Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Hogere voorziening - Middelen - Kritiek op rechtsoverwegingen zonder invloed op bestreden dictum - Falend middel
(Statuut-EG van het Hof van Justitie, art. 49, eerste alinea)
2. Hogere voorziening - Middelen - Middel gericht tegen beslissing van Gerecht over kosten - Niet-ontvankelijkheid in geval van afwijzing van alle andere middelen
(Statuut-EG van het Hof van Justitie, art. 51, tweede alinea)
Samenvatting
1. Het middel in hogere voorziening tegen rechtsoverwegingen van een arrest van het Gerecht die niet van invloed zijn op het dictum van dit arrest, is niet ter zake dienend en moet worden afgewezen.
Wanneer de rechtsoverwegingen van een arrest van het Gerecht betrekking hebben op het feit dat een beroep wegens nalaten zonder voorwerp is geraakt ten gevolge van de standpuntbepaling van de instelling na het instellen van het beroep, en zij op zich de beslissing van het Gerecht dat het geding zonder voorwerp is geraakt, rechtens genoegzaam rechtvaardigen, is het middel in hogere voorziening tegen de rechtsoverwegingen van dit arrest inzake de ontvankelijkheid van het beroep wegens nalaten, niet ter zake dienend en moet het worden afgewezen. Deze rechtsoverwegingen zijn immers zonder invloed op het dictum van het bestreden arrest omdat het volgens de rechtspraak van het Hof niet nodig is de ontvankelijkheid te onderzoeken van een beroep waarvan het Hof heeft vastgesteld dat het zonder voorwerp is geraakt, zodat daarover niet behoeft te worden beslist.
( cf. punten 26-29 )
2. Wanneer alle andere middelen in hogere voorziening zijn afgewezen, moeten de conclusies betreffende de beweerde onregelmatigheid van de beslissing van het Gerecht over de kosten niet-ontvankelijk worden verklaard krachtens artikel 51, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie, naar luid waarvan hogere voorziening niet uitsluitend betrekking kan hebben op de veroordeling in of het bedrag van de proceskosten.
( cf. punt 31 )
Partijen
In de gevoegde zaken C-302/99 P en C-308/99 P,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Marenco en K. Wiedner als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
Franse Republiek, vertegenwoordigd door K. Rispal-Bellanger en F. Million als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
rekwiranten,
ondersteund door
Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door R. Silva de Lapuerta als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
interveniënt in de hogere voorzieningen,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Derde kamer - uitgebreid) van 3 juni 1999, TF1/Commissie (T-17/96, Jurispr. blz. II-1757), strekkende tot gedeeltelijke vernietiging van dat arrest,
andere partij bij de procedure:
Télévision française 1 SA (TF1), gevestigd te Parijs (Frankrijk), vertegenwoordigd door G. Vandersanden, J.-P. Hordies en A. Maqua, avocats, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, C. Gulmann, A. La Pergola, M. Wathelet en V. Skouris, kamerpresidenten, D. A. O. Edward, J.-P. Puissochet, P. Jann, L. Sevón (rapporteur), R. Schintgen, F. Macken, N. Colneric, S. von Bahr, J. N. Cunha Rodrigues en C. W. A. Timmermans, rechters,
advocaat-generaal: J. Mischo,
griffier: D. Louterman-Hubeau, afdelingshoofd,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 30 januari 2001, waarbij de Commissie werd vertegenwoordigd door G. Marenco en K. Wiedner; de Franse Republiek door G. de Bergues als gemachtigde en F. Million; het Koninkrijk Spanje door R. Silva de Lapuerta, en Télévision française 1 SA (TF1) door G. Vandersanden en J.-P. Hordies,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 maart 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 10 augustus 1999, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Derde kamer - uitgebreid) van 3 juni 1999, TF1/Commissie (T-17/96, Jurispr. blz. II-1757; hierna: bestreden arrest") (zaak C-302/99 P).
2 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 13 augustus 1999, heeft de Franse Republiek krachtens dezelfde bepaling van 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld tegen hetzelfde arrest van het Gerecht (zaak C-308/99 P).
De aan het beroep ten grondslag liggende feiten en het bestreden arrest
3 Blijkens het bestreden arrest diende verzoekster in eerste aanleg, Télévision française 1 SA (hierna: TF1"), die een particuliere televisiezender is, op 10 maart 1993 bij de Commissie een klacht in tegen de financierings- en exploitatiewijze van de openbare zenders van France-Télévision. Vaststaat, dat met deze klacht uitdrukkelijk de schending van de expliciet vermelde artikelen 85 EG-Verdrag (thans artikel 81 EG), 90, lid 1, EG-Verdrag (thans artikel 86, lid 1, EG) en 92 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87 EG) aan de orde werd gesteld.
4 Bij brief van 3 oktober 1995 verzocht TF1 de Commissie formeel, en maande zij haar voorzover nodig aan, ten aanzien van de in de klacht van 10 maart 1993 uiteengezette middelen haar standpunt te bepalen en maatregelen te nemen".
5 Bij brief van 11 december 1995 deelde de Commissie TF1 mee, dat het onderzoek van die klacht nog steeds liep.
6 Op 2 februari 1996 stelde TF1 beroep in bij het Gerecht betreffende, primair, een verzoek krachtens artikel 175, derde alinea, EG-Verdrag (thans artikel 232, derde alinea, EG), om vast te stellen dat de Commissie, door geen standpunt te bepalen over de klacht die TF1 bij haar had ingediend, de krachtens het Verdrag op haar rustende verplichtingen niet was nagekomen en subsidiair, een verzoek krachtens artikel 173, vierde alinea, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230, vierde alinea, EG), tot nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van de klacht dat zou zijn vervat in een brief van de Commissie van 11 december 1995.
7 In de loop van de procedure liet de Commissie in het dossier een kopie opnemen van een op 15 mei 1997 krachtens artikel 6 van verordening nr. 99/63/EEG van de Commissie van 25 juli 1963 over het horen van belanghebbenden en derden overeenkomstig artikel 19, leden 1 en 2, van verordening nr. 17 van de Raad (PB 1963, 127, blz. 2268) aan TF1 gezonden brief, waarbij zij haar meedeelde, dat zij gelet op de inlichtingen in haar bezit, geen gunstig gevolg kon geven aan haar klacht voorzover daarbij schending van artikelen 85 van het Verdrag en artikel 86 EG-Verdrag (thans artikel 82 EG) werd gesteld. Zij nodigde TF1 uit binnen een termijn van twee maanden te rekenen vanaf 15 mei 1997 haar opmerkingen in te dienen. De Commissie voegde daaraan toe, dat zij na onderzoek van de grieven betreffende schending van artikel 90 van het Verdrag, tot de conclusie was gekomen dat de gelaakte feiten geen inbreuken waren.
8 In punt 57 van het bestreden arrest inzake het beroep van TF1 wegens nalaten, heeft het Gerecht vastgesteld dat dit beroep, voorzover het was gericht tegen het verzuim van de Commissie om te handelen uit hoofde van artikel 90 van het Verdrag, ontvankelijk was.
9 Het Gerecht onderzocht in de punten 99 tot en met 103 van het bestreden arrest eveneens in hoeverre de brief van de Commissie van 15 mei 1997 een standpuntbepaling in de zin van artikel 175, tweede alinea, van het Verdrag was, waardoor een einde kwam aan het stilzitten van de Commissie en het beroep wegens nalaten zonder voorwerp geraakte voorzover het was gericht tegen haar gesteld verzuim om te handelen uit hoofde van artikel 90 van het Verdrag.
10 In punt 103 van het bestreden arrest stelde het Gerecht vast, dat deze brief een dergelijke standpuntbepaling was en dat geen uitspraak meer behoefde te worden gedaan over de conclusies wegens nalaten, voorzover zij strekten tot de vaststelling dat de Commissie onrechtmatig had nagelaten te handelen uit hoofde van artikel 90 van het Verdrag.
11 Bovendien oordeelde het Gerecht in punt 110 van het bestreden arrest, dat overeenkomstig artikel 87, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht de Franse Republiek haar eigen kosten zou dragen. Het Gerecht verwees haar ook in de wegens haar interventie aan TF1 opgekomen kosten.
12 Het dictum van het bestreden arrest luidde:
1) De Commissie is de krachtens het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen door geen beschikking te geven over het onderdeel betreffende staatssteun van de op 10 maart 1993 door Télévision française 1 SA ingediende klacht.
2) Er behoeft geen uitspraak te worden gedaan over de vorderingen wegens nalaten die zijn gericht tegen het verzuim van de Commissie om te handelen uit hoofde van de artikelen 85 EG-Verdrag (thans artikel 81 EG) en 90 EG-Verdrag (thans artikel 86 EG).
3) Het beroep is niet-ontvankelijk voorzover het is gericht tegen het verzuim van de Commissie om te handelen uit hoofde van artikel 86 EG-Verdrag (thans artikel 82 EG).
4) Over de subsidiaire conclusies tot nietigverklaring behoeft geen uitspraak te worden gedaan.
5) De Commissie zal haar eigen kosten dragen alsook verzoeksters kosten, met uitsluiting van de wegens de interventie van de Franse Republiek aan verzoekster opgekomen kosten.
6) De Franse Republiek zal haar eigen kosten dragen, alsook de wegens haar interventie aan verzoekster opgekomen kosten."
De procedure voor het Hof
13 In hogere voorziening komt de Commissie op tegen het bestreden arrest voorzover daarin het beroep van TF1 wegens nalaten, dat gericht is tegen het verzuim van de Commissie om te handelen uit hoofde van artikel 90 van het Verdrag, ontvankelijk is verklaard. De Commissie verzoekt het Hof:
- het bestreden arrest te vernietigen voorzover daarbij het beroep van TF1 wegens nalaten, dat gericht is tegen het verzuim van de Commissie om te handelen uit hoofde van artikel 90 van het Verdrag, ontvankelijk is verklaard;
- het beroep van TF1 wegens nalaten, dat gericht is tegen het verzuim van de Commissie om te handelen uit hoofde van artikel 90 van het Verdrag, niet-ontvankelijk te verklaren;
- TF1 te verwijzen in de kosten van de procedure voor het Hof en opnieuw uitspraak te doen over de kosten van de procedure voor het Gerecht, teneinde de verwijzing van de Commissie in de kosten te beperken naar evenredigheid van de uitslag van de onderhavige hogere voorziening.
14 Bij beschikking van 8 november 1999 van de president van het Hof werd het Koninkrijk Spanje toegelaten tot interventie aan de zijde van de Commissie. In zijn memorie in interventie verzoekt het Koninkrijk Spanje het Hof de hogere voorziening van de Commissie toe te wijzen en punt 2 van het dictum van het bestreden arrest te vernietigen voorzover daarbij het beroep wegens nalaten tegen het verzuim van de Commissie om te handelen uit hoofde van artikel 90 van het Verdrag ontvankelijk is verklaard.
15 In zaak C-302/99 P verzoekt TF1 het Hof:
- de hogere voorziening van de Commissie af te wijzen;
- de ontvankelijkheid van het beroep van TF1 wegens nalaten, dat is gericht tegen het verzuim van de Commissie om te handelen uit hoofde van artikel 90, lid 3, van het Verdrag, te bevestigen;
- de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure voor het Hof en de kosten van de procedure voor het Gerecht ten laste van de Commissie te laten.
16 In hogere voorziening vordert de Franse Republiek de vernietiging van het bestreden arrest voorzover enerzijds in punt 2 van het dictum ervan het beroep van TF1 wegens nalaten, dat is gericht tegen het verzuim van de Commissie om te handelen uit hoofde van artikel 90 van het Verdrag, ontvankelijk is verklaard, en anderzijds in punt 6 van dit dictum deze lidstaat, als interveniënt, in de wegens zijn interventie aan TF1 opgekomen kosten is verwezen. Ook verzoekt de Franse Republiek het Hof TF1 te verwijzen in de kosten van de procedure voor het Hof en opnieuw uitspraak te doen over de kosten van de procedure voor het Gerecht.
17 Bij beschikking van 8 november 1999 van de president van het Hof werd het Koninkrijk Spanje toegelaten tot interventie aan de zijde van de Franse Republiek. Ook vraagt het Koninkrijk Spanje de vernietiging van de punten 2 en 6 van het dictum van het bestreden arrest.
18 In zaak C-308/99 P verzoekt TF1 het Hof:
- de hogere voorziening van de Franse Republiek af te wijzen;
- het bestreden arrest te bevestigen;
- de Franse Republiek in de kosten te verwijzen.
19 In deze zaak verzoekt de Commissie het Hof:
- het bestreden arrest te vernietigen voorzover daarbij het beroep van TF1 wegens nalaten, dat is gericht tegen het verzuim van de Commissie om te handelen uit hoofde van artikel 90 van het Verdrag, ontvankelijk is verklaard;
- het beroep van TF1 wegens nalaten niet-ontvankelijk te verklaren voorzover het is gericht tegen het verzuim van de Commissie om te handelen uit hoofde van artikel 90 van het Verdrag;
- het bestreden arrest te vernietigen voorzover daarin de Franse Republiek is verwezen in de wegens haar interventie aan TF1 opgekomen kosten;
- TF1 te verwijzen in de kosten van de procedure voor het Hof en opnieuw uitspraak te doen over de kosten van de procedure voor het Gerecht, teneinde:
- de verwijzing van de Commissie in de kosten te beperken naar evenredigheid van de uitslag van de onderhavige hogere voorziening,
en
- de wegens de interventie van de Franse Republiek aan de Commissie en TF1 opgekomen kosten over hen te verdelen naar evenredigheid van de uitslag van de onderhavige hogere voorziening.
20 Bij beschikking van 17 november 2000 van de president van het Hof zijn de zaken C-302/99 P en C-308/99 P gevoegd voor de mondelinge behandeling en het arrest.
De hogere voorzieningen, voorzover daarmee wordt opgekomen tegen het punt van het bestreden arrest waarbij het beroep van TF1 wegens nalaten, dat is gericht tegen het verzuim van de Commissie om te handelen uit hoofde van artikel 90 van het Verdrag, ontvankelijk is verklaard
21 Tot staving van haar vordering tot vernietiging van punt 2 van het dictum van het bestreden arrest waarbij het Gerecht impliciet maar noodzakelijk de ontvankelijkheid van het beroep van TF1 wegens nalaten, dat is gericht tegen het verzuim van de Commissie om te handelen uit hoofde van artikel 90 van het Verdrag, zou hebben erkend, stelt de Franse regering, dat dit punt van het dictum zou moeten worden gelezen tegen de achtergrond van de rechtsoverwegingen van dit arrest, die onontbeerlijk zijn om de precieze strekking van het dictum te bepalen.
22 Volgens de Franse regering zou zowel uit punt 2 van het dictum als, voorzover nodig, uit de punten 48 tot en met 57 van de rechtsoverwegingen van het bestreden arrest blijken, dat zij op dit punt geheel in het ongelijk is gesteld in de zin van artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG, zodat haar hogere voorziening tegen dit onderdeel van het arrest van het Gerecht ontvankelijk zou moeten zijn.
23 Ook de Commissie vordert de vernietiging van het bestreden arrest voorzover daarbij de ontvankelijkheid is erkend van het krachtens artikel 175, derde alinea, van het Verdrag door TF1 bij het Gerecht ingestelde beroep wegens nalaten.
24 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat naar luid van artikel 49, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening bij het Hof kan worden ingesteld tegen eindbeslissingen van het Gerecht, alsmede tegen beslissingen die het geding ten gronde slechts gedeeltelijk beslechten of die een einde maken aan een procesincident ter zake van onbevoegdheid of niet-ontvankelijkheid".
25 In casu is de eindbeslissing in de zin van deze bepaling van 's Hofs Statuut-EG, en waar de hogere voorziening van de Franse regering expliciet naar verwijst, namelijk punt 2 van het dictum van het bestreden arrest, deze waarbij het Gerecht voor recht verklaarde, dat er geen uitspraak behoefde te worden gedaan over de vorderingen wegens nalaten voorzover die waren gericht tegen het verzuim van de Commissie om te handelen uit hoofde van artikel 90 van het Verdrag.
26 De tot staving van die uitspraak noodzakelijke rechtsoverwegingen zijn uiteengezet in de punten 99 tot en met 103 van het bestreden arrest, en betreffen het feit dat het beroep zonder voorwerp is geraakt ten gevolge van de standpuntbepaling van de Commissie.
27 Deze rechtsoverwegingen kunnen op zich de beslissing van het Gerecht rechtens genoegzaam rechtvaardigen, en de eventuele gebreken in de rechtsoverwegingen van het bestreden arrest betreffende de ontvankelijkheid van het beroep wegens nalaten van TF1 waartegen de Commissie en de Franse Republiek opkomen, zijn hoe dan ook niet van invloed op het dictum van het bestreden arrest.
28 Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het immers niet nodig de ontvankelijkheid te onderzoeken van een beroep waarvan het Hof heeft vastgesteld dat het zonder voorwerp is geraakt zodat daarover niet behoeft te worden beslist (zie, met name, arrest van 24 november 1992, Buckl e.a./Commissie, C-15/91 en C-108/91, Jurispr. blz. I-6061, punten 14-17, evenals beschikking van 10 juni 1993, The Liberal Democrats/Parlement, C-41/92, Jurispr. blz. I-3153, punt 4).
29 Gelet op een en ander, is het door de Commissie en door de Franse Republiek tot staving van hun conclusies tegen punt 2 van het dictum van het bestreden arrest aangevoerde middel niet terzake dienend, zodat de desbetreffende hogere voorzieningen moeten worden afgewezen.
De conclusies in hogere voorziening van de Franse Republiek, voorzover zij daarmee opkomt tegen punt 6 van het dictum van het bestreden arrest
30 De Franse Republiek vordert de vernietiging van punt 6 van het dictum van het bestreden arrest, waarbij het Gerecht haar heeft verwezen in haar eigen kosten alsook in de in eerste aanleg wegens haar interventie aan TF1 opgekomen kosten.
31 Dienaangaande kan worden volstaan met te herinneren aan de vaste rechtspraak, dat wanneer alle andere middelen in hogere voorziening zijn afgewezen, de conclusies betreffende de beweerde onregelmatigheid van de beslissing van het Gerecht over de kosten niet-ontvankelijk moeten worden verklaard krachtens artikel 51, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EG, naar luid waarvan hogere voorziening niet uitsluitend betrekking kan hebben op de veroordeling in of het bedrag van de proceskosten (zie, met name, arrest van 14 september 1995, Henrichs/Commissie, C-396/93 P, Jurispr. blz. I-2611, punt 66, en beschikking van 13 december 2000, Sodima/Commissie, C-44/00 P, Jurispr. blz. I-11231, punt 93).
Beslissing inzake de kosten
Kosten
32 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Commissie in zaak C-302/99 P in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van TF1 in de kosten ervan te worden verwezen.
33 Overeenkomstig voormelde bepaling van het Reglement voor de procesvoering moet de Franse Republiek, die in zaak C-308/99 P in het ongelijk is gesteld, in de kosten ervan worden verwezen.
34 Volgens artikel 69, lid 4, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering dragen de lidstaten en de instellingen die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten. Overeenkomstig deze bepaling zal het Koninkrijk Spanje zijn eigen kosten dragen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende:
1) Wijst de hogere voorzieningen af.
2) Verwijst de Commissie in de kosten in zaak C-302/99 P.
3) Verwijst de Franse Republiek in de kosten in zaak C-308/99 P.
4) Verstaat dat het Koninkrijk Spanje zijn eigen kosten in de twee zaken zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy