Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Sociale zekerheid van migrerende werknemers Gemeenschapsregeling Materiële werkingssfeer Prestaties die daaronder zijn begrepen en prestaties die daarvan zijn uitgesloten Onderscheidingscriteria Prestaties krachtens nationale socialezekerheidsregeling die risico van hulpbehoevendheid dekt Daaronder begrepen als prestatie bij ziekte
(Verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 4, lid 1, sub a)
2. Sociale zekerheid van migrerende werknemers Ziekteverzekering Nationale socialezekerheidsregeling die risico van hulpbehoevendheid dekt Uitkering bij ziekte Voorwaarde dat verzekerde op grondgebied van staat van aansluiting woont Ontoelaatbaarheid
(Verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 19, lid 1)
Samenvatting
1. Een uitkering kan als een socialezekerheidsuitkering worden beschouwd wanneer zij, zonder individuele en discretionaire beoordeling van de persoonlijke behoeften, aan de rechthebbenden wordt toegekend op grond van een wettelijk omschreven positie en verband houdt met één van de in artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71 uitdrukkelijk genoemde eventualiteiten. Dit is het geval met een verzorgingstoelage die op objectieve wijze wordt toegekend op grond van een in de wet omschreven situatie. Dit soort prestaties zijn er in wezen op gericht, een aanvulling te vormen op de prestaties krachtens de ziekteverzekering, waaraan zij overigens qua organisatie gekoppeld zijn, teneinde de gezondheid en de levensomstandigheden van de zorgbehoevende te verbeteren. Bijgevolg moeten dergelijke prestaties, ongeacht hun specifieke kenmerken, als prestaties bij ziekte" in de zin van artikel 4, lid 1, sub a, van verordening nr. 1408/71 worden aangemerkt.
( cf. punten 25-26, 28 )
2. Artikel 19, lid 1, sub b, van verordening nr. 1408/71 en de overeenkomstige bepalingen van de andere afdelingen van hoofdstuk 1 van titel III van deze verordening verzetten zich ertegen dat voor het recht op betaling van een verzorgingstoelage waarin de wettelijke regeling van een lidstaat voorziet, als voorwaarde wordt gesteld dat de zorgbehoevende persoon zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat heeft.
De verzorgingstoelage die als een uitkering bij ziekte moet worden aangemerkt, moet krachtens deze bepalingen worden betaald, ongeacht de lidstaat waarin de zorgbehoevende persoon woont die aan de andere toekenningsvoorwaarden voldoet.
( cf. punten 35-36 en dictum )
Partijen
In zaak C-215/99,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) van het Landesgericht Feldkirch (Oostenrijk), in het aldaar aanhangige geding tussen
Friedrich Jauch
en
Pensionsversicherungsanstalt der Arbeiter,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 10 bis, lid 1, en 19, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, C. Gulmann, A. La Pergola, M. Wathelet en V. Skouris, kamerpresidenten, D. A. O. Edward, J.-P. Puissochet (rapporteur), P. Jann, L. Sevón, R. Schintgen, F. Macken, N. Colneric, S. von Bahr, J. N. Cunha Rodrigues en C. W. A. Timmermans, rechters,
advocaat-generaal: S. Alber,
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door C. Stix-Hackl als gemachtigde,
de Duitse regering, vertegenwoordigd door W.-D. Plessing en C.-D. Quassowski als gemachtigden,
de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Hillenkamp en C. Egerer als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door G. Hesse als gemachtigde; de Franse regering, vertegenwoordigd door C. Bergeot als gemachtigde; de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. A. Fierstra als gemachtigde; de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door E. Sharpston, QC, en de Commissie, vertegenwoordigd door V. Kreuschitz en C. Egerer als gemachtigden, ter terechtzitting van 25 oktober 2000,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 december 2000,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 16 maart 1999, bij het Hof ingekomen op 7 juni daaraanvolgend, heeft het Landesgericht Feldkirch krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de artikelen 10 bis, lid 1, en 19, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1; hierna: verordening nr. 1408/71").
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen Jauch en de Pensionsversicherungsanstalt der Arbeiter over de weigering van laatstgenoemde om Jauch het Pflegegeld" (hierna: verzorgingsuitkering") te betalen, waarin het Bundespflegegeldgesetz (Oostenrijkse federale wet betreffende de verzorgingsuitkering, BGBl I, 1993, blz. 110; hierna: BPGG") voorziet.
De gemeenschapsregeling
3 Artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71 bepaalt:
Deze verordening is van toepassing op alle wettelijke regelingen betreffende de volgende takken van sociale zekerheid:
a) prestaties bij ziekte [...];
b) prestaties bij invaliditeit [...];
c) uitkeringen bij ouderdom;
[...]"
4 Krachtens artikel 4, lid 2 bis, is verordening nr. 1408/71 van toepassing op de bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties die vallen onder een andere wetgeving of een ander stelsel dan bedoeld in lid 1 van dit artikel, wanneer deze prestaties met name bestemd zijn om bij wijze van vervangende, aanvullende of bijkomende prestatie, de gebeurtenissen te dekken die onder de in lid 1 bedoelde takken vallen.
5 Artikel 10 bis, lid 1, van verordening nr. 1408/71 bepaalt:
Niettegenstaande de bepalingen van artikel 10 en van titel III ontvangen de personen waarop deze verordening van toepassing is, de bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties als bedoeld in artikel 4, lid 2 bis, uitsluitend op het grondgebied van de lidstaat waar zij wonen en krachtens de wetgeving van die lidstaat, voorzover deze prestaties zijn vermeld in bijlage II bis. De prestaties worden door en voor rekening van het orgaan van de woonplaats verleend."
6 Bijlage II bis bij verordening nr. 1408/71, met als opschrift Bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties", vermeldt onder punt K. Oostenrijk, sub b, het volgende:
Bijstand (Pflegegeld) op grond van de Federale Oostenrijkse wet inzake bijstand (Bundespflegegeldgesetz) met uitzondering van bijstand verleend door instellingen voor ongevallenverzekering indien de handicap is veroorzaakt door een arbeidsongeval of een beroepsziekte."
7 Ten slotte bepaalt artikel 19, lid 1, van verordening nr. 1408/71, dat deel uitmaakt van titel III van deze verordening:
De werknemer die op het grondgebied van een andere lidstaat dan de bevoegde staat woont en aan de in de wettelijke regeling van de bevoegde staat gestelde voorwaarden voor het recht op prestaties voldoet, heeft [...] in de staat op het grondgebied waarvan hij woont, recht op:
a) verstrekkingen, welke voor rekening van het bevoegde orgaan door het orgaan van de woonplaats worden verleend, volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling, alsof hij bij laatstbedoeld orgaan was aangesloten;
b) uitkeringen welke door het bevoegde orgaan worden verleend volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling. Na overeenstemming tussen het bevoegde orgaan en het orgaan van de woonplaats kunnen deze uitkeringen evenwel door laatstbedoeld orgaan voor rekening van het eerstbedoelde worden verleend volgens de wettelijke regeling van de bevoegde staat."
De nationale wettelijke regeling
8 Blijkens artikel 1 van het sinds 1993 in Oostenrijk geldende BPGG is de verzorgingsuitkering bedoeld om zorgbehoevende personen door middel van een forfaitaire bijdrage te verzekeren van hulp en bijstand, zodat zij meer kansen hebben om een autonoom en aan hun behoeften aangepast leven te leiden. Artikel 3, lid 1, van het BPGG definieert het toepassingsgebied ratione personae van deze uitkering, en bepaalt met name dat de betrokken personen op die uitkering recht hebben voorzover zij hun gewone verblijfplaats in Oostenrijk hebben.
9 Krachtens artikel 22 van het BPGG wordt de verzorgingsuitkering betaald door de instellingen voor de wettelijke pensioen- en ongevallenverzekering. Artikel 23 van het BPGG bepaalt evenwel, dat de staat de instellingen voor de wettelijke pensioenverzekering vergoedt voor de lasten die zij hebben gedragen in verband met de verzorgingsuitkering, de verstrekkingen, de reiskosten, de medische controledienst en andere verzorging, de kosten van betekening, het overeenkomstige aandeel in de administratieve kosten, en de overige kosten, voorzover deze lasten overeenkomstig deze wet worden bewezen in de afzonderlijke resultatenrekening die krachtens de op de socialeverzekeringsinstellingen toepasselijke bepalingen moet worden opgesteld".
Het hoofdgeding
10 Jauch is een Duits onderdaan, die altijd in Lindau heeft gewoond, een Duitse stad vlakbij de grens met Oostenrijk. Hij werkte in Oostenrijk van mei 1941 tot juni 1958. In die periode was hij verplicht verzekerd. Daarna werkte hij in Oostenrijk van juli 1958 tot november 1981. In die periode was hij vrijwillig verzekerd onder het Oostenrijkse pensioenverzekeringsstelsel. Hij heeft aldus 480 verzekeringsmaanden vervuld in Oostenrijk en ontvangt sedert 1 mei 1995 een pensioen van de Pensionsversicherungsanstalt der Arbeiter.
11 Aangezien zijn verzekeringstijdvakken in Duitsland te verwaarlozen zijn, ontvangt Jauch geen enkel Duits pensioen. Wel ontving hij van 1 september 1996 tot 31 augustus 1998 krachtens een besluit van 28 november 1996 prestaties uit hoofde van de Duitse zorgverzekering, die werden betaald door de Allgemeine Ortskrankenkasse (AOK) Bayern, Pflegekasse Lindau. Doch met een beroep op het arrest van het Hof van 5 maart 1998, Molenaar (C-160/96, Jurispr. blz. I-843), staakte deze instelling de betaling van deze prestaties.
12 Bij beschikking van 7 september 1998 wees de Pensionsversicherungsanstalt der Arbeiter het verzoek van Jauch om toekenning van de verzorgingsuitkering krachtens het BPGG af. Het recht op een uitkering wegens zijn zorgbehoevendheid werd hem dus geweigerd door de bevoegde instellingen in Oostenrijk en in Duitsland. Tegen deze weigeringen stelde Jauch in beide lidstaten beroep in.
13 In het in Oostenrijk voor het Landesgericht Feldkirch ingestelde beroep, concludeerde verweerster in het hoofdgeding tot de afwijzing van het beroep, op grond dat de verzorgingsuitkering krachtens het BPGG uitdrukkelijk in bijlage II bis van verordening nr. 1408/71 is vermeld als een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie in de zin van artikel 10 bis van deze verordening, waarvoor uitsluitend personen die wonen op het grondgebied van de betrokken lidstaat in aanmerking komen.
14 Gelet op de bijzondere omstandigheden waaronder de financieringsmodaliteiten van de verzorgingsuitkering in werking zijn getreden, met een gelijktijdige verhoging van de bijdrage aan de ziekteverzekering, vraagt het Landesgericht zich evenwel af, of deze uitkering wel degelijk een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie is in de zin van artikel 4, lid 2 bis, in samenhang met artikel 10 bis van verordening nr. 1408/71.
15 Het Landesgericht Feldkirch heeft derhalve besloten de behandeling van de zaak te schorsen, en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
Is het in strijd met artikel 19, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971, betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de thans geldende versie, dat voor het recht op een verzorgingsuitkering (,Pflegegeld) krachtens het Bundespflegegeldgesetz (BPGG federale wet betreffende de verzorgingsuitkering BGBl 110/1993), in de thans geldende versie, als voorwaarde wordt gesteld, dat de zorgbehoevende zijn gewone verblijfplaats in Oostenrijk heeft?"
De prejudiciële vraag
16 Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de verzorgingsuitkering krachtens het BPGG kan worden beschouwd als een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie in de zin van artikel 10 bis van verordening nr. 1408/71, dat bepaalt dat de betrokken personen voor zulk een prestatie uitsluitend in aanmerking komen wanneer zij wonen op het grondgebied van de lidstaat en voldoen aan de wetgeving van die lidstaat, dan wel of de verblijfsvoorwaarde, waarvan de toekenning van de verzorgingsuitkering afhankelijk wordt gesteld, in strijd is met artikel 19, lid 1, van verordening nr. 1408/71 en de overeenkomstige bepalingen van de andere afdelingen van hoofdstuk 1 van titel III van deze verordening.
17 Zoals in punt 6 van het onderhavige arrest is uiteengezet, is de toekenning van de verzorgingsuitkering vermeld in de lijst in bijlage II bis bij verordening nr. 1408/71 van bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties in de zin van artikel 4, lid 2 bis, van deze verordening. De Oostenrijkse regering betoogt, dat de vermelding van een prestatie op deze lijst volstaat om de betrokken uitkering als een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie aan te merken. Zij beroept zich hiervoor op de arresten van 4 november 1997, Snares (C-20/96, Jurispr. blz. I-6057), 11 juni 1998, Partridge (C-297/96, Jurispr. blz. I-3467), en 25 februari 1999, Swaddling (C-90/97, Jurispr. blz. I-1075). In punt 30 van voormeld arrest Snares heeft het Hof geoordeeld, dat uit de vermelding van een regeling betreffende een onderhoudsuitkering voor gehandicapten in bijlage II bis van verordening nr. 1408/71 moet worden afgeleid, dat de op basis van deze regeling verleende prestaties bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties zijn. In punt 31 van voormeld arrest Partridge, en in punt 24 van voormeld arrest Swaddling, heeft het Hof dezelfde redenering gebruikt, om de rechtsgrondslag van respectievelijk een verzorgingstoelage voor gehandicapten en een inkomenssteunregeling te verduidelijken. Doch in deze drie zaken stond niet ter discussie, dat de betrokken prestaties bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties waren.
18 Er zij aan herinnerd, dat artikel 4, lid 2 bis, van verordening nr. 1408/71 slaat op de bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties" die onder een andere wetgeving vallen dan die met betrekking tot de traditionele takken van sociale zekerheid in de zin van artikel 4, lid 1, van deze verordening, en zelfs onder de sociale en medische bijstand, die krachtens artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1408/71 uitdrukkelijk van het toepassingsgebied daarvan is uitgesloten, maar die toch een aanknopingspunt hebben met de sociale zekerheid als bedoeld in deze verordening, nu zij bestemd zijn om, bij wijze van vervangende, aanvullende of bijkomende prestatie, risico's te dekken die overeenkomen met de in artikel 4, lid 1, van deze verordening bedoelde takken van sociale zekerheid.
19 Overigens komen voor de in artikel 4, lid 2 bis, van verordening nr. 1408/71 bedoelde bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties krachtens artikel 10 bis van deze verordening uitsluitend in aanmerking personen die op het nationaal grondgebied wonen, voorzover deze prestaties in bijlage II bis van deze verordening zijn vermeld.
20 Volgens vaste rechtspraak van het Hof (zie, bijvoorbeeld, arrest van 25 februari 1986, Spruyt, 284/84, Jurispr. blz. 685, punten 18 en 19) dienen de krachtens artikel 51 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 42 EG) vastgestelde bepalingen van verordening nr.1408/71 te worden uitgelegd met inachtneming van het doel van dit artikel, dat beoogt bij te dragen tot het tot stand brengen van een zo groot mogelijke vrijheid van verkeer voor migrerende werknemers. Het doel van de artikelen 48 en 49 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikelen 39 EG en 40 EG), 50 EG-Verdrag (thans artikel 41 EG), en 51 van het Verdrag zou niet bereikt zijn, indien de werknemers als gevolg van de uitoefening van hun recht op vrij verkeer socialezekerheidsvoordelen zouden verliezen die hun door de wettelijke regeling van een lidstaat worden toegekend, met name wanneer deze voordelen de tegenprestatie vormen voor door hen betaalde bijdragen.
21 In dit kader mag de gemeenschapswetgever bepalingen vaststellen die afwijken van het beginsel van exporteerbaarheid van socialezekerheidsuitkeringen (zie, met name, het reeds aangehaalde arrest Snares, punt 41). Dergelijke afwijkende bepalingen, zoals deze waarin artikel 10 bis van verordening nr. 1408/71 voorziet, moeten strikt worden uitgelegd. Dit betekent, dat zij slechts van toepassing zijn op de prestaties die aan de door hen vastgestelde voorwaarden voldoen. Hieruit volgt, dat artikel 10 bis slechts kan slaan op de prestaties die aan de voorwaarden van artikel 4, lid 2 bis, van verordening nr. 1408/71 voldoen, namelijk prestaties die zowel bijzonder zijn als niet op premie- of bijdragebetaling berusten, en die in bijlage II bis bij deze verordening zijn vermeld.
22 Onderzocht moet dus worden of de prestatie in het hoofdgeding, die in bijlage II bis bij verordening nr. 1408/71 is vermeld, bijzonder is en niet op premie- of bijdragebetaling berust.
Bijzondere prestatie
23 Terwijl de Duitse regering en de Commissie erkennen dat de verzorgingsuitkering een prestatie is die onder verordening nr. 1408/71 valt, betoogt de Oostenrijkse regering, dat deze uitkering deel uitmaakt van de maatregelen die het socialebijstandsbeleid van de regering vormen. Haars inziens heeft het risico zorgbehoevendheid" meer gemeen met het risico armoede" dan met het risico ziekte".
24 Vastgesteld moet echter worden, dat het Hof over deze vraag reeds uitspraak heeft gedaan in voormeld arrest Molenaar. Daarin heeft het geoordeeld, dat de Duitse bepalingen betreffende de toekenning van prestaties krachtens de Pflegeversicherung de rechthebbenden een wettelijk omschreven recht geven, en dat dit soort prestaties, die bedoeld zijn ter verbetering van de gezondheid en de levensomstandigheden van zorgbehoevende personen, er dus in wezen op gericht zijn, een aanvulling te vormen op de prestaties krachtens de ziekteverzekering.
25 Volgens vaste rechtspraak nu, kan een uitkering als een socialezekerheidsuitkering worden beschouwd, wanneer zij, zonder individuele en discretionaire beoordeling van de persoonlijke behoeften, aan de rechthebbenden wordt toegekend op grond van een wettelijk omschreven positie en verband houdt met één van de in artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71 uitdrukkelijk genoemde eventualiteiten (arresten van 27 maart 1985, Hoeckx, 249/83, Jurispr. blz. 973, punten 12-14; 20 juni 1991, Newton, C-356/89, Jurispr. blz. I-3017; 16 juli 1992, Hughes, C-78/91, Jurispr. blz. I-4839, punt 15, en Molenaar, reeds aangehaald, punt 20). Op basis van deze rechtspraak en gelet op de constitutieve elementen van de prestaties krachtens de Duitse zorgverzekering, heeft het Hof in punt 25 van voormeld arrest Molenaar geoordeeld, dat deze prestaties als prestaties bij ziekte" in de zin van artikel 4, lid 1, sub a, van verordening nr. 1408/71 moeten worden aangemerkt, en in punt 36 van dit arrest, als uitkeringen" van de ziekteverzekering, als bedoeld in met name artikel 19, lid 1, sub b, van deze verordening.
26 Voorzover in het hoofdgeding de verzorgingsuitkering op nationaal vlak onder een andere juridische regeling valt, neemt zulks niet weg dat zij identiek is aan de prestaties van de Duitse zorgverzekering die in voormeld arrest Molenaar aan de orde was, aangezien zij eveneens op objectieve grondslagen wordt toegekend, op grond van een wettelijk omschreven situatie.
27 In dit verband is het enerzijds zo, dat het recht op betaling van een verzorgingsuitkering krachtens artikel 3, lid 1, BPGG slechts wordt toegekend aan de rechthebbenden op een uitkering wegens arbeidsongeval of beroepsziekte of aan de rechthebbenden op een pensioen krachtens het Allgemeine Sozialversicherungsgesetz. Anderzijds moet krachtens de artikelen 22 en 23 BPGG de last van deze uitkering voorlopig worden gedragen door de instellingen voor de wettelijke pensioen- en ongevallenverzekering, die vervolgens uit de federale staatsbegroting voor de betaalde voorschotten worden vergoed.
28 De toekenningsvoorwaarden van de verzorgingsuitkering en haar financieringswijze kunnen niet afdoen aan de kwalificatie ervan in voormeld arrest Molenaar, volgens hetwelk dit soort prestaties er in wezen op zijn gericht, een aanvulling te vormen op de prestaties krachtens de ziekteverzekering, waaraan zij overigens qua organisatie gekoppeld zijn, teneinde de gezondheid en de levensomstandigheden van de zorgbehoevende te verbeteren (arrest Molenaar, reeds aangehaald, punt 24). Bijgevolg moeten dergelijke prestaties, ongeacht hun specifieke kenmerken, als prestaties bij ziekte" in de zin van artikel 4, lid 1, sub a en b, van verordening nr. 1408/71 worden aangemerkt (arrest Molenaar, reeds aangehaald, punt 25). Het doet er dus niet toe dat de verzorgingsuitkering is bedoeld om, gelet op de zorgbehoevendheid van de persoon, een ander pensioen dan een prestatie bij ziekte aan te vullen. Derhalve moet deze uitkering, ongeacht of zij al dan niet op premie- of bijdragebetaling berust, worden beschouwd als een prestatie bij ziekte" in de zin van artikel 4, lid 1, sub a, van verordening nr. 1408/71, zodat zij niet onder lid 2 bis van dit artikel valt.
Niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie
29 Betreffende de financieringswijze van de verzorgingsuitkering, beoogde het BPGG de invoering van een stelsel, waaronder alle zorgbehoevende personen werden verzekerd van uniforme uitkeringen over heel het nationale grondgebied, zodat de dekking van het risico van zorgbehoevendheid, die op regionaal niveau door sommige deelstaten reeds werd verzekerd, voortaan algemeen was.
30 Het BPGG bepaalt ook, dat de financiering van de uitkering door de federale staat wordt gewaarborgd, volgens de in punt 27 van het onderhavige arrest beschreven procedure. In het hoofdgeding werd de uitkering dus in de eerste plaats betaald door de instellingen voor de wettelijke pensioen- en ongevallenverzekering, die vervolgens krachtens artikel 23 van het BPGG voor de betaalde bedragen zouden worden vergoed door de federale staat onder de vorm van een terugbetaling van kosten. De Oostenrijkse regering maakte in de begroting de nodige fondsen voor deze uitgave vrij door de federale bijdrage aan de pensioenverzekering te verlagen. Ter compensatie van deze verlaging werd de door de instellingen voor de pensioenverzekering aan de ziekteverzekering verschuldigde bijdrage verminderd met hetzelfde bedrag als dat van de verlaging van de federale bijdrage aan de pensioenverzekering.
31 De Commissie meent echter, dat enerzijds de financiering in werkelijkheid door de sociaal verzekerden wordt gedragen, aangezien in 1993 de bijdragen aan de ziekteverzekering werden verhoogd, ter compensatie van de lagere ontvangsten van deze verzekering. Zij wijst erop, dat anderzijds uitsluitend de sociaal verzekerden voor de aldus gefinancierde verzorgingsuitkering in aanmerking komen.
32 Met betrekking tot dit laatste argument moet worden gesteld, dat geen enkel beginsel of geen enkele bepaling van gemeenschapsrecht de wetgever van een lidstaat verbiedt om voor verschillende sociale of socioprofessionele categorieën verschillende stelsels van sociale bescherming in te voeren. Dat voor de door het BPGG ingevoerde verzorgingsuitkering uitsluitend de sociaal verzekerden in aanmerking komen, volstaat op zichzelf niet om aan te tonen, dat deze prestatie met hun bijdragen aan de ziekteverzekering wordt gefinancierd, ook al moet deze uitkering krachtens het reeds aangehaalde arrest Molenaar als een prestatie bij ziekte" worden gekwalificeerd. Geen enkele regel van gemeenschapsrecht verzet zich er namelijk tegen, dat een nationale wetgeving de dekking van het risico van zorgbehoevendheid afzonderlijk regelt en ze anders financiert dan de andere ziekte-uitkeringen.
33 Wat daarentegen de verhoging van de bijdragen aan de ziekteverzekering betreft, erkent de Oostenrijkse regering zelf, dat daartoe werd besloten om de vermindering van de financiële bijdragen van de pensioenverzekering aan de instellingen voor de ziekteverzekering te compenseren. Door deze vermindering kon zij zelf haar federale bijdrage aan de pensioenverzekering verminderen en aldus de nodige fondsen vrijmaken voor de financiering van de nieuwe verzorgingsuitkering. Bijgevolg moet worden vastgesteld, dat de financiering van deze prestatie mogelijk werd, met behoud van dezelfde prestaties bij ziekte, ouderdom en ongeval, dankzij de verhoging van de bijdragen aan de ziekteverzekering. Het verband met de bijdragen aan de ziekteverzekering is weliswaar slechts indirect, doch blijkt hieruit, dat de middelen die de ziekteverzekering is kwijtgeraakt, afkomstig waren van de verzekeringsbijdragen. Daaruit volgt, dat de verzorgingsuitkering op premie- of bijdragebetaling berust.
34 De verzorgingsuitkering voldoet dus niet aan de voorwaarden van artikel 10 bis van verordening nr. 1408/71, op grond waarvan de in artikel 4, lid 2 bis, van deze verordening bedoelde bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties kunnen worden voorbehouden aan de personen die wonen op het grondgebied van de lidstaat waar zij worden uitgekeerd.
35 Hieruit volgt, dat de verzorgingsuitkering, die als een prestatie bij ziekte moet worden aangemerkt, krachtens de bepalingen van artikel 19, lid 1, sub b, van verordening nr. 1408/71 en de overeenkomstige bepalingen van de andere afdelingen van hoofdstuk 1 van titel III van deze verordening moet worden betaald, ongeacht de lidstaat waarin de zorgbehoevende persoon woont die aan de andere toekenningsvoorwaarden voldoet.
36 Gelet op een en ander, moet op de gestelde vraag worden geantwoord, dat artikel 19, lid 1, van verordening nr. 1408/71 en de overeenkomstige bepalingen van de andere afdelingen van hoofdstuk 1 van titel III van deze verordening, zich ertegen verzetten, dat voor het recht op betaling van de verzorgingsuitkering waarin het BPGG voorziet, als voorwaarde wordt gesteld dat de zorgbehoevende persoon zijn gewone verblijfplaats in Oostenrijk heeft.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
37 De kosten door de Oostenrijkse, de Duitse, de Franse, de Nederlandse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk, en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door het Landesgericht Feldkirch bij beschikking van 16 maart 1999 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 19, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, en de overeenkomstige bepalingen van de andere afdelingen van hoofdstuk 1 van titel III van deze verordening verzetten zich ertegen, dat voor het recht op betaling van het Pflegegeld" (verzorgingsuitkering) waarin het Bundespflegegeldgesetz (Oostenrijkse federale wet betreffende de verzorgingsuitkering) voorziet, als voorwaarde wordt gesteld dat de zorgbehoevende persoon zijn gewone verblijfplaats in Oostenrijk heeft.
Full & Egal Universal Law Academy