Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Hogere voorziening - Middelen - Toetsing door Hof van beoordeling van gegevens - Uitgesloten behoudens geval van verkeerde opvatting
2. Gemeenschapsrecht - Beginselen - Rechten van verdediging - Beginsel van hoor en wederhoor - Inachtneming in kader van vaststelling en bekendmaking van verslagen van Rekenkamer
3. Rekenkamer - Verslagen - Met naam noemen van derde in verslag - Voorwaarden - Toetsing door gemeenschapsrechter - Draagwijdte
Samenvatting
1. Het staat uitsluitend ter beoordeling van het Gerecht of de gegevens waarover het beschikt betreffende de aan hem voorgelegde zaken, eventueel aanvulling behoeven. De waardering van de bewijskracht van de processtukken maakt deel uit van de soevereine beoordeling van de feiten door het Gerecht, die door het Hof in hogere voorziening niet kan worden getoetst, behoudens in geval van een onjuiste voorstelling van de aan het Gerecht voorgelegde bewijselementen of wanneer de materiële onjuistheid van hetgeen het Gerecht heeft vastgesteld, uit de processtukken blijkt.
( cf. punt 19 )
2. Het beginsel van hoor en wederhoor is een algemeen rechtsbeginsel waarvan het Hof van Justitie de eerbiediging waarborgt. Het is van toepassing op alle procedures die tot een beslissing van een gemeenschapsinstelling kunnen leiden die de belangen van een particulier aanmerkelijk raakt.
Hoewel de vaststelling en de bekendmaking van de verslagen van de Rekenkamer geen beslissingen zijn die de rechten van de daarin genoemde personen rechtstreeks raken, kunnen zij voor die personen wel degelijk zodanige gevolgen hebben dat de belanghebbenden vóór de definitieve vaststelling ervan in de gelegenheid moeten worden gesteld opmerkingen te maken over de punten van het verslag waarin zij met naam worden genoemd.
( cf. punten 28-29 )
3. Bijzondere omstandigheden in verband met de ernst van de feiten of met het risico van verwarring dat de belangen van derden zou kunnen schaden, kunnen rechtvaardigen dat de Rekenkamer personen die in beginsel niet aan haar toezicht zijn onderworpen, in haar verslagen met naam vermeldt, mits het beginsel van hoor en wederhoor ten opzichte van die personen in acht wordt genomen.
Het staat aan de geadieerde gemeenschapsrechter om in dergelijke gevallen te beoordelen, of het met naam vermelden van de betrokken personen noodzakelijk en evenredig was ten opzichte van het met de publicatie van het verslag nagestreefde doel. Het volledige toezicht dat het Gerecht op dit punt uitoefent, is een element van zijn soevereine beoordeling van de feiten, die niet voor toetsing in hogere voorziening vatbaar is, behoudens in geval van feitelijke onjuistheid van de vaststellingen of van onjuiste voorstelling van de elementen van het dossier.
( cf. punten 40-41 )
Partijen
In zaak C-315/99 P,
Ismeri Europa Srl, gevestigd te Rome (Italië), vertegenwoordigd door S. Ristuccia en G.-L. Tosato, avvocati, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
rekwirante,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Derde kamer) van 15 juni 1999, Ismeri Europa Srl/Rekenkamer (T-277/97, Jurispr. 1999, blz. II-1825), strekkende tot vernietiging van dat arrest,
andere partij bij de procedure:
Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J.-M. Stenier, J. Inghelram en P. Giusta als gemachtigden,
verweerster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, C. Gulmann, M. Wathelet en V. Skouris, kamerpresidenten, D. A. O. Edward, J.-P. Puissochet (rapporteur), P. Jann, L. Sevón, R. Schintgen, F. Macken, en C. W. A. Timmermans, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 20 maart 2001,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 mei 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 24 augustus 1999, heeft Ismeri Europa Srl (hierna: Ismeri") krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 15 juni 1999 (T-277/97, Jurispr. blz. II-1825; hierna: bestreden arrest"), waarbij het Gerecht het beroep van Ismeri, strekkende tot vergoeding van de schade die zij stelde te hebben geleden ten gevolge van de kritiek die de Rekenkamer jegens haar heeft geuit in haar speciaal verslag nr. 1/96 van 30 mei 1996 over de MED-programma's (PB C 240, blz. 1; hierna: verslag nr. 1/96"), heeft verworpen.
2 In dit verslag, dat is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 19 augustus 1996, heeft de Rekenkamer op verschillende punten kritiek geuit op het beheer van de MED-programma's, waarbij zij met name wees op een belangenverstrengeling inzake het beheer in het algemeen. In het bijzonder heeft de Rekenkamer vastgesteld, dat twee van de vier leden van de raad van bestuur van het Agentschap voor de Transmediterrane Netwerken (hierna: ARTM"), een vereniging zonder winstoogmerk naar Belgisch recht die door de Commissie is opgericht voor het administratieve en financiële beheer van de MED-programma's, leidinggevende functionarissen waren van bureaus voor technische bijstand waaraan het toezicht was gegund op de programma's die zij zelf hadden helpen ontwerpen in het kader van de raad van bestuur van het ARTM. Ismeri is een van de twee bureaus voor technische bijstand waarop verslag nr. 1/96 in dit verband doelt.
3 Op 31 januari 1997 zond Ismeri de Rekenkamer een brief met opmerkingen over verslag nr. 1/96, waarin zij om rectificatie verzocht van de punten die haar betroffen. Bij brief van 7 maart 1997 gaf de Rekenkamer te kennen, dat zij haar eerdere conclusies handhaafde. Zij weigerde dan ook de gevraagde rectificatie te publiceren.
4 Op 17 juli 1997 nam het Europees Parlement in verband met verslag nr. 1/96 (PB C 286, blz. 263) een resolutie aan, waarin de bevindingen van de Rekenkamer werden overgenomen. Het Parlement onderstreepte de voorbeeldfunctie van de zaak en verzocht de Commissie drastische maatregelen te nemen om herhaling van dit soort situaties in de toekomst te voorkomen.
5 Op 20 oktober 1997 heeft Ismeri bij het Gerecht beroep ingesteld, strekkende tot vergoeding van de schade die aan haar goede naam was toegebracht en van de schade wegens beëindiging van een aantal contracten en wegens gederfde winst ten gevolge van de publicatie van verslag nr. 1/96. Tevens verzocht zij het Gerecht bij wege van maatregel van instructie diverse getuigen te horen.
Het bestreden arrest
6 Nadat het Gerecht de door de Rekenkamer opgeworpen middelen van niet-ontvankelijkheid van het beroep had verworpen (punten 25-94 van het bestreden arrest), ging het in twee stappen in op de door rekwirante voorgedragen middelen ten gronde.
7 Met betrekking tot het middel ontleend aan schending van het beginsel van hoor en wederhoor herinnerde het er in de eerste plaats aan, dat een onrechtmatige handeling als zodanig nog niet tot aansprakelijkheid van de Gemeenschap leidt, maar dat tevens moet worden aangetoond dat er een causaal verband bestaat tussen de betrokken gedraging en de gestelde schade (punt 100 van het bestreden arrest).
8 Het Gerecht was evenwel van oordeel, dat ook indien rekwirante de gelegenheid had gekregen om vóór de vaststelling en de bekendmaking van verslag nr. 1/96 haar opmerkingen over dit document kenbaar te maken, de Rekenkamer de strekking ervan niet zou hebben gewijzigd. Het Gerecht baseerde zich hiervoor op de omstandigheid dat Ismeri in haar brief van 31 januari 1997 opmerkingen had gemaakt over de juistheid van sommige passages in het verslag en dat de Rekenkamer in haar brief van 7 maart daaropvolgend die opmerkingen had weerlegd, met de mededeling aan rekwirante dat er geen reden tot rectificatie was. Volgens het Gerecht zou de Rekenkamer de bestreden elementen van verslag nr. 1/96 ook dan hebben gehandhaafd, indien de opmerkingen van Ismeri haar niet na doch vóór de vaststelling ervan hadden bereikt (punten 101-104 van het bestreden arrest).
9 Het Gerecht heeft het middel dus verworpen zonder in te gaan op de vraag, of rekwirante van de Rekenkamer met een beroep op het beginsel van hoor en wederhoor kon verlangen dat zij vóór de vaststelling van verslag nr. 1/96 werd gehoord (punt 105 van het bestreden arrest).
10 Met betrekking tot de lasterlijke aard van de in verslag nr. 1/96 jegens Ismeri geformuleerde bezwaren, oordeelde het Gerecht voorts, dat de Rekenkamer zich in sommige gevallen genoodzaakt kan zien om derden die rechtstreeks bij ernstige onregelmatigheden binnen de gemeenschapsinstellingen zijn betrokken, met naam te noemen (punt 109 van het bestreden arrest). Een in dergelijke omstandigheden geformuleerde beoordeling over deze derden kan tot aansprakelijkheid wegens onrechtmatige daad van de Gemeenschap leiden, indien de onderliggende feiten onjuist zijn weergegeven of verkeerd zijn uitgelegd. Het Gerecht oefent dienaangaande een volledig toezicht uit (punt 110 van het bestreden arrest).
11 De eerste specifieke grief betrof laster, inzake het bestaan van een belangenverstrengeling. Het Gerecht overwoog, dat de Rekenkamer zich niet moest uitspreken over de vraag of er al dan niet sprake was van een uitgesproken bedrieglijk opzet van rekwirante, maar de objectieve dysfunctie diende te vermelden waardoor Ismeri de besluitvorming van het ARTM kon beïnvloeden en dus haar eigen belangen kon bevorderen via haar positie en die van haar bestuurder. Volgens het Gerecht wezen deze feiten op zich reeds op een belangenverstrengeling, en heeft de Rekenkamer geen fout begaan door hiertegen bezwaren te formuleren (punten 112-124 van het bestreden arrest).
12 De tweede grief betrof het verzet van rekwirante tegen de verzoeken van de Commissie inzake de terugtrekking van de bestuurders van de bureaus voor technische bijstand uit de Raad van bestuur van het ARTM. Het Gerecht oordeelde dat de in verslag nr. 1/96 beschreven feiten materieel vast waren komen te staan en correct waren uitgelegd, aangezien de bestuurder van Ismeri pas twee jaar na het verzoek van de Commissie ontslag nam en dit ontslag achtereenvolgens afhankelijk is gesteld van verschillende voorwaarden betreffende de gunning van opdrachten en de keuze van de opvolger (punten 126-143 van het bestreden arrest).
13 De derde grief betrof het gestelde verzuim van de Rekenkamer om rekening te houden met de positieve resultaten van de werkzaamheden waaraan rekwirante had meegewerkt. Het Gerecht overwoog dat deze omstandigheid geen afbreuk kon doen aan de relevantie van verweersters vaststellingen binnen haar bevoegdheidssfeer, te weten het gebied van het financieel beheer (punten 144-147 van het bestreden arrest).
14 Het Gerecht heeft het beroep derhalve verworpen (punt 148 van het bestreden arrest).
De hogere voorziening
15 Ismeri concludeert dat het den Hove behage, het bestreden arrest te vernietigen, haar in eerste aanleg voorgedragen conclusies alsnog toe te wijzen, en de Rekenkamer te verwijzen in de kosten van de procedure voor het Gerecht en het Hof. Zij voert hiertoe zes middelen aan.
16 De Rekenkamer concludeert dat het den Hove behage, de hogere voorziening af te wijzen en Ismeri in de kosten te verwijzen.
Eerste middel: onregelmatigheden tijdens de procedure voor het Gerecht, namelijk het verzuim zich uit te spreken over het verzoek om getuigen te horen en ontoereikende instructie
17 Ismeri stelt dat haar verzoek om getuigen te horen een zelfstandig onderdeel van haar conclusies was, waarop het Gerecht in het bestreden arrest had moeten ingaan. De impliciete weigering van het Gerecht om gevolg te geven aan dit verzoek, wijst volgens haar op een ontoereikende instructie van de zaak, nu het Gerecht de geloofwaardigheid van sommige documenten betwijfelde, en zich niettemin op de versie van de feiten zoals weergegeven in verslag nr. 1/96 heeft gebaseerd.
18 De Rekenkamer antwoordt, dat de keuze van de bewijselementen tot de soevereine bevoegdheid van het Gerecht behoort en, subsidiair, dat de instructie toereikend was. Overigens behoeft de gemeenschapsrechter in een arrest niet te motiveren waarom hij geen gevolg geeft aan een verzoek om een instructiemaatregel, zoals een getuigenverhoor.
19 Het staat uitsluitend ter beoordeling van het Gerecht, of de gegevens waarover het beschikt betreffende de aan hem voorgelegde zaken, eventueel aanvulling behoeven. De waardering van de bewijskracht van de processtukken maakt deel uit van de soevereine beoordeling van de feiten door het Gerecht, die volgens vaste rechtspraak door het Hof in hogere voorziening niet wordt getoetst, behoudens in geval van een onjuiste voorstelling van de aan het Gerecht voorgelegde bewijselementen of wanneer de materiële onjuistheid van hetgeen het Gerecht heeft vastgesteld, uit de processtukken volgt (arrest van 4 maart 1999, Ufex e.a./Commissie, C-119/97 P, Jurispr. blz. I-1341, punt 66, en beschikking van 14 oktober 1999, Infrisa/Commissie, C-437/98 P, Jurispr. blz. I-7145, punt 34).
20 In het kader van de onderhavige hogere voorziening zijn geen gegevens naar voren gebracht waaruit blijkt, dat dit in casu het geval zou zijn. In deze omstandigheden valt het Gerecht niet te verwijten, dat het in zijn arrest niet uitdrukkelijk heeft geantwoord op het verzoek van Ismeri om getuigen te horen.
21 Het eerste middel moet dus worden verworpen.
Tweede middel: schending van het beginsel van hoor en wederhoor; en derde middel: verzuim om uitspraak te doen over de gestelde schending van dit beginsel
22 Met haar tweede middel verwijt Ismeri het Gerecht in wezen, dat het uit de omstandigheid dat de Rekenkamer heeft geweigerd verslag nr. 1/96 na publicatie in de door rekwirante gewenste zin te rectificeren, heeft afgeleid dat de Rekenkamer niet anders zou hebben gehandeld indien Ismeri vóór de vaststelling van het verslag haar standpunt had kunnen uiteenzetten.
23 De inachtneming van het beginsel van hoor en wederhoor, inhoudende dat belanghebbenden vóór de vaststelling van een hen betreffend besluit moeten worden gehoord, is een fundamentele voorwaarde voor de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid door een overheidsorgaan. Op grond van artikel 206 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 276 EG) geldt deze voorwaarde zowel ten opzichte van de gemeenschapsinstellingen als van de overige rechtssubjecten waarop de controles van de Rekenkamer betrekking hebben. Zij is tevens een noodzakelijk onderdeel van de kwijtingsprocedure voor het Europees Parlement.
24 De Rekenkamer herinnert eraan, dat de drie voorwaarden voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap, waaronder het bestaan van een causaal verband tussen de onwettigheid en de schade, cumulatief zijn, zodat het Gerecht zich niet hoeft uit te spreken over de twee andere voorwaarden indien het van oordeel is dat aan één van deze voorwaarden niet is voldaan. Het argument dat een derde, wanneer over hem opmerkingen worden gemaakt, evengoed het recht heeft om te worden gehoord als een gecontroleerde instelling, is volgens de Rekenkamer niet-ontvankelijk, omdat deze grief niet tegen het bestreden arrest is gericht. Subsidiair acht zij deze grief ongegrond.
25 Het derde middel van Ismeri komt in wezen neer op een herhaling van het vorige middel. Ismeri verwijt het Gerecht, dat het de haars inziens cruciale kwestie heeft omzeild van het ongeoorloofde karakter van de niet-toepassing in casu van het beginsel van hoor en wederhoor. De Rekenkamer verweert zich hiertegen met dezelfde argumenten die zij tegen het tweede middel reeds heeft aangevoerd.
26 Deze twee middelen, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, zijn gericht tegen de redenering waarmee het Gerecht in de punten 100 tot en met 105 van het bestreden arrest het middel betreffende schending van het beginsel van hoor en wederhoor heeft verworpen zonder dat behoeft te worden ingegaan op de kwestie, of verzoekster zich in casu op dat beginsel kon beroepen".
27 Opgemerkt zij, dat de Rekenkamer op grond van de bepalingen die haar procedure regelen, niet verplicht is haar ontwerp-verslagen onder dezelfde omstandigheden aan derden voor te leggen als aan de gemeenschapsinstellingen, noch de naar aanleiding van haar verslagen door belanghebbenden gemaakte opmerkingen hoeft te publiceren. De in de artikelen 188 C, lid 4, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 248, lid 4, EG) en 206 van het Verdrag voorziene procedure strekt er namelijk toe bij te dragen tot een beter financieel beheer van de Gemeenschap door de verslagen aan de instellingen toe te zenden en hen daarop te laten antwoorden. Derden uitnodigen om aan deze procedure deel te nemen, kan niet bijdragen tot de verwezenlijking van het beoogde doel.
28 Doch het beginsel van hoor en wederhoor is een algemeen rechtsbeginsel waarvan het Hof van Justitie de eerbiediging waarborgt. Het is van toepassing op alle procedures die tot een beslissing van een gemeenschapsinstelling kunnen leiden die de belangen van een particulier aanmerkelijk kunnen raken (zie, in die zin, met name arrest van 23 oktober 1974, Transocean Marine Paint/Commissie, 17/74, Jurispr. blz. 1063, punt 15).
29 Hoewel de vaststelling en de bekendmaking van de verslagen van de Rekenkamer geen beslissingen zijn die de rechten van de daarin genoemde personen rechtstreeks raken, kunnen zij voor die personen wel degelijk zodanige gevolgen hebben dat de belanghebbenden vóór de definitieve vaststelling ervan in de gelegenheid moeten worden gesteld opmerkingen te maken over de punten van het verslag waarin zij met naam worden genoemd.
30 Daar de Rekenkamer Ismeri niet heeft uitgenodigd haar standpunt uiteen te zetten over de haar betreffende passages die de Rekenkamer voornemens was in verslag nr. 1/96 op te nemen, heeft zij tijdens de procedure tot vaststelling van dit verslag het beginsel van hoor en wederhoor geschonden.
31 Deze schending kan niet worden opgeheven door het feit dat rekwirante na de publicatie van verslag nr. 1/96 de gelegenheid heeft gehad haar opmerkingen kenbaar te maken bij de Rekenkamer. Het spreekt immers voor zich, dat een instelling van nature sneller geneigd is rekening te houden met opmerkingen zolang zij nog geen definitief standpunt heeft ingenomen dan na de bekendmaking van dit standpunt. In laatstbedoeld geval moet zij immers, wanneer de bezwaren gegrond zijn, van haar standpunt terugkomen en een rectificatie vaststellen.
32 Om dezelfde reden kan uit de enkele omstandigheid dat de Rekenkamer op 7 maart 1997 de bezwaren van Ismeri van 31 januari 1997 tegen verslag nr. 1/96, dat is gepubliceerd op 19 augustus 1996, van de hand heeft gewezen, niet worden afgeleid dat de Rekenkamer noodzakelijkerwijs dezelfde handelwijze zou hebben gevolgd indien deze bezwaren vóór de vaststelling van het verslag op 30 mei 1996 waren geformuleerd.
33 Doch uit de algemene feitelijke context zoals die door het Gerecht is geanalyseerd, en in het bijzonder uit de flagrante en ernstige schending van de regels van behoorlijk bestuur - bestaande in de langdurige aanwezigheid in de raad van bestuur van het ARTM van personen die particuliere belangen vertegenwoordigden die rechtstreeks werden geraakt door de beslissingen van dit orgaan - volgt dat het horen van Ismeri de Rekenkamer in geen geval had kunnen doen terugkomen van haar standpunt betreffende het met naam noemen van deze onderneming of betreffende de bewoordingen waarin zij zich in verslag nr. 1/96 over Ismeri heeft uitgelaten.
34 Hieruit volgt, dat de in casu begane onwettigheid geen invloed kon hebben op de inhoud van verslag nr. 1/96, zodat er geen causaal verband bestaat tussen het verzuim om Ismeri vooraf te horen en de schade die zij ten gevolge van de publicatie van bedoeld verslag stelt te hebben geleden.
35 De grief van Ismeri, dat het Gerecht haar middel betreffende schending van het beginsel van hoor en wederhoor heeft verworpen, kan dus niet worden aanvaard.
36 Het tweede en het derde middel moeten derhalve worden verworpen.
Vierde middel: schending van het gemeenschapsrecht en ontoereikende motivering met betrekking tot de gestelde laster
37 Ismeri betoogt dat het Gerecht ten onrechte en zonder dit te motiveren, heeft vastgesteld dat er geen sprake was van laster, terwijl het nodeloos publiceren van gegevens over een met naam genoemde derde, in combinatie met de vermelding van eventuele strafvervolgingen, in strijd is met, ten eerste, de regel van de anonimiteit die het Gerecht behoudens uitzonderlijke gevallen heeft aanvaard, ten tweede, het vertrouwelijkheidsbeginsel dat krachtens de algemene rechtsbeginselen bij het instellen van een strafvordering dient te gelden, en ten derde, het evenredigheidsbeginsel, dat voor de gemeenschapsinstellingen de verplichting meebrengt de subjectieve situatie van particulieren niet meer aan te tasten dan strikt noodzakelijk is om de door hen nagestreefde doeleinden te bereiken.
38 Volgens de Rekenkamer zijn de grieven niet-ontvankelijk, omdat zij niet rechtstreeks zijn gericht tegen de juridische redenering van het Gerecht. Subsidiair onderstreept zij, dat het Gerecht, toen het vaststelde dat sprake was van een ernstige onregelmatigheid waar Ismeri bij betrokken was, op goede gronden heeft geoordeeld, dat het met naam vermelden van bij de aan het licht gebrachte belangenverstrengeling betrokken personen, noodzakelijk en dus ook evenredig was. Hoe dan ook, het zogeheten discretiebeginsel waarop Ismeri zich beroept, is een nieuw argument.
39 Uit punt 109 van het bestreden arrest volgt, dat het Gerecht heeft aanvaard dat de Rekenkamer zich in uitzonderlijke gevallen, en met name bij een ernstige onregelmatigheid die de wettigheid en de regelmatigheid van de inkomsten of de uitgaven, dan wel de eisen van een goed financieel beheer ernstig aantast, genoodzaakt kan zien de geconstateerde feiten voor het volle voetlicht te brengen en dus de derden die daar rechtstreeks bij betrokken zijn, met naam te vermelden. Volgens het Gerecht is de openbaarmaking van namen, die haar rechtvaardiging vindt in de noodzaak van een doeltreffende controle door de Rekenkamer, des te meer noodzakelijk wanneer anonimiteit twijfel kan doen rijzen omtrent de identiteit van de betrokkenen.
40 Erkend moet worden, zoals ook het Gerecht dat heeft gedaan, dat bijzondere omstandigheden in verband met de ernst van de feiten of met het risico van verwarring dat de belangen van derden zou kunnen schaden, kunnen rechtvaardigen dat de Rekenkamer personen die in beginsel niet aan haar toezicht zijn onderworpen, met naam vermeldt in haar verslagen, mits, zoals in de punten 28 en 29 van het onderhavige arrest is onderstreept, het beginsel van hoor en wederhoor ten opzichte van die personen in acht is genomen.
41 Het staat aan de geadieerde gemeenschapsrechter om in dergelijke gevallen te beoordelen, of het met naam vermelden van de betrokken personen noodzakelijk en evenredig was ten opzichte van het met de publicatie van het verslag nagestreefde doel. Het volledige toezicht dat het Gerecht op dit punt uitoefent, is een element van de soevereine beoordeling door hem van de feiten, die niet voor toetsing in hogere voorziening vatbaar is, behoudens in geval van feitelijke onjuistheid van de vaststellingen van het Gerecht of onjuiste voorstelling van de elementen van het dossier.
42 Aldus is de beoordeling van het Gerecht, waarop zijn conclusie steunt dat de Rekenkamer in verslag nr. 1/96 op goede gronden Ismeri met naam kon vermelden en in punt 57 van dit verslag kon verwijzen naar het door de Commissie ingestelde onderzoek betreffende de eventuele noodzaak van strafvervolging, aan toetsing door het Hof onttrokken, omdat in de onderhavige hogere voorzieningsprocedure niet is gebleken van enige omstandigheid die erop zou wijzen dat het Gerecht de gegevens van het dossier heeft verdraaid of materieel onjuiste vaststellingen heeft gedaan.
43 Het vierde middel moet dan ook worden verworpen.
Vijfde middel: verdraaiing van de feiten, ontoereikende motivering en onjuiste juridische kwalificatie van het begrip belangenverstrengeling"
44 Volgens rekwirante heeft het Gerecht de feiten van het geding verdraaid door te concluderen dat Ismeri bij een belangenverstrengeling was betrokken. Het ARTM, waar een van de bestuurders van Ismeri zitting had in de raad van bestuur, had geen beslissingsbevoegdheid met betrekking tot de gunning van contracten aan de bureaus voor technische bijstand. Het besluit tot gunning van de enige twee met Ismeri gesloten contracten, waarop verslag nr. 1/96 doelt, is door de Commissie genomen. En de experimentele fase" van de MED-programma's in het kader waarvan opdrachten onderhands konden worden gegund, duurde tot na de oprichting van het ARTM.
45 Rekwirante voegt hieraan toe, dat het begrip belangenverstrengeling", dat geheel los van de intenties van de betrokkenen is gebezigd, rechtens geen enkele betekenis heeft en ongeschikt is om als grondslag te dienen voor een kwalificatie van de betrokken situatie.
46 De Rekenkamer zet uiteen, dat geen sprake is van een verdraaiing van de gegevens van het dossier noch van inhoudelijke onjuistheden, zodat de argumenten betreffende de bevoegdheden van het ARTM, de rol van de Commissie en de duur van de experimentele fase" niets anders zijn dan een niet-ontvankelijk verzoek om terug te komen van in eerste aanleg gedane feitelijke constateringen. Aangaande de discussie over het begrip belangenverstrengeling", wat louter een herhaling is van een in eerste aanleg reeds aangevoerd argument, betoogt de Rekenkamer dat dit middel ontvankelijk noch gegrond is, omdat het Gerecht duidelijk heeft aangegeven wat onder dat begrip moet worden verstaan.
47 Om te beginnen moet worden vastgesteld, dat het begrip belangenverstrengeling" volgens het Gerecht in punt 112 van het bestreden arrest inhoudt dat een opdracht wordt geplaatst bij een persoon die betrokken is bij de beoordeling en de selectie van de offerten", en dat dit in het kader van het toezicht van de Rekenkamer op het financieel beheer van de communautaire instellingen en organen een relevant en nuttig begrip is, dat wijst op een ernstige dysfunctie bij de betrokken instellingen of het betrokken orgaan.
48 De zienswijze van het Gerecht dat de hem voorgelegde feiten als belangenverstrengeling waren aan te merken, behoort tot de soevereine beoordeling van de feiten door de feitenrechter. Aangezien in hogere voorziening niet is gebleken dat het bestreden arrest is aangetast door feitelijke onjuistheden of een verdraaiing van de elementen van het dossier, is deze beoordeling door het Gerecht niet vatbaar voor toetsing door het Hof.
49 Het vijfde middel moet derhalve worden verworpen.
Zesde middel: verdraaiing van de feiten en ontoereikende motivering wat de aarzelingen van Ismeri betreft om gevolg te geven aan het verzoek om haar bestuurder terug te trekken uit de raad van bestuur van het ARTM
50 Volgens Ismeri kon het Gerecht er niet mee volstaan de geloofwaardigheid in twijfel te trekken van een document dat geacht werd aan te tonen, dat de Commissie niet langer het ontslag eiste van een van de bestuurders van Ismeri uit de raad van bestuur van het ARTM. Rekwirante betwist voorts de redenering op grond waarvan het Gerecht tot de zienswijze is gekomen, dat het ontslag slechts heeft plaatsgevonden nadat uiteindelijk toegevingen waren gedaan over de gunning van contracten en de voordracht van andere kandidaten.
51 Volgens de Rekenkamer wijst niets in deze vaststellingen op een verdraaiing van de feiten, wat de enige omstandigheid is op grond waarvan de beoordeling door het Gerecht opnieuw ter discussie zou kunnen worden gesteld.
52 De door Ismeri in hogere voorziening begonnen discussie over de uitlegging van de notulen van de vergadering van 21 januari 1994 van de raad van bestuur van het ARTM en over de door haar gestelde voorwaarden voor het vertrek van haar bestuurder uit die raad, heeft geen elementen aan het licht gebracht die erop zouden wijzen dat de motivering van het bestreden arrest is aangetast door materiële onjuistheden of een verdraaiing van elementen van het dossier.
53 In deze omstandigheden strekt het zesde middel ertoe een beoordeling van de feiten door het Gerecht te doen herzien, terwijl zulks niet het voorwerp van de hogere voorziening kan zijn.
54 Het zesde middel is derhalve niet-ontvankelijk.
55 Uit een en ander volgt, dat de hogere voorziening moet worden afgewezen in haar geheel.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
56 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat volgens artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien Ismeri in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Rekenkamer in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende:
1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verwijst Ismeri Europa Srl in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy