Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Vrij verkeer van personen - Vrijheid van vestiging - Vrij verrichten van diensten - Artsen - Erkenning van diploma's en titels - Richtlijn 93/16 - Specialisten die houder zijn van diploma, certificaat of andere titel van gespecialiseerde medische opleiding die niet onder automatische en onvoorwaardelijke erkenning valt - Toegang tot aanvullende opleiding in ontvangende staat - Verplichting om met succes deel te nemen aan gewoon vergelijkend onderzoek voor toegang tot specialistenopleiding - Ontoelaatbaarheid
(Richtlijn 93/16 van de Raad, art. 8)
2. Vrij verkeer van personen - Vrijheid van vestiging - Vrij verrichten van diensten - Artsen - Erkenning van diploma's en titels - Richtlijn 93/16 - Draagwijdte - Vergoeding van medische verrichtingen door verzekeringsinstelling waarbij in andere lidstaat gevestigde arts niet is aangesloten - Draagwijdte - Organisatie van nationale socialezekerheidsstelsels - Bevoegdheden van lidstaten
(Richtlijn 93/16 van de Raad, art. 18)
Samenvatting
1. Komt de krachtens artikel 8 van richtlijn 93/16 ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van artsen en de onderlinge erkenning van hun diploma's, certificaten en andere titels op hem rustende verplichtingen niet na, een lidstaat die bepaalt dat migrerende artsen waarvan het diploma, het certificaat of een andere titel van gespecialiseerde medische opleiding niet onder de in genoemde richtlijn bedoelde automatische en onvoorwaardelijke erkenning valt, om toegang te krijgen tot een aanvullende opleiding voor migrerende artsen die een medisch specialisme willen uitoefenen in die lidstaat, met succes moeten deelnemen aan het gewone nationale vergelijkende onderzoek voor toegang tot de specialistenopleiding.
Weliswaar kan de ontvangende lidstaat de afgifte van het door de migrerende arts gewenste diploma in beginsel afhankelijk stellen van een aanvullende opleiding, doch uit lid 3 van artikel 8 van genoemde richtlijn volgt dat die aanvullende opleiding alleen gebieden mag bestrijken die volgens de interne regeling van de ontvangende lidstaat niet vallen onder de diploma's, certificaten en andere opleidingstitels waarover de migrerende arts beschikt.
De ontvangende lidstaat mag derhalve geen andere gebieden toevoegen aan de aanvullende opleiding die de migrerende arts moet volgen, noch hem aan dezelfde toegangsvoorwaarden onderwerpen als een arts die voor de eerste keer een opleiding ter verkrijging van een diploma, een certificaat of een andere titel van specialist wenst aan te vatten.
( cf. punten 29, 34, 39-40, dictum 1 )
2. Ofschoon artikel 18 van richtlijn 93/16 ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van artsen en de onderlinge erkenning van hun diploma's, certificaten en andere titels de onderdanen van de lidstaten die in een andere lidstaat zijn gevestigd, in geval van dienstverrichting die een verplaatsing van de begunstigde met zich brengt, vrijstelt van een andere eis die in het interne recht van de lidstaat van de dienstverrichting kan worden gesteld, te weten inschrijving bij een publiekrechtelijke instelling van sociale zekerheid om de rekeningen inzake de ten gunste van sociaal verzekerden verrichte werkzaamheden in die lidstaat op een verzekeringsinstelling te kunnen verhalen, beogen noch artikel 18 van richtlijn 93/16 noch een andere bepaling ervan alle belemmeringen weg te nemen die in de lidstaten zouden kunnen bestaan aangaande de vergoeding van medische verrichtingen door een verzekeringsinstelling waarbij de in een andere lidstaat gevestigde arts niet is aangesloten.
Dit gaat immers het kader van een richtlijn inzake onderlinge erkenning van diploma's te buiten en uit de tweeëntwintigste overweging van de considerans van richtlijn 93/16 blijkt dat deze geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de lidstaten om hun nationale stelsel van sociale zekerheid te organiseren.
( cf. punten 51-53 )
Partijen
In zaak C-232/99,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door I. Martínez del Peral en B. Mongin als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door N. Díaz Abad als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerder,
betreffende een beroep tot vaststelling dat het Koninkrijk Spanje, door artikel 8 van richtlijn 93/16/EEG van de Raad van 5 april 1993 ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van artsen en de onderlinge erkenning van hun diploma's, certificaten en andere titels (PB L 165, blz. 1) niet binnen de gestelde termijn correct uit te voeren en artikel 18 van deze richtlijn niet uit te voeren, de krachtens het EG-Verdrag en deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: S. von Bahr, president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, D. A. O. Edward (rapporteur) en M. Wathelet, rechters,
advocaat-generaal: C. Stix-Hackl,
griffier: L. Hewlett, administrateur,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 1 februari 2001, waarbij de Commissie werd vertegenwoordigd door I. Martínez del Peral en B. Mongin en het Koninkrijk Spanje door M. López-Monís Gallego als gemachtigde,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 oktober 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 17 juni 1999, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 226 EG verzocht vast te stellen dat het Koninkrijk Spanje, door artikel 8 van richtlijn 93/16/EEG van de Raad van 5 april 1993 ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van artsen en de onderlinge erkenning van hun diploma's, certificaten en andere titels (PB L 165, blz. 1) niet binnen de gestelde termijn correct uit te voeren en artikel 18 van deze richtlijn niet uit te voeren, de krachtens het EG-Verdrag en deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Gemeenschapswetgeving
2 Artikel 8 van richtlijn 93/16 luidt als volgt:
1. De ontvangende lidstaat kan aan de onderdanen der lidstaten die een der diploma's, certificaten of andere titels van opleiding tot specialist wensen te verkrijgen die niet onder de artikelen 4 en 6 vallen of die, hoewel vallend onder artikel 6, niet in een lidstaat van oorsprong of herkomst worden afgegeven, de opleidingseisen stellen die ter zake in zijn eigen wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen worden voorgeschreven.
2. De ontvangende lidstaat houdt daarbij evenwel, geheel of gedeeltelijk, rekening met de duur van de opleidingsperioden van de in lid 1 bedoelde onderdanen waarvoor dezen een diploma, een certificaat of een andere opleidingstitel hebben ontvangen die door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van oorsprong of herkomst is afgegeven, wanneer deze perioden overeenkomen met die welke in de ontvangende lidstaat voor de desbetreffende gespecialiseerde opleiding worden vereist.
3. Nadat de bevoegde autoriteiten en instanties van de ontvangende lidstaat de inhoud en de duur van de gespecialiseerde opleiding van de betrokkene aan de hand van de voorgelegde diploma's, certificaten en andere titels hebben geverifieerd, stellen zij deze in kennis van de duur van de aanvullende opleiding alsmede van de gebieden die deze opleiding moet bestrijken."
3 Artikel 18 van dezelfde richtlijn bepaalt:
Indien in een ontvangende lidstaat de verplichting bestaat, bij een publiekrechtelijke instelling van sociale zekerheid te zijn ingeschreven om de rekeningen inzake de ten gunste van sociaal verzekerden verrichte werkzaamheden op een verzekeringsinstelling te kunnen verhalen, stelt deze lidstaat in geval van dienstverrichting die een verplaatsing van de begunstigde met zich brengt, de onderdanen der lidstaten die in een andere lidstaat zijn gevestigd, van die eis vrij.
De begunstigde stelt deze instelling evenwel van tevoren, of in spoedgevallen later, in kennis van zijn dienstverrichting."
Nationale wetgeving
4 Artikel 8 van richtlijn 93/16 werd in Spaans recht omgezet bij artikel 12 bis van het Real Decreto 1691/1989 por el que se regulan el reconocimiento de diplomas, certificados y otros títulos de Médico y de Médico Especialista de los Estados miembros de la Comunidad Economica Europea, el ejercicio efectivo del derecho de establecimiento y la libre prestación de servicios (koninklijk decreet 1691/1989 tot regeling van de erkenning van diploma's, certificaten en andere titels van arts en specialist van de lidstaten van de Europese Economische Gemeenschap, van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en van het vrij verrichten van diensten) van 29 december 1989 (BOE nr. 13 van 15 januari 1990, blz. 1267; hierna: koninklijk decreet 1691/1989"), zoals gewijzigd bij het Real Decreto 2072/1995 van 22 december 1995 (BOE nr. 20 van 23 januari 1996, blz. 1962; hierna: koninklijk decreet 2072/1995"). Dit artikel 12 bis luidt als volgt:
1. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 8 van richtlijn 93/16 zijn de bepalingen van het onderhavige artikel van toepassing op elke onderdaan der lidstaten die een Spaanse titel van specialist wenst te verkrijgen en een diploma, een certificaat of een andere titel van een niet in bijlage II bij het onderhavige koninklijk decreet genoemde gespecialiseerde medische opleiding overlegt.
2. Het directoraat-generaal Wetenschappelijk onderzoek en hoger onderwijs van het ministerie van Onderwijs en Wetenschap beoordeelt de opleidingsperioden van de betrokkene met het oog op de eventuele erkenning ervan. In voorkomend geval stelt het, na advies van de nationale commissie voor het betrokken specialisme, de duur van de aanvullende opleiding vast die de betrokkene moet doorlopen om de Spaanse titel van specialist te verkrijgen, alsmede de gebieden die deze aanvullende opleiding moet bestrijken.
Bij de beoordeling van de opleiding die de aanvrager, wiens titel van arts vooraf moet zijn erkend, zal worden gelet op de omstandigheid of het in de lidstaat van oorsprong een officiële opleiding is en op de mate waarin zij overeenstemt met de inhoud van de in Spanje voor het betrokken specialisme vereiste opleiding.
3. De betrokkenen moeten de eventuele aanvullende opleidingsperiode vervullen op een officieel voor het betrokken specialisme erkende post. Behalve in het in lid 4 van het onderhavige artikel bedoelde geval moeten de betrokkenen daarvoor vragen tot de bedoelde opleiding te worden toegelaten na de gewone toelatingsprocedure te hebben doorlopen en het bij het koninklijk decreet 127/1984 van 11 januari 1984 en de andere vigerende bepalingen bepaalde staatsexamen te hebben afgelegd, onder dezelfde voorwaarden als de andere sollicitanten.
4. Wanneer de betrokkenen kunnen aantonen dat zij zijn geslaagd voor een nationale selectieproef voor de toegang tot de opleiding die zij in het land van oorsprong hebben gevolgd, zijn zij vrijgesteld van het in artikel 5, lid 1, van het koninklijk decreet 127/1984 genoemde examen, waarvan sprake is in het voorgaande lid. In dit geval wordt de aanvullende opleidingsperiode vervuld in de voor de gespecialiseerde opleiding erkende post die de in artikel 5 van het koninklijk decreet 127/1984 bedoelde internationale commissie heeft aangewezen, overeenkomstig de bepalingen van het decreet en de uitvoeringsbepalingen daarvan."
De precontentieuze procedure
5 Op 27 december 1990 heeft de Commissie het Koninkrijk Spanje schriftelijk in gebreke gesteld en tegen deze lidstaat een niet-nakomingsprocedure ingeleid wegens niet-uitvoering van de artikelen 8, 17 en 23 van richtlijn 75/362/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels van de arts, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten (PB L 167, blz. 1), en wegens onjuiste uitvoering van artikel 14 van dezelfde richtlijn bij koninklijk decreet 1691/1989. Na het antwoord van de Spaanse autoriteiten van 8 april 1991 heeft de Commissie bij een op 17 januari 1996 officieel ter kennis gebracht met redenen omkleed advies bezwaren geformuleerd met betrekking tot de artikelen 8 en 18 van richtlijn 93/16, waarvan de inhoud overeenkomt met die van de artikelen 8 en 17 van richtlijn 75/362.
6 Bij hun antwoord van 25 januari 1996 op het met redenen omkleed advies hebben de Spaanse autoriteiten het koninklijk decreet 2072/1995 tot wijziging van koninklijk decreet 1691/1989 aan de Commissie meegedeeld. Volgens de Spaanse autoriteiten vervolledigde dat decreet de omzetting van richtlijn 93/16 in Spaans recht.
7 Van mening dat dit nieuwe koninklijk decreet geen einde maakte aan de niet-nakoming, heeft de Commissie op 12 februari 1997 een aanvullende schriftelijke ingebrekestelling gezonden, waarop de Spaanse regering op 4 juni 1997 heeft geantwoord. Omdat zij dit antwoord ontoereikend achtte, heeft de Commissie op 10 augustus 1998 het Koninkrijk Spanje een aanvullend met redenen omkleed advies gezonden. Het antwoord van de Spaanse regering daarop is bij de Commissie ingekomen bij brief van 23 november 1998.
Het eerste bezwaar: onjuiste uitvoering van artikel 8 van richtlijn 93/16
Argumenten van partijen
8 Als eerste bezwaar voert de Commissie aan dat het Koninkrijk Spanje artikel 8 van richtlijn 93/16 onjuist heeft uitgevoerd, aangezien de migrerende arts wiens diploma, certificaat of andere titel van opleiding tot specialist niet in aanmerking komt voor automatische en onvoorwaardelijke erkenning krachtens richtlijn 93/16, de procedure van het nationaal vergelijkend onderzoek voor Medico Interno Residente" (inwonende specialist inwendige geneeskunde; hierna: MIR") moet doorlopen om toegang te krijgen tot het beroep van specialist in Spanje.
9 Volgens de Commissie is de opleiding tot specialist in Spanje namelijk alleen toegankelijk voor degenen die zijn geslaagd voor een nationaal vergelijkend onderzoek dat is ingevoerd om het aantal specialisten te beperken en dat het statuut van specialist in opleiding in een voor de opleiding van specialisten erkende instelling of erkend gezondheidskundig centrum verleent.
10 De Commissie voert aan dat uit artikel 8, lid 3, van richtlijn 93/16 duidelijk blijkt dat de ontvangende lidstaat de afgifte van een diploma van specialist niet mag weigeren in de gevallen die niet onder het bij deze richtlijn vastgestelde stelsel van automatische en onvoorwaardelijke erkenning vallen. De ontvangende lidstaat kan weliswaar na verificatie van de diploma's, certificaten en andere titels die de betrokkene in andere lidstaten heeft behaald, in voorkomend geval een aanvullende opleiding verlangen. De ontvangende lidstaat kan de toegang tot die opleiding evenwel niet stelselmatig afhankelijk stellen van het slagen voor een staatsexamen zoals het examen voor MIR, dat is bedoeld voor personen die een specialistenopleiding willen beginnen, terwijl de betrokken migrerende artsen alleen opleidingsplaatsen nodig hebben om de aanvullende opleiding te volgen.
11 De Commissie verklaart dat zij een groot aantal klachten heeft ontvangen en dat het Europees Parlement en de Europese ombudsman haar een aantal petities hebben voorgelegd. Uit deze klachten blijkt dat de niet-omzetting van artikel 8 van richtlijn 93/16 in het Spaanse recht door de Spaanse autoriteiten geregeld en voortdurend wordt aangevoerd om het onderzoek van aanvragen om erkenning van diploma's te weigeren.
12 De Commissie voert aan dat de lidstaten het slagen voor een vergelijkend onderzoek mogen opleggen voorzover het daarbij gaat om een vergelijkend onderzoek voor aanwerving. Het vergelijkend onderzoek voor MIR wordt echter niet georganiseerd met het oog op aanwerving, aangezien degene die slaagt geen toegang krijgt tot een specifieke betrekking, maar tot een opleiding. De Spaanse autoriteiten bevinden zich bijgevolg niet in de situatie dat zij het aantal artsen dat een gespecialiseerde opleiding aanvat, moeten contingenteren omdat zij verplicht zijn aan ieder van hen een betrekking aan te bieden.
13 De Spaanse regering voert aan dat koninklijk decreet 1691/1989, zoals gewijzigd bij koninklijk decreet 2072/1995 (hierna: gewijzigd koninklijk decreet 1691/1989"), artikel 8 van richtlijn 93/16 in Spanje heeft uitgevoerd. Anders dan de Commissie verklaart, verplicht artikel 8 van richtlijn 93/16 volgens haar de ontvangende lidstaat niet om de aanvullende opleiding te verzekeren die zij nodig acht om een diploma, een certificaat of een andere titel van specialist toe te kennen.
14 Volgens de Spaanse regering is het vergelijkend onderzoek voor MIR noodzakelijk gezien de situatie in Spanje waar, om historische redenen, veel artsen tot de specialistenopleiding wensen te worden toegelaten, zodat het aantal beschikbare plaatsen niet volstaat en de bevoegde instanties deze bijgevolg moeten toewijzen.
15 De Spaanse regering benadrukt dat die proef geen examen" is waarvoor de kandidaten moeten slagen, maar een procedure tot toewijzing van het beperkte aantal opleidingsplaatsen. Men is niet geslaagd" of afgewezen" voor het vergelijkend onderzoek voor MIR: de toewijzing van de opleidingsplaatsen geschiedt in dalende volgorde van het totale aantal punten dat elke kandidaat bij het vergelijkend onderzoek heeft behaald, rekening houdend met de voorkeur die door de betrokkene in zijn aanvraag heeft geformuleerd. Dit vergelijkend onderzoek is bijgevolg een objectieve procedure die is gebaseerd op de beginselen van verdienste en bekwaamheid. De verdienste wordt afgeleid uit de beoordeling van de universitaire artsenopleiding aan de hand van een barema, terwijl de bekwaamheid aan de hand van een proef over algemene kennis die verband houdt met de licentie in de geneeskunde, wordt beoordeeld.
16 De Spaanse regering wijst er voorts op dat de deelname aan het vergelijkend onderzoek voor MIR niet stelselmatig wordt vereist, aangezien met name volgens artikel 12 bis, lid 4, van het gewijzigde koninklijke decreet 1691/1989 de kandidaten die aantonen dat zij zijn geslaagd voor een nationale selectieproef voor de opleiding die zij in hun lidstaat van oorsprong hebben gevolgd, ervan zijn vrijgesteld.
17 Aanvaarding van de maximalistische stellingen van de Commissie zou het Spaanse systeem van toegang tot de specialistenopleiding ernstig in gevaar brengen en kandidaten voor de opleiding in Spanje aanmoedigen of ertoe aanzetten om deze opleiding gedurende een minimale periode en volgens de modaliteiten van hun keuze in het buitenland aan te vatten om het recht op een aanvullende opleiding in Spanje te verwerven en daarbij aan de normale toegangsvoorwaarden voor deze opleiding te ontsnappen. Een dergelijke situatie kan als wetsontduiking worden aangemerkt.
Beoordeling door het Hof
18 Artikel 8 van richtlijn 93/16 past binnen de gemeenschapsrechtelijke maatregelen ter vergemakkelijking van de beroepsmobiliteit van artsen die gemeenschapsonderdanen zijn en een gespecialiseerde medische opleiding hebben gevolgd.
19 Blijkens artikel 57, lid 1, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 47, lid 1, EG) hebben richtlijnen zoals richtlijn 93/16 tot doel, de toegang tot werkzaamheden, anders dan in loondienst, en de uitoefening daarvan te vergemakkelijken, door gemeenschappelijke regels en criteria vast te stellen die, voorzover mogelijk, tot de onderlinge erkenning van diploma's, certificaten en andere titels leiden.
20 Artikel 8, lid 1, van richtlijn 93/16 bepaalt aldus dat de betrokkene een nieuw diploma in de ontvangende lidstaat verkrijgt na eventueel een aanvullende opleiding te hebben gevolgd. Op grond van dat diploma kan hij vervolgens het betrokken medisch specialisme uitoefenen. Lid 2 van dit artikel verplicht de ontvangende lidstaat bij de vaststelling van de noodzakelijke aanvullende opleiding rekening te houden met de relevante beroepskwalificatie van de betrokkene volgens beginselen die analoog zijn met de in de rechtspraak van het Hof inzake de wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties ontwikkelde beginselen.
21 Volgens die rechtspraak, waarvan de beginselen werden geformuleerd in het arrest van 7 mei 1991, Vlassopoulou (C-340/89, Jurispr. blz. I-2357, punt 16), zijn de autoriteiten van een lidstaat bij het onderzoek van een aanvraag van een onderdaan van een andere lidstaat om toelating tot uitoefening van een gereglementeerd beroep verplicht, rekening te houden met de beroepskwalificatie van de betrokkene door de uit zijn diploma's, certificaten en andere titels alsmede uit zijn relevante beroepservaring blijkende bekwaamheid te vergelijken met de door de nationale wettelijke regeling voor de uitoefening van dat beroep vereiste beroepskwalificatie (zie laatstelijk arrest van 22 januari 2002, Dreessen, C-31/00, Jurispr. blz. I-663, punt 31).
22 Die verplichting geldt voor alle diploma's, certificaten en andere titels alsmede voor de relevante ervaring van de betrokkene, ongeacht of zij in een lidstaat dan wel in een derde land zijn verworven, en verdwijnt niet door de vaststelling van richtlijnen inzake de onderlinge erkenning van diploma's (zie arrest van 14 september 2000, Hocsman, C-238/98, Jurispr. blz. I-6623, punten 23 en 31).
23 In die context hebben richtlijnen zoals richtlijn 93/16 in de eerste plaats tot doel, stelsels van automatische en onvoorwaardelijke erkenning voor een bepaald aantal diploma's, certificaten en andere titels vast te stellen.
24 Aangaande het beroep van arts bepaalt richtlijn 93/16 dat elke lidstaat bepaalde door de overige lidstaten aan onderdanen van lidstaten overeenkomstig de vereisten van deze richtlijn afgegeven diploma's, certificaten en andere titels erkent door daaraan, met betrekking tot de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van arts, op zijn grondgebied hetzelfde rechtsgevolg toe te kennen als aan de door hemzelf afgegeven diploma's, certificaten en andere titels.
25 Dankzij de automatische en onvoorwaardelijke werking die deze stelsels van onderlinge erkenning van diploma's kenmerkt, alsmede door het feit dat deze stelsels het mogelijk maken met nauwkeurigheid en op voorhand te weten of een bepaald diploma toegang verleent tot de uitoefening van het daarmee overeenstemmende beroep in de andere lidstaten, zijn die stelsels meestal voor de betrokkenen voordeliger dan de toepassing van de beginselen die uit de in de punten 21 en 22 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak worden afgeleid. Deze rechtspraak is evenwel toch nog van enig belang in situaties die niet onder de richtlijnen houdende onderlinge erkenning van diploma's vallen (zie arrest Hocsman, reeds aangehaald, punt 34).
26 In die algemene context onderscheidt richtlijn 93/16 drie hypotheses voor de erkenning van diploma's, certificaten en andere titels van artsen die gemeenschapsonderdaan zijn en een gespecialiseerde medische opleiding hebben gevolgd.
27 De eerste hypothese betreft migrerende artsen die beschikken over een diploma, een certificaat of een andere titel als bewijs van een medisch specialisme dat valt onder de specialismen die alle lidstaten gemeen hebben, en wordt genoemd in artikel 5, lid 2, van richtlijn 93/16. Volgens artikel 4 van deze richtlijn worden die diploma's, certificaten en andere titels automatisch en onvoorwaardelijk erkend in alle lidstaten.
28 De tweede hypothese betreft migrerende artsen die beschikken over een diploma, een certificaat of een andere titel als bewijs van een medisch specialisme dat niet valt onder de specialismen die alle lidstaten gemeen hebben, maar wordt genoemd in de in artikel 7, lid 2, van richtlijn 93/16 vastgestelde lijst van specialismen die in twee of meer lidstaten bestaan. Volgens artikel 6 van deze richtlijn worden die diploma's, certificaten en andere titels automatisch en onvoorwaardelijk erkend tussen de betrokken lidstaten, maar alleen tussen hen.
29 De derde hypothese betreft de migrerende arts die een medisch specialisme wenst uit te oefenen in een lidstaat en in een andere lidstaat een medische opleiding heeft gevolgd welke werd afgesloten met een diploma, een certificaat of een andere titel die niet krachtens artikel 4 of artikel 6 van richtlijn 93/16 toegang verleent tot de uitoefening van het betrokken medisch specialisme in de eerste lidstaat. In een dergelijk geval heeft artikel 8 van de richtlijn tot doel, het vrije verkeer van die arts te vergemakkelijken door hem de mogelijkheid te bieden de voor de uitoefening van dat medisch specialisme in de ontvangende lidstaat noodzakelijke opleiding volgens de interne regeling van die lidstaat te vervolledigen.
30 Artikel 8 van richtlijn 93/16 is derhalve in de eerste plaats van toepassing op medisch specialismen die zowel in de ontvangende lidstaat als in de lidstaat van oorsprong of van herkomst bestaan maar, om welke reden ook, niet in de lijsten van de artikelen 5 en 7 van deze richtlijn zijn opgenomen.
31 In de tweede plaats is artikel 8 van richtlijn 93/16 van toepassing op gespecialiseerde opleidingen die in de lidstaat van oorsprong of van herkomst niet als een medisch specialisme worden beschouwd, maar in die lidstaat toegang verlenen tot de uitoefening van een medische activiteit die in de ontvangende lidstaat een medisch specialisme vormt.
32 Een dergelijke situatie bestaat bijvoorbeeld voor de cardiologie, die hoewel zij in de meeste lidstaten een medisch specialisme vormt, in enkele andere lidstaten als een specialisme binnen de inwendige geneeskunde wordt beschouwd, zodat een diploma van specialist inwendige geneeskunde - sector cardiologie" niet in aanmerking komt voor de automatische en onvoorwaardelijke erkenning bedoeld in de artikelen 4 en 6 van richtlijn 93/16 (zie in die zin arrest van 14 september 2000, Erpelding, C-16/99, Jurispr. blz. I-6821, punt 27).
33 In de derde plaats is artikel 8 van richtlijn 93/16 van toepassing wanneer de migrerende arts een diploma inzake een medisch specialisme bezit waarvoor in de ontvangende lidstaat geen overeenstemmende, maar een verwant specialisme bestaat, zodat voor de uitoefening van deze laatste in de ontvangende lidstaat een aanvullende opleiding is vereist.
34 Artikel 8 van richtlijn 93/16 moet derhalve aldus worden uitgelegd dat het ziet op de situatie waarin een migrerende arts beschikt over een diploma, een certificaat of een andere titel van een gespecialiseerde medische opleiding die niet valt onder het bij richtlijn 93/16 vastgestelde stelsel van automatische en onvoorwaardelijke erkenning, maar die deze arts de mogelijkheid biedt om in de lidstaat van oorsprong of van herkomst een medische activiteit uit te oefenen die in zekere mate, maar niet op formele wijze, overeenstemt met het medisch specialisme dat hij in de ontvangende lidstaat wenst uit te oefenen.
35 Het Koninkrijk Spanje wijst op de mogelijkheid van ontduiking van zijn stelsel van toegang tot de gespecialiseerde medische opleiding indien artikel 8 van richtlijn 93/16 aldus wordt uitgelegd dat het eveneens van toepassing is op migrerende artsen die beschikken over een diploma, een certificaat of een andere titel van een gespecialiseerde medische opleiding die slechts een zeer korte opleiding bewijst welke geen toegang geeft tot de uitoefening van een medisch specialisme in de lidstaat van oorsprong of van herkomst. Een dergelijke uitlegging zou met name tot gevolg hebben dat de Spaanse artsen het vergelijkend onderzoek voor MIR kunnen omzeilen door eenvoudigweg een zeer korte opleiding in een andere lidstaat te volgen.
36 De Commissie erkent dat de zorg om dergelijke misbruiken te voorkomen, rechtmatig is. Zij herhaalt daarentegen dat het noodzakelijk noch evenredig is, migrerende artsen die een volledige gespecialiseerde medische opleiding in de lidstaat van oorsprong of van herkomst hebben gevolgd, aan het vergelijkend onderzoek voor MIR te onderwerpen.
37 Dienaangaande blijkt uit de bij het Hof ingediende opmerkingen dat het Koninkrijk Spanje het vergelijkend onderzoek voor MIR in beginsel aan alle migrerende artsen oplegt op dezelfde wijze als aan artsen die voor de eerste keer een opleiding ter verkrijging van een diploma, een certificaat of een andere titel van specialist willen aanvatten. De omstandigheid dat de Spaanse autoriteiten in de praktijk degenen die aantonen dat zij in hun lidstaat van oorsprong of van herkomst reeds met succes een vergelijkbare selectieprocedure hebben doorlopen, van dat vergelijkend onderzoek vrijstellen, bevestigt slechts het bestaan van een regel volgens welke de deelname aan dit vergelijkend onderzoek in beginsel verplicht is voor alle migrerende artsen.
38 De Spaanse regering betwist bovendien de verklaring van de Commissie niet dat de wijze waarop het vergelijkend onderzoek voor MIR is georganiseerd, de migrerende arts niet de waarborg biedt, toegang te krijgen tot de aanvullende opleiding in het betrokken medisch specialisme.
39 In de gevallen waarin artikel 8 van richtlijn 93/16 toepassing vindt, kan de ontvangende lidstaat de afgifte van het door de migrerende arts gewenste diploma in beginsel afhankelijk stellen van een aanvullende opleiding. Uit lid 3 van dit artikel volgt evenwel dat die aanvullende opleiding alleen gebieden mag bestrijken die volgens de interne regeling van de ontvangende lidstaat niet vallen onder de diploma's, certificaten en andere opleidingstitels waarover de migrerende arts beschikt.
40 De ontvangende lidstaat mag derhalve geen andere gebieden toevoegen aan de aanvullende opleiding die de migrerende arts moet volgen, noch hem aan dezelfde toegangsvoorwaarden onderwerpen als een arts die voor de eerste keer een opleiding ter verkrijging van een diploma, een certificaat of een andere titel van specialist wenst aan te vatten.
41 In die omstandigheden dient te worden vastgesteld dat het Koninkrijk Spanje artikel 8 van richtlijn 93/16 onjuist heeft uitgevoerd en dat het eerste bezwaar van de Commissie derhalve gegrond is.
Het tweede bezwaar: niet-uitvoering van artikel 18 van richtlijn 93/16
Argumenten van partijen
42 Als tweede bezwaar voert de Commissie aan dat het Koninkrijk Spanje artikel 18 van richtlijn 93/16 niet heeft uitgevoerd, hoewel dit noodzakelijk was.
43 Zij betoogt dat blijkens artikel 5 van het Real Decreto 63/1995 van 20 januari 1995 alleen de door het personeel van het Spaanse nationale gezondheidsstelsel verrichte handelingen door de sociale zekerheid ten laste worden genomen, onverminderd het bepaalde in internationale overeenkomsten". De Spaanse regeling verduidelijkt niet of dit begrip internationale overeenkomsten" slaat op het Verdrag en, zo ja, op welke wijze een alleenstaande dienst die in Spanje wordt verricht door een in een andere lidstaat gevestigde arts, door de Spaanse socialezekerheidsinstellingen ten laste kan worden genomen. Bij de huidige stand van deze regeling kunnen artsen die in andere lidstaten zijn gevestigd, behalve in spoedgevallen, in Spanje geen diensten verrichten die voor vergoeding in aanmerking komen.
44 De Spaanse regering betoogt dat artikel 18 van richtlijn 93/16 niet is uitgevoerd omdat, volgens de bewoordingen van dit artikel, de lidstaten slechts verplicht zijn deze bepaling in hun interne rechtsorde op te nemen indien in de ontvangende lidstaat de verplichting bestaat bij een publiekrechtelijke instelling van sociale zekerheid te zijn ingeschreven om de rekeningen inzake de ten gunste van sociaal verzekerden verrichte werkzaamheden op een verzekeringsinstelling te kunnen verhalen. In Spanje is een dergelijke inschrijving evenwel niet vereist. Derhalve is het niet nodig de onderdanen van andere lidstaten daarvan vrij te stellen.
45 De Spaanse regering voert verder aan dat de Commissie het recht van vrije dienstverrichting dat de artsen die onderdaan zijn van andere lidstaten, in Spanje genieten, verwart met de rechten van degenen die bij de Spaanse sociale zekerheid zijn aangesloten. Zij wijst erop dat wanneer deze laatsten gebruikmaken van het nationale gezondheidsstelsel, de verzorging integraal ten laste wordt genomen door de sociale zekerheid. Indien zij daarentegen verkiezen, zich buiten dit stelsel te laten verzorgen, moeten zij zelf de kosten van de ontvangen verzorging dragen zonder enige tussenkomst van de sociale zekerheid. Alleen in geval van buiten het nationale gezondheidsstelsel verstrekte dringende medische bijstand worden de daarop betrekking hebbende kosten vergoed, nadat is geverifieerd dat de diensten van dat stelsel op het betrokken tijdstip niet konden worden gebruikt en dat deze bijstand geen oneigenlijk gebruik of misbruik van die uitzondering vormt.
Beoordeling door het Hof
46 Artikel 18 van richtlijn 93/16 maakt deel uit van afdeling B, Bepalingen die specifiek zijn voor de dienstverrichting", van hoofdstuk VI, Maatregelen ter vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en van vrije dienstverrichting van de arts".
47 De twee artikelen van deze afdeling stellen de onderdanen van lidstaten in geval van een medische dienstverrichting in een andere lidstaat vrij van bepaalde eisen die die lidstaat stelt aan de aldaar gevestigde artsen.
48 Zo stelt artikel 17 van richtlijn 93/16 artsen in beginsel vrij van de eis om over een vergunning dan wel over een inschrijving of aansluiting bij een beroepsorganisatie te beschikken voor de toegang tot of de uitoefening van een der werkzaamheden van arts in de lidstaat van de dienstverrichtingen.
49 Het doel van dit artikel wordt uiteengezet in de twaalfde overweging van de considerans van richtlijn 93/16, volgens welke, in geval van dienstverrichting, de eis van inschrijving of aansluiting bij beroepsorganisaties, die verband houdt met het vaste en permanente karakter van de werkzaamheden in de ontvangende lidstaat, moet worden uitgesloten, omdat, wegens het tijdelijke karakter van diens werkzaamheid een dergelijk vereiste ongetwijfeld een belemmering zou betekenen voor de dienstverrichter.
50 In dezelfde overweging wordt hieraan toegevoegd dat ter verzekering van het tuchtrechtelijke toezicht waartoe deze beroepsorganisaties in dergelijke gevallen de bevoegdheid hebben, in de mogelijkheid dient te worden voorzien, de begunstigde te verplichten de bevoegde autoriteit van de ontvangende lidstaat in kennis te stellen van de dienstverrichting.
51 Artikel 18 van richtlijn 93/16 stelt de onderdanen van de lidstaten die in een andere lidstaat zijn gevestigd, in geval van dienstverrichting die een verplaatsing van de begunstigde met zich brengt, vrij van een andere eis die in het interne recht van de lidstaat van de dienstverrichting kan worden gesteld, te weten inschrijving bij een publiekrechtelijke instelling van sociale zekerheid om de rekeningen inzake de ten gunste van sociaal verzekerden verrichte werkzaamheden in die lidstaat op een verzekeringsinstelling te kunnen verhalen.
52 Daarentegen beogen noch artikel 18 van richtlijn 93/16 noch een andere bepaling ervan alle belemmeringen weg te nemen die in de lidstaten zouden kunnen bestaan aangaande de vergoeding van medische verrichtingen door een verzekeringsinstelling waarbij de in een andere lidstaat gevestigde arts niet is aangesloten.
53 Zoals de advocaat-generaal in punt 101 van zijn conclusie heeft opgemerkt, gaat dit het kader van een richtlijn inzake onderlinge erkenning van diploma's te buiten en is het evenmin in overeenstemming met de 22e overweging van de considerans van richtlijn 93/16, volgens welke deze richtlijn geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de lidstaten om hun nationale stelsel van sociale zekerheid op te zetten.
54 Elke vaststelling van niet-nakoming van de verplichting om artikel 18 van richtlijn 93/16 uit te voeren vooronderstelt derhalve, enerzijds, dat het nationale recht de inschrijving bij een publiekrechtelijke instelling van sociale zekerheid vereist om de rekeningen inzake de ten gunste van sociaal verzekerden verrichte werkzaamheden op een verzekeringsinstelling te kunnen verhalen en, anderzijds, dat de betrokken lidstaat de gemeenschapsonderdanen die in een andere lidstaat zijn gevestigd, niet van dit vereiste heeft vrijgesteld in het geval van een dienstverrichting die de verplaatsing van de begunstigde met zich brengt.
55 In casu heeft de Commissie het argument van de Spaanse regering dat een dergelijke inschrijving in Spanje niet nodig is, niet weerlegd. Het betoog van de Commissie voor het Hof was vooral geconcentreerd op het probleem van de vergoeding door het Spaanse gezondheidsstelsel van medische handelingen die door in een andere lidstaat gevestigde artsen in Spanje worden gesteld.
56 Dit probleem moet evenwel worden onderscheiden van de vraag, van welke inschrijving artikel 18 van richtlijn 93/16 deze artsen vrijstelt. Dit gaat, zoals in punt 53 van het onderhavige arrest is vastgesteld, het kader van de uitvoering van deze richtlijn, en bijgevolg van het onderhavige beroep wegens niet-nakoming voor onjuiste uitvoering van een richtlijn, te buiten.
57 In die omstandigheden is de gegrondheid van het tweede bezwaar niet aangetoond en moet dit bezwaar bijgevolg worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
58 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Volgens lid 3, eerste alinea, van hetzelfde artikel, kan het Hof evenwel de kosten over de partijen verdelen of beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld. Aangezien de Commissie en het Koninkrijk Spanje elk ten dele in het ongelijk zijn gesteld, moet worden beslist dat elke partij haar eigen kosten zal dragen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door artikel 8 van richtlijn 93/16/EEG van de Raad van 5 april 1993 ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van artsen en de onderlinge erkenning van hun diploma's, certificaten en andere titels niet binnen de gestelde termijn correct uit te voeren, is het Koninkrijk Spanje de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het beroep wordt verworpen voor het overige.
3) De Commissie van de Europese Gemeenschappen en het Koninkrijk Spanje zullen hun eigen kosten dragen.
Full & Egal Universal Law Academy