Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. EGKS - Steun aan ijzer- en staalindustrie - Verbod - Voorwaarden - Aantasting van mededinging - Daarvan uitgesloten
(EGKS-Verdrag, art. 4, sub c)
2. EGKS - Steun aan ijzer- en staalindustrie - Goedkeuring door Commissie - Sluitingssteun - Voorwaarden - Strikte uitlegging - Geregelde productie
(EGKS-Verdrag, art. 4; algemene beschikking nr. 3855/91, art. 4, lid 2, eerste alinea, tweede streepje)
3. Hogere voorziening - Middelen - Onjuiste beoordeling van feiten - Niet-ontvankelijkheid - Toetsing door Hof van beoordeling van bewijs - Uitgesloten, behoudens geval van verkeerde opvatting
(Art. 225 EG; Statuut-EG van het Hof van Justitie, art. 51)
4. EGKS - Steun aan ijzer- en staalindustrie - Verbod - Afwijkende regeling - Goedkeuring door Commissie van voorgenomen steunmaatregel gelet op in regeling gestelde voorwaarden
(EGKS-Verdrag art. 4, sub c; algemene beschikking nr. 3855/91)
Samenvatting
1. Artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag stelt, anders dan artikel 92, lid 1, van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87, lid 1, EG), niet als voorwaarde voor de onverenigbaarheid van steunmaatregelen met de gemeenschappelijke markt, dat zij de concurrentie vervalsen of dreigen te vervalsen. Artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag verbiedt immers zonder beperking elke steun, teneinde de vestiging, de handhaving en de inachtneming van de normale concurrentieverhoudingen te verzekeren, zodat steunmaatregelen als onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd zonder dat moet worden aangetoond of zelfs maar onderzocht of in feite sprake is van een aantasting van de concurrentieverhoudingen dan wel of de kans daartoe bestaat.
( cf. punten 32-33 )
2. De vijfde staalsteuncode vormt een afwijking van artikel 4 EGKS-Verdrag en moet dus strikt worden uitgelegd. Deze noodzaak van een strikte uitlegging vloeit voort uit de bewoordingen zelf van considerans van de vijfde code, waarin de Commissie duidelijk haar bedoeling kenbaar heeft gemaakt dat die code strikt en enkel onder verwijzing naar de uitdrukkelijke bewoordingen ervan moet worden uitgelegd. Het Gerecht heeft dan ook terecht geoordeeld dat het de bedoeling van de vijfde code is enkel steun toe te staan aan ondernemingen met belangrijke activiteiten op de markt, en waarvan de sluiting tot een aanzienlijke vermindering van de ijzer- en staalproductie zal leiden. Het Hof sluit zich aan bij de zienswijze van het Gerecht dat de voorwaarde van geregelde productie in artikel 4, lid 2, eerste alinea, tweede streepje, van de vijfde code is ingesteld om het nuttig effect van de sluitingssteun te versterken door te verzekeren dat de gevolgen daarvan belangrijk genoeg zijn, niet alleen in termen van ontmanteling van installaties, doch ook in termen van vermindering van het huidige productieniveau.
( cf. punten 40-41, 45 )
3. Uit artikel 225 EG en artikel 51 van het Statuut-EG van het Hof van Justitie volgt echter dat de hogere voorziening beperkt is tot rechtsvragen en dat derhalve het Gerecht bij uitsluiting bevoegd is om de feiten vast te stellen, behoudens het geval waarin de feitelijke onjuistheid van hetgeen het heeft vastgesteld, voortvloeit uit de hem overgelegde processtukken, en om die feiten te beoordelen. De beoordeling van de feiten levert - behoudens het geval van een onjuiste voorstelling van de aan het Gerecht voorgelegde bewijselementen - geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof in het kader van een hogere voorziening.
( cf. punt 78 )
4. In het kader van een regeling die, zoals de vijfde staalsteuncode, afwijkt van het strikte steunverbod van artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag, kunnen voorgenomen steunmaatregelen slechts worden goedgekeurd indien zij aan alle in die regeling gestelde voorwaarden voldoen. Het staat dus aan de Commissie om tijdens de procedure van onderzoek van de voorgenomen steunmaatregelen na te gaan of de toekenning van steun aan die voorwaarden voldoet. In die omstandigheden was de Commissie niet verplicht een motivering te geven die verder gaat dan de vaststelling dat aan bepaalde criteria uit die regeling niet was voldaan.
( cf. punt 90 )
Partijen
In de gevoegde zaken C-280/99 P tot en met C-282/99 P,
Moccia Irme SpA, gevestigd te Napels (Italië), vertegenwoordigd door E. Cappelli, P. de Caterini en A. Bandini, avvocati, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
Ferriera Lamifer SpA, gevestigd te Travagliato (Italië), vertegenwoordigd door C. Punzi, M. Siragusa en F. Satta, avvocati, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
en
Ferriera Acciaieria Casilina SpA, gevestigd te Montecomprati (Italië), vertegenwoordigd door C. Punzi, M. Siragusa en F. Satta, avvocati, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
rekwiranten,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Derde kamer - uitgebreid) van 12 mei 1999, Moccia Irme e.a./Commissie (T-164/96-T-167/96, T-122/97 en T-130/97, Jurispr. blz. II-1477), strekkende tot vernietiging van dat arrest,
andere partijen bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door L. Pignataro als gemachtigde, bijgestaan door M. Moretto, avvocato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
Prolafer Srl, gevestigd te Bergamo (Italië),
Dora Ferriera Acciaieria Srl, gevestigd te Bergamo,
en
Nuova Sidercamuna SpA, gevestigd te Berzo Inferiore (Italië),
verzoeksters in eerste aanleg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann, kamerpresident, V. Skouris, J.-P. Puissochet, R. Schintgen en F. Macken (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: D. Louterman-Hubeau, afdelingshoofd,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 16 november 2000, waarbij Moccia Irme SpA werd vertegenwoordigd door A. Bandini; Ferriera Lamifer SpA en Ferriera Acciaieria Casilina SpA door M. Siragusa, F. Satta en door F. M. Moretti, avvocato, en de Commissie door L. Pignataro, bijgestaan door M. Moretto,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 februari 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschriften neergelegd ter griffie van het Hof op 28 juli 1999, hebben Moccia Irme SpA (hierna: Moccia") in zaak C-280/99 P, Ferriera Lamifer SpA (hierna: Lamifer") in zaak C-281/99 P, en Ferriera Acciaieria Casilina SpA (hierna: Casilina") in zaak C-282/99 P, krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 12 mei 1999, Moccia Irme e.a./Commissie (T-164/96-T-167/96, T-122/97 en T-130/97, Jurispr. blz. II-1477; hierna: bestreden arrest"), houdende verwerping van hun beroep tot nietigverklaring van beschikking 96/678/EGKS van de Commissie van 30 juli 1996 betreffende voorgenomen steunmaatregelen van Italië in het kader van het programma voor de herstructurering van de Italiaanse particuliere ijzer- en staalsector (PB L 316, blz. 24) en van beschikking 97/258/EGKS van de Commissie van 18 december 1996 betreffende voorgenomen sluitingssteun van Italië in het kader van de herstructurering van de Italiaanse particuliere ijzer- en staalsector (PB 1997, L 102, blz. 42).
2 Bij beschikking van de president van het Hof van 12 oktober 1999 zijn de zaken C-280/99 P, C-281/99 P en C-282/99 P gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest.
De toepasselijke bepalingen van gemeenschapsrecht
3 Volgens artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag zijn door de staten verleende subsidies of hulp, of door deze opgelegde bijzondere lasten, in welke vorm ook", overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag verboden.
4 Voorts bepaalt artikel 95, eerste alinea, EGKS-Verdrag:
In de gevallen, niet in dit Verdrag voorzien, waarin een beschikking of aanbeveling van de Commissie noodzakelijk blijkt tot het verwerkelijken, in de gemeenschappelijke markt voor kolen en staal en overeenkomstig de bepalingen van artikel 5, van een der doelstellingen van de Gemeenschap zoals deze zijn omschreven in de artikelen 2, 3 en 4, kan zij een dergelijke beschikking geven of aanbeveling doen met instemming van de Raad, bij eenstemmigheid bepaald en na raadpleging van het Raadgevend Comité."
5 Op basis van die bepalingen gaf de Commissie beschikking 3855/91/EGKS van 27 november 1991 tot invoering van communautaire regels voor de steun aan de ijzer- en staalindustrie (PB L 362, blz. 57), de zogenoemde vijfde staalsteuncode" (hierna: vijfde code").
6 Artikel 1, lid 1, van de vijfde code luidt als volgt:
Alle al dan niet specifieke steun aan de ijzer- en staalindustrie, die wordt gefinancierd door een lidstaat, door territoriale collectiviteiten of met staatsmiddelen, in ongeacht welke vorm, kan alleen als communautaire steun en derhalve als verenigbaar met de goede werking van de gemeenschappelijke markt worden aangemerkt, indien hij voldoet aan het bepaalde in de artikelen 2 tot en met 5."
7 Volgens de artikelen 2 tot en met 5 van de vijfde code kunnen steun voor onderzoek en ontwikkeling, steun ten behoeve van de milieubescherming, steun bij sluiting, alsmede regionale steunmaatregelen die berusten op algemene regelingen ten gunste van in Griekenland, Portugal en de nieuwe deelstaten van Duitsland gevestigde ondernemingen, als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd.
8 Artikel 4, lid 2, eerste alinea, eerste tot en met derde streepje, van de vijfde code luidt als volgt:
Steun aan ondernemingen die definitief hun EGKS-ijzer- en staalproductiewerkzaamheden staken, kan verenigbaar worden geacht met de gemeenschappelijke markt mits deze ondernemingen
- hun rechtspersoonlijkheid vóór 1 januari 1991 hebben verkregen,
- tot het tijdstip van de aanmelding van deze steunmaatregelen geregeld EGKS-producten hebben vervaardigd,
- de structuur van hun productie en hun installaties sinds 1 januari 1991 niet hebben gewijzigd."
9 Artikel 6, lid 1, van de vijfde code bepaalt dat de Commissie tijdig in kennis wordt gesteld van voornemens tot invoering of wijziging van de in de artikelen 2 tot en met 5 van die code bedoelde steunmaatregelen, zodat zij daarover haar opmerkingen kan maken. Volgens artikel 6, lid 6, van de vijfde code moeten alle concrete gevallen van toepassing van steun als bedoeld in de artikelen 4 en 5 van die code vooraf bij de Commissie worden aangemeld onder de in artikel 6, lid 1, aangegeven voorwaarden.
De toepasselijke bepalingen van nationaal recht
10 Besluitwet nr. 103 van 14 februari 1994 houdende spoedmaatregelen ter uitvoering van het plan voor de herstructurering van de ijzer- en staalsector (hierna: besluitwet nr. 103") is in februari 1994 overeenkomstig artikel 6, lid 1, van de vijfde code door de Italiaanse regering bij de Commissie aangemeld. De gelding van deze besluitwet is verlengd bij besluitwet nr. 234 van 14 april 1994 en vervolgens bij besluitwet nr. 396 van 20 juni 1994, welke uiteindelijk is omgezet in wet nr. 481 van 3 augustus 1994 betreffende de herstructurering van de Italiaanse particuliere ijzer- en staalsector (GURI nr. 183 van 6 augustus 1994, blz. 12; hierna: wet nr. 481/94").
11 Artikel 1, lid 1, van wet nr. 481/94 voorziet in de mogelijkheid van steunverlening bij de sluiting van installaties in de ijzer- en staalsector, mits deze binnen een vastgestelde termijn worden ontmanteld. Volgens artikel 1, lid 4, van die wet dienen de wijze van onderzoek en de criteria voor toezicht en controle op de uitvoering van de programma's bij besluit van de Italiaanse minister van Industrie, Handel en Ambacht te worden vastgesteld.
12 Het besluit waarbij uitvoering is gegeven aan wet nr. 481/94, namelijk besluit nr. 683 van de minister van Industrie, Handel en Ambacht van 12 oktober 1994 (hierna: uitvoeringsbesluit"), is in augustus 1994 bij de Commissie aangemeld. Volgens artikel 1, lid 1, van dat besluit komen de betrokken ondernemingen voor de in artikel 1 van wet nr. 481/94 bedoelde steun in aanmerking wanneer zij onder meer aan de volgende voorwaarde voldoen:
a) vóór 1 januari 1991 ingeschreven zijn in het handelsregister [...];
b) het voorwerp van hun productie en de structuur van hun installaties na 1 januari 1991 niet hebben gewijzigd;
c) de installaties vóór 31 maart 1995 vernietigen;
[...]
e) tot de datum van vaststelling van besluitwet nr. 103 van 14 februari 1994, [...] geregeld hebben geproduceerd, wat moet worden aangetoond door middel van een verklaring van een beëdigd deskundige met ervaring in de sector, die in het deskundigenregister staat ingeschreven en is aangewezen door het gerecht binnen welks ressort de vennootschap is gevestigd".
13 Volgens artikel 2, lid 4, van het uitvoeringsbesluit, meldt de minister van Industrie, Handel en Ambacht de verschillende steunmaatregelen met het oog op voorafgaande goedkeuring bij de Commissie van de EU aan".
De goedkeuringsbeschikking
14 Bij brief van 12 december 1994 deelde de Commissie haar beschikking mee waarbij de in de punten 11 en 12 van het onderhavige arrest bedoelde steunregeling in beginsel werd goedgekeurd (PB C 390, blz. 20; hierna: goedkeuringsbeschikking"). Wel verlangde zij dat alle concrete gevallen van steunverlening vooraf bij haar werden aangemeld. Wat de voorwaarde van geregelde productie in de zin van artikel 4, lid 2, eerste alinea, tweede streepje, van de vijfde code betreft, preciseerde de Commissie, dat een onderneming om voor steun in aanmerking te komen gedurende het gehele jaar 1993 en in 1994 tot en met de maand februari, gemiddeld ten minste met één ploeg per dag, dat wil zeggen ten minste acht uur per dag gedurende vijf dagen per week, in bedrijf moet zijn geweest. Zij voegde daaraan toe, dat de Italiaanse autoriteiten op basis van objectieve elementen evenwel mochten aantonen, dat een onderneming die niet volledig aan dit criterium voldeed, gedurende de bedoelde periode toch regelmatig EGKS-ijzer- en staalproducten had vervaardigd.
De feiten
15 Op 8 september 1995 en op 11 maart 1996 meldde de Italiaanse regering bij de Commissie verschillende gevallen aan van toepassing van wet nr. 481/94, waaronder steun voor definitieve sluiting ten gunste van Moccia, Lamifer en Casilina. Deze drie ijzer- en staalondernemingen die gespecialiseerd zijn in het vervaardigen van staal en/of warmgewalste producten, hadden voor het jaar 1993 de volgende gegevens opgegeven:
- Moccia: productiecapaciteit van 288 000 ton/jaar aan ruw staal en 165 000 ton/jaar warmgewalste producten en een werkelijke productie van 0;
- Lamifer: productiecapaciteit van 154 560 ton/jaar en een werkelijke productie van 23 542 ton/jaar, ofwel 15,2 % van de opgegeven capaciteit;
- Casilina: productiecapaciteit van 80 000 ton/jaar en een werkelijke productie van 11 356 ton/jaar, ofwel 14,2 % van de opgegeven capaciteit.
16 Bij brieven van 15 september 1995 en 12 juni 1996 stelde de Commissie de Italiaanse autoriteiten in kennis van haar beslissing om de procedure van artikel 6, lid 4, van de vijfde code in te leiden met betrekking tot enkele gevallen van aangemelde steun, waaronder die betreffende rekwiranten. De Commissie betoogde daarin dat de betrokken ondernemingen, met name rekwiranten, niet gedurende het gehele jaar 1993 en tot en met 28 februari 1994 gemiddeld ten minste met één ploeg per dag, ofwel acht uur per dag gedurende vijf dagen per week, in bedrijf zijn geweest.
17 Bij beschikking 96/678 verklaarde de Commissie de voorgenomen steunmaatregelen van de Italiaanse Republiek ten gunste van onder meer Moccia en Casilina, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, in de zin van artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag.
18 Bij beschikking 97/258 verklaarde de Commissie de voorgenomen steunmaatregelen van de Italiaanse Republiek ten gunste van met name Lamifer, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, in de zin van artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag.
19 Enkele van de ondernemingen waarvoor de in beschikkingen 96/678 en 97/258 bedoelde steun was bestemd, stelden beroep tot nietigverklaring van die beschikkingen in. Bij verzoekschriften neergelegd ter griffie van het Gerecht op 19 oktober 1996 stelden Moccia, Prolafer Srl, Casilina en Dora Ferriera Acciaieria Srl beroep in, respectievelijk ingeschreven onder de nummers T-164/96, T-165/96, T-166/96 en T-167/96. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Gerecht op 18 april 1997 stelde Lamifer beroep in, ingeschreven onder nummer T-122/97. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Gerecht op 22 april 1997 stelde Nuova Sidercamuna SpA (hierna: Sidercamuna") beroep in, ingeschreven onder nummer T-130/97.
20 Bij beschikking van de president van de Derde kamer (uitgebreid) van het Gerecht van 18 december 1998 zijn de zaken gevoegd voor het arrest.
Het bestreden arrest
21 Na afwijzing van de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid, onderzocht het Gerecht alle middelen die rekwiranten en verzoeksters in eerste aanleg voor hem hadden aangevoerd tot staving van hun conclusies strekkende tot nietigverklaring van beschikkingen 96/678 en 97/258; al deze middelen werden afgewezen.
22 Wat de middelen betreft die zijn ontleend aan het feit dat het EGKS-Verdrag in casu niet van toepassing zou zijn, herinnerde het Gerecht er in punt 83 van het bestreden arrest aan, dat de regeling van artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag zich onderscheidt van die van artikel 92, lid 1, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87, lid 1, EG). Anders dan laatstbedoelde regeling, verbiedt die van het EGKS-Verdrag op algemene en onvoorwaardelijke wijze elke steunmaatregel, aangezien steunmaatregelen naar hun aard in strijd zijn met de fundamenten van de gemeenschappelijke markt voor kolen en staal. Het Gerecht oordeelde derhalve in punt 84 van het bestreden arrest, dat door een lidstaat aan een ijzer- en staalonderneming toegekende sluitingssteun onder het verbod van artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag valt, zonder dat feitelijk behoeft te worden aangetoond, dat de mededingingsverhoudingen worden aangetast.
23 Vervolgens onderzocht het Gerecht de middelen die waren ontleend aan de gestelde onwettigheid van artikel 4, lid 2, eerste alinea, tweede streepje, van de vijfde code, en aan de door de Commissie gegeven uitlegging van de in die bepaling neergelegde voorwaarde van geregelde productie. Het Gerecht herinnerde er in punt 95 van het bestreden arrest aan, dat afwijkingen van het in artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag bedoelde verbod, zoals de vijfde code, strikt moeten worden uitgelegd. In punt 96 van het bestreden arrest leidde het daaruit af, dat de Commissie zich bij de uitoefening van haar discretionaire bevoegdheid, zonder daarbij het recht klaarblijkelijk te miskennen of haar bevoegdheden te misbruiken, op het standpunt mocht stellen, dat sluitingssteun belangrijke gevolgen voor de markt diende te hebben en dus slechts kon worden toegekend aan ondernemingen die geregeld hebben geproduceerd in de zin van artikel 4, lid 2, eerste alinea, tweede streepje, van de vijfde code.
24 Wat de middelen betreft die zijn ontleend aan schending van het discriminatieverbod, herinnerde het Gerecht er in punt 188 van het bestreden arrest aan, dat de Commissie het discriminatieverbod schendt wanneer zij vergelijkbare situaties verschillend behandelt en daardoor bepaalde marktdeelnemers ten opzichte van andere benadeelt, en dit onderscheid in behandeling niet door het bestaan van objectieve verschillen van een zeker gewicht wordt gerechtvaardigd. Derhalve moest volgens het Gerecht worden onderzocht, of het verschil in behandeling berustte op het bestaan van objectieve verschillen van een zeker gewicht, welke verband houden met de doeleinden die de Commissie in het kader van haar industriebeleid in de Europese ijzer- en staalsector wettig kan nastreven. Na onderzoek van de feiten kwam het Gerecht tot de conclusie dat schending van het discriminatieverbod niet was aangetoond.
25 Wat ten slotte de aan de motiveringsplicht ontleende middelen betreft, overwoog het Gerecht in punt 263 van het bestreden arrest, dat het in de artikelen 5 en 15 van het Verdrag neergelegde motiveringsvereiste dient te worden getoetst met inachtneming van de omstandigheden van de zaak, met name van de inhoud van de handeling, de aard van de aangevoerde motieven en het belang dat de adressaten of andere betrokkenen bij een toelichting kunnen hebben. Volgens het Gerecht is de Commissie met betrekking tot een handeling van algemene strekking, ingevolge de voorschriften van de genoemde artikelen 5 en 15 verplicht, in de motivering van haar beschikking een omschrijving te geven van de algehele situatie die tot de maatregel heeft geleid, en aan te geven welke algemene doelstellingen door middel van de beschikking moeten worden verwezenlijkt. Het Gerecht was van oordeel, dat de Commissie deze verplichting in de onderhavige aan hem voorgelegde gevallen niet heeft geschonden. Het wees die middelen derhalve af.
De hogere voorzieningen
26 In hogere voorziening concludeert Moccia tot vernietiging door het Hof van het bestreden arrest en tot toewijzing van het door rekwirante in eerste aanleg gevorderde. Lamifer en Casilina verzoeken het Hof in hogere voorziening het bestreden arrest te vernietigen en dienovereenkomstig over de kosten te beslissen.
27 De Commissie concludeert tot afwijzing van de hogere voorziening in haar geheel en tot verwijzing van rekwiranten in de kosten.
De door Moccia aangevoerde middelen
28 In hogere voorziening voert Moccia drie middelen aan, respectievelijk ontleend aan schending van artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag, schending van artikel 4, lid 2, eerste alinea, tweede streepje, van de vijfde code, en schending van het discriminatieverbod.
Het eerste middel
29 Met haar eerste middel betoogt Moccia, dat het Gerecht zichzelf heeft tegengesproken in zijn motivering in de punten 75 tot en met 91 van het bestreden arrest, waar het enerzijds stelt dat artikel 4 EGKS-Verdrag tot doel heeft normale concurrentieverhoudingen te verzekeren, en anderzijds verklaart dat bij de uitlegging van de passage van dat artikel sub c geen rekening hoeft te worden gehouden met de concurrentieverhoudingen. Voorts heeft het Gerecht niet gepreciseerd waarom het een strikte uitlegging verdedigt die in bepaalde gevallen aan deze bepaling elke betekenis ontneemt. Moccia stelt tevens, dat het Gerecht in dit opzicht misbruik van bevoegdheid heeft gemaakt.
30 De Commissie betoogt, dat het Gerecht met zijn verwijzing in punt 82 van het bestreden arrest naar het doel van artikel 4 EGKS-Verdrag niet bedoelde te stellen, dat een aantasting van de concurrentie een voorwaarde is voor toepassing van het verbod op steunmaatregelen. Het Gerecht wenste er integendeel aan te herinneren, dat het in artikel 4 EGKS-Verdrag vastgestelde verbod uitzonderlijk strikt is geformuleerd. De verwijzing naar de handhaving van normale" concurrentieverhoudingen moet derhalve aldus worden opgevat, dat die bepaling het natuurlijke" verloop van het concurrentieproces beoogt te verzekeren. Steun aan ijzer- en staalondernemingen is derhalve verboden zonder dat moet worden aangetoond of er in feite sprake is van een aantasting van de normale concurrentieverhoudingen of dat de kans daarop bestaat. De Commissie meent derhalve, dat het bestreden arrest niet is aangetast door een motiveringsgebrek.
31 Wat het door Moccia in haar eerste middel aangevoerde misbruik van bevoegdheid betreft, stelt de Commissie dat dit onderdeel van het middel kennelijk niet-ontvankelijk is daar het Gerecht geen dergelijke schending kan begaan. In elk geval maakt het feit dat hetgeen in de titel van dat middel is vermeld en de inhoud ervan niet overeenstemmen, dit aspect van het middel onbegrijpelijk en bijgevolg niet-ontvankelijk.
32 Dienaangaande zij vastgesteld, dat artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag anders dan artikel 92, lid 1, EG-Verdrag, niet als voorwaarde voor de onverenigbaarheid van steunmaatregelen met de gemeenschappelijke markt stelt, dat zij de concurrentie vervalsen of dreigen te vervalsen (zie beschikking van 25 januari 2001, Lech-Stahlwerke/Commissie, C-111/99 P, Jurispr. blz. I-727, punt 41).
33 Zoals het Gerecht in punt 82 van het bestreden arrest immers terecht heeft opgemerkt, verbiedt artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag zonder beperking elke steun, teneinde de vestiging, de handhaving en de inachtneming van de normale concurrentieverhoudingen te verzekeren, zodat steunmaatregelen als onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd, zonder dat moet worden aangetoond of zelfs maar onderzocht of in feite sprake is van een aantasting van de concurrentieverhoudingen dan wel of de kans daartoe bestaat.
34 Het Gerecht heeft derhalve de rechtsregel van artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag correct toegepast, zodat het eerste middel ongegrond is voorzover daarmee een tegenstrijdigheid in de motivering van het bestreden arrest wordt aangevoerd.
35 Wat het argument ontleend aan misbruik van bevoegdheid betreft, zij eraan herinnerd dat uit artikel 225 EG, artikel 51, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG en artikel 112, lid 1, eerste alinea, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgt, dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven, tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, wordt opgekomen en welke juridische argumenten die vordering specifiek staven (zie arrest van 4 juli 2000, Bergaderm en Goupil/Commissie, C-352/98 P, Jurispr. blz. I-5291, punt 34).
36 In het onderhavige geval moet in dit verband worden opgemerkt, dat Moccia voor het Hof niet heeft uiteengezet op welke elementen rechtens haar aan misbruik van bevoegdheid ontleend argument is gebaseerd. Daar het Hof niet in staat is gesteld de gegrondheid van dit onderdeel van het eerste middel te beoordelen, kan het in het kader van de onderhavige hogere voorziening niet worden aanvaard.
37 Het eerste middel van Moccia moet dus worden afgewezen.
Het tweede middel
38 Met haar tweede middel verwijt Moccia het Gerecht schending en onjuiste toepassing van artikel 4, lid 2, eerste alinea, tweede streepje, van de vijfde code. In plaats van vast te stellen, dat de Commissie blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door na te laten andere dan de in de goedkeuringsbeschikking vermelde objectieve elementen in aanmerking te nemen voor de beoordeling van de technische capaciteit om te produceren", heeft het Gerecht zich in de punten 147 en volgende van het bestreden arrest ertoe beperkt vast te stellen dat er geen sprake was van misbruik van bevoegdheid of klaarblijkelijke miskenning van een verdragsregel of van een rechtsregel betreffende de toepassing daarvan. Het Gerecht heeft aldus een onnodig strikte uitlegging gegeven van artikel 4, lid 2, eerste alinea, tweede streepje, van de vijfde code. Moccia stelt in dat verband bovendien, dat het bestreden arrest een motiveringsgebrek vertoont en dat het Gerecht misbruik van zijn bevoegdheid heeft gemaakt.
39 Volgens de Commissie poogt rekwirante opnieuw de loutere mogelijkheid" om te produceren aan te voeren als het criterium dat gehanteerd moet worden bij de controle van de naleving van de in artikel 4, lid 2, eerste alinea, tweede streepje, van de vijfde code gestelde voorwaarde van geregelde productie. Uit de juridische context van het geschil en met name uit de artikelen 4, sub c, en 95, eerste alinea, EGKS-Verdrag volgt evenwel duidelijk dat de uit de vijfde code voortvloeiende regels strikt moeten worden uitgelegd. En voorzover dit middel geen enkele verwijzing bevat naar het vermeende motiveringsgebrek en het vermeende misbruik van bevoegdheid die in de titel ervan zijn genoemd, moet dit onderdeel van het middel bovendien kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.
40 Dienaangaande zij opgemerkt, dat de vijfde code een afwijking van artikel 4 EGKS-Verdrag vormt, en dus strikt moet worden uitgelegd.
41 Deze noodzaak van een strikte uitlegging vloeit voort uit de bewoordingen zelf van considerans van de vijfde code, waarin de Commissie duidelijk haar bedoeling kenbaar heeft gemaakt dat die code strikt en enkel onder verwijzing naar de uitdrukkelijke bewoordingen ervan moet worden uitgelegd.
42 Zo bevestigt onderdeel I, tweede alinea, van de considerans van de vijfde code de noodzaak van een strikte uitlegging: Met ingang van 1 januari 1986 heeft de Commissie bij beschikking nr. 3484/85/EGKS [...] regels ingevoerd op grond waarvan in limitatief opgesomde gevallen steunverlening aan de ijzer- en staalindustrie is toegestaan."
43 De juistheid van die uitlegging wordt eveneens bevestigd door onderdeel I, vijfde alinea, van de considerans van de vijfde code, volgens welke deze stringente regelgeving [...] de laatste jaren billijke mededingingsvoorwaarden in deze sector mogelijk [heeft] gemaakt".
44 Tegen de achtergrond van die overwegingen moet de uitlegging worden onderzocht die het Gerecht heeft gegeven aan artikel 4, lid 2, eerste alinea, tweede streepje, van de vijfde code en de toepassing van die bepaling in de punten 153 tot en met 158 van het bestreden arrest.
45 Het Gerecht stelde dus in punt 154 van het bestreden arrest terecht, dat het de bedoeling van de vijfde code is enkel steun toe te staan aan ondernemingen met belangrijke activiteiten op de markt, en waarvan de sluiting tot een aanzienlijke vermindering van de ijzer- en staalproductie zal leiden. Het Hof sluit zich dus aan bij de zienswijze van het Gerecht in punt 155 van zijn arrest, dat de voorwaarde van geregelde productie in artikel 4, lid 2, eerste alinea, tweede streepje, van de vijfde code is ingesteld om het nuttig effect van de sluitingssteun te versterken door te verzekeren dat de gevolgen daarvan belangrijk genoeg zijn, niet alleen in termen van ontmanteling van installaties, doch ook van vermindering van het huidige productieniveau.
46 Derhalve heeft het Gerecht in de punten 157 en 158 van het bestreden arrest het door Moccia aangevoerde argument dat de Commissie het criterium van de loutere mogelijkheid om te produceren had moeten toepassen, terecht afgewezen.
47 Het onderdeel van het middel ontleend aan een motiveringsgebrek en aan misbruik van bevoegdheid, moet om de in punt 35 van het onderhavige arrest uiteengezette reden worden afgewezen, nu het Hof niet in staat is gesteld de juistheid ervan te beoordelen.
48 Daaruit volgt, dat het tweede middel van Moccia moet worden afgewezen.
Het derde middel
49 Met haar derde middel verwijt Moccia het Gerecht geen motivering te hebben gegeven voor zijn afwijzing van het argument dat de Commissie, door de betrokken steunregeling goed te keuren, impliciet artikel 1, lid 2, van het uitvoeringsbesluit, dat een schending van het discriminatieverbod zou uitmaken, heeft goedgekeurd. Die discriminatie vloeit voort uit het feit dat ingevolge die bepaling steun voor de beëindiging van de activiteiten aan een onderneming die slechts één vestiging heeft enkel kan worden verleend indien zij aantoont dat zij gedurende de referentieperiode een regelmatige productie heeft gehad, welke voorwaarde niet geldt voor ondernemingen met meerdere vestigingen. Het Gerecht heeft dienaangaande geoordeeld, dat wat een onderneming met meerdere vestigingen betreft, het criterium van geregelde productie wordt toegepast op de productielocatie waarvan men voornemens is de activiteiten te beëindigen. Het Gerecht zou zich aldus op het standpunt hebben geplaatst, dat het in artikel 1, lid 1, van het uitvoeringsbesluit bedoelde criterium van geregelde productie geen uitzondering vormt op artikel 1, lid 4, van dat besluit, dat de productielocatie" omschrijft.
50 De Commissie betoogt dat - zoals het Gerecht heeft geoordeeld - artikel 1, lid 2, van het uitvoeringsbesluit geen uitzondering vormt op de in lid 1, sub e, van dat artikel ingestelde verplichting, volgens welke ondernemingen voor sluitingssteun in aanmerking komen wanneer zij tot de datum van afkondiging van besluitwet nr. 103 geregeld hebben geproduceerd, hetgeen door een beëdigd expert met ervaring in de sector moet worden vastgesteld. Zoals het Gerecht in de punten 229 en 230 van het bestreden arrest terecht heeft opgemerkt, zijn het doel van artikel 1, lid 2, en dat van artikel 4 van het uitvoeringsbesluit bovendien verschillend. Het Gerecht heeft de afwijzing van Moccia's aan vermeende discriminatie ontleende argument aldus voldoende gemotiveerd.
51 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat het Gerecht het aan vermeende schending van het discriminatieverbod ontleende argument in de punten 228 tot en met 233 van het bestreden arrest heeft onderzocht.
52 Het Gerecht heeft in de punten 229 en 230 van het bestreden arrest de met artikel 1, leden 1 en 2, van het uitvoeringsbesluit nagestreefde doelen aangegeven, en in punt 231 van dat arrest daaruit afgeleid, dat die twee bepalingen verschillende doelen hebben. Het heeft daaruit de conclusie getrokken, dat uit de in artikel 1, lid 2, van dat besluit gebruikte bewoordingen niet volgt, dat een onderneming die voornemens is één van haar productielocaties te sluiten, niet aan de in artikel 1, lid 1, sub e, van dat besluit gestelde voorwaarde van geregelde productie hoeft te voldoen.
53 In de punten 232 en 233 van het bestreden arrest, ten slotte, heeft het Gerecht aangetoond, dat artikel 1, lid 2, van het uitvoeringsbesluit beslist geen uitzondering op de in lid 1 van dat artikel gestelde voorwaarde van geregelde productie vormt, maar de voorwaarden beoogt te preciseren die een onderneming met meerdere productielocaties moet naleven om in geval van sluiting van één van die locaties voor sluitingssteun in aanmerking te kunnen komen.
54 Zoals het Gerecht terecht heeft geoordeeld, verruimt noch beperkt de omschrijving in artikel 1, lid 2, van het uitvoeringsbesluit de strekking van de in lid 1, sub e, van dat artikel gestelde voorwaarde van een geregelde productie.
55 Daar de motivering van het Gerecht tot staving van de afwijzing van het argument van rekwirante volledig en afdoende is, moet het derde middel, ontleend aan een vermeend motiveringsgebrek van het besteden arrest, worden afgewezen.
56 Aangezien geen van de door Moccia opgeworpen middelen is aanvaard, moet haar hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen.
De door Lamifer en Casilina aangevoerde middelen
57 Lamifer en Casilina voeren vier middelen aan, respectievelijk ontleend aan schending van artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag en van artikel 95 EGKS-Verdrag alsmede gebrekkige motivering ten aanzien van de niet-toepassing daarvan, schending van artikel 4, lid 2, eerste alinea, tweede streepje, van de vijfde code, schending en onjuiste en niet-gemotiveerde toepassing van de goedkeuringsbeschikking, en misbruik van bevoegdheid.
Het eerste middel
58 Het eerste middel van Lamifer en Casilina heeft twee onderdelen.
59 Met het eerste onderdeel van het eerste middel betogen deze rekwiranten, dat de betrokken steunmaatregelen de concurrentieverhoudingen niet kunnen vervalsen, zodat zij niet binnen de werkingssfeer van artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag vallen. De betrokken steunmaatregelen zijn dus niet verboden, zodat de vijfde code daarop niet van toepassing is. Artikel 4, lid 2, van de vijfde code, de goedkeuringsbeschikking alsmede beschikkingen 96/678 en 97/258 zijn derhalve onwettig, voorzover zij artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag tegenspreken, nu die steunmaatregelen als zodanig verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt. De uitlegging waar het Gerecht in de punten 75 tot en met 91 van het bestreden arrest van uitgaat, is derhalve te beperkend.
60 Met het tweede onderdeel van het eerste middel betogen Lamifer en Casilina, dat niets uitsluit, dat overheidsingrijpen dat niet voldoet aan de voorwaarden van de vijfde code, in aanmerking komt voor een individuele uitzondering ingevolge artikel 95 EGKS-Verdrag. In die omstandigheden had de Commissie moeten beoordelen of de sluiting van de betrokken ondernemingen het niet mogelijk had gemaakt de in artikel 2 EGKS-Verdrag neergelegde doelstellingen te bereiken, hetgeen een uitzondering zou hebben gerechtvaardigd. In het onderhavige geval zijn de litigieuze steunmaatregelen noodzakelijke maatregelen in de zin van artikel 95 EGKS-Verdrag voor het bereiken van een van de in de artikelen 2 tot en met 4 EGKS-Verdrag omschreven doelstellingen, zodat zij voldoen aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 95 EGKS-Verdrag. Het Gerecht heeft derhalve in de punten 259 en 260 van het bestreden arrest ten onrechte geoordeeld, dat die voorwaarden niet waren vervuld en dat de vraag of de betrokken steun bij een individuele beschikking krachtens artikel 95 EGKS-Verdrag kon worden goedgekeurd, niet behoefde te worden onderzocht.
61 De Commissie betoogt, dat de in het kader van het eerste onderdeel van dit middel aangevoerde argumenten nieuwe middelen zijn, die derhalve niet-ontvankelijk zijn. Lamifer en Casilina hebben voor het Gerecht niet aangevoerd, dat sluitingssteun niet onder het verbod van artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag valt, en hebben zich evenmin beroepen op de vermeende onwettigheid van de vijfde code. Dergelijke argumenten zijn namelijk enkel opgeworpen in de zaken T-164/96 en T-130/97, waarin Lamifer en Casilina geen partij waren.
62 Wat het tweede onderdeel van het eerste middel betreft betoogt de Commissie, dat het argument van Lamifer en Casilina ook een nieuw middel is, dat in hogere voorziening dus niet-ontvankelijk is.
63 Dienaangaande zij wat het eerste onderdeel van dit middel betreft vastgesteld, dat - zoals blijkt uit punt 41 van het bestreden arrest - het Gerecht heeft vastgesteld, dat in de door Lamifer en Casilina ingestelde beroepen geen enkel argument rechtstreeks tegen de vijfde code was gericht, en dat deze vijfde code juist het criterium was op grond waarvan tegen de wettigheid van de goedkeuringsbeschikking en van de beschikkingen 96/678 en 97/258 werd opgekomen. Ook volgt uit de punten 75 en 76 van het bestreden arrest, dat het middel volgens hetwelk sluitingssteun niet onder artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag zou vallen, in eerste aanleg alleen door Moccia en Sidercamuna is aangevoerd.
64 Wat het tweede onderdeel van dit middel betreft zij opgemerkt, dat uit het bestreden arrest duidelijk blijkt, dat het argument dat is ontleend aan de mogelijkheid dat voorgenomen steunmaatregelen kunnen worden goedgekeurd op basis van artikel 95 EGKS-Verdrag, in eerste aanleg enkel door Sidercamuna is aangevoerd.
65 Daaruit volgt, dat het in de punten 59 en 60 van het onderhavige arrest uiteengezette middel een middel is dat door Lamifer en Casilina voor het eerst in hogere voorziening is aangevoerd.
66 Zoals blijkt uit artikel 50 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht heeft een voegingsbeschikking geen gevolg voor de onafhankelijkheid en de autonome aard van de betrokken zaken, omdat het altijd mogelijk is bij beschikking de voeging ongedaan te maken.
67 Welnu, volgens vaste rechtspraak kunnen nieuwe middelen die niet in eerste aanleg zijn aangevoerd, ingevolge de artikelen 113, lid 2, en 116, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof niet in hogere voorziening worden voorgedragen (zie, met name, arrest van 29 mei 1997, De Rijk/Commissie, C-153/96 P, Jurispr. blz. I-2901, punt 18).
68 Daaruit volgt, dat het eerste middel van Lamifer en Casilina niet-ontvankelijk is.
Het tweede middel
69 Met hun tweede middel betogen Lamifer en Casilina, dat het Gerecht in punt 138 van het bestreden arrest ten onrechte de toepassing door de Commissie van het criterium van de maximale productiemogelijkheid heeft aanvaard. Zij voeren tegen dat criterium drie bezwaren aan.
70 Om te beginnen zou het gebruik van dat criterium willekeurig zijn, omdat de steuncode enkel de geregelde productie noemt. Voorzover de door de onderneming gedurende een bepaalde periode verwezenlijkte productie niet in belangrijke mate afwijkt van de gedurende de daaraan voorafgaande en de daarop volgende jaren waargenomen tendens, kan die productie als regelmatig worden aangemerkt. In de gevallen van Lamifer en Casilina zou een dergelijke regelmaat zijn aangetoond.
71 Vervolgens betogen Lamifer en Casilina, dat aangezien voor de andere door de vijfde code opgelegde voorwaarden wordt uitgegaan van 1 januari 1991 als referentiedatum, de niet-gemotiveerde keuze van het jaar 1993 als enige referentieperiode voor de beoordeling van de regelmaat van de productie niet verenigbaar is met de in de vijfde code neergelegde regeling.
72 Ten slotte kan de aanwezigheid van een onderneming op de markt niet naar behoren worden beoordeeld aan de hand van een objectief beperkte periode die wordt gekenmerkt door een ongunstige conjunctuur. Lamifer en Casilina betogen, dat de aanwezigheid van een onderneming op de markt significant is indien zij duurzaam een bepaald marktaandeel heeft, hetgeen in een dynamisch perspectief moet worden bezien en niet over een willekeurig vastgestelde zeer korte periode.
73 De Commissie stelt, dat de door Lamifer en Casilina in het kader van dit middel aangevoerde argumenten in werkelijkheid een herbeoordeling door het Hof van de door het Gerecht gemaakte feitelijke beoordelingen impliceert, zodat die argumenten niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
74 Voor het overige merkt de Commissie op, dat Lamifer en Casilina niet de door het Gerecht in punt 139 van het bestreden arrest geformuleerde conclusie betwisten, dat zij niet hebben aangetoond dat de Commissie, door het criterium van de maximale productiemogelijkheid te hanteren en door 1993 als referentieperiode te nemen voor de beoordeling van de regelmaat van de productie, de verdragsbepalingen of enig andere op de uitvoering daarvan betrekking hebbende rechtsregel klaarblijkelijk heeft geschonden. Het middel moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.
75 Aangaande het bezwaar van Lamifer en Casilina tegen de in de punten 137 en 138 van het bestreden arrest vervatte redenering meent de Commissie, dat het Gerecht de redenen waarom het criterium van de maximale productiemogelijkheid in overeenstemming is met de doelstellingen van de vijfde code, uitvoerig uiteen heeft gezet. De redenering van het Gerecht geeft dus duidelijk de redenen aan die hem ertoe hebben gebracht dit bezwaar af te wijzen.
76 Dienaangaande zij eraan herinnerd, enerzijds, dat het Gerecht in punt 138 van het bestreden arrest heeft vastgesteld, dat het door Lamifer en Casilina voorgestelde criterium, namelijk de werkelijke productie van de onderneming en de regelmaat ervan van jaar tot jaar, geen rekening houdt met de productiecapaciteit van de onderneming en de verhouding tussen de productiecapaciteit en de werkelijke productie. In datzelfde punt heeft het Gerecht tevens vastgesteld, dat dat criterium een loutere vermindering van de productiecapaciteit zou waarborgen en zou hebben meegebracht dat steun zou worden toegekend aan ondernemingen met een volstrekt marginaal productieniveau, dat irrelevant is voor de verwezenlijking van de door deze steun beoogde doelstellingen.
77 Anderzijds zij opgemerkt, dat Lamifer en Casilina met hun tweede middel opkomen tegen de feitelijke beoordelingen van het Gerecht.
78 Uit de artikelen 225 EG en 51 van 's Hofs Statuut-EG volgt echter, dat de hogere voorziening beperkt is tot rechtsvragen en dat derhalve het Gerecht bij uitsluiting bevoegd is om de feiten vast te stellen, behoudens het geval waarin de feitelijke onjuistheid van hetgeen het heeft vastgesteld voortvloeit uit de hem overgelegde processtukken, en om die feiten te beoordelen. De beoordeling van de feiten levert - behoudens het geval van een onjuiste voorstelling van de aan het Gerecht voorgelegde bewijselementen - geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof (arrest van 2 maart 1994, Hilti/Commissie, C-53/92 P, Jurispr. blz. I-667, punt 42).
79 Lamifer en Casilina geven niet aan uit welke processtukken het kennelijk bestaan van een feitelijke onjuistheid valt af te leiden. Zij preciseren evenmin welke onjuistheid het Gerecht zou hebben begaan bij de toepassing van de rechtsregels inzake bewijslast en bewijsvoering en voeren geen enkele andere rechtsregel aan die het Gerecht zou hebben geschonden.
80 Het tweede middel moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.
Het derde middel
81 Met hun derde middel, dat uit drie onderdelen bestaat, verwijten Lamifer en Casilina het Gerecht in de punten 140 tot en met 145 en 179 en volgende van het bestreden arrest de goedkeuringsbeschikking zonder reden te hebben geschonden en onjuist te hebben toegepast.
82 Om te beginnen zou het Gerecht hebben erkend dat de Commissie, hoewel zij in de goedkeuringsbeschikking had toegezegd de steun te zullen beoordelen op basis van de bijzondere omstandigheden van de haar voorgelegde gevallen, geen rekening heeft gehouden met de evolutie van de productie van Lamifer en Casilina gedurende de drie referentiejaren en met de in die periode opgetreden moeilijkheden.
83 Vervolgens zou het Gerecht zijn voorbijgegaan aan het feit dat de Commissie heeft nagelaten beschikkingen 96/678 en 97/258 voldoende te motiveren, hetgeen Lamifer en Casilina zou hebben verhinderd bezwaren te formuleren. Wanneer de Commissie immers de verenigbaarheid van een steunmaatregel met het behoud van de mededinging beoordeelt, moet de vaststelling van strikte kwantitatieve criteria noodzakelijkerwijs worden gecompenseerd door de beoordeling van de bijzondere omstandigheden van de betrokken ondernemingen.
84 Ten slotte betogen Lamifer en Casilina dat de vaststelling van het Gerecht in punt 141 van het bestreden arrest, dat de walserijen normaliter met drie ploegen van acht uur per dag werken, onjuist is. Zoals blijkt uit de mededeling over vragenformulier 2.20 EGKS van het Bureau voor de Statistiek van de Commissie van 14 juli 1993, liggen de productieritmes van staalwalserijen lager dan die van staalfabrieken, wat betekent dat de door de Commissie berekende coëfficiënt, te weten een productie van 25 % van de maximale productiemogelijkheid, niet kon worden toegepast zonder de ondernemingen die gewalst staal vervaardigen te benadelen.
85 Volgens de Commissie is dit middel kennelijk ongegrond.
86 Om te beginnen, wat het argument betreft dat is ontleend aan de weigering om de bijzondere situatie van Lamifer en Casilina in aanmerking te nemen, zou het Gerecht in de punten 180 en volgende van het bestreden arrest zorgvuldig de situatie van die ondernemingen in aanmerking hebben genomen, alvorens in de punten 211 en 213 tot en met 217 hun aan vermeende discriminatie ontleende argument af te wijzen.
87 Wat vervolgens de motiveringsplicht betreft, zou de Commissie, zoals in de punten 262 en volgende van het bestreden arrest is uiteengezet, niet gehouden zijn meer specifiek te antwoorden op de in de administratieve procedure door derden belanghebbenden bij de Italiaanse regering ingediende opmerkingen die door die regering in haar eigen opmerkingen zijn overgenomen.
88 Wat ten slotte de vermeende structurele verschillen tussen de productieritmes van de staalwalserijen en die van de staalfabrieken betreft, meent de Commissie dat uit de punten 140 tot en met 146 van het bestreden arrest blijkt, dat het Gerecht zijn arrest op dat punt naar behoren heeft gemotiveerd. Wat een vermeende beoordelingsfout betreft, poogden Lamifer en Casilina in wezen een heronderzoek van de feiten te verkrijgen, zonder dat enig element is overgelegd ten bewijze dat het Gerecht in zijn eigen onderzoek blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
89 Hoewel het eerste onderdeel van dit middel, waarmee Lamifer en Casilina opkomen tegen de afwijzing door het Gerecht van hun bezwaren tegen de motivering van beschikkingen 96/678 en 97/258, niet preciseert tegen welk onderdeel van het arrest het is gericht, moet het worden opgevat als zijnde gericht tegen de motivering van de punten 273 tot en met 282 daarvan, waarin het Gerecht het middel heeft onderzocht dat is ontleend aan de omstandigheid dat de argumenten van Lamifer en Casilina niet in aanmerking zouden zijn genomen.
90 In het kader van een regeling die, zoals de vijfde code, afwijkt van het strikte steunverbod van artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag, kunnen voorgenomen steunmaatregelen slechts worden goedgekeurd indien zij aan alle in die regeling gestelde voorwaarden voldoen. Het staat dus aan de Commissie om tijdens de procedure van onderzoek van de voorgenomen steunmaatregelen na te gaan of de toekenning van steun aan die voorwaarden voldoet. In die omstandigheden was de Commissie niet verplicht een motivering te geven die verder gaat dan de vaststelling in casu dat aan bepaalde criteria uit die regeling niet was voldaan (zie, in die zin, arrest van 18 mei 1993, België/Commissie, C-356/90 en C-180/91, Jurispr. blz. I-2323, punt 36).
91 Daaruit volgt dat, in tegenstelling tot hetgeen Lamifer en Casilina stellen, het Gerecht in de punten 276 en 278 van het bestreden arrest terecht heeft geoordeeld, dat de Commissie geen standpunt behoefde te bepalen over de argumenten die haar zijn voorgelegd betreffende de evolutie van de productie van Lamifer en Casilina gedurende de drie referentiejaren, en evenmin over de problemen waarmee zij gedurende die periode werden geconfronteerd.
92 Het eerste onderdeel van het derde middel is derhalve ongegrond.
93 Uit het voorgaande volgt tevens, dat het tweede onderdeel van het derde middel van Lamifer en Casilina, volgens hetwelk de Commissie haar beschikking ten aanzien van hun opmerkingen en van de afwijzing van de door de Italiaanse regering geformuleerde alternatieve criteria had moeten motiveren, niet kan worden aanvaard.
94 Wat het derde onderdeel van het derde middel betreft, inzake de onjuistheid van de vaststelling van het Gerecht in punt 141 van het bestreden arrest dat staalwalserijen normaliter op basis van drie ploegen van acht uur per dag werken, moet worden vastgesteld dat Lamifer en Casilina geenszins hebben aangetoond dat het Gerecht de hem in dat verband voorgelegde bewijzen verkeerd heeft voorgesteld. Zoals in punt 78 van het onderhavige arrest is uiteengezet, is de bevoegdheid van het Hof in het kader van een hogere voorziening echter beperkt tot rechtsvragen en levert de beoordeling van de feiten, voorzover geen sprake is van een dergelijke verkeerde voorstelling, geen rechtsvraag op die als zodanig door het Hof moet worden getoetst.
95 Bovendien kunnen rekwiranten de feitelijke beoordeling van het Gerecht in punt 141 van het bestreden arrest niet betwisten onder verwijzing, als aanvullend bewijsmiddel, naar het vragenformulier 2.20 EGKS van het Bureau voor de Statistiek van de Commissie. Dat vragenformulier EGKS is een nieuw bewijsmiddel, dat volgens de artikelen 113, lid 2, en 116, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, door het Hof niet in aanmerking kan worden genomen.
96 Gelet op het voorgaande, kan het derde onderdeel van het derde middel niet slagen.
97 Daaruit volgt, dat het derde middel van Lamifer en Casilina moet worden afgewezen.
Het vierde middel
98 Met hun vierde middel verwijten Lamifer en Casilina het Gerecht misbruik van bevoegdheid, meer bepaald vanuit het oogpunt van ongelijke behandeling. Zij betogen in het bijzonder, dat de Commissie het steunvoornemen ten gunste van de ondernemingen Diano en OLS heeft goedgekeurd, hoewel hun productie in 1993 21 % van hun capaciteit bedroeg. Zij menen, dat de Commissie hun eigen specifieke situaties op dezelfde wijze in aanmerking had moeten nemen als zij ten aanzien van die ondernemingen heeft gedaan. De door het Gerecht in de punten 206 tot en met 217 van het bestreden arrest vastgestelde verschillen tussen hun situatie en die van de andere ondernemingen rechtvaardigen niet de minder gunstige behandeling die zij hebben genoten.
99 Lamifer betoogt, dat het Gerecht bovendien is voorbijgegaan aan het feit dat op ondernemingen wier productie in 1993 kwantitatief gelijk was, ongelijke beoordelingscriteria werden toegepast.
100 De Commissie betoogt ten aanzien van het vermeende misbruik van bevoegdheid, dat dit onderdeel van het middel kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat het Gerecht een schending van die aard niet kan begaan. In elk geval is dit middel ongegrond. Het Gerecht heeft terecht overwogen, dat het feit dat de werkelijke productie van Lamifer en Casilina 9,8 en 10,8 punten onder de drempelwaarde van 25 % lag, een objectief verschil oplevert dat een verschillende behandeling rechtvaardigt. Wat de door Lamifer en Casilina genoemde moeilijkheden betreft, blijkt uit de punten 211 tot en met 213 van het bestreden arrest, dat zij - in tegenstelling tot die van de ondernemingen Diano en OLS - feitelijk niet afdoende zijn vastgesteld. Het Gerecht kon derhalve in punt 214 van het bestreden arrest op goede gronden tot de conclusie komen, dat de betrokken verschillen in behandeling gerechtvaardigd waren.
101 Dienaangaande zij opgemerkt, dat met dit middel wordt opgekomen tegen de door het Gerecht in de punten 206 tot en met 217 van het bestreden arrest gemaakte kwalificatie van de omstandigheden.
102 Zoals uit punt 213 van het bestreden arrest blijkt, heeft het Gerecht vastgesteld, dat de door Lamifer aangevoerde oorzaak voor het onderbreken van de productie, feitelijk niet voldoende is aangetoond.
103 Deze vaststelling, die door Lamifer geenszins in twijfel is getrokken, kan bij het ontbreken van enige onjuiste voorstelling van de processtukken door het Gerecht, in geen geval grond voor een hogere voorziening opleveren (zie arrest Hilti/Commissie, reeds aangehaald, punt 42).
104 In die omstandigheden is het vierde middel van Lamifer niet-ontvankelijk.
105 Wat het vierde middel van Casilina betreft, blijkt uit de punten 210 tot en met 214 van het bestreden arrest, dat het Gerecht heeft onderzocht of de door haar aangevoerde oorzaak als verklaring voor het niet-voldoen aan het criterium van de maximale productiemogelijkheid gerechtvaardigd werd, net als in het geval van de ondernemingen Diano en OLS, door de noodzaak om de productie voort te zetten.
106 Zoals het Gerecht in punt 208 van het bestreden arrest terecht in herinnering heeft gebracht, eist de strikte regeling van de vijfde code dat de sluitingssteun een maximale nuttige werking op de markt heeft om een zo efficiënt mogelijke vermindering van de ijzer- en staalproductie te verzekeren.
107 Het Gerecht heeft in de punten 212 tot en met 214 van het bestreden arrest dus terecht geoordeeld, dat in tegenstelling tot de situaties van de ondernemingen Diano en OLS, de door Casilina aangevoerde oorzaak voor het onderbreken van de productie, te weten het feit dat er geen blokken ruwstaal beschikbaar waren tegen een prijs die in een redelijke verhouding stond tot de kosten van het eindproduct, niet gefundeerd is op de noodzaak om de productie voort te zetten, en dat de op haar toegepaste minder gunstige behandeling bijgevolg gerechtvaardigd is.
108 Aangezien geen enkele schending van het beginsel van gelijke behandeling is aangetoond, is de door Casilina gestelde schending van het discriminatieverbod ongegrond.
109 Gelet op een en ander, moeten de hogere voorzieningen van Lamifer en Casilina in hun geheel worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
110 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien rekwiranten in het ongelijk zijn gesteld en de Commissie hun verwijzing in de kosten heeft gevorderd, moeten rekwiranten worden verwezen in hun eigen kosten en hoofdelijk in de kosten van de Commissie in de onderhavige instantie.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende:
1) Wijst de hogere voorzieningen af.
2) Verwijst Moccia Irme SpA, Ferriera Lamifer SpA en Ferriera Acciaieria Casilina SpA elk in hun eigen kosten, alsmede hoofdelijk in de kosten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen in de onderhavige instantie.
Full & Egal Universal Law Academy