Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Lidstaten - Verplichtingen - Uitvoering van richtlijnen - Niet-betwiste niet-nakoming
(Art. 226 EG)
Partijen
In zaak C-320/99,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Nolin, lid van de juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van die dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Franse Republiek, vertegenwoordigd door K. Rispal-Bellanger, onderdirecteur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en G. Taillandeur, redacteur bij die directie, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Franse ambassade, Boulevard Joseph II 8 B,
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen, dat de Franse Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te treffen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 97/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1997 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door inwendige verbrandingsmotoren die worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines (PB 1998, L 59, blz. 1), althans die bepalingen niet ter kennis te brengen van de Commissie, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann (rapporteur), kamerpresident, J.-P. Puissochet en F. Macken, rechters,
advocaat-generaal: A. Saggio
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 juli 2000,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 26 augustus 1999, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG het Hof verzocht vast te stellen, dat de Franse Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te treffen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 97/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1997 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door inwendige verbrandingsmotoren die worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines (PB 1998, L 59, blz. 1), althans die bepalingen niet ter kennis te brengen van de Commissie, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Volgens artikel 17, lid 1, van richtlijn 97/68 moeten de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 30 juni 1998 aan de richtlijn te voldoen en moeten zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen.
3 Daar de Commissie op 25 augustus 1998 van de Franse regering geen enkel bericht had ontvangen over maatregelen ter uitvoering van richtlijn 97/68 en over geen andere informatie beschikte waaruit zij kon opmaken dat de Franse Republiek de nodige bepalingen had vastgesteld om aan de richtlijn te voldoen, maande zij de Franse Republiek aan, binnen een termijn van twee maanden haar opmerkingen kenbaar te maken.
4 Aangezien die brief niet werd beantwoord, zond de Commissie, van mening dat de Franse Republiek nog niet de nodige maatregelen had genomen om te voldoen aan de uit richtlijn 97/68 voortvloeiende verplichtingen, op 17 december 1998 een met redenen omkleed advies aan die lidstaat, met het verzoek daaraan te voldoen binnen een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de betekening van dit advies.
5 Ook die brief bleef onbeantwoord.
6 In die omstandigheden heeft de Commissie, die geen andere officiële en definitieve informatie van de Franse regering ontving, het onderhavige beroep ingesteld.
7 In haar verweerschrift betwist de Franse regering niet, dat richtlijn 97/68 niet binnen de gestelde termijn in nationaal recht is omgezet. Zij verzoekt evenwel het Hof, vast te stellen dat de omzetting van de richtlijn bijna voltooid is.
8 Dienaangaande merkt zij op, dat zij bij brief van 3 september 1999 twee ontwerpteksten van nationale wetgeving houdende de omzetting van richtlijn 97/68 in nationaal recht aan de Commissie heeft meegedeeld. Bij dezelfde brief heeft zij de Commissie een nota gezonden waarin wordt verwezen naar een op 10 maart 1999 door de Franse regering vastgesteld besluit inzake de keuring van motoren die worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines, op de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes (JORF van 3 juni 1999, blz. 8188). In dat besluit zijn de administratieve en technische instanties benoemd die verantwoordelijk zijn voor het onderzoek van de aanvragen van de constructeurs, de meting van de uitstoot van afvalstoffen en de uitreiking van de EG-goedkeuringen", zoals is voorgeschreven in artikel 16 van die richtlijn.
9 Volgens artikel 5, eerste alinea, EG-Verdrag (thans artikel 10, eerste alinea, EG) treffen de lidstaten alle algemene of bijzondere maatregelen welke geschikt zijn om de nakoming van de uit dit Verdrag of handelingen van de instellingen der Gemeenschap voortvloeiende verplichtingen te verzekeren. Tot deze handelingen behoren de richtlijnen die overeenkomstig artikel 189, derde alinea, EG-Verdrag (thans artikel 249, derde alinea, EG) ten aanzien van het te bereiken resultaat verbindend zijn voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd zijn. Dit houdt voor elke staat waarvoor een richtlijn bestemd is, de verplichting in om in het kader van zijn nationale rechtsorde alle maatregelen te treffen die nodig zijn om de volle werking van de richtlijn overeenkomstig het ermee beoogde doel te verzekeren (zie arrest van 17 juni 1999, Commissie/Italië, C-336/97, Jurispr. blz. I-3771, punt 19).
10 Aangezien richtlijn 97/68 in casu niet volledig binnen de daarin gestelde termijn is omgezet, dient het door de Commissie ingestelde beroep gegrond te worden verklaard.
11 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat de Franse Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te treffen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 97/68, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
12 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dat is gevorderd. Aangezien de Franse Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te treffen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 97/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1997 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door inwendige verbrandingsmotoren die worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines, is de Franse Republiek de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Franse Republiek wordt in de kosten verwezen.
Full & Egal Universal Law Academy