van de Raad van 25 juli 1978 inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde (PB L 233, blz. 10; hierna: coördinatierichtlijn"), en door de mogelijkheid van dubbele inschrijving in het register van artsen en in het register van tandartsen te handhaven voor artsen die de tandheelkunde beoefenen, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
De communautaire regelgeving
2 Op 25 juli 1978 heeft de Raad zowel richtlijn 78/686/EEG inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels van de beoefenaar der tandheelkunde, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten (PB L 233, blz. 1; hierna: erkenningsrichtlijn"), als de coördinatierichtlijn vastgesteld.
3 Artikel 1, lid 1, van de coördinatierichtlijn bepaalt dat de lidstaten de toegang tot de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde, die worden uitgeoefend onder de in artikel 1 van de erkenningsrichtlijn bedoelde titels, en de uitoefening ervan afhankelijk stellen van het bezit van een diploma, certificaat of andere titel als bedoeld in artikel 3 van diezelfde richtlijn, waardoor wordt gewaarborgd dat de betrokkene gedurende zijn totale opleidingstijd de door de coördinatierichtlijn vereiste kennis en ervaring heeft verworven. Artikel 1, lid 2, van de coördinatierichtlijn preciseert, dat deze tandheelkundige opleiding in totaal ten minste vijf studiejaren fulltime theoretisch en praktisch onderwijs omvat.
4 Vóór de vaststelling van deze richtlijnen en de omzetting ervan in Italiaans recht was het beroep van beoefenaar der tandheelkunde in Italië niet georganiseerd en werd het in de praktijk door artsen uitgeoefend. Teneinde rekening te houden met deze bijzondere situatie, bepaalt artikel 19 van de erkenningsrichtlijn, dat is opgenomen in hoofdstuk VII, getiteld Overgangsbepalingen in verband met de bijzondere situatie van Italië":
Vanaf het tijdstip dat Italië de nodige maatregelen treft om aan deze richtlijn te voldoen, erkennen de lidstaten, met het oog op de uitoefening van de werkzaamheden als bedoeld in artikel 1 van deze richtlijn, de diploma's, certificaten en andere titels van de arts die in Italië zijn afgegeven aan personen die hun universitaire artsenopleiding uiterlijk achttien maanden na kennisgeving van deze richtlijn zijn begonnen, indien deze vergezeld zijn van een door de bevoegde Italiaanse autoriteiten afgegeven bewijsstuk, waaruit blijkt dat deze personen zich in Italië gedurende ten minste drie jaar achtereen in de loop van de vijf jaar voor de afgifte van het bewijsstuk daadwerkelijk, wettig en als hoofdwerkzaamheid hebben beziggehouden met de werkzaamheden, bedoeld in artikel 5 van richtlijn 78/687/EEG en dat deze personen bevoegd zijn genoemde werkzaamheden uit te oefenen onder dezelfde voorwaarden als de houders van de in artikel 3, sub f, van deze richtlijn bedoelde diploma's, certificaten of andere titels.
Van de in de eerste alinea bedoelde eis inzake een beroepsuitoefening van drie jaar zijn vrijgesteld de personen die met succes een studie van ten minste drie jaar hebben volbracht die volgens een officiële verklaring van de bevoegde autoriteiten gelijkwaardig is aan de opleiding, bedoeld in artikel 1 van richtlijn 78/687/EEG."
De nationale regelgeving
5 De Italiaanse Republiek heeft de erkenningsrichtlijn en de coördinatierichtlijn in zijn nationale rechtsorde omgezet bij legge nr. 409 van 24 juli 1985, Istituzione della professione sanitaria di odontoiatra e disposizioni relative al diritto di stabilimento ed alla libera prestazione di servizi da parte dei dentisti cittadini di Stati membri delle Comunità europee (wet nr. 409 tot instelling van het beroep van tandarts en houdende bepalingen betreffende het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten van tandartsen die onderdaan zijn van de lidstaten van de Europese Gemeenschap, GURI nr. 190 van 13 augustus 1985, suppl. ord. nr. 69).
6 Artikel 1 van deze wet introduceert het beroep van tandarts in Italië en behoudt de uitoefening ervan, onder de titel odontoiatra", voor aan personen die:
- hetzij de nieuwe, specifieke tandheelkundige opleiding van vijf jaar hebben gevolgd, afgesloten met het diploma laurea in odontoiatria e protesi dentaria" (diploma in de tandheelkunde en tandheelkundige prothesen) en gevolgd door de toelating tot de uitoefening van het beroep;
- hetzij een basisartsenopleiding van zes jaar hebben gevolgd, afgesloten met het diploma laurea in medicina e chirurgia" (diploma in de genees- en heelkunde) en gevolgd door de toelating tot de beoefening van de genees- en heelkunde, aangevuld met een specialisatiediploma in de tandheelkunde dat na drie jaar specialisatie wordt afgegeven.
7 Artikel 4 van wet nr. 409/85 bepaalt, dat de inschrijving in het register van tandartsen onverenigbaar is met de inschrijving in enig ander beroepsregister. Artikel 20 van deze wet schrijft onder meer voor, dat artsen die niet in de tandheelkunde zijn gespecialiseerd, hun opleiding vóór 28 januari 1980 hebben aangevangen en voornemens zijn de tandheelkunde te beoefenen, binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van de wet, dus vóór 28 augustus 1990, moeten kiezen voor inschrijving in het tandartsenregister. Ingevolge artikel 5 mogen in de tandheelkunde gespecialiseerde artsen echter gelijktijdig blijven staan ingeschreven in zowel het artsen- als het tandartsenregister.
De precontentieuze procedure
8 Van oordeel dat de in de punten 5 tot en met 7 van dit arrest genoemde Italiaanse wetgeving in strijd was met de erkenningsrichtlijn en de coördinatierichtlijn, heeft de Commissie een niet-nakomingsprocedure ingeleid. Bij brief van 9 april 1997 heeft zij de Italiaanse Republiek aangemaand haar opmerkingen dienaangaande te maken. In antwoord hierop hebben de Italiaanse autoriteiten wetsvoorstel nr. 2653 betreffende het beroep van tandarts overgelegd, dat voorziet in één enkele toegang tot het beroep (een specifieke opleiding die wordt afgesloten met het diploma laurea in odontoiatria e protesi dentaria").
9 Vaststellende dat dit wetsvoorstel nog niet was aangenomen, heeft de Commissie op 18 mei 1999 een met redenen omkleed advies uitgebracht, waarin zij de Italiaanse Republiek uitnodigde binnen twee maanden na kennisgeving van dit advies de nodige maatregelen te treffen om eraan te voldoen. Aangezien zij de door de Italiaanse autoriteiten verstrekte gegevens niet bevredigend achtte, heeft de Commissie besloten het onderhavige beroep in te stellen.
De ontvankelijkheid
10 De Italiaanse regering werpt twee excepties van niet-ontvankelijkheid op.
De eerste exceptie
11 De Italiaanse regering betoogt in de eerste plaats, dat het haar gemaakte verwijt, als zou zij het tweede studieprogramma en de mogelijkheid van dubbele inschrijving in het artsenregister en in het tandartsenregister hebben gehandhaafd", niet strookt met de realiteit. Strikt geredeneerd was het niet mogelijk de litigieuze bepalingen te handhaven omdat deze na vaststelling van de coördinatierichtlijn en ter omzetting daarvan in het nationale recht zijn ingevoerd, hetgeen tot een ingrijpende wijziging van de voordien geldende regeling heeft geleid. Door deze onjuiste formulering is verwarring bij de Italiaanse Republiek ontstaan over het juiste begrip van de door de Commissie jegens haar geuite grieven, hetgeen haar in haar verweermogelijkheden heeft beperkt.
12 Dienaangaande volstaat de constatering, enerzijds, dat het bestaan van een niet-nakoming afhangt van het bestaan van maatregelen die bij het verstrijken van de door de Commissie in haar met redenen omklede advies gestelde termijn niet in overeenstemming zijn met het gemeenschapsrecht, zodat de datum van vaststelling van de betrokken nationale bepalingen in dit verband niet relevant is. Anderzijds is het zo, dat een lidstaat die met het gemeenschapsrecht strijdige nationale bepalingen invoert, deze bepalingen vanaf de datum van inwerkingtreding ervan handhaaft tot een eventuele wijziging of intrekking.
13 De eerste exceptie van niet-ontvankelijkheid moet dan ook worden verworpen.
De tweede exceptie
14 De Italiaanse regering stelt in de tweede plaats, dat de Commissie heeft nagelaten tot staving van haar beroep aan te geven welke bepalingen van gemeenschapsrecht zouden zijn geschonden. Het is dus niet bekend welke verplichtingen de Italiaanse Republiek niet is nagekomen, zodat het verzoekschrift niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
15 Aangaande de eerste grief, die betrekking heeft op het in wet nr. 409/85 voorziene tweede studieprogramma, zij opgemerkt dat de Commissie in haar verzoekschrift heeft gepreciseerd, dat de niet-nagekomen verplichtingen de verplichtingen zijn die voortvloeien uit artikel 1 van de coördinatierichtlijn.
16 Wat de eerste grief betreft, moet het beroep van de Commissie derhalve ontvankelijk worden verklaard.
17 Aangaande de tweede grief, die betrekking heeft op de mogelijkheid van dubbele inschrijving in zowel het artsenregister als het tandartsenregister, moet de Italiaanse regering in het gelijk worden gesteld waar zij betoogt dat de Commissie deze grief niet heeft gekoppeld aan een specifieke bepaling van de erkenningsrichtlijn of de coördinatierichtlijn.
18 Zowel tijdens de precontentieuze procedure als in de motivering van haar verzoekschrift heeft de Commissie namelijk eerst gesteld, dat de erkenningsrichtlijn uitsluit dat een beroepsbeoefenaar met één diploma en één toelating tot de beroepsbeoefening tegelijk is ingeschreven in het artsenregister en in het register van de beoefenaars der tandheelkunde. Meer concreet heeft zij zich in dit verband beroepen op artikel 19 van de erkenningsrichtlijn, zonder evenwel te stellen dat de litigieuze Italiaanse wetgeving in strijd met dit artikel is. Vervolgens heeft de Commissie gesteld dat de huidige situatie in Italië niet strookt met het geharmoniseerde stelsel dat door de erkenningsrichtlijn en de coördinatierichtlijn in het leven is geroepen. Tot slot betoogt zij in het petitum van haar verzoekschrift, dat de coördinatierichtlijn zich verzet tegen handhaving van de mogelijkheid van dubbele inschrijving.
19 De Commissie meent niettemin dat zij zowel in het met redenen omklede advies als in het verzoekschrift op coherente, nauwkeurige en gedetailleerde wijze heeft uiteengezet welke schendingen zij de Italiaanse Republiek verwijt. In repliek verduidelijkt zij, dat artikel 1 van de coördinatierichtlijn de hoeksteen" is van het hele door de erkenningsrichtlijn en de coördinatierichtlijn gecreëerde geharmoniseerde stelsel en dat op dit artikel, dat zowel in het met redenen omklede advies als in het verzoekschrift is aangehaald, een beroep moet worden gedaan in geval van ernstige en fundamentele schendingen van voornoemd geharmoniseerd stelsel indien de schendingen, zoals in casu, niet kunnen worden herleid tot meer specifieke bepalingen van de beide hiervoor genoemde richtlijnen.
20 Om te beginnen zij herinnerd aan de vaste rechtspraak van het Hof, dat de Commissie in elk krachtens artikel 226 EG ingediend verzoekschrift de exacte grieven moet aangeven waarover zij een uitspraak van het Hof verlangt, evenals - in elk geval summier - de juridische en feitelijke gronden waarop die grieven berusten (zie met name arrest van 23 oktober 1997, Commissie/Griekenland, C-375/95, Jurispr. blz. I-5981, punt 35).
21 Wat meer in het bijzonder de verplichting betreft om de elementen rechtens aan te geven waarop de grieven van de Commissie berusten, is het niet voldoende dat de Commissie tot staving van de stelling dat de verwerende lidstaat een bepaling van gemeenschapsrecht niet in acht heeft genomen, deze bepaling enkel aanhaalt in het onderdeel van het met redenen omklede advies of van het verzoekschrift dat is gewijd aan het juridische kader, welk onderdeel louter beschrijvend is en geen bewijsfunctie heeft.
22 Hieruit volgt dat de vermelding door de Commissie van artikel 1 van de coördinatierichtlijn in het onderdeel van het met redenen omklede advies of van het verzoekschrift dat is gewijd aan het juridische kader, niet volstaat om een verband te leggen tussen de schending van dit artikel en het bestaan van de mogelijkheid van gelijktijdige inschrijving in de twee beroepsregisters. De omstandigheid dat de Commissie dit artikel aanhaalt tot staving van haar eerste grief, impliceert bovendien niet, behoudens aanwijzingen van het tegendeel, dat dit artikel tevens is ingeroepen tot staving van de tweede grief.
23 Waar de Commissie echter stelt dat een nationale regeling in strijd is met het stelsel, de opzet of de geest van een harmonisatierichtlijn, zonder dat de daaruit voortvloeiende schending van het gemeenschapsrecht kan worden gekoppeld aan specifieke bepalingen van die richtlijn, kan haar verzoekschrift niet enkel op deze grond niet-ontvankelijk worden geacht. In een dergelijke situatie kan het Hof evenwel enkel onderzoeken, of de betrokken nationale regeling in deze zin in strijd is met de betrokken richtlijn.
24 In casu heeft de Commissie gesteld dat de huidige rechtssituatie in Italië, die een dubbele inschrijving in het artsenregister en in het tandartsenregister toestaat, in strijd is met het door de erkenningsrichtlijn en de coördinatierichtlijn gecreëerde geharmoniseerde stelsel en dat laatstgenoemde richtlijn zich als zodanig verzet tegen de handhaving van de mogelijkheid van dubbele inschrijving. Hieruit volgt dat het door de Commissie ingediende verzoekschrift de Italiaanse Republiek in staat heeft gesteld op dit punt verweer te voeren teneinde de door de Commissie geuite grieven te weerleggen.
25 Mitsdien moet het beroep van de Commissie, wat betreft de tweede grief, ontvankelijk worden verklaard voorzover de Commissie stelt dat de betrokken nationale regeling in strijd is met het geharmoniseerde stelsel dat door de erkenningsrichtlijn en de coördinatierichtlijn in het leven is geroepen.
Ten gronde
De eerste grief
Argumenten van partijen
26 Volgens de Commissie is het tweede studieprogramma van wet nr. 409/85, waarvan drie studiejaren aan de tandheelkunde zijn gewijd, kennelijk in strijd met de voorwaarde van artikel 1 van de coördinatierichtlijn, dat sprake moet zijn van een specifieke opleiding van vijf jaar.
27 Zij betoogt dat dit tweede studieprogramma voor tandartsen volledig overeenstemt met het diploma van een gespecialiseerd arts in de stomatologie (odontostomatologia"), als genoemd in artikel 7 van richtlijn 93/16/EEG van de Raad van 5 april 1993 ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van artsen en de onderlinge erkenning van hun diploma's, certificaten en andere titels (PB L 165, blz. 1).
28 Een specialisatie in de geneeskunde kan niet tegelijkertijd vallen én onder de werkingssfeer van richtlijn 93/16, die betrekking heeft op artsen, én onder de werkingssfeer van de erkenningsrichtlijn, die betrekking heeft op de beoefenaars der tandheelkunde. De coördinatierichtlijn voorziet uitdrukkelijk in de invoering van een nieuwe categorie beroepsbeoefenaars, die bevoegd zijn de tandheelkunde onder een andere titel dan die van arts uit te oefenen. Dit is de reden waarom artikel 19 van de erkenningsrichtlijn bepaalt dat artsen die hun titel van arts in Italië hebben verworven - ongeacht of zij al dan niet zijn gespecialiseerd in de beoefening der tandheelkunde - niet van rechtswege krachtens deze richtlijn worden erkend. Deze erkenning valt als uitzonderings- en overgangsmaatregel ten deel aan die artsen die vóór 28 januari 1980 met hun artsenopleiding zijn begonnen.
29 Het tweede studieprogramma voor tandartsen kan dus niet worden gehandhaafd in het kader van de omzetting in de nationale rechtsorde van de coördinatierichtlijn.
30 Voorts schaart de Commissie zich achter de conclusies van juni 1989 van het raadgevend comité voor de opleiding van beoefenaars der tandheelkunde in diens Rapport en advies inzake de verenigbaarheid met artikel 1 van richtlijn 78/687/EEG van de tandartsenopleiding in Italië, bestaande uit een artsenopleiding gevolgd door een specialisatie in de tandheelkunde" (referentie III/D/5045/3/89 van 15 november 1989), dat als bijlage bij de memorie in repliek van de Commissie is gevoegd.
31 Voornoemd comité, dat is samengesteld uit ter zake deskundigen uit alle lidstaten, heeft in punt 4, sub a en b, van zijn rapport en advies geconcludeerd:
a) Een opleiding in de tandheelkunde die volgt op een medicijnenstudie is niet in overeenstemming met artikel 1 van richtlijn 78/687/EEG, dat een specifieke tandartsenopleiding vereist die gedurende vijf jaar aan de universiteit wordt gevolgd en uitsluitend aan de odontologie is gewijd. Een opleiding ter aanvulling op een medicijnenstudie die slechts een specialisatie in de odontologie biedt, onderscheidt zich zowel qua structuur als qua inhoud duidelijk van een vijfjarig studieprogramma dat is opgezet volgens de eisen van artikel 1 van richtlijn 78/687/EEG, van meet af aan is gewijd aan de odontologie en wordt afgesloten met examens die uitsluitend betrekking hebben op de odontologie.
b) Het tweede type opleiding dat in Italië bestaat, komt overeen met de opleiding tot ,stomatoloog. Het diploma van ,stomatoloog en de specialisatie op dit vakgebied worden geregeld in de richtlijnen betreffende artsen. De richtlijnen betreffende artsen en tandartsen zijn gebaseerd op het uitgangspunt dat er sprake is van twee verschillende beroepen. Volgens dit uitgangspunt is de in Italië toegekende kwalificatie van specialist in de ,stomatologie terecht overgenomen in de ,artsen-richtlijnen. De ,tandartsen-richtlijnen vormen niet het geschikte kader voor de onderlinge erkenning van een diploma dat wordt afgegeven na een medische specialisatie."
32 De Italiaanse regering is van mening, dat bij de berekening van de duur van het tweede studieprogramma rekening moet worden gehouden met de tijd die in het kader van de opleiding ter verwerving van het artsendiploma is besteed aan de studie van de basisvakken en de algemene medische vakken, omdat deze vakken volgens de bijlage bij de coördinatierichtlijn tevens deel uitmaken van het studieprogramma voor beoefenaars der tandheelkunde. Bovendien vereist artikel 1 van de coördinatierichtlijn niet, dat de in de bijlage bedoelde opleiding is verworven in het kader van één enkele studiecyclus die exclusief strekt tot het behalen van een diploma in de tandheelkunde.
33 Het argument van de Commissie dat de coördinatierichtlijn vereist dat de specifieke tandheelkundige studie de volledige periode van vijf jaar in beslag neemt, vindt volgens de Italiaanse regering geen steun in de bepalingen van voornoemde richtlijn. De bijlage bij deze richtlijn voorziet namelijk noch in een onderverdeling van de opleidingsduur in algemeen medische vakken en specifieke odonto-stomatologische vakken, noch in een gelijktijdige en gecombineerde studie van beide categorieën vakken.
Beoordeling door het Hof
34 Artikel 1, lid 2, van de coördinatierichtlijn bepaalt dat de in lid 1 van deze bepaling bedoelde tandheelkundige opleiding" in totaal ten minste vijf studiejaren fulltime theoretisch en praktisch onderwijs [omvat] in de in de bijlage genoemde vakken aan een universiteit, aan een hoger instituut van een als gelijkwaardig erkend niveau of onder toezicht van een universiteit".
35 Van de drie groepen vakken die in voornoemde bijlage voorkomen, valt weliswaar alleen groep c, getiteld Specifiek tandheelkundige vakken", onder een specifieke tandheelkundige opleiding, doch de groepen b en c, getiteld Basisvakken" respectievelijk Medisch-biologische en algemeen medische vakken", omvatten vakken waarvan de kennis zowel noodzakelijk is voor de uitoefening van de geneeskunde als voor die der tandheelkunde.
36 Voorts staat vast dat artikel 1, lid 2, van de coördinatierichtlijn noch voorziet in een eventuele minimumduur die aan de specifiek tandheelkundige vakken zou moeten worden besteed, noch in een onderverdeling van de tijd die aan die vakken wordt besteed gedurende de in totaal vijfjarige studie die vereist is om een tandheelkundige opleiding te verwerven.
37 De in artikel 1, lid 2, van de coördinatierichtlijn bedoelde opleiding wordt echter uitdrukkelijk aangemerkt als tandheelkundige opleiding", hetgeen veronderstelt dat er een studieprogramma bestaat dat specifiek gericht is op de opleiding van beoefenaars der tandheelkunde.
38 Het diploma waartoe het tweede studieprogramma van wet nr. 409/85 opleidt, is geen tandartsendiploma, maar een basisartsendiploma gecombineerd met een diploma ter afronding van een specialisatie in de tandheelkunde. Een dergelijke opeenvolging van diploma's strookt niet met de eisen van de coördinatierichtlijn en de erkenningsrichtlijn, welke richtlijnen beide spreken van één diploma.
39 Artikel 19, tweede alinea, van de erkenningsrichtlijn, dat in het kader van de speciaal voor Italië gecreëerde regeling voorziet in de erkenning, met het oog op de uitoefening van de werkzaamheden van beoefenaar der tandheelkunde, van een basisartsendiploma gecombineerd met een diploma ter afronding van een specialisatie in de tandheelkunde, verzet zich niet tegen deze uitlegging. Indien de communautaire wetgever de mogelijkheid van onderlinge erkenning van een dergelijke opleiding algemeen had willen erkennen, zou hij de onderlinge erkenning van de kwalificatie van de beroepsbeoefenaars die deze opleiding hebben genoten niet in de vorm van een tijdelijke afwijkende maatregel hebben gegoten door hierin slechts te voorzien voor degenen die vóór 28 januari 1980 met hun artsenopleiding zijn begonnen.
40 Deze uitlegging van de coördinatierichtlijn vindt steun in de conclusies van 1989 van het raadgevend comité voor de opleiding van de beoefenaars der tandheelkunde, inzonderheid die welke in punt 31 van dit arrest zijn weergegeven.
41 De eerste grief moet derhalve gegrond worden verklaard.
De tweede grief
Argumenten van partijen
42 De Commissie stelt dat de erkenningsrichtlijn de mogelijkheid uitsluit dat een beroepsbeoefenaar met één diploma en één toelating tot de beoefening van het beroep gelijktijdig staat ingeschreven in het artsenregister en in het register voor beoefenaars der tandheelkunde.
43 Een beroepsbeoefenaar met één diploma en één toelating tot de beoefening van het beroep moet volgens haar immers ófwel onder de erkenningsrichtlijn vallen indien hij arts is en zich in hoofdzaak bezighoudt met de werkzaamheden van tandarts, zulks op grond van de in artikel 19 van deze richtlijn vervatte tijdelijke uitzonderingsregeling, ófwel onder richtlijn 93/16 indien hij een in de stomatologie gespecialiseerd arts is en ervoor heeft gekozen om in deze hoedanigheid werkzaam te blijven.
44 De Commissie voegt hieraan toe, dat zij niet de bevoegdheid van de lidstaten ten aanzien van het invoeren en bijhouden van beroepsregisters betwist, doch dat zij bestrijdt dat de houder van een artsendiploma in Italië tegelijkertijd ingeschreven mag blijven staan in het artsenregister en in het tandartsenregister en dus tegelijkertijd twee beroepen kan uitoefenen.
45 De Italiaanse regering betoogt dat artikel 1 van de coördinatierichtlijn niet voorschrijft dat de toegang tot de werkzaamheden van beoefenaar der tandheelkunde afhankelijk wordt gesteld van de inschrijving in een beroepsregister, en dat dit artikel een dubbele inschrijving niet uitsluit, behoudens voorzover inschrijving mogelijk is voor personen die niet voldoen aan de opleidingseisen van artikel 1 van de coördinatierichtlijn of voorzover de coördinatierichtlijn bepaalde inschrijvingen uitdrukkelijk onverenigbaar met elkaar verklaart.
Beoordeling door het Hof
46 Zoals uit de beoordeling in het kader van de eerste grief volgt, verzet de coördinatierichtlijn zich ertegen dat een lidstaat voorziet in een tweede studieprogramma dat toegang geeft tot het beroep van beoefenaar der tandheelkunde, bestaande in een basisartsenopleiding aangevuld met een specialisatie in de tandheelkunde.
47 Voornoemde richtlijn vereist immers een uitdrukkelijk als tandheelkundige opleiding" aangemerkte opleiding die uitmondt in één diploma als bedoeld in de erkenningsrichtlijn.
48 Indien de coördinatierichtlijn dus buiten de afwijkings- en overgangsregeling van artikel 19 van de erkenningsrichtlijn de mogelijkheid uitsluit om na afloop van een opleiding bestaande uit zes jaar basisartsenopleiding en drie jaar specialisatie in de tandheelkunde toegang te krijgen tot de werkzaamheden van beoefenaar der tandheelkunde in de zin van de coördinatierichtlijn en de erkenningsrichtlijn, dan betekent dit dat zij ook de mogelijkheid uitsluit dat een persoon die slechts één van deze opleidingen heeft genoten, tegelijkertijd kan worden ingeschreven in het artsenregister en in het register van beoefenaars der tandheelkunde.
49 In repliek heeft de Commissie echter verduidelijkt, dat de tweede grief betrekking heeft op artsen wier diploma in Italië is afgegeven, ongeacht of zij al dan niet zijn gespecialiseerd, en die onder de uitzonderingsregeling van artikel 19 van de erkenningsrichtlijn vallen en wettig de werkzaamheid van tandarts uitoefenen. In dat geval is volgens de Commissie de inschrijving in het artsenregister de onwettige inschrijving, aangezien zij het recht geeft, met eenzelfde (artsen)diploma en op grond van eenzelfde toelating tot de beroepsuitoefening naast het beroep van tandarts werkzaamheden als arts uit te oefenen, ofschoon deze laatste werkzaamheden door richtlijn 93/16 worden geregeld.
50 In dit verband moet allereerst worden geconstateerd, dat de overgangsregeling van artikel 19 van de erkenningsrichtlijn zwijgt ten aanzien van de vraag of de in dit artikel bedoelde artsen al dan niet kunnen blijven staan ingeschreven in het artsenregister.
51 Verder is het zo, dat de erkenningsrichtlijn en de coördinatierichtlijn weliswaar naar een duidelijke scheiding van het beroep van beoefenaar der tandheelkunde en dat van arts streven, doch dat er geen enkele aanwijzing is dat de bij deze richtlijnen ingevoerde geharmoniseerde regeling tevens tot doel heeft artsen die onder artikel 19 van de erkenningsrichtlijn vallen, te verhinderen zich in te schrijven in het artsenregister, hetgeen er immers op neer zou komen dat hun het recht werd ontnomen om de geneeskunde te beoefenen.
52 Bij artikel 19 van de erkenningsrichtlijn is een speciale regeling gecreëerd voor een bepaalde categorie artsen wier diploma is afgegeven in Italië, namelijk artsen die weliswaar over een artsendiploma beschikken, doch die zich als hoofdwerkzaamheid in Italië hebben beziggehouden met de uitoefening van het beroep van tandarts. Doel van deze regeling is om de overgang na de invoering in Italië van het beroep van beoefenaar der tandheelkunde als bedoeld in de erkenningsrichtlijn en coördinatierichtlijn, te vergemakkelijken. Hiertoe schept voornoemd artikel de verplichting voor de lidstaten om onder bepaalde voorwaarden het artsendiploma van deze categorie beroepsbeoefenaars te erkennen met het oog op de uitoefening van de werkzaamheden van beoefenaar der tandheelkunde.
53 De vraag of de andere lidstaten verplicht zijn de diploma's van deze beroepsbeoefenaren tevens te erkennen met het oog op de uitoefening van de werkzaamheden van arts, is een kwestie die moet worden geregeld in het kader van de communautaire regelgeving inzake de erkenning van diploma's, certificaten en andere artsentitels, en niet in het kader van de erkenningsrichtlijn en coördinatierichtlijn betreffende de beoefenaars der tandheelkunde.
54 Hoe dan ook hangt de eventuele erkenning van deze diploma's in de andere lidstaten niet af van de inschrijving van de betrokken beroepsbeoefenaren in het artsenregister in Italië. De erkenning van beroepskwalificaties stoelt immers niet op iemands inschrijving in een beroepsregister, doch vindt in het algemeen plaats uit hoofde van de kenmerken van het betrokken diploma en van de beroepservaring die door de houder daarvan is opgedaan.
55 Ten slotte zij opgemerkt dat deze uitlegging niet in tegenspraak is met het arrest van 1 juni 1995, Commissie/Italië (C-40/93, Jurispr. blz. I-1319). In punt 24 van dit arrest heeft het Hof onderstreept, dat het de lidstaten niet vrij staat om een categorie van beoefenaars der tandheelkunde in het leven te roepen die met geen van de door de betrokken richtlijnen voorziene categorieën overeenkomt. In casu wordt echter geen nieuwe categorie artsen wier diploma's wellicht niet in de andere lidstaten worden erkend, in het leven geroepen, doch gaat het om de concrete gevolgen van een overgangsregeling voor een beperkte categorie artsen.
56 In deze omstandigheden moet de tweede grief worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
57 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dit is gevorderd. Volgens artikel 69, lid 3, eerste alinea, kan het Hof de proceskosten evenwel over de partijen verdelen of beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld. Nu de Italiaanse Republiek en de Commissie ieder gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld, moet worden beslist dat elke partij haar eigen kosten zal dragen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door te voorzien in een tweede studieprogramma voor de toegang tot het beroep van tandarts, dat niet in overeenstemming is met richtlijn 78/687/EEG van de Raad van 25 juli 1978 inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde, is de Italiaanse Republiek de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het beroep wordt voor het overige afgewezen.
3) De Italiaanse Republiek en de Commissie zullen elk hun eigen kosten dragen.
Full & Egal Universal Law Academy