Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Ambtenaren - Tuchtregeling - Procedure voor tuchtraad - Termijnen van artikel 7 van bijlage IX - Niet-inachtneming - Geen fatale termijnen
(Ambtenarenstatuut, bijlage IX, art. 7)
2. Hogere voorziening - Middelen - Verkeerde beoordeling van feiten - Niet-ontvankelijkheid - Afwijzing - Juridische kwalificatie van feiten - Ontvankelijkheid
(Art. 225 EG; Statuut-EG van het Hof van Justitie, art. 51, eerste alinea)
3. Ambtenaren - Tuchtregeling - Procedure voor tuchtraad - Termijnen van artikel 7 van bijlage IX - Aanzienlijke overschrijding - Schending van algemene beginselen van gemeenschapsrecht - Voorwaarden
(Ambtenarenstatuut, bijlage IX, art. 7)
Samenvatting
1. De in artikel 7 van bijlage IX bij het Statuut gestelde termijnen zijn geen fatale termijnen, maar regels van behoorlijk bestuur. De niet-inachtneming van deze termijnen kan ertoe leiden dat de betrokken instelling aansprakelijk wordt voor schade die daardoor aan de betrokkenen is berokkend, doch tast op zichzelf de geldigheid van de na het verstrijken van de termijn getroffen tuchtmaatregel niet aan.
( cf. punt 21 )
2. Een hogere voorziening kan slechts worden gebaseerd op middelen inzake schending van rechtsregels, met uitsluiting van elke feitelijke beoordeling. Het Gerecht is bij uitsluiting bevoegd om de feiten vast te stellen, behoudens het geval waarin de feitelijke onjuistheid van hetgeen het heeft vastgesteld, voortvloeit uit de hem overgelegde processtukken, en om die feiten te beoordelen. Wanneer het Gerecht de feiten heeft vastgesteld of beoordeeld, is het Hof ingevolge artikel 225 EG bevoegd, toezicht uit te oefenen op de wijze waarop het Gerecht de feiten juridisch heeft gekwalificeerd en daaraan rechtsgevolgen heeft verbonden.
( cf. punt 37 )
3. Niet uitgesloten kan worden dat een aanzienlijke overschrijding van de in artikel 7 van bijlage IX bij het Statuut gestelde termijnen in bepaalde gevallen kan gelijkstaan met een schending van een ter zake geldend algemeen beginsel van gemeenschapsrecht. Meer bepaald kan een dergelijke overschrijding de betrokken persoon beletten zich doeltreffend te verdedigen of bij hem het gewettigde vertrouwen wekken dat jegens hem geen tuchtmaatregel zal worden getroffen.
In dergelijke uitzonderlijke omstandigheden zou de vertraging bij de vaststelling van een tuchtmaatregel een schending van de rechten van de verdediging of van het vertrouwensbeginsel opleveren, die de nietigverklaring van deze maatregel door de gemeenschapsrechter zou rechtvaardigen.
( cf. punten 43-44 )
Partijen
In zaak C-270/99 P,
Z, ambtenaar van het Europees Parlement, wonende te Brussel (België), vertegenwoordigd door J.-N. Louis, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
rekwirant,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Eerste kamer) van 4 mei 1999, Z/Parlement (T-242/97, JurAmbt. blz. I-A-77 en II-401), strekkende tot vernietiging van dit arrest voorzover hierbij is verworpen het beroep van Z tegen het besluit van de secretaris-generaal van het Europees Parlement van 28 oktober 1996 waarbij jegens hem de tuchtmaatregel van terugzetting in rang is getroffen,
andere partij bij de procedure:
Europees Parlement, vertegenwoordigd door H. Krück als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: F. Macken, kamerpresident, N. Colneric, C. Gulmann, J.-P. Puissochet en V. Skouris (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs,
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 1 februari 2001,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 maart 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 19 juli 1999, heeft Z krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG en de overeenkomstige bepalingen van 's Hofs Statuut-EGKS en -EGA hogere voorziening ingesteld, strekkende tot vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 4 mei 1999, Z/Parlement (T-242/97, JurAmbt. blz. I-A-77 en II-401; hierna: bestreden arrest"), voorzover hierbij is verworpen het beroep van Z tegen het besluit van de secretaris-generaal van het Europees Parlement van 28 oktober 1996 waarbij jegens hem de tuchtmaatregel van terugzetting in rang is getroffen (hierna: omstreden besluit"), en tot nietigverklaring van dit besluit.
Rechtskader
2 Artikel 7 van bijlage IX bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: Statuut") bepaalt:
Na kennisneming van de hem voorgelegde bescheiden en zo nodig rekening houdende met de schriftelijke of mondelinge verklaringen van de ambtenaar en van de getuigen alsmede met de resultaten van het eventuele onderzoek, brengt de tuchtraad met meerderheid van stemmen een met redenen omkleed advies uit over de tuchtmaatregel die naar zijn oordeel naar aanleiding van de ten laste gelegde feiten moet worden genomen; binnen een maand na de dag waarop de zaak bij de tuchtraad aanhangig werd gemaakt, zendt de raad dit advies aan het tot aanstelling bevoegde gezag en aan de ambtenaar. Deze termijn wordt tot drie maanden verlengd indien de raad een onderzoek heeft doen instellen.
In geval van strafrechtelijke vervolging van de ambtenaar kan de raad besluiten zijn advies op te schorten totdat de rechterlijke beslissing is gegeven.
Het tot aanstelling bevoegde gezag neemt binnen één maand zijn besluit, na de ambtenaar te hebben gehoord."
Voorgeschiedenis van het geding
3 Blijkens het bestreden arrest is rekwirant in 1977 bij het Parlement in dienst getreden. Ten tijde van de feiten, van 1988 tot 1995, was hij verantwoordelijk voor de Postkamer", die deel uitmaakte van het directoraat-generaal Griffie (DG 1) te Brussel. Op 1 mei 1989 werd hij benoemd tot hoofdbeambte in rang C 1.
4 In december 1994 hebben XB, C en D, de drie ambtenaren die tot de dienst van rekwirant behoorden en die zijn ondergeschikten waren, een klacht tegen hem ingediend bij de voorzitter van het personeelscomité van het Parlement. Zij verweten hem verschillende misdragingen binnen de professionele relatie. Naar aanleiding van deze klacht heeft de secretaris-generaal van het Parlement de directeur Personeelszaken bij nota van 27 januari 1995 gelast een administratief onderzoek in te stellen.
5 In het onderzoeksrapport van 2 juni 1995 worden de volgende grieven ten laste van rekwirant in aanmerking genomen:
- tergend gedrag jegens ondergeschikten,
- seksuele intimidatie,
- handel in tweedehandsauto's zonder voorafgaande machtiging en gebruik van middelen van de instelling (telefoon, garage) voor dit doel,
- slechte organisatie van de Postkamer", en
- achterhouden van een deel van de post.
In dit rapport werd de secretaris-generaal van het Parlement aangeraden om in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: TABG") een tuchtprocedure in te leiden.
6 Op 7 juli 1995 is rekwirant, aan wie de in het onderzoeksrapport van 2 juni 1995 in aanmerking genomen grieven waren meegedeeld, overeenkomstig artikel 87, tweede alinea, van het Statuut door het TABG gehoord. De notulen van de hoorzitting zijn meegedeeld aan rekwirant, die bij brief van 20 juli 1995 zijn schriftelijke opmerkingen kenbaar heeft gemaakt.
7 Op 31 augustus 1995 heeft het TABG beslist een tuchtprocedure tegen rekwirant in te leiden en de zaak bij de tuchtraad aanhangig te maken. Tegelijkertijd werd rekwirant op grond van artikel 88, eerste en tweede alinea, van het Statuut geschorst zonder inhouding op zijn bezoldiging.
8 Op dezelfde dag heeft het TABG het administratief dossier aan de tuchtraad toegezonden. Op 11 december 1995 heeft rekwirant deze raad een brief gestuurd, waarin hij kritiek uitte op het onderzoeksrapport van 2 juni 1995. De tuchtraad heeft tussen 18 december 1995 en 23 april 1996 getuigen gehoord in aanwezigheid van rekwirant en zijn raadsman. Rekwirant en zijn raadsman zijn gehoord op 25 juli 1996.
9 Op 3 september 1996 heeft de tuchtraad zijn met redenen omkleed advies uitgebracht. Hierin wordt vastgesteld dat voor een aantal van de tegen rekwirant geuite beschuldigingen voldoende bewijsmateriaal voorhanden is, onder meer voor het tergende gedrag, de seksuele intimidatie, het gebruik van middelen van het Parlement om handel te drijven in tweedehandsauto's en de slechte organisatie van de Postkamer". Op die gronden beval de tuchtraad aan, rekwirant op grond van artikel 86, lid 2, sub f, van het Statuut te ontslaan zonder vermindering van zijn recht op ouderdomspensioen.
10 Nadat het TABG rekwirant op 3 oktober 1996 overeenkomstig artikel 7, derde alinea, van bijlage IX bij het Statuut had gehoord, heeft het op 28 oktober 1996 het omstreden besluit vastgesteld. Hierbij wordt rekwirant teruggezet in de rang C 5, salaristrap 1.
Beroep tot nietigverklaring en bestreden arrest
11 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 22 augustus 1997, heeft rekwirant beroep ingesteld tegen het omstreden besluit. Tot staving van dit beroep heeft hij met name verschillende middelen aangevoerd betreffende onregelmatigheden in het verloop van de tuchtprocedure, de daaraan voorafgaande procedure en de administratieve procedure. Een van deze middelen is ontleend aan schending van artikel 7, eerste en derde alinea, van bijlage IX bij het Statuut wegens niet-inachtneming van een redelijke termijn tussen de verschillende onderdelen van de tuchtprocedure.
12 Met betrekking tot dit middel heeft het Gerecht in de punten 39 tot en met 42 van het bestreden arrest overwogen:
39 Volgens de rechtspraak van het Hof (arresten van 4 februari 1970, Van Eick/Commissie, 13/69, Jurispr. blz. 3, punten 3 e.v.; 29 januari 1985, F./Commissie, 228/83, Jurispr. blz. 275, punt 30, en 19 april 1988, M./Raad, 175/86 en 209/86, Jurispr. blz. 1891, punt 16) zijn de in artikel 7 van bijlage IX bedoelde termijnen geen peremptoire termijnen, maar regels van behoorlijk bestuur. De niet-inachtneming van deze termijnen kan ertoe leiden dat de betrokken instelling aansprakelijk wordt voor schade die daardoor aan de betrokkenen is berokkend, doch tast op zichzelf de geldigheid van de buiten de termijn getroffen tuchtmaatregel niet aan.
40 Het Gerecht heeft weliswaar in de twee reeds aangehaalde arresten De Compte/Parlement en D/Commissie geoordeeld dat de overschrijding van deze termijnen ,ook tot de nietigheid van de buiten de termijn gestelde handeling kan leiden, doch deze rechtspraak kan niet aldus worden uitgelegd dat elke overschrijding van de termijn automatisch dient te leiden tot nietigverklaring van de betrokken handeling. Overigens heeft het Gerecht in beide zaken juist afgezien van nietigverklaring (zie in die zin ook arrest Gerecht van 18 december 1997, Daffix/Commissie, T-12/94, JurAmbt. blz. II-1197, punten 130-133).
41 Gelet op het voorgaande kan de geldigheid van een buiten de termijn getroffen tuchtmaatregel slechts in specifieke gevallen, wanneer aan bijzondere voorwaarden is voldaan, worden aangetast. Verzoeker toont evenwel alleen aan dat de termijn daadwerkelijk is overschreden. Het Parlement daarentegen verwijst, zonder op dit punt door verzoeker te worden tegengesproken, naar de complexiteit van de in casu gevoerde tuchtprocedure, het grote aantal getuigen dat - overigens in afspraak met de advocaat van verzoeker - is gehoord, en de problemen en wetmatigheden waarmee de tuchtraad werd geconfronteerd [...]
42 Hieraan dient te worden toegevoegd dat verzoeker bij de inleiding van de tuchtprocedure door het TABG is geschorst zonder inhouding op zijn bezoldiging. Na de vaststelling van het bestreden besluit is hij naar een ander directoraat-generaal overgeplaatst. Gedurende de gehele tuchtprocedure behield verzoeker dus zijn financiële rechten uit hoofde van zijn rang C 1, zonder dat hij zich nog op zijn oude dienst diende te vertonen, zodat hij zonder enig financieel verlies aan een mogelijk onaangename atmosfeer was kunnen ontsnappen. Na afloop van deze procedure is hij dankzij deze overplaatsing niet naar zijn dienst moeten terugkeren, maar heeft hij de kans gekregen zich in een nieuwe werkomgeving te integreren en een nieuwe reputatie op te bouwen."
13 Gelet op het voorgaande heeft het Gerecht in punt 43 van het bestreden arrest geconcludeerd dat de overschrijding van de in artikel 7 van bijlage IX bij het Statuut gestelde termijnen in casu de nietigverklaring van het omstreden besluit niet kon rechtvaardigen, en heeft het verzoekers middel inzake overschrijding van de in artikel 7 gestelde termijnen afgewezen.
Hogere voorziening
14 Ter ondersteuning van zijn hogere voorziening voert rekwirant aan dat het Gerecht, door in casu geen gevolgen te verbinden aan de onrechtmatige overschrijding van de in artikel 7 van bijlage IX bij het Statuut gestelde termijnen, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
15 Het middel van rekwirant bestaat uit twee onderdelen, die afzonderlijk dienen te worden onderzocht. Volgens rekwirant is in het bestreden arrest de draagwijdte van artikel 7 van bijlage IX bij het Statuut verkeerd begrepen en zijn de aan het tuchtgezag opgelegde regels van goed gedrag en behoorlijk bestuur niet in acht genomen.
Beoordeling door het Hof
Eerste onderdeel van het middel
16 Tot staving van het eerste onderdeel van zijn middel stelt rekwirant in wezen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet te oordelen dat de in artikel 7 van bijlage IX bij het Statuut gestelde termijnen dwingend zijn en strikt in acht dienen te worden genomen.
17 Ter ondersteuning van deze stelling voert rekwirant twee argumenten aan.
18 Hij beroept zich in de eerste plaats op artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM"), dat zijns inziens op grond van artikel F, leden 1 en 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (thans, na wijziging, artikel 6, leden 1 en 2, EU) van toepassing is in de communautaire rechtsorde. Volgens artikel 6, lid 1, EVRM heeft eenieder recht op een eerlijk en billijk proces binnen een redelijke termijn. Volgens rekwirant kan daarvan slechts sprake zijn in een systeem van vaste proceduretermijnen die strikt in acht moeten worden genomen.
19 Verder vormen de specifieke termijnen van bijlage IX bij het Statuut een volledige regeling die het tuchtgezag moet naleven om het rechtszekerheidsbeginsel in acht te nemen en elke discriminatie of willekeurige behandeling te vermijden.
20 In de tweede plaats stelt rekwirant dat zijn stelling steun vindt in de vaste rechtspraak volgens welke de gemeenschapsregeling inzake proceduretermijnen strikt moet worden toegepast ter wille van het rechtszekerheidsvereiste en de noodzaak elke discriminatie of willekeurige behandeling in de rechtsbedeling te vermijden (zie met name arresten van 12 juli 1984, Ferriera Valsabbia/Commissie, 209/83, Jurispr. blz. 3089, en 26 november 1985, Cockerill-Sambre/Commissie, 42/85, Jurispr. blz. 3749).
21 Dienaangaande zij er in de eerste plaats aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de in artikel 7 van bijlage IX bij het Statuut gestelde termijnen geen peremptoire termijnen, maar regels van behoorlijk bestuur zijn. De niet-inachtneming van deze termijnen kan ertoe leiden dat de betrokken instelling aansprakelijk wordt voor schade die daardoor aan de betrokkenen is berokkend, doch tast op zichzelf de geldigheid van de buiten de termijn getroffen tuchtmaatregel niet aan (zie in die zin de reeds aangehaalde arresten Van Eick/Commissie, punten 3-7, F./Commissie, punt 30, en M./Raad, punt 16).
22 In de tweede plaats zij vastgesteld dat het betoog van rekwirant deze rechtspraak niet op losse schroeven vermag te zetten.
23 Aangaande het aan artikel 6, lid 1, EVRM ontleende argument zij eraan herinnerd, zonder dat behoeft te worden nagegaan of deze bepaling van toepassing is op de tuchtprocedures waarin het Statuut voorziet, dat artikel 6 bepaalt dat eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie die bij de wet is ingesteld. Zoals duidelijk uit de tekst ervan blijkt, schrijft artikel 6, lid 1, EVRM geen specifieke termijnen voor en bepaalt het evenmin dat de wettelijk voorgeschreven termijnen, zoals deze welke in artikel 7 van bijlage IX bij het Statuut zijn vastgesteld, noodzakelijkerwijs als peremptoir dienen te worden beschouwd.
24 Aangaande de toepassing van het algemene beginsel van gemeenschapsrecht volgens hetwelk eenieder recht heeft op een proces binnen een redelijke termijn (zie in die zin arrest van 17 december 1988, Baustahlgewebe/Commissie, C-185/95 P, Jurispr. blz. I-8417, punt 21), blijkt uit de rechtspraak van het Hof en het Europees Hof voor de rechten van de mens dat de redelijkheid van de termijn moet worden beoordeeld met inachtneming van de specifieke omstandigheden van elke zaak en in het bijzonder met inachtneming van het belang ervan voor de betrokkene, de ingewikkeldheid van de zaak en het gedrag van de verzoeker en de bevoegde autoriteiten (zie in die zin arrest Baustahlgewebe/Commissie, reeds aangehaald, punt 29, alsook EHRM, arresten Erkner en Hofauer van 23 april 1987, serie A, nr. 117, § 66; Kemmache van 27 november 1991, serie A, nr. 218, § 60; X./Frankrijk van 31 maart 1992, serie A, nr. 234-C, § 32; Phocas/Frankrijk van 23 april 1996, Recueil des arrêts et décisions 1996-II, blz. 546, § 71, en Garyfallou AEBE/Griekenland van 27 september 1997, Recueil des arrêts et décisions 1997-V, blz. 1821, § 39).
25 De in punt 20 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak van het Hof (arresten Ferriera Valsabbia/Commissie, punt 14, en Cockerill-Sambre/Commissie, punt 10, beide reeds aangehaald), waarop rekwirant zijn betoog baseert, is niet ter zake dienend. Deze rechtspraak betreft immers de termijnen vastgesteld voor het inleiden van procedures voor het Hof en het Gerecht. Deze termijnen zijn evenwel van een andere aard dan de in artikel 7 van bijlage IX bij het Statuut gestelde termijnen en zijn hiermee dan ook niet te vergelijken.
26 Gelet op het voorgaande dient het eerste onderdeel van het middel ongegrond te worden verklaard.
Tweede onderdeel van het middel
27 In het tweede onderdeel van zijn middel stelt rekwirant dat, zelfs al zouden de in artikel 7 van bijlage IX bij het Statuut gestelde termijnen niet peremptoir zijn, zij er in elk geval op wijzen dat de gemeenschapswetgever het tuchtgezag een regel van behoorlijk bestuur heeft willen opleggen, namelijk de verplichting om de tuchtprocedure met bekwame spoed te voeren en ervoor te zorgen dat elke handeling binnen een redelijke termijn op de vorige volgt.
28 Ter ondersteuning van dit betoog verwijst rekwirant naar het arrest van het Gerecht van 17 oktober 1991, De Compte/Parlement (T-26/89, Jurispr. blz. II-781). Volgens deze rechtspraak, aldus rekwirant, kan de niet-inachtneming van de betrokken termijnen - die slechts tegen de achtergrond van de bijzondere omstandigheden van het geval kan worden beoordeeld - niet alleen leiden tot de aansprakelijkheid van de betrokken instelling, maar ook tot de nietigheid van de buiten de termijn getroffen maatregel.
29 Volgens rekwirant heeft het Gerecht in het bestreden arrest niet voldaan aan zijn verplichting om bij de beoordeling van een middel inzake overschrijding van de in artikel 7 van bijlage IX bij het Statuut gestelde termijnen, de bijzondere omstandigheden van het geval in aanmerking te nemen. Het Gerecht heeft alleen maar nagegaan of de tuchtprocedure volgens de regels is verlopen, en heeft alleen de waarachtigheid en de ernst van de door het TABG in aanmerking genomen grieven onderzocht. In plaats van de procedure omstandig te analyseren, heeft het Gerecht het in de punten 36 tot en met 38 van het bestreden arrest weergegeven betoog van het Parlement ter rechtvaardiging van de overschrijding van de in artikel 7 van bijlage IX bij het Statuut gestelde termijnen, gewoon overgenomen.
30 Rekwirant bekritiseert dit betoog en voert aan dat het Parlement geen enkele uitzonderlijke omstandigheid ter rechtvaardiging van de overschrijding van de gestelde termijnen heeft aangevoerd. Bijgevolg heeft het Gerecht de in zijn eigen rechtspraak neergelegde beginselen geschonden.
Ontvankelijkheid
31 Het Parlement voert aan dat dit tweede onderdeel van het middel om twee redenen niet-ontvankelijk is.
32 In de eerste plaats stelt het dat, voorzover rekwirant de gestelde niet-inachtneming van de aan het tuchtgezag opgelegde regels van goed gedrag en behoorlijk bestuur" als een zelfstandig en afzonderlijk middel aanvoert, dit middel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat geen bijzondere argumenten ter ondersteuning ervan worden aangevoerd.
33 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat uit artikel 51, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG en artikel 112, lid 1, eerste alinea, sub c, van het Reglement voor de procesvoering volgt dat een hogere voorziening nauwkeurig de bestreden elementen van het arrest moet aangeven, alsmede de argumenten rechtens tot staving van de vordering tot vernietiging daarvan (zie met name de beschikkingen van 6 maart 1997, Bernardi/Parlement, C-303/96 P, Jurispr. blz. I-1239, punt 37, en 9 juli 1998, Smanor e.a./Commissie, C-317/97 P, Jurispr. blz. I-4269, punt 20, en arrest van 9 september 1999, Lucaccioni/Commissie, C-257/98 P, Jurispr. blz. I-5251, punt 61).
34 Zoals in de punten 27 tot en met 30 van het onderhavige arrest is uiteengezet, verwijt rekwirant het Gerecht in casu de in zijn eigen rechtspraak neergelegde beginselen niet te hebben nageleefd. Volgens deze rechtspraak, aldus rekwirant, kan de niet-inachtneming van de betrokken termijnen - die slechts tegen de achtergrond van de bijzondere omstandigheden van het geval kan worden beoordeeld - niet alleen leiden tot de aansprakelijkheid van de betrokken instelling, maar ook tot de nietigheid van de buiten de termijn getroffen maatregel, zodat het Gerecht zijn verplichting om de bijzondere omstandigheden van het geval in aanmerking te nemen en bijgevolg het bestreden besluit nietig te verklaren, niet is nagekomen.
35 Gelet op deze elementen dient te worden vastgesteld dat in het tweede onderdeel van het middel van de hogere voorziening precies wordt aangegeven op welke punten het bestreden arrest wordt bekritiseerd, en op welke juridische argumenten het verzoek tot vernietiging van dit arrest berust.
36 In de tweede plaats stelt het Parlement dat de kritiek van rekwirant op de door het Parlement voor het Gerecht aangevoerde argumenten betrekking heeft op de feitelijke beoordeling door het Gerecht en dus niet-ontvankelijk is in het stadium van de hogere voorziening. Voorzover de grieven van rekwirant betreffende de beoordeling door het Gerecht van de bijzondere omstandigheden van het geval erop neerkomen dat het Hof om een nieuwe beoordeling van de feiten wordt verzocht, zijn zij eveneens noodzakelijkerwijs niet-ontvankelijk in het kader van een hogere voorziening, die volgens artikel 51 van 's Hofs Statuut-EG alleen rechtsvragen kan betreffen.
37 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat een hogere voorziening slechts kan worden gebaseerd op middelen inzake schending van rechtsregels, met uitsluiting van elke feitelijke beoordeling. Het Gerecht is bij uitsluiting bevoegd om de feiten vast te stellen, behoudens het geval waarin de feitelijke onjuistheid van hetgeen het heeft vastgesteld, voortvloeit uit de hem overgelegde processtukken, en om die feiten te beoordelen. Wanneer het Gerecht de feiten heeft vastgesteld of beoordeeld, is het Hof ingevolge artikel 225 EG bevoegd, toezicht uit te oefenen op de wijze waarop het Gerecht de feiten juridisch heeft gekwalificeerd en daaraan rechtsgevolgen heeft verbonden (zie met name arresten van 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi e.a., C-136/92 P, Jurispr. blz. I-1981, punten 48 en 49, en 16 maart 2000, Parlement/Bieber, C-284/98 P, Jurispr. blz. I-1527, punt 31).
38 Zoals uit de punten 27 tot en met 30 van het onderhavige arrest duidelijk blijkt, strekt de kritiek van rekwirant op de door het Parlement voor het Gerecht aangevoerde argumenten ertoe de juridische kwalificatie door het Gerecht van de feitelijke elementen die het Parlement ter rechtvaardiging van de overschrijding van de betrokken termijnen heeft aangevoerd, ter discussie te stellen. Het Gerecht heeft immers juist op basis van deze elementen geoordeeld dat niet was voldaan aan de in zijn eigen rechtspraak gestelde voorwaarden voor nietigverklaring.
39 Gelet op het voorgaande dient te worden geconcludeerd dat het tweede onderdeel van het middel ontvankelijk is.
Ten gronde
40 Ten gronde dient te worden opgemerkt dat in de in punt 21 van dit arrest aangehaalde rechtspraak, volgens welke de in artikel 7 van bijlage IX bij het Statuut gestelde termijnen geen peremptoire termijnen zijn, alleen wordt vastgesteld dat de overschrijding van deze termijnen op zichzelf niet noodzakelijkerwijs leidt tot nietigverklaring van de buiten de termijn getroffen tuchtmaatregel.
41 Uit deze rechtspraak (reeds aangehaalde arresten Van Eick/Commissie, punt 1; F./Commissie, punt 29, en M./Raad, punt 15) blijkt immers duidelijk dat het Hof in deze zaken alleen heeft geoordeeld over het middel dat een buiten de in artikel 7 van bijlage IX bij het Statuut gestelde termijnen getroffen tuchtmaatregel nietig dient te worden verklaard.
42 Bijgevolg heeft het Hof zich in deze arresten niet uitgesproken over het punt of een aanzienlijke overschrijding van de in artikel 7 van bijlage IX bij het Statuut gestelde termijnen, die een schending van de regels van behoorlijk bestuur oplevert, in bepaalde gevallen kan leiden tot nietigverklaring van de na de termijn getroffen tuchtmaatregel.
43 In dit verband kan niet worden uitgesloten dat een aanzienlijke overschrijding van deze termijnen in bepaalde gevallen kan gelijkstaan met een schending van een ter zake geldend algemeen beginsel van gemeenschapsrecht. Meer bepaald kan een dergelijke overschrijding de betrokken persoon beletten zich doeltreffend te verdedigen of bij hem het gewettigde vertrouwen wekken dat jegens hem geen tuchtmaatregel zal worden getroffen.
44 In dergelijke uitzonderlijke omstandigheden zou de vertraging bij de vaststelling van een tuchtmaatregel een schending van de rechten van de verdediging of van het vertrouwensbeginsel opleveren, die de nietigverklaring van deze maatregel door de gemeenschapsrechter zou rechtvaardigen.
45 Dit is in casu evenwel niet het geval. De overschrijding met ongeveer negen maanden van de in artikel 7 van bijlage IX bij het Statuut gestelde termijn van drie maanden voor het uitbrengen van een advies door de tuchtraad in geval van een onderzoek is weliswaar aanzienlijk, doch dit neemt niet weg dat rekwirant geen enkel argument rechtens of feitelijk heeft aangevoerd ten bewijze dat deze overschrijding hem heeft belet zich doeltreffend te verdedigen of bij hem het gewettigde vertrouwen heeft gewekt dat jegens hem geen tuchtmaatregel zou worden getroffen. Rekwirant heeft evenmin een dergelijk argument aangevoerd met betrekking tot de overschrijding van de termijn van één maand waarover het TABG beschikt om zijn besluit te nemen.
46 Gelet op het voorgaande dient het tweede onderdeel van het middel ongegrond te worden verklaard.
47 Bijgevolg dient de hogere voorziening te worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
48 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 118 van dit Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Artikel 70 van dit Reglement bepaalt, dat in gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden de kosten door de instellingen gemaakt, te hunnen laste blijven. Ingevolge artikel 122, tweede alinea, van dit Reglement is artikel 70 echter niet van toepassing indien de hogere voorziening door een ambtenaar of ander personeelslid is ingesteld. Aangezien rekwirant in het ongelijk is gesteld, dient hij overeenkomstig de vordering van het Parlement in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende:
1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verwijst Z in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy