Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Beroep wegens niet-nakoming Onderzoek van gegrondheid door Hof In aanmerking te nemen situatie Situatie bij verstrijken van in met redenen omkleed advies gestelde termijn
(Art. 226 EG)
2. Vrij verrichten van diensten Beperkingen gerechtvaardigd door algemeen belang Toelaatbaarheid Voorwaarden
[EG-Verdrag, art. 59 (thans, na wijziging, art. 49 EG) en art. 60 (thans art. 50 EG)]
3. Beroep wegens niet-nakoming Bewijs van niet-nakoming Bewijslast rustend op Commissie Elementen die niet-nakoming aantonen
(Art. 226 EG)
4. Vrij verkeer van personen Vrijheid van vestiging Vrij verrichten van diensten Nationale regeling waarbij toegang van onderdanen van andere lidstaten tot werkzaamheid van vervoersconsultant wordt beperkt Ontoelaatbaarheid
[EG-Verdrag, art. 52 en 59 (thans, na wijziging, art. 43 EG en 49 EG)]
Samenvatting
1. In het kader van een beroep op grond van artikel 226 EG moet het bestaan van een niet-nakoming worden beoordeeld op basis van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, en kan het Hof met sedertdien opgetreden wijzigingen geen rekening houden.
( cf. punt 12 )
2. De vrijheid van dienstverrichting als grondbeginsel van het Verdrag kan slechts worden beperkt door regelingen die hun rechtvaardiging vinden in redenen van algemeen belang, die gelden voor iedere persoon of onderneming die op het grondgebied van de betrokken lidstaat werkzaam is, voorzover dit belang niet wordt gewaarborgd door de regels waaraan de dienstverrichter is onderworpen in de lidstaat waar hij is gevestigd.
( cf. punt 23 )
3. In het kader van een procedure wegens niet-nakoming op grond van artikel 226 EG staat het aan de Commissie, het gestelde verzuim aan te tonen en het Hof de gegevens te verschaffen die het nodig heeft om te kunnen vaststellen of er inderdaad sprake is van dat verzuim.
( cf. punt 27 )
4. Door de uitoefening van de werkzaamheid van vervoersconsultant op straffe van sancties afhankelijk te stellen van het bezit van een administratieve vergunning en de afgifte van deze vergunning afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat de onderdanen van de andere lidstaten op het nationale grondgebied wonen en een waarborg stellen, komt een lidstaat de krachtens de artikelen 52 en 59 van het Verdrag (thans, na wijziging, de artikelen 43 EG en 49 EG) op hem rustende verplichtingen niet na.
( cf. punt 29 en dictum )
Partijen
In zaak C-263/99,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door A. Aresu en M. Patakia, vervolgens door M. Patakia en G. Bisogni als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door U. Leanza als gemachtigde, bijgestaan door O. Fiumara, avvocato dello Stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door beperkingen te stellen aan de uitoefening van de werkzaamheid van vervoersconsultant, de krachtens de artikelen 52 en 59 EG-Verdrag (thans, na wijziging, de artikelen 43 EG en 49 EG) op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann, kamerpresident, V. Skouris, R. Schintgen (rapporteur), N. Colneric en J. N. Cunha Rodrigues, rechters,
advocaat-generaal: S. Alber,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 maart 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 16 juli 1999, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 226 EG verzocht om vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door beperkingen te stellen aan de uitoefening van de werkzaamheid van vervoersconsultant, de krachtens de artikelen 52 en 59 EG-Verdrag (thans, na wijziging, de artikelen 43 EG en 49 EG) op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Nationale regeling
2 Volgens legge n. 264, disciplina dell'attività di consulenza per la circolazione dei mezzi di trasporto (wet nr. 264 betreffende de werkzaamheid van vervoersconsultant, GURI nr. 195 van 21 augustus 1991; hierna: wet nr. 264/91"), mag deze werkzaamheid enkel worden uitgeoefend door ondernemers en vennootschappen die een specifieke vergunning van de bevoegde provinciale administratie hebben verkregen.
3 Artikel 3 van wet nr. 264/91 stelt de verlening van een dergelijke vergunning afhankelijk van een aantal voorwaarden, onder meer van de in lid 1, sub a, gestelde voorwaarde dat de eigenaar van de onderneming een Italiaans onderdaan is of een onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Gemeenschap die in Italië woont".
4 Artikel 3, lid 4, van wet nr. 264/91 stelt de verlening van de vergunning afhankelijk van de storting van een nader te bepalen financiële waarborg bij de provinciale administratie.
5 Artikel 8 van wet nr. 264/91 voorziet in de vaststelling van minimum- en maximumtarieven voor de uitoefening van de betrokken activiteit.
6 Artikel 9, lid 4, van de wet bepaalt dat wie zonder de vereiste vergunning de werkzaamheid van vervoersconsultant uitoefent, tot administratieve sancties of, in voorkomend geval, tot strafsancties kan worden veroordeeld.
De precontentieuze procedure
7 Aangezien de Commissie van mening was, dat artikel 3, lid 1, sub a, van wet nr. 264/91 onverenigbaar was met het fundamentele verbod van discriminatie op grond van nationaliteit, dat met betrekking tot de vrijheid van vestiging in artikel 52 van het Verdrag is neergelegd, en dat artikel 3, leden 1, sub a, en 4, gelezen in samenhang met de artikelen 8 en 9, lid 4, van deze wet onverenigbaar was met het in artikel 59 van het Verdrag neergelegde fundamentele beginsel van het vrij verrichten van diensten, heeft zij de Italiaanse regering bij brief van 7 november 1995 aangemaand om binnen een termijn van twee maanden haar opmerkingen te maken.
8 Aangezien de Commissie het antwoord van de Italiaanse regering onvoldoende achtte, zond zij op 14 juli 1997 een met redenen omkleed advies aan de Italiaanse Republiek, waarin zij haar kritiek op de nationale wetgeving herhaalde en deze lidstaat verzocht om binnen een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de betekening van dit advies de nodige maatregelen te nemen om de krachtens de artikelen 52 en 59 van het Verdrag op hem rustende verplichtingen na te komen.
9 Toen de Italiaanse regering niet antwoordde op dit advies, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld. Dit beroep omvat twee grieven, die achtereenvolgens dienen te worden behandeld.
Schending van artikel 52 van het Verdrag
10 De Commissie stelt, dat artikel 3, lid 1, sub a, van wet nr. 264/91, door de uitoefening van de werkzaamheid van vervoersconsultant voor te behouden aan onderdanen van andere lidstaten die in Italië wonen, een discriminatie op grond van nationaliteit inhoudt, die met betrekking tot de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan door artikel 52 van het Verdrag is verboden.
11 De Italiaanse regering antwoordt hierop, dat bij artikel 35 van legge n. 472 van 7 december 1999, interventi nel settore dei trasporti (wet nr. 472 betreffende de vervoerssector, GURI nr. 294 van 16 december 1999, gewoon supplement; hierna: wet nr. 472/99"), met als titel Wijzigingen van wet nr. 264 van 8 augustus 1991", de term woont" in artikel 3, lid 1, sub a, van wet nr. 264/91 is vervangen door de term is gevestigd". Zij stelt dat zelfs vóór deze wijziging het begrip woonplaats" in artikel 3, lid 1, sub a, van wet nr. 264/91 in de ruimere zin van vestiging" diende te worden begrepen.
12 Dienaangaande dient in de eerste plaats te worden onderstreept, dat volgens vaste rechtspraak het bestaan van een niet-nakoming moet worden beoordeeld op basis van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, en dat het Hof met sedertdien opgetreden wijzigingen geen rekening kan houden (zie met name arrest van 16 december 1997, Commissie/Italië, C-316/96, Jurispr. blz. I-7231, punt 14).
13 In de tweede plaats bepaalt artikel 52, tweede alinea, van het Verdrag, dat de vrijheid van vestiging voor de onderdanen van een lidstaat de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan [omvat] overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld".
14 Door enkel van de onderdanen van andere lidstaten, met uitsluiting van Italiaanse burgers, te eisen dat zij op het Italiaanse grondgebied wonen om de nodige vergunning te kunnen verkrijgen voor de toegang tot de werkzaamheid van vervoersconsultant in Italië en de uitoefening daarvan, bevatte artikel 3, lid 1, sub a, van de wet van 1991, in de versie die gold aan het einde van de in het met redenen omklede advies gestelde termijn, een bij artikel 52 van het Verdrag verboden discriminatie op grond van nationaliteit.
15 Aangezien de Italiaanse regering geen reden van algemeen belang, als bedoeld in artikel 56, lid 1, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 46, lid 1, EG) heeft aangevoerd die deze discriminatie zou kunnen rechtvaardigen, moet de grief betreffende de schending van artikel 52 van het Verdrag gegrond worden verklaard.
Schending van artikel 59 van het Verdrag
16 Volgens de Commissie is het voor de in andere lidstaten gevestigde onderdanen gestelde woonplaatsvereiste ook strijdig met artikel 59 van het Verdrag, omdat deze voorwaarde in feite regelrecht ingaat tegen de bij deze bepaling gewaarborgde vrijheid van dienstverrichting. Verder wordt in de bepalingen van wet nr. 264/91 betreffende het stellen van een waarborg, de vaststelling van minimum- en maximumtarieven en de toepassing van sancties in geval van uitoefening van de betrokken activiteit zonder vergunning, geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat de dienstverrichters van andere lidstaten eventueel in de lidstaat van vestiging aan vergelijkbare verplichtingen zijn onderworpen. Deze bepalingen zijn in elk geval niet evenredig aan de volgens de Italiaanse regering beoogde doelstellingen.
17 De Commissie leidt hieruit af, dat artikel 3, leden 1, sub a, en 4, gelezen in samenhang met de artikelen 8 en 9, lid 4, van wet nr. 264/91 onverenigbaar is met het fundamentele beginsel van het vrij verrichten van diensten.
18 De Italiaanse regering stelt dat bij gebreke van harmonisering op gemeenschapsniveau het vereiste van een voorafgaande vergunning voor de, zelfs occasionele, uitoefening van de werkzaamheid van vervoersconsultant en de voorwaarden die voor de afgifte van deze vergunning dienen te worden vervuld, worden gerechtvaardigd door de noodzaak om de beroepsbekwaamheden, de eerbaarheid, de correctheid en de financiële middelen van de betrokken personen te controleren. De minimumtarieven zijn volgens haar noodzakelijk om in het belang van de consumenten een ontwrichting van de markt en een vermindering van de kwaliteit van de aangeboden diensten te voorkomen.
19 Verder heeft de Italiaanse regering in haar verweerschrift gesteld dat zij van plan was, in het kader van de wetgevingsprocedure die zou leiden tot de vaststelling van wet nr. 472/99 de in artikel 8 van wet nr. 264/91 bedoelde maximumtarieven af te schaffen, en heeft zij vervolgens in dupliek uiteengezet dat de vaststelling van maximumtarieven evenmin als die van minimumtarieven een beperking op de vrije dienstverrichting inhield, ongeacht of deze diensten door Italiaanse onderdanen dan wel door onderdanen van andere lidstaten worden verricht, en dat zij bovendien noodzakelijk waren om een prijsverhoging te voorkomen.
20 Ter beoordeling van de gegrondheid van de tweede grief van de Commissie dient in de eerste plaats te worden vastgesteld, dat het vereiste dat de onderdanen van andere lidstaten die in Italië de werkzaamheid van vervoersconsultant wensen uit te oefenen, in deze lidstaat wonen, regelrecht in strijd is met de vrijheid van dienstverrichting, daar het in andere lidstaten gevestigde personen belet in Italië diensten te verrichten (zie in die zin arrest van 9 maart 2000, Commissie/België, C-355/98, Jurispr. blz. I-1221, punt 27).
21 Verder is het vaste rechtspraak dat een nationale wettelijke regeling die op straffe van sancties de verrichting van bepaalde diensten op het nationale grondgebied door een in een andere lidstaat gevestigde onderneming afhankelijk stelt van de afgifte van een vergunning door de overheid, een beperking op het vrij verrichten van diensten in de zin van artikel 59 van het Verdrag is (zie met name arrest Commissie/België, reeds aangehaald, punt 35). Hetzelfde geldt voor de voorwaarden die voor de afgifte van deze vergunning dienen te worden vervuld, zoals het stellen van een waarborg.
22 Wat in de tweede plaats de redenen betreft die de Italiaanse regering ter rechtvaardiging van deze beperkingen aanvoert, kan worden volstaan met de vaststelling dat de gewraakte wettelijke bepalingen in elk geval verder gaan dan wat nodig is ter bereiking van het nagestreefde doel, namelijk te verzekeren dat de betrokken personen aan een aantal noodzakelijk geachte voorwaarden voor de uitoefening van de betrokken activiteit voldoen.
23 De vrijheid van dienstverrichting als grondbeginsel van het Verdrag kan immers slechts worden beperkt door regelingen die hun rechtvaardiging vinden in redenen van algemeen belang, die gelden voor iedere persoon of onderneming die op het grondgebied van de betrokken staat werkzaam is, voorzover dit belang niet wordt gewaarborgd door de regels waaraan de dienstverrichter is onderworpen in de lidstaat waar hij is gevestigd (arrest Commissie/België, reeds aangehaald, punt 37).
24 Aangezien wet nr. 264/91 aan alle personen dezelfde voorwaarden stelt voor het verkrijgen van de vereiste administratieve vergunning voor de uitoefening van de werkzaamheid van vervoersconsultant in Italië, sluit deze wet uit, dat rekening wordt gehouden met de verplichtingen waaraan de dienstverrichter reeds is onderworpen in de lidstaat waar hij is gevestigd (zie in die zin arrest Commissie/België, reeds aangehaald, punt 38).
25 In de derde plaats heeft de Commissie in haar verzoekschrift niet gesteld dat het bestaan van minimum- en maximumtarieven voor de uitoefening van de werkzaamheid van vervoersconsultant als zodanig een beperking op het vrij verrichten van diensten zou meebrengen, maar heeft zij de Italiaanse Republiek enkel verweten dat zij, door in artikel 8 van wet nr. 264/91 in de vaststelling van dergelijke tarieven te voorzien, geen rekening heeft gehouden met soortgelijke voorwaarden die dienaangaande reeds in de andere lidstaten bestaan.
26 De Commissie heeft evenwel niet uitgelegd, hoe en in hoeverre voor een dienstverrichter, zelfs indien hij in de lidstaat van vestiging minimum- en maximumtarieven in acht zou dienen te nemen, het vrij verrichten van diensten in de zin van artikel 59 van het Verdrag zou worden beperkt door het feit dat hij in een andere lidstaat, waar hij zijn werkzaamheid tijdelijk en occasioneel uitoefent, eveneens aan dergelijke tarieven is gebonden.
27 In het kader van een procedure wegens niet-nakoming op grond van artikel 226 EG staat het evenwel aan de Commissie, het gestelde verzuim aan te tonen en het Hof de gegevens te verschaffen die het nodig heeft om te kunnen vaststellen of er inderdaad sprake is van dat verzuim (zie met name arrest van 23 oktober 1997, Commissie/Frankrijk, C-159/94, Jurispr. blz. I-5815, punt 102).
28 Bijgevolg moet worden geconcludeerd, dat de grief in verband met de schending van artikel 59 van het Verdrag enkel gegrond is, voorzover zij betrekking heeft op artikel 3, leden 1, sub a, en 4, en artikel 9, lid 4, van wet nr. 264/91. De grief dient daarentegen te worden verworpen, voorzover zij betrekking heeft op artikel 8 van deze wet.
29 Gelet op het voorgaande is de Italiaanse Republiek, door in het kader van wet nr. 264/91 de uitoefening van de werkzaamheid van vervoersconsultant op straffe van sancties afhankelijk te stellen van het bezit van een administratieve vergunning en de afgifte van deze vergunning afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat de onderdanen van de andere lidstaten in Italië wonen en een waarborg stellen, de krachtens de artikelen 52 en 59 van het Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
30 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Italiaanse Republiek op de belangrijkste punten in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door in het kader van legge n. 264 van 8 augustus 1991, disciplina dell'attività di consulenza per la circolazione dei mezzi di trasporto (wet nr. 264 betreffende de werkzaamheid van vervoersconsultant), de uitoefening van de werkzaamheid van vervoersconsultant op straffe van sancties afhankelijk te stellen van het bezit van een administratieve vergunning en de afgifte van deze vergunning afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat de onderdanen van de andere lidstaten in Italië wonen en een waarborg stellen, is de Italiaanse Republiek de krachtens de artikelen 52 en 59 EG-Verdrag (thans, na wijziging, de artikelen 43 EG en 49 EG) op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy