Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Hogere voorziening - Middelen - Loutere herhaling van voor Gerecht aangevoerde middelen en argumenten - Niet-ontvankelijkheid - Betwisting van wijze waarop Gerecht gemeenschapsrecht heeft uitgelegd of toegepast - Ontvankelijkheid
(Statuut-EG van het Hof van Justitie, art. 49 en 51; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 112, lid 1, eerste alinea, sub c)
2. Steunmaatregelen van de staten - Algemene steunregeling goedgekeurd door Commissie - Individuele steun in overeenstemming met voorwaarden van algemene steunregeling - Bestaande steun - Aanmeldingsplicht - Geen
[EG-Verdrag, art. 92 (thans, na wijziging, art. 87 EG) en art. 93 (thans art. 88 EG)]
3. Beroep tot nietigverklaring - Procesbelang - Beschikking waarbij uitvoeringsmaatregelen in overeenstemming met in beschikking tot goedkeuring van algemene staatssteunregeling gestelde voorwaarden worden verklaard - Beroep ingesteld door ondernemingen die met begunstigde ondernemingen concurreren - Ontvankelijkheid
[EG-Verdrag, art. 92 en 173, tweede alinea (thans, na wijziging, art. 87 EG en 230, tweede alinea, EG), en art. 93, leden 2 en 3 (thans, art. 88, leden 2 en 3, EG)]
4. Steunmaatregelen van de staten - Algemene steunregeling goedgekeurd door Commissie - Individuele steun die wordt voorgesteld als vallend binnen kader van goedkeuring - Onderzoek door Commissie - Onderzoek dat te allen tijde kan worden verricht
[EG-Verdrag, art. 93, lid 1 (thans art. 88, lid 1, EG)]
5. Steunmaatregelen van de staten - Algemene steunregeling goedgekeurd door Commissie - Individuele steun die wordt voorgesteld als vallend binnen kader van goedkeuring - Onderzoek door Commissie - Toetsing eerst aan goedkeuringsbeschikking en pas daarna aan Verdrag
[EG-Verdrag, art. 92 (thans, na wijziging, art. 87 EG) en art. 93 (thans art. 88 EG)]
6. Landbouw - Gemeenschappelijk landbouwbeleid - Suiker - Steun verleend door Portugese Republiek - Verordening nr. 1785/81 - Toepassing van artikel 92 van Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87 EG) en artikelen 93 en 94 van Verdrag (thans artikelen 88 EG en 89 EG)
[EG-Verdrag, art. 39, 42, 93 en 94 (thans art. 33 EG, 36 EG, 88 EG en 89 EG), en art. 43 en 92 (thans, na wijziging, art. 37 EG en 87 EG); verordeningen van de Raad nr. 1785/81, art. 24, 44 en 45, en nr. 866/90, art. 16, lid 5; beschikking 94/173 van de Commissie, bijlage, punt 2.8]
7. Hogere voorziening - Middelen - Middel voor het eerst aangevoerd in hogere voorziening - Niet-ontvankelijkheid
(Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 42, lid 2, en 118)
8. Landbouw - Gemeenschappelijk landbouwbeleid - Financiering door EOGFL - Verordening nr. 866/90 - Toetsing aan artikel 92 van Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87 EG) en artikel 93 van Verdrag (thans artikel 88 EG) - Daarvan uitgesloten
[EG-Verdrag, art. 92 (thans, na wijziging, art. 87 EG) en art. 93, leden 2 en 3, en 94 (thans art. 88, leden 2 en 3, EG en 89 EG); verordening nr. 866/90 van de Raad, art. 16, leden 3-5]
Samenvatting
1. Een verzoekschrift in hogere voorziening dat zich beperkt tot een herhaling of een letterlijke weergave van de voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten, waaronder die welke waren gebaseerd op feiten die het Gerecht uitdrukkelijk van de hand heeft gewezen, voldoet niet aan de motiveringseisen die voortvloeien uit artikel 51 van het Statuut van het Hof van Justitie en uit artikel 112, lid 1, eerste alinea, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Een dergelijke hogere voorziening is in feite immers niets anders dan een vordering tot heronderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoekschrift, hetgeen overeenkomstig artikel 49 van het Statuut van het Hof niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort.
Wanneer een rekwirant de uitlegging of de toepassing van het gemeenschapsrecht door het Gerecht betwist, kunnen de in eerste aanleg onderzochte rechtspunten in een hogere voorziening echter opnieuw worden behandeld. De procedure van hogere voorziening zou immers ten dele haar betekenis verliezen, indien de rekwirant op die manier zijn hogere voorziening niet kon baseren op middelen en argumenten die reeds voor het Gerecht zijn aangevoerd.
( cf. punten 48-49 )
2. Individuele steunmaatregelen die zijn verleend krachtens een door de Commissie goedgekeurde algemene steunregeling en aan de voorwaarden van die regeling voldoen, vormen bestaande steunmaatregelen die niet behoeven te worden aangemeld. Aangezien dergelijke steunmaatregelen vóór hun tenuitvoerlegging niet zijn aangemeld, behoeven zij geen uitdrukkelijke beschikking van de Commissie en kan de wettigheid ervan alleen door de nationale rechter worden beoordeeld.
( cf. punt 60 )
3. Indien de Commissie van mening is dat individuele maatregelen ter uitvoering van een algemene steunregeling in overeenstemming zijn met de voorwaarden die zij in haar beschikking tot goedkeuring van die regeling heeft gesteld, zodat zij kunnen worden aangemerkt als bestaande steunmaatregelen die als zodanig niet formeel behoeven te worden aangemeld en op hun verenigbaarheid met artikel 92 van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87 EG) en artikel 93 van het Verdrag (thans artikel 88 EG) behoeven te worden onderzocht, neemt zij niet slechts akte van het feit dat de betrokken individuele maatregelen het karakter van bestaande steun hebben. Met de overweging dat deze maatregelen door haar beschikking worden gedekt, ziet zij er eveneens van af, de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag in te leiden. Ondernemingen die als klager in deze procedure hadden kunnen interveniëren indien deze door de Commissie was ingeleid, zou deze waarborg echter worden ontnomen, indien zij niet de mogelijkheid hadden voor het Gerecht het standpunt van de Commissie te betwisten.
De omstandigheid dat de individuele uitvoeringsmaatregelen bestaande steun vormen, doet derhalve niet af aan het procesbelang van deze ondernemingen, omdat het mogelijk is dat die maatregelen niet worden gedekt door de beschikking tot goedkeuring van de algemene steunregeling en deze ondernemingen slechts de eerbiediging van de hun bij artikel 93, lid 2, van het Verdrag verleende procedurele garanties kunnen verkrijgen indien zij de mogelijkheid hebben de bestreden beschikking van de Commissie voor de gemeenschapsrechter te betwisten.
( cf. punten 61-62 )
4. De Commissie kan na de vaststelling van een beschikking tot goedkeuring van een algemene steunregeling nog steeds de verenigbaarheid van een individuele steunmaatregel met deze beschikking onderzoeken. Een dergelijk onderzoek kan op grond van artikel 93, lid 1, van het Verdrag (thans artikel 88, lid 1, EG) te allen tijde plaatsvinden, in het bijzonder naar aanleiding van klachten die bij de Commissie kunnen worden ingediend.
( cf. punt 76 )
5. Wanneer de Commissie te maken krijgt met een individuele steunmaatregel waaromtrent wordt gesteld dat hij ingevolge een eerder goedgekeurde steunregeling is toegekend, kan zij deze niet zonder meer rechtstreeks aan het Verdrag toetsen. Vóór zij enige procedure inleidt, moet zij onderzoeken of de steunmaatregel door de algemene regeling wordt gedekt en aan de in de beschikking tot goedkeuring van deze regeling gestelde voorwaarden voldoet. Zou de Commissie dit niet doen, dan zou zij bij het onderzoek van elke individuele steunmaatregel kunnen terugkomen op haar beschikking tot goedkeuring van de steunregeling, met betrekking tot dewelke moet worden aangenomen dat zij reeds aan artikel 92 van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87 EG) is getoetst, waardoor het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van bescherming van gewettigd vertrouwen in het gedrang komen.
( cf. punt 83 )
6. Artikel 44 van verordening nr. 1785/81 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker bepaalt, dat artikel 92 van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87 EG) en de artikelen 93 en 94 van het Verdrag (thans artikelen 88 EG en 89 EG) van toepassing zijn op de productie van en de handel in suiker, behoudens andersluidende bepalingen in deze verordening". Zo bepaalt artikel 45 van deze verordening dat deze zodanig moet worden toegepast dat gelijkelijk en op passende wijze rekening wordt gehouden met de in artikel 39 van het Verdrag (thans artikel 33 EG) gestelde doeleinden van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Bovendien is artikel 24 van deze verordening bij de Toetredingsakte van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek juist gewijzigd om aan deze laatste lidstaat op het continentale deel van zijn grondgebied een productiequotum voor suiker toe te kennen. Uit deze bepalingen volgt, dat ofschoon verordening nr. 1785/81 de betaling van staatssteun voor een project tot gebruik van dit quotum niet zelf toestaat, zij deze mogelijkheid geenszins uitsluit.
Teksten die de acties van structureel en regionaal beleid van de Gemeenschap regelen, voorzien dus zowel voor de Gemeenschap als voor de Portugese Republiek in de mogelijkheid, financiële steun te verlenen voor investeringsprojecten. Om te beginnen biedt artikel 16, lid 5, van verordening nr. 866/90, die is gebaseerd op artikel 42 van het Verdrag (thans artikel 36 EG) en artikel 43 van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 37 EG) en dus integrerend deel uitmaakt van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, de lidstaten de mogelijkheid om naast de maatregelen waarin deze verordening speciaal voorziet, onder de in de artikelen 92 tot en met 94 van het Verdrag gestelde voorwaarden steun te verlenen voor de verwerking van en de handel in landbouwproducten. Voorts wordt in punt 2.8 van de bijlage bij beschikking 94/173 bepaald dat, voor investeringen die in aanmerking komen voor financiële bijstand van het EOGFL, afdeling Oriëntatie, in afwijking van de regel die investeringen in de suikersector uitsluit, investeringen voor het gebruik van het bij de Toetredingsakte van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek vastgestelde quotum voor communautaire financiering in aanmerking komen.
( cf. punten 96-97, 100-102 )
7. Op grond van artikel 118 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof is artikel 42, lid 2, van dit reglement, dat het aanvoeren van nieuwe middelen in de loop van het geding in beginsel verbiedt, ook van toepassing op de procedure voor het Hof in hogere voorziening tegen een beslissing van het Gerecht. In hogere voorziening is het Hof dus enkel bevoegd de beslissing van het Gerecht te onderzoeken ten aanzien van de middelen die voor de rechters in eerste aanleg zijn bepleit.
( cf. punt 112 )
8. Verordening nr. 866/90 inzake de verbetering van de verwerking en de afzet van landbouwproducten legt de voorwaarden vast waaronder het EOGFL, afdeling Oriëntatie, bijdraagt tot de doelstellingen van regionale samenhang van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. In artikel 16, leden 3 en 4, wordt als uitgangspunt genomen dat de lidstaten wier investeringsprojecten voor bijstand van dit Fonds in aanmerking komen, zich evenals de begunstigden van het Fonds ertoe moeten verbinden, deel te nemen aan de financiering van de door de Commissie voor bijstand van het EOGFL in aanmerking genomen investeringen. Medefinanciering door de lidstaten wordt door deze verordening dus niet alleen toegestaan, maar zelfs voorgeschreven.
Artikel 16, lid 5, van verordening nr. 866/90, volgens hetwelk de lidstaten steunmaatregelen kunnen nemen waarbij de steunbedragen onder andere voorwaarden of op een andere wijze worden toegekend dan in deze verordening is bepaald, of hoger zijn dan de in deze verordening bepaalde maxima, op voorwaarde dat deze maatregelen in overeenstemming met artikel 92 van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87 EG) en de artikelen 93 en 94 van het Verdrag (thans artikelen 88 EG en 89 EG) worden genomen, heeft dus geen betrekking op de nationale financiële bijdragen die artikel 16, leden 3 en 4, van deze verordening eist, maar op de steun die de lidstaten willen verlenen naast hun verplichte deelneming aan investeringsprojecten die voor bijstand van het EOGFL, afdeling Oriëntatie, in aanmerking komen.
Hieruit volgt dat het Gerecht het gemeenschapsrecht niet verkeerd heeft toegepast door te oordelen dat de medefinanciering door een lidstaat van een investeringsproject dat voor bijstand van het EOGFL, afdeling Oriëntatie, in aanmerking kwam, moet worden beoordeeld in het specifieke kader van de overeenkomstig verordening nr. 866/90 gevoerde gemeenschapsactie en niet kan worden getoetst aan de artikelen 92 en 93 van het Verdrag.
( cf. punten 121-123 )
Partijen
In zaak C-321/99 P,
Associação dos Refinadores de Açúcar Portugueses (ARAP), gevestigd te Lissabon (Portugal),
Alcântara Refinarias - Açúcares SA, gevestigd te Santa Iria de Azóia (Portugal),
en
Refinarias de Açúcar Reunidas SA (RAR), gevestigd te Porto (Portugal),
vertegenwoordigd door G. van der Wal, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
rekwiranten,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Vierde kamer - uitgebreid) van 17 juni 1999, ARAP e.a./Commissie (T-82/96, Jurispr. blz. II-1889), en strekkende tot vernietiging van dat arrest,
andere partijen bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Macdonald Flett als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
Portugese Republiek, vertegenwoordigd door S. Brasil de Brito en L. Fernandes als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
en
DAI - Sociedade de Desenvolvimento Agro-Industrial SA, gevestigd te Monte da Barca (Portugal), vertegenwoordigd door L. Sáragga Leal, D. Franco en R. Oliveira, advogados, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
interveniënten in eerste aanleg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: N. Colneric, president van de Tweede kamer, waarnemend voor de president van de Zesde kamer, C. Gulmann, J.-P. Puissochet (rapporteur), R. Schintgen en V. Skouris, rechters,
advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: D. Louterman-Hubeau, afdelingshoofd,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 29 maart 2001,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 december 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij op 27 augustus 1999 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift hebben Associação dos Refinadores de Açúcar Portugueses (ARAP), Alcântara Refinarias - Açúcares SA en Refinarias de Açúcar Reunidas SA (RAR) krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 17 juni 1999, ARAP e.a./Commissie (T-82/96, Jurispr. blz. II-1889; hierna: bestreden arrest"), waarbij hun beroep tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 11 januari 1996 waarbij is besloten geen bezwaar te maken tegen de toekenning van staatssteun aan Sociedade de Desenvolvimento Agro-Industrial SA (hierna: DAI"), aangemeld onder nummer N11/95 (hierna: bestreden beschikking" of bestreden handeling"), alsmede van de brief van de Commissie van 19 maart 1996 waarbij rekwiranten van deze beschikking op de hoogte zijn gesteld (hierna: brief van 19 maart 1996"), is verworpen.
Rechtskader
2 Artikel 42, eerste alinea, EG-Verdrag (thans artikel 36, eerste alinea, EG) luidt: De bepalingen van het hoofdstuk over regels betreffende de mededinging zijn op de voortbrenging van en de handel in landbouwproducten slechts in zoverre van toepassing, als door de Raad met inachtneming van de in artikel 39 vermelde doeleinden [inzake gemeenschappelijk landbouwbeleid] zal worden bepaald [...]"
3 In artikel 44 van verordening (EEG) nr. 1785/81 van de Raad van 30 juni 1981 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PB L 177, blz. 4) wordt bepaald, dat behoudens andersluidende bepalingen in deze verordening [...] de artikelen 92 tot en met 94 van het Verdrag van toepassing [zijn] op de productie van en de handel in de in artikel 1, lid 1, genoemde producten", waaronder met name bietsuiker en rietsuiker, alsmede suikerbieten en suikerriet. Volgens artikel 45 moet deze verordening zodanig worden toegepast dat gelijkelijk en op passende wijze rekening wordt gehouden met de in de artikelen 39 en 110 van het Verdrag gestelde doeleinden".
4 Krachtens artikel 26 en bijlage I, hoofdstuk XIV, sub c, van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen (PB 1985, L 302, blz. 23; hierna: Toetredingsakte Koninkrijk Spanje en Portugese Republiek") is aan de Portugese Republiek een quotum voor de bietsuikerproductie toegekend van 60 000 ton per jaar. Dit quotum was bedoeld om het voor de in continentaal Portugal gevestigde ondernemingen mogelijk te maken in dit gebied een suikerproductie op te starten". Het is op 70 000 ton gebracht bij artikel 1 van verordening (EG) nr. 1599/96 van de Raad van 30 juli 1996 tot wijziging van verordening nr. 1785/81 (PB L 206, blz. 43).
5 Verordening (EEG) nr. 2052/88 van de Raad van 24 juni 1988 betreffende de taken van de fondsen met structurele strekking, hun doeltreffendheid alsmede de coördinatie van hun bijstandsverlening onderling en met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten (PB L 185, blz. 9) belast de structuurfondsen, gelet op het oogmerk van versterking van de economische en sociale samenhang overeenkomstig artikel 130 A EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 158 EG), met name met het bevorderen van de ontwikkeling en de structurele aanpassing van regio's met een ontwikkelingsachterstand (hierna: doelstelling 1"), het bespoedigen van de aanpassing van de landbouwstructuren (hierna: doelstelling 5 a") en het bevorderen van de ontwikkeling van het platteland (hierna: doelstelling 5 b"). Volgens de bijlage bij deze verordening wordt Portugal in zijn geheel beschouwd als een regio in de zin van doelstelling 1.
6 Bij verordening (EEG) nr. 4256/88 van 19 december 1988 (PB L 374, blz. 25) heeft de Raad bepalingen vastgesteld voor de toepassing van verordening nr. 2052/88 met betrekking tot het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw (EOGFL), afdeling Oriëntatie.
7 Krachtens artikel 10 van verordening nr. 4256/88 heeft de Raad, met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van verordening nr. 2052/88, in verordening (EEG) nr. 866/90 van 29 maart 1990 inzake de verbetering van de verwerking en de afzet van landbouwproducten (PB L 91, blz. 1) een regeling vastgesteld betreffende de voorwaarden en modaliteiten van de bijdrage van het EOGFL, afdeling Oriëntatie, tot de maatregelen ter verbetering van de omstandigheden waaronder landbouwproducten worden afgezet en verwerkt.
8 Artikel 1, lid 1, van verordening nr. 866/90, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 3669/93 van de Raad van 22 december 1993 (PB L 338, blz. 26; hierna: verordening nr. 866/90"), voorziet in een gemeenschappelijke actie uit hoofde van doelstelling 5 a, welke actie eveneens dient bij te dragen tot het bereiken van de doelstellingen 1 en 5 b.
9 Verordening nr. 866/90 voorziet in de vaststelling door de Commissie van criteria voor de selectie". Artikel 8, lid 1, preciseert dat aan de hand van deze selectiecriteria wordt bepaald welke investeringen voor bijstand van het EOGFL, afdeling Oriëntatie, in aanmerking worden genomen, dat prioriteiten worden vastgesteld en dat wordt aangegeven welke investeringen van communautaire financiering zijn uitgesloten. Artikel 8, lid 2, bepaalt dat de selectiecriteria worden vastgesteld overeenkomstig de communautaire beleidslijnen, en met name die van het gemeenschappelijk landbouwbeleid".
10 Op grond van artikel 8, lid 3, van verordening nr. 866/90 heeft de Commissie beschikking 94/173/EG van 22 maart 1994 vastgesteld, tot vaststelling van de selectiecriteria voor investeringen ter verbetering van de voorwaarden inzake verwerking en afzet van land- en bosbouwproducten en tot intrekking van beschikking 90/342/EEG (PB L 79, blz. 29). Uit de zevende overweging van de considerans van beschikking 94/173 volgt, dat de selectiecriteria beantwoorden aan de richtsnoeren van het gemeenschappelijk landbouwbeleid", terwijl uit de vijfde overweging van de considerans blijkt, dat bij de toepassing ervan rekening zal moeten worden gehouden met de specifieke behoeften van lokale producties die gedegen worden gerechtvaardigd". In punt 2.8 van de bijlage bij deze beschikking is bepaald dat in de suikersector [...] alleen de volgende investeringen voor bijstand in aanmerking komen:
- [...]
- investeringen voor het gebruik van de op grond van de Toetredingsakte voor Portugal vastgestelde hoeveelheid suiker (60 000 ton voor het Portugese vasteland)".
11 In artikel 16, lid 5, van verordening nr. 866/90 wordt bepaald: Op het toepassingsgebied van deze verordening kunnen de lidstaten steunmaatregelen nemen waarbij de steunbedragen op andere voorwaarden of op een andere wijze worden toegekend dan in deze verordening is bepaald, of hoger zijn dan de in deze verordening voorgeschreven maxima, op voorwaarde dat deze maatregelen in overeenstemming met de artikelen 92 tot en met 94 van het Verdrag worden genomen."
12 Volgens de mededeling van de Commissie van 12 juli 1994 over staatssteun voor investeringen voor de verwerking en de afzet van landbouwproducten (PB C 189, blz. 5; hierna: mededeling van 12 juli 1994") geeft de Commissie bij de toepassing van deze verdragsbepalingen op staatssteunmaatregelen overeenkomstige toepassing aan met name de beperkingen per sector inzake medefinanciering van dergelijke investeringen door de Gemeenschap. Dit beoordelingscriterium is overgenomen in de mededeling van de Commissie van 23 maart 1995 over staatssteun in dezelfde sector (PB C 71, blz. 6; hierna: mededeling van 23 maart 1995"), en in die van 2 februari 1996 met hetzelfde voorwerp (PB C 29, blz. 4; hierna: mededeling van 2 februari 1996"). Volgens laatstgenoemde mededeling kan staatssteun niet worden toegekend in verband met investeringen als bedoeld in punt 2.8 van de bijlage bij beschikking 94/173, indien niet is voldaan aan de aldaar vastgestelde bijzondere voorwaarden.
De feiten van het geding
13 Volgens de bestreden beschikking, die bij brief van 11 januari 1996 aan de Portugese regering is betekend, heeft de Commissie niet uit hoofde van de artikelen 92 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87 EG) en 93 EG-Verdrag (thans artikel 88 EG) bezwaar gemaakt tegen de onder nummer N11/95 aangemelde staatssteun van de Portugese Republiek aan de voorgenomen investering van DAI voor de bouw van een bietsuikerfabriek te Coruche (Portugal), in het dal van de Taag en Sorraia.
14 Het betrokken investeringsproject was bedoeld voor de productie van het quotum voor witte suiker dat de Portugese Republiek was toegekend bij de Toetredingsakte van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek.
15 De onderzoeksprocedure van de aan DAI verleende steun is als volgt verlopen voor de Commissie: in een eerste fase hebben de Portugese autoriteiten deze steunmaatregelen aangemeld met het oog op het verkrijgen van financiële bijstand van de structuurfondsen. Dit verzoek om gemeenschapssteun was aanvankelijk ingediend in het kader van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), en is daarna aangepast en ingediend in het kader van het EOGFL, afdeling Oriëntatie, omdat het moest worden getoetst aan de regels voor de landbouwsector en niet aan die voor de industrie.
16 De rietsuikerfabrieken Alcântara Refinarias - Açúcares SA en Refinarias de Açúcar Reunidas SA (RAR), die toen de enige suikerproducenten in continentaal Portugal waren, alsook de associatie van deze twee fabrieken, Associação dos Refinadores de Açúcar Portugueses (ARAP), hebben klachten ingediend tegen de aan DAI verleende steun.
17 Gelet op deze klachten, hebben de Portugese autoriteiten in een tweede fase deze steunmaatregelen ook aangemeld in het kader van artikel 93, lid 3, van het Verdrag.
18 Aan DAI zijn drie soorten steun verleend.
19 Een eerste steunmaatregel van 1 275 290 000 PTE is toegekend in de vorm van belastingvrijstellingen in het kader van de algemene steunregeling die Portugal heeft ingevoerd bij besluitwet 95/90 van 20 maart 1990 (hierna: besluitwet 95/90") tot wijziging van het Estatuto dos Beneficios Fiscais" (regeling inzake belastingvoordelen), waarbij een specifieke regeling is vastgesteld ten gunste van grote investeringsprojecten. Deze regeling voorziet in specifieke belastingvrijstellingen, beperkt tot een periode van tien jaar, ten gunste van vennootschappen die meer dan 10 miljard PTE investeren. De steun kan maximaal 10 % netto bedragen van de verrichte investeringen en, in uitzonderlijke gevallen, 20 % van deze investeringen.
20 De bij besluitwet 95/90 ingevoerde regeling is overeenkomstig artikel 92 van het Verdrag goedgekeurd bij beschikking SG(91) D/13312 van de Commissie van 3 juli 1991 (hierna: beschikking van 3 juli 1991"), die aan de Portugese regering is betekend op 15 juli daaropvolgend, op voorwaarde dat de individuele steunmaatregelen in overeenstemming zijn met de verordeningen en kaderregelingen van het gemeenschapsrecht inzake bepaalde sectoren van de industrie, de landbouw en de visserij". Bovendien moet de Portugese regering ingevolge deze beschikking alle voorstellen die in aanmerking komen voor een vrijstelling van 10 tot 20 % (ESL) alsmede alle voorstellen in gevoelige sectoren" aanmelden. Deze algemene steunregeling gold tot en met 31 december 1995. Bij op 30 mei 1996 aan de Portugese regering betekende beschikking heeft de Commissie de verlenging van deze regeling onder dezelfde voorwaarden tot 1999 goedgekeurd, doch met weglating van de verplichting om voorstellen in gevoelige sectoren aan te melden, die niet meer werd vermeld.
21 In de bestreden beschikking heeft de Commissie allereerst vastgesteld, dat de investeringssteun die DAI in de vorm van belastingvrijstellingen was verleend, wel degelijk krachtens de bij besluitwet 95/90 ingevoerde steunregeling was verleend. Vervolgens heeft zij opgemerkt dat dit deel van de steun niet hoger was dan 10 % van de investering en dat de gemeenschapsregels voor deze landbouwsector, waarnaar haar beschikking van 3 juli 1991 verwees, in een dergelijk geval niet vereisten dat de aanmeldingsplicht van artikel 93, lid 3, van het Verdrag werd nagekomen. Na te hebben gepreciseerd, dat zij bij haar onderzoek uit hoofde van de artikelen 92 en 93 van het Verdrag van het gedeelte betreffende de investeringen, de naleving van de gemeenschapsrechtelijke bepalingen inzake staatssteun in de landbouwsector had onderzocht, heeft de Commissie ten slotte vastgesteld, dat de betrokken belastingvrijstellingen niet uitgesloten waren ingevolge beschikking 94/173.
22 Een tweede steunmaatregel, van 380 000 000 PTE, voor de beroepsopleiding van het personeel van de nieuwe fabriek, werd verenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaard. De bestreden beschikking preciseert in dit verband, dat volgens de praktijk van de Commissie, dit soort maatregelen bestemd voor de verwerving van nieuwe vaardigheden, wordt toegelaten voor 100 % van de in aanmerking komende kosten" en dat in dit geval, volgens de door de Portugese autoriteiten verstrekte gegevens, de steun niet meer bedraagt dan 68 % van deze kosten".
23 In de bestreden beschikking heeft de Commissie verklaard, dat het derde soort steunmaatregel, voor een bedrag van 1 912 335 000 PTE (15 % van de voor steun in aanmerking komende investeringen), die een medefinanciering inhield van een krachtens verordening nr. 866/90 voor communautaire bijstand in aanmerking komende investering van 6 372 065 000 PTE (49,97 % van de in aanmerking komende investeringen), niet binnen het toepassingsgebied van de artikelen 92 en 93 van het Verdrag viel. De vraag, of de geplande suikerfabriek voldeed aan de door deze verordening gestelde voorwaarden voor communautaire financiering, heeft zij naar een later onderzoek verwezen.
24 Bij brief van 19 maart 1996 heeft de Commissie de drie rekwiranten ervan in kennis gesteld, dat zij op 11 januari 1996 had beslist tegen de aan DAI verleende steun geen bezwaar te maken uit hoofde van artikel 92 van het Verdrag.
Procedure voor het Gerecht en bestreden arrest
25 Bij op 29 mei 1996 ter griffie van het Gerecht ingeschreven verzoekschrift hebben rekwiranten krachtens artikel 173 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230 EG) beroep ingesteld tot nietigverklaring van de bestreden beschikking en van de brief van 19 maart 1996. De Portugese Republiek en DAI hebben geïntervenieerd aan de zijde van de Commissie. Dit beroep is bij het bestreden arrest verworpen.
26 Het Gerecht heeft in de eerste plaats de gronden van niet-ontvankelijkheid onderzocht die de Commissie, daarin ondersteund door de Portugese Republiek en DAI, tegen het verzoek om nietigverklaring had aangevoerd.
27 Allereerst heeft het Gerecht het verzoek om nietigverklaring van de brief van 19 maart 1996 niet-ontvankelijk verklaard. In de punten 29 en 30 van het bestreden arrest heeft het geoordeeld, dat deze brief louter ter informatie was bedoeld en dus geen voor beroep vatbare handeling in de zin van artikel 173 van het Verdrag vormde.
28 Vervolgens heeft het Gerecht in de punten 35 tot en met 37 van het bestreden arrest het eerste middel van niet-ontvankelijkheid onderzocht dat de Commissie had aangevoerd tegen het verzoek om nietigverklaring van de bestreden beschikking, voorzover deze betrekking heeft op steun in de vorm van belastingvrijstellingen. De Commissie stelde dat deze belastingvrijstellingen onder de beschikking van 3 juli 1991 vielen en dat zij zich er in de bestreden beschikking dus toe had beperkt, vast te stellen dat zij bestaande steunmaatregelen vormden. Nietigverklaring van de bestreden beschikking kon dergelijke steunmaatregelen op geen enkele wijze opnieuw in geding brengen, zodat rekwiranten geen procesbelang hadden. Het Gerecht heeft dit middel van niet-ontvankelijkheid verworpen. Het was van oordeel dat eerst moest worden onderzocht, of die maatregelen verenigbaar waren met het gemeenschappelijk landbouwbeleid teneinde te beoordelen, of zij inderdaad onder de beschikking van 3 juli 1991 vielen, en dat bovendien de regelmatigheid van deze beschikking moest worden onderzocht. Het Gerecht heeft erop gewezen, dat indien de bestreden beschikking nietig zou worden verklaard wegens onverenigbaarheid van die vrijstellingen met de regels van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of wegens onregelmatigheid van de beschikking van 3 juli 1991, deze nietigverklaring tot gevolg zou hebben dat de aan DAI verleende steun opnieuw in geding zou worden gebracht, zodat rekwiranten wel degelijk een procesbelang hadden. In dit verband heeft het Gerecht geoordeeld, dat de daarvan verschillende vraag van de ontvankelijkheid van de exceptie van onwettigheid van de beschikking van 3 juli 1991 slechts later kon worden onderzocht, in het kader van de beoordeling van de gegrondheid van het verzoek om nietigverklaring.
29 Ten slotte heeft het Gerecht in de punten 38 tot en met 40 van het bestreden arrest het tweede middel van niet-ontvankelijkheid verworpen, dat was ontleend aan het feit dat rekwiranten door de bestreden beschikking niet rechtstreeks en individueel werden geraakt in de zin van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag. Volgens het Gerecht konden rekwiranten de eerbiediging van de hun ingevolge artikel 92, lid 2, van het Verdrag als derden-belanghebbenden toekomende procedurele garanties slechts afdwingen, indien zij voor het Gerecht konden opkomen tegen een beschikking van de Commissie om de in deze bepaling bedoelde procedure niet in te leiden. Bovendien konden rekwiranten pas na de vaststelling van de bestreden beschikking beoordelen in hoeverre hun belangen waren geraakt.
30 Wat de inhoud van de bestreden beschikking betreft, heeft het Gerecht achtereenvolgens de middelen onderzocht die rekwiranten hadden aangevoerd tegen de drie soorten steun die aan DAI waren verleend, te weten de belastingvrijstellingen, de steun voor de beroepsopleiding en de investeringssteun uit hoofde van verordening nr. 866/90.
31 Het eerste middel dat rekwiranten tegen de belastingvrijstellingen hadden aangevoerd, was de onwettigheid van de beschikking van 3 juli 1991.
32 Met betrekking tot de tegen dit middel opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid, ontleend aan het feit dat rekwiranten tegen deze maatregelen hadden moeten opkomen bij de nationale rechter en met een beroep op artikel 184 EG-Verdrag (thans artikel 241 EG) hadden moeten vorderen dat deze beschikking buiten toepassing zou worden gelaten, heeft het Gerecht in de punten 46 tot en met 50 van het bestreden arrest geoordeeld, dat deze moest worden verworpen. Een doeltreffende rechterlijke bescherming van hun rechten zou, aldus het Gerecht, slechts verzekerd zijn indien zij over de mogelijkheid beschikten om bij wege van exceptie de onregelmatigheid van de beschikking van 3 juli 1991 aan te voeren in het kader van een beroep tegen de beschikking van de Commissie inzake een individuele steunmaatregel, welke maatregel voor hen de enige mogelijkheid is om met zekerheid vast te stellen in hoeverre hun belangen zijn aangetast.
33 In de punten 55 tot en met 57 van het bestreden arrest heeft het Gerecht het eerste onderdeel van het eerste middel verworpen, dat was ontleend aan het gestelde ontbreken van controle van de sectorale gevolgen van de algemene belastingvrijstellingsregeling. Het was van oordeel dat rekwiranten niet het bewijs hadden geleverd, dat de naleving van de in de suikersector geldende regels niet was verzekerd door de in de beschikking van 3 juli 1991 gestelde voorwaarden. Voorts heeft het Gerecht gepreciseerd, dat de ingevolge de algemene belastingvrijstellingsregeling in de suikersector toegekende steunmaatregelen niet aan de controle van de Commissie ontsnapten, aangezien deze instelling te allen tijde een individuele steunmaatregel kan toetsen aan deze beschikking, en meer in het bijzonder aan de regels die gelden in de betrokken landbouwsector.
34 Het tweede onderdeel van het eerste middel, inzake de gestelde ondoorzichtigheid van de procedure tot vaststelling van de beschikking van 3 juli 1991, is door het Gerecht verworpen in de punten 61 tot en met 63 van het bestreden arrest. Het Gerecht was van oordeel, dat het achterwege blijven van de bekendmaking van de aanmelding en het onderzoek van een steunmaatregel krachtens artikel 93, lid 3, van het Verdrag niet de conclusie kan rechtvaardigen dat de wijze waarop het onderzoek van staatssteunmaatregelen verloopt ondoorzichtig is. Het Gerecht heeft weliswaar erkend, dat het onderzoek van een staatssteunmaatregel in het kader van deze preliminaire fase de Commissie niet de gelegenheid biedt de belangen van derden in de beschouwing te betrekken, maar het heeft beklemtoont dat deze oplossing met voldoende garanties omkleed is, en bijgevolg aan alle eisen van een snelle behandeling voldoet wanneer de maatregel, die door de betrokken lidstaat is aangemeld of waartegen een derde klacht heeft ingediend, niet kennelijk een staatssteunmaatregel is dan wel een met de gemeenschappelijke markt verenigbare staatssteunmaatregel is.
35 In de punten 66 tot en met 68 van het bestreden arrest heeft het Gerecht ook het derde onderdeel van het eerste middel verworpen, dat was ontleend aan de gestelde onregelmatigheid van de procedure tot vaststelling van de beschikking van 3 juli 1991, omdat rekwiranten zijns inziens geen enkel wezenlijk element hadden aangevoerd op grond waarvan de regelmatigheid van deze procedure in twijfel kon worden getrokken.
36 In de punten 72 tot en met 75 van het bestreden arrest heeft het Gerecht het tweede middel van rekwiranten verworpen, dat was ontleend aan het feit dat de Commissie de belastingvrijstellingen aan de artikelen 92 en 93 van het Verdrag had moeten toetsen. Het Gerecht heeft eraan herinnerd, dat het Hof in het arrest van 5 oktober 1994, Italië/Commissie (C-47/91, Jurispr. blz. I-4635), had geoordeeld, dat wanneer een algemene steunregeling door de Commissie is goedgekeurd, de individuele uitvoeringsmaatregelen niet bij haar moeten worden aangemeld, behoudens indien in de goedkeuringsbeschikking een voorbehoud in die zin is gemaakt. Het heeft erop gewezen, dat toetsing door de Commissie van elke individuele steunmaatregel in dat geval in strijd zou zijn met de beginselen van bescherming van het gewettigd vertrouwen en van de rechtszekerheid. Een individuele steunmaatregel die is toegekend krachtens een algemene steunregeling, kan in beginsel niet worden beschouwd als een onvoorzienbare toepassing van deze regeling. Het Gerecht heeft voorts vastgesteld, dat de belastingvrijstellingen in dit geval niet hoger waren dan 10 % van het bedrag van de verwezenlijkte investeringen en dat zij verenigbaar waren met het in de betrokken sector geldende gemeenschapsrecht. Zij waren dus in overeenstemming met de voorwaarden van de beschikking van 3 juli 1991 en hoefden daarom niet bij de Commissie te worden aangemeld, zodat zij niet gerechtigd zou zijn geweest deze te toetsen aan artikel 92 van het Verdrag.
37 In de punten 84 tot en met 94 van het bestreden arrest heeft het Gerecht het derde middel betreffende de vermeende onverenigbaarheid van de belastingvrijstellingen met het gemeenschappelijk landbouwbeleid afgewezen. Het Gerecht heeft er eerst aan herinnerd, dat de Commissie de regelmatigheid van de aan DAI toegekende belastingvrijstellingen alleen moest toetsen aan de voorwaarden die zij heeft opgelegd in de beschikking van 3 juli 1991, en meer in het bijzonder aan de in de suikersector geldende regels. Vervolgens heeft het opgemerkt dat die belastingvrijstellingen, die bedoeld zijn om de ontwikkeling van bepaalde economische regio's te vergemakkelijken overeenkomstig artikel 92, lid 3, sub c, van het Verdrag, verenigbaar waren met de doelstellingen van zowel verordening nr. 1785/81 als van de structurele acties van de Gemeenschap op het gebied van de landbouw. Het Gerecht heeft hieruit afgeleid, dat de argumenten van rekwiranten betreffende de verergering van de overproductie van suiker in de Gemeenschap en de verzwaring van de op het EOGFL, afdeling Oriëntatie, drukkende lasten niet de steunmaatregelen voor de bouw van een bietsuikerfabriek in Portugal in geding brachten. Ten slotte heeft het Gerecht vastgesteld, dat het dossier geen enkele ernstige aanwijzing bevatte op grond waarvan de levensvatbaarheid van de met de betwiste steunmaatregelen begunstigde suikerfabriek in twijfel zou kunnen worden getrokken.
38 In de punten 98 tot en met 101 van het bestreden arrest heeft het Gerecht het enige middel verworpen dat rekwiranten hadden aangevoerd tegen de steun voor de beroepsopleiding en dat was ontleend aan schending van artikel 92, lid 3, sub c, van het Verdrag. Het Gerecht heeft in de eerste plaats geoordeeld, dat elk van de drie soorten steunmaatregelen die aan DAI waren toegekend afzonderlijk aan de daarvoor toepasselijke juridische regeling moest worden getoetst. Voorts heeft het uiteengezet, dat volgens de rechtspraak van het Hof (arrest van 15 juni 1993, Matra/Commissie, C-225/91, Jurispr. blz. I-3203, punten 24 en 25) de gemeenschapsrechter in het kader van de wettigheidstoetsing van een beschikking krachtens artikel 92, lid 3, sub c, van het Verdrag uitsluitend dient te onderzoeken, of de Commissie niet buiten de grenzen van haar beoordelingsvrijheid is getreden doordat zij een kennelijke beoordelingsfout of misbruik van bevoegdheid heeft gemaakt. Ten slotte heeft het Gerecht vastgesteld, dat rekwiranten geen enkel serieus argument aanvoerden dat grond zou opleveren om te betwijfelen dat de steun voor de betrokken beroepsopleiding de ontwikkeling van bepaalde economische activiteiten zou vergemakkelijken zonder de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt dermate te wijzigen dat het algemeen belang wordt geschaad.
39 Met betrekking tot het gedeelte van de bestreden beschikking betreffende de investeringssteun krachtens verordening nr. 866/90, hebben rekwiranten twee middelen tot staving van hun verzoek om nietigverklaring aangevoerd. In de eerste plaats hebben zij gesteld, dat de staatssteun die voldoet aan de in deze verordening gestelde voorwaarden om in aanmerking te komen voor communautaire medefinanciering, niettemin onderworpen bleef aan de toepassing van de artikelen 92 en 93 van het Verdrag. In de tweede plaats hebben zij aangevoerd, dat verordening nr. 866/90 de betrokken investeringssteun uitsloot.
40 In de punten 111 tot en met 120 van het bestreden arrest heeft het Gerecht het eerste middel verworpen. Zijns inziens was het gebaseerd op artikel 44 van verordening nr. 1785/81, dat op basis van artikel 42 van het Verdrag bepaalt dat, onder meer, artikel 92 van het Verdrag op de productie en verhandeling van landbouwproducten slechts van toepassing is in de mate die door de Raad is bepaald. Het Gerecht heeft om te beginnen vastgesteld, dat acties van structurele aard in het kader van het EOGFL, afdeling Oriëntatie, niet binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1785/81 vielen, doch binnen die van verordening nr. 866/90, die gebaseerd is op artikel 42 van het Verdrag en op artikel 43 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 37 EG). Uit het ontbreken van een bepaling in verordening nr. 866/90 die uitdrukkelijk voorziet in de toepassing van de artikelen 92 en 93 van het Verdrag en van artikel 94 EG-Verdrag (thans artikel 89 EG) op in het kader van het EOGFL, afdeling Oriëntatie, voor medefinanciering door de Gemeenschap in aanmerking komende steunmaatregelen, heeft het afgeleid dat deze maatregelen moesten worden beoordeeld in het specifieke kader van de overeenkomstig laatstgenoemde verordening gevoerde gemeenschapsactie, en niet konden worden getoetst aan de artikelen 92 en 93 van het Verdrag.
41 Vervolgens heeft het Gerecht opgemerkt, dat zelfs al kan artikel 44 van verordening nr. 1785/81 aldus worden uitgelegd dat het voorziet in de toepassing van de artikelen 92 tot en met 94 van het Verdrag op elke steunmaatregel betreffende de productie en de verhandeling van suiker, het moet worden toegepast met inachtneming van de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, waarvan de voorrang op de toepassing van de verdragsbepalingen inzake mededinging in artikel 42 van het Verdrag zelf is neergelegd. De toepassing van de artikelen 92 en 93 van het Verdrag op in het kader van verordening nr. 866/90 voor medefinanciering door de Gemeenschap in aanmerking komende steunmaatregelen zou volgens het Gerecht een beletsel kunnen vormen voor de verwezenlijking van bepaalde doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid via een specifieke structurele actie in overeenstemming met de criteria van beschikking 94/173. Volgens het Gerecht verzekert verordening nr. 866/90 zelf de samenhang van de door de Gemeenschap en de betrokken lidstaat krachtens deze verordening gezamenlijk gefinancierde investeringssteun met het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Het heeft hieruit afgeleid, dat de toepassing van de artikelen 92 en 93 van het Verdrag op de krachtens verordening nr. 866/90 voor medefinanciering door de Gemeenschap in aanmerking komende investeringssteunmaatregelen onverenigbaar is met de voorrang die door het Verdrag aan het gemeenschappelijk landbouwbeleid is toegekend boven de toepassing van de mededingingsregels.
42 Ten slotte heeft het Gerecht in punt 124 van het bestreden arrest het tweede middel van rekwiranten verworpen, te weten dat de investeringssteun door verordening nr. 866/90 is uitgesloten wegens onverenigbaarheid met het gemeenschappelijk landbouwbeleid, en niet kan worden gebaseerd op beschikking 94/173, die zelf onverenigbaar is met dit beleid. Onder verwijzing naar de punten 89 en 90 van zijn arrest heeft het Gerecht geoordeeld, dat de steunmaatregelen die zijn toegekend om het gebruik mogelijk te maken van het aan het continentaal gebied van Portugal toegekende quotum, niet onverenigbaar waren met de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.
Conclusies van partijen
43 Rekwiranten concluderen dat het het Hof behage:
- de hogere voorziening ontvankelijk te verklaren;
- het bestreden arrest te vernietigen, voorzover de hogere voorziening dit noodzakelijk maakt;
- de bestreden beschikking nietig te verklaren of de zaak krachtens artikel 54 van 's Hofs Statuut-EG naar het Gerecht te verwijzen;
- de Commissie te verwijzen in de kosten van de beide instanties.
44 De Commissie concludeert dat het het Hof behage:
- de punten 35 tot en met 95 van het bestreden arrest te vernietigen en het beroep niet-ontvankelijk te verklaren voorzover het gericht was tegen het gedeelte van de bestreden beschikking betreffende de belastingvrijstellingen, of subsidiair
- de punten 35 tot en met 41 en 46 tot en met 50 van het bestreden arrest te vernietigen, maar het arrest voor het overige te bevestigen, of nog meer subsidiair,
- de uitdrukking in their view" in punt 36 van de Engelse versie van het bestreden arrest te vernietigen, alsmede de andere punten van dit arrest die het Hof nodig acht, en zich uit te spreken over de middelen van niet-ontvankelijkheid die de Commissie heeft aangevoerd maar die het Gerecht heeft verworpen,
en
- de hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk en/of kennelijk ongegrond te verklaren zonder tot de mondelinge behandeling over te gaan en rekwiranten te verwijzen in de kosten van de procedure, of
- de hogere voorziening af te wijzen en rekwiranten te verwijzen in de kosten.
45 De Portugese Republiek concludeert dat het het Hof behage:
- het bestreden arrest te bevestigen;
- de tegen dat arrest ingestelde hogere voorziening volledig af te wijzen.
46 DAI concludeert dat het het Hof behage:
- de hogere voorziening niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van het eerste en tweede onderdeel van het eerste middel, het tweede en derde onderdeel van het tweede middel en het vierde en zesde middel;
- de hogere voorziening voor het overige af te wijzen, en
- rekwiranten te verwijzen in de kosten van de beide instanties,
of
- de hogere voorziening in haar geheel af te wijzen, en
- rekwiranten te verwijzen in de kosten van de beide instanties.
De ontvankelijkheid van de principale hogere voorziening
47 De Commissie en DAI verzoeken het Hof, de principale hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien zij zich beperkt tot een herhaling of een letterlijke weergave van de voor het Gerecht aangevoerde middelen, en geen argumenten rechtens bevat die specifiek gericht zijn op de vernietiging van het bestreden arrest.
48 Het is vaste rechtspraak, dat een verzoekschrift in hogere voorziening dat zich beperkt tot een herhaling of een letterlijke weergave van de voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten, waaronder die welke waren gebaseerd op feiten die het Gerecht uitdrukkelijk heeft verworpen, niet voldoet aan de motiveringseisen die voortvloeien uit artikel 51 van 's Hofs Statuut-EG en uit artikel 112, lid 1, eerste alinea, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Een dergelijke hogere voorziening is in feite niets anders dan een vordering tot heronderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoekschrift, hetgeen overeenkomstig artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort (zie met name beschikking van 25 maart 1998, FFSA e.a./Commissie, C-174/97 P, Jurispr. blz. I-1303, punt 24).
49 Wanneer de rekwirant de uitlegging of de toepassing van het gemeenschapsrecht door het Gerecht betwist, kunnen de in eerste aanleg onderzochte rechtspunten in een hogere voorziening echter opnieuw worden behandeld (zie arrest van 13 juli 2000, Salzgitter/Commissie, C-210/98 P, Jurispr. blz. I-5843, punt 43). De procedure van hogere voorziening zou immers ten dele aan betekenis verliezen, indien de rekwirant op die manier zijn hogere voorziening niet kon baseren op middelen en argumenten die reeds zijn aangevoerd voor het Gerecht.
50 In deze principale hogere voorziening, in haar geheel bezien, wordt nu juist opgekomen tegen het standpunt van het Gerecht over de verschillende rechtsvragen die hem in eerste aanleg waren voorgelegd. De hogere voorziening geeft nauwkeurig aan welke aspecten van het bestreden arrest worden bekritiseerd en op welke middelen en argumenten zij is gebaseerd.
51 Het verzoek van de Commissie om de principale hogere voorziening in haar geheel kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren, moet derhalve worden afgewezen.
De incidentele hogere voorziening van de Commissie
Argumenten van partijen
52 Volgens de Commissie was het beroep voor het Gerecht niet-ontvankelijk voorzover het was gericht tegen het gedeelte van de bestreden beschikking betreffende de belastingvrijstellingen. In de punten 35 tot en met 37 van het bestreden arrest heeft het Gerecht ten onrechte geoordeeld, dat een brief van de Commissie waarin wordt aangegeven dat een individuele steunmaatregel verenigbaar is met een goedgekeurde algemene staatssteunregeling, altijd een voor rechterlijke toetsing vatbare handeling in de zin van artikel 173 van het Verdrag is. Volgens de Commissie hadden rekwiranten geen enkel juridisch belang bij de nietigverklaring van de bestreden handeling, aangezien die nietigverklaring geen enkele wijziging van hun rechtspositie zou meebrengen. In die handeling is slechts vastgesteld, dat de betrokken belastingvrijstellingen bestaande steun vormden, die onder een goedgekeurde algemene regeling viel. Zij heeft dus geen enkel rechtsgevolg en vormt daarom geen beschikking. Tot staving van haar conclusies voert de Commissie de volgende argumenten aan.
53 Om te beginnen stelt de Commissie, dat de verklaringen van het Gerecht in de punten 35 en 36 van het bestreden arrest, dat het door de Commissie aangevoerde middel van niet-ontvankelijkheid niet kan worden aanvaard en dat de vraag van de niet-ontvankelijkheid in dit stadium van het arrest niet kan worden onderzocht, met elkaar in tegenspraak zijn. Deze interne tegenstrijdigheid druist in tegen het motiveringsvereiste van artikel 190 EG-Verdrag (thans artikel 253 EG).
54 De andere argumenten van de Commissie vormen een uitwerking van haar hoofdargument dat de bestreden handeling ten opzichte van derden als rekwiranten niet het karakter van een beschikking heeft, maar dat van een feitelijke mededeling. De redenering van het Gerecht, dat de vraag van de ontvankelijkheid van het beroep laat afhangen van zijn onderzoek ten gronde, heeft tot gevolg dat klagers dankzij de betwisting van een individuele steunmaatregel opnieuw de geldigheid van de - nochtans definitief geworden - beschikking tot goedkeuring van een algemene steunregeling door de Commissie in geding kunnen brengen. Op die manier wordt in strijd met de beginselen van rechtszekerheid en eerbiediging van gewettigd vertrouwen, zoals deze in het arrest Italië/Commissie (reeds aangehaald) en het arrest van 9 maart 1994, TWD Textilwerke Deggendorf (C-188/92, Jurispr. blz. I-833), zijn vastgelegd, afbreuk gedaan aan de belangen van de steunontvangers en van de betrokken lidstaten. De klagers krijgen op die manier een nieuw rechtsmiddel, terwijl zij steunmaatregelen als die welke in deze zaak in geding zijn, zouden moeten betwisten voor de nationale rechter, op wie de taak rust om zo nodig het Hof een vraag te stellen over de geldigheid van de beschikking tot goedkeuring van de algemene steunregeling.
55 Subsidiair verzoekt de Commissie het Hof, punt 36 van het bestreden arrest te vernietigen, voorzover het zich in het Engels, de procestaal in deze zaak, baseert op de uitdrukking in their view". Het is namelijk juridisch onjuist, de ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring voor het Gerecht te baseren op het subjectieve standpunt van de verzoeker.
56 Ten aanzien van de vermeende interne tegenstrijdigheid tussen de punten 35 en 36 van het bestreden arrest stellen rekwiranten, dat de Commissie niet aantoont dat het Gerecht van een verkeerde rechtsopvatting blijk heeft gegeven. In elk geval kan een dergelijke tegenstrijdigheid niet leiden tot de vernietiging van dat arrest.
57 Met betrekking tot de andere argumenten van de Commissie stellen rekwiranten, dat de rechtsoverwegingen van het bestreden arrest in stand moeten blijven. Huns inziens is de vraag van de ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring juist afhankelijk van de vraag, of de krachtens besluitwet 95/90 verleende belastingvrijstellingen binnen de werkingssfeer van de beschikking van 3 juli 1991 vallen. De beschikking waarbij de Commissie heeft vastgesteld dat een individuele steunmaatregel deel uitmaakt van een reeds goedgekeurde algemene steunregeling, raakt rechtstreeks hun belangen en kan dus niet als een loutere mededeling worden uitgelegd. De rechterlijke bescherming die rekwiranten in het kader van de regels betreffende staatssteun genieten, brengt mee dat hun beroep ontvankelijk is, aangezien het het enige rechtsmiddel is waarmee de wettigheid van de beschikking van 3 juli 1991 kan worden onderzocht en kan worden beoordeeld, of de betrokken individuele steunmaatregel in overeenstemming was met de algemene regeling.
58 Wat het argument van de Commissie betreft, dat het Hof de uitdrukking in their view" in punt 36 van de Engelse versie van het bestreden arrest moet vernietigen, stellen rekwiranten dat het Gerecht de ontvankelijkheid van het beroep niet heeft gebaseerd op een subjectieve analyse van hun belangen. Het heeft slechts geoordeeld, dat rekwiranten een belang hadden om de nietigverklaring van de bestreden beschikking te vorderen en het heeft zich hierbij gebaseerd op het feit dat de betrokken belastingvrijstellingen huns inziens niet gedekt werden door de beschikking van 3 juli 1991. In de punten 44 tot en met 50 van het bestreden arrest heeft het Gerecht overigens de gegrondheid van deze stelling onderzocht.
Beoordeling door het Hof
59 In de eerste plaats volgt uit lezing van de punten 35 en 36 van het bestreden arrest, dat deze punten, anders dan de Commissie stelt, geen enkele tegenstrijdigheid bevatten. In punt 35 heeft het Gerecht meteen de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid verworpen. In punt 36 heeft het uiteengezet waarom het van oordeel was dat deze exceptie niet kon worden aanvaard. Aan het einde van punt 36 heeft het weliswaar een vraag betreffende de ontvankelijkheid naar een later onderzoek verwezen, doch dit hield verband met de meer specifieke stelling van de Commissie, dat de exceptie van onwettigheid van de beschikking van 3 juli 1991 zelf niet-ontvankelijk zou zijn. Het Gerecht heeft deze afzonderlijke vraag dan in de punten 44 tot en met 50 van het bestreden arrest onderzocht. Het argument van tegenstrijdige motivering kan daarom niet worden aanvaard.
60 Wat in de tweede plaats het belang van rekwiranten betreft om op te komen tegen het gedeelte van de bestreden beschikking betreffende de belastingvrijstellingen, volgt uit de rechtspraak van het Hof, gelijk de Commissie in herinnering brengt, dat individuele steunmaatregelen, die zijn verleend krachtens een door de Commissie goedgekeurde algemene steunregeling en die aan de voorwaarden van die regeling voldoen, bestaande steunmaatregelen vormen die niet behoeven te worden aangemeld (arrest Italië/Commissie, reeds aangehaald, punten 21-26). Aangezien dergelijke steunmaatregelen vóór hun tenuitvoerlegging niet zijn aangemeld, behoeven zij geen uitdrukkelijke beschikking van de Commissie en kan de wettigheid ervan alleen door de nationale rechter worden beoordeeld (arrest TWD Textilwerke Deggendorf, reeds aangehaald, punten 15-18).
61 De context van het onderhavige geding is echter niet dezelfde. Uit de processtukken blijkt immers, dat de Commissie de betrokken individuele belastingvrijstellingen heeft onderzocht, nadat zij daarover van rekwiranten klachten had ontvangen. De Commissie heeft zich op het standpunt gesteld, dat deze maatregelen in overeenstemming waren met de twee voorwaarden van de beschikking van 3 juli 1991, zodat zij als bestaande steunmaatregelen konden worden aangemerkt die als zodanig niet formeel behoefden te worden aangemeld en te worden onderzocht op hun verenigbaarheid met de artikelen 92 en 93 van het Verdrag. Met deze standpuntbepaling heeft de Commissie niet slechts kennis genomen van het feit dat de betrokken individuele maatregelen het karakter van bestaande steun hadden. Met de overweging dat deze maatregelen gedekt werden door de beschikking van 3 juli 1991 heeft zij er eveneens van afgezien, de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag in te leiden. Rekwiranten, die als klager in deze procedure hadden kunnen interveniëren indien deze door de Commissie was ingeleid, zou deze waarborg echter worden ontnomen, indien zij niet de mogelijkheid hadden voor het Gerecht het standpunt van de Commissie te betwisten (zie in die zin arrest van 19 mei 1993, Cook/Commissie, C-198/91, Jurispr. blz. I-2487, punten 20-24).
62 Het Gerecht heeft derhalve niet blijk gegeven van een verkeerde rechtsopvatting door in punt 36 van het bestreden arrest te oordelen, dat de omstandigheid dat de betrokken steunmaatregelen bestaande steun vormden in casu niet afdeed aan het procesbelang van rekwiranten, omdat het mogelijk was dat die maatregelen niet gedekt werden door de beschikking van 3 juli 1991, en, in de punten 39 en 40 van dat arrest, dat rekwiranten slechts de eerbiediging van de hun bij artikel 93, lid 2, van het Verdrag verleende procedurele garanties konden verkrijgen, indien zij de mogelijkheid hadden de bestreden beschikking voor de gemeenschapsrechter te betwisten.
63 Wat in de derde plaats de subsidiaire vordering van de Commissie betreft om de woorden in their view" in punt 36 van de Engelse versie van het bestreden arrest te vernietigen, blijkt uit de overwegingen van dat arrest dat het Gerecht de ontvankelijkheid van het beroep niet heeft gebaseerd op een subjectieve analyse van de belangen van rekwiranten, maar, zoals reeds uiteengezet, op de regels voor de ontvankelijkheid van beroepen bedoeld in artikel 173 van het Verdrag. In deze omstandigheden is de vordering van de Commissie, zo deze al ontvankelijk is, niet gegrond.
64 Derhalve moet de incidentele hogere voorziening van de Commissie worden afgewezen.
De gegrondheid van de principale hogere voorziening
Het eerste middel: de exceptie van onwettigheid van de beschikking van 3 juli 1991
Argumenten van partijen
65 Met hun eerste middel verwijten rekwiranten het Gerecht, dat het van een verkeerde rechtsopvatting blijk heeft gegeven door in de punten 55 tot en met 57 van het bestreden arrest te oordelen, dat de beschikking van 3 juli 1991, waarbij de Commissie de algemene belastingvrijstellingsregeling zoals voorzien in besluitwet 95/90 had goedgekeurd, de naleving van de in de suikersector toepasselijke regels verzekerde. Deze conclusie is volgens hen gebaseerd op twee onjuiste vaststellingen.
66 In de eerste plaats heeft de Commissie in de beschikking van 3 juli 1991 de verlening van individuele steun krachtens besluitwet 95/90 afhankelijk gesteld van de naleving van de verordeningen en kaderregelingen van het gemeenschapsrecht inzake bepaalde sectoren van de industrie, de landbouw en de visserij". Anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, is een dergelijke voorwaarde onvoldoende en te onnauwkeurig om geschikt te kunnen worden geacht voor de bescherming van de belangen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in een zo gevoelige sector als de suikersector.
67 Voorts heeft het Gerecht uit artikel 93 van het Verdrag ten onrechte afgeleid, dat de Commissie te allen tijde kan onderzoeken, of een individuele steunmaatregel in de suikersector verenigbaar is met de regels voor de betrokken landbouwsector. In dit verband betogen rekwiranten, dat de bij artikel 93, lid 1, van het Verdrag aan de Commissie verleende bevoegdheden, die haar niet machtigen de steunbetaling op te schorten, niet aldus mogen worden uitgelegd dat zij, wanneer een algemene steunregeling bestaat, een passende vervanging vormen voor de procedure van artikel 93, leden 2 en 3, van het Verdrag. Bovendien is de positie van derden in het kader van het voortdurend onderzoek" van artikel 93, lid 1, van het Verdrag duidelijk zwakker dan hun positie in het kader van de toepassing van artikel 93, leden 2 en 3, van het Verdrag.
68 Volgens de Commissie is dit middel, dat slechts een herhaling vormt van de in eerste aanleg aangevoerde argumenten, niet-ontvankelijk. Ten gronde sluit zij zich aan bij de uiteenzetting in de punten 55 tot en met 57 van het bestreden arrest en stelt dat wanneer zij een algemene steunregeling goedkeurt, zij gedwongen is, zoals zij in casu heeft gedaan, de maatregelen te nemen die nodig zijn om te waarborgen dat de specifieke sectorale regels die zij heeft vastgesteld, eveneens zullen worden geëerbiedigd.
69 De Portugese regering stelt dat de zienswijze van het Gerecht in wezen gebaseerd is op het beginsel dat de goedkeuring van een algemene steunregeling nooit een afwijking van de in elke sector geldende regels meebrengt. Aangezien de Commissie rechtmatig een algemene steunregeling kan goedkeuren, verzekert de redenering in haar beschikking van 3 juli 1991, die door het Gerecht is bevestigd, het best de toepassing van alle regels die op het moment van uitvoering van deze regeling relevant kunnen zijn. De Portugese regering verwerpt voorts de stelling van rekwiranten, dat de goedkeuring van een dergelijke regeling vergezeld moet gaan van een opgave van de in de sector geldende voorwaarden. Een dergelijke oplossing brengt praktische en juridische problemen mee, aangezien de vermeende noodzaak om die voorwaarden te noemen afdoet aan de duidelijkheid van de regeling. De Portugese regering zet bovendien uiteen, dat het Gerecht in punt 56 van het bestreden arrest rekening heeft gehouden met de naleving van de regels in de sector en met de belangen van derden, toen het beklemtoonde dat de Commissie te allen tijde de regelmatigheid van de steunmaatregelen kon onderzoeken.
70 DAI stelt om dezelfde redenen als de Commissie, dat dit eerste middel niet-ontvankelijk is. Ten gronde stelt zij, dat de belangen van derden bij de toepassing van artikel 93, lid 1, van het Verdrag niet minder bescherming genieten dan bij de toepassing van artikel 93, lid 3.
Beoordeling door het Hof
71 Wat de ontvankelijkheid van dit middel betreft, moet aan de Commissie en DAI hetzelfde antwoord worden gegeven als het antwoord dat in de punten 48 tot en met 51 van dit arrest is gegeven op de exceptie van niet-ontvankelijkheid die zij tegen de gehele principale hogere voorziening hebben opgeworpen, en moet ook deze exceptie dus worden verworpen.
72 Ten gronde moet eraan worden herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak de Commissie in het kader van haar toezichthoudende taak uit hoofde van de artikelen 92 en 93 van het Verdrag algemene steunregelingen kan goedkeuren en de lidstaten kan ontslaan van de verplichting om op basis van dergelijke regelingen vastgestelde individuele steunmaatregelen bij haar aan te melden, tenzij zij in de goedkeuringsbeschikking een voorbehoud in die zin heeft gemaakt (arrest Italië/Commissie, reeds aangehaald, punt 21, en arrest van 15 mei 1997, Siemens/Commissie, C-278/95 P, Jurispr. blz. I-2507, punten 31-33). De Commissie beschikt ter zake over een ruime beoordelingsbevoegdheid (arrest van 14 januari 1997, Spanje/Commissie, C-169/95, Jurispr. blz. I-135, punt 18).
73 Voorts dient de Commissie bij de goedkeuring van een algemene steunregeling de maatregelen te treffen die nodig zijn om te verzekeren, dat de andere sectorale regels dan de algemene mededingingsregels door de betrokken lidstaat zullen worden geëerbiedigd.
74 In casu heeft de Commissie de uit haar beschikking van 3 juli 1991 volgende goedkeuring verbonden aan de uitdrukkelijke voorwaarde, dat de individuele steunmaatregelen in overeenstemming zijn met de verordeningen en kaderregelingen van het gemeenschapsrecht inzake bepaalde sectoren van de industrie, de landbouw en de visserij". Zij heeft hieraan toegevoegd, dat de Portugese regering alle voorstellen die in aanmerking komen voor een vrijstelling van 10 tot 20 % (ESL) alsmede alle voorstellen in gevoelige sectoren" moet aanmelden.
75 Evenmin als voor het Gerecht voeren rekwiranten argumenten aan op grond waarvan kan worden vastgesteld dat deze voorschriften in strijd zijn met de in de suikersector geldende regels of zo ontoereikend zijn, dat zij de onwettigheid van de beschikking van 3 juli 1991 tot gevolg hebben.
76 Bovendien staat vast dat de Commissie ook na de vaststelling van een beschikking tot goedkeuring van een algemene steunregeling nog steeds de verenigbaarheid van een individuele steunmaatregel met deze beschikking kan onderzoeken. Een dergelijk onderzoek kan op grond van artikel 93, lid 1, van het Verdrag te allen tijde plaatsvinden, in het bijzonder naar aanleiding van klachten die bij de Commissie kunnen worden ingediend. De beschikking van 3 juli 1991 heeft dus niet tot gevolg dat geen rekening mag worden gehouden met de rechtmatige belangen van derden, en kan in deze omstandigheden niet als een onwettige beperking van de werkingssfeer van artikel 93, leden 2 en 3, van het Verdrag worden aangemerkt.
77 Met zijn oordeel dat de voorwaarden die de Commissie in de beschikking van 3 juli 1991 had gesteld niet ontoereikend waren en dat deze beschikking de bescherming van de rechtmatige belangen van rekwiranten niet had miskend, heeft het Gerecht derhalve niet van een verkeerde rechtsopvatting blijk gegeven. Daarom moet het eerste middel worden verworpen.
Het tweede middel: de belastingvrijstellingen hadden bij de Commissie moeten worden aangemeld
Argumenten van partijen
78 Rekwiranten stellen dat het Gerecht in de punten 72 tot en met 75 van het bestreden arrest van een verkeerde rechtsopvatting blijk heeft gegeven, door te oordelen dat de Commissie niet gerechtigd was de verenigbaarheid van de aan DAI toegekende belastingvrijstellingen met artikel 92 van het Verdrag te onderzoeken. Deze belastingvrijstellingen vormden niet een eenvoudige en voorzienbare toepassing van de door de Commissie goedgekeurde algemene steunregeling. In de gevoelige suikersector, die wordt gekenmerkt door een grote overproductie, had de Portugese regering dergelijke maatregelen bij de Commissie moeten aanmelden en had laatstgenoemde deze rechtstreeks aan de artikelen 92 en 93 van het Verdrag moeten toetsen, teneinde rekening te houden met dwingende eisen die zij bij de goedkeuring van de algemene regeling niet had kunnen beoordelen. Het Gerecht heeft het arrest Italië/Commissie (reeds aangehaald) dus onjuist toegepast.
79 De Commissie acht het tweede middel om dezelfde redenen als het eerste kennelijk niet-ontvankelijk. Ten gronde betoogt zij, dat zij de relevante verdragsregels moet toepassen, hetgeen zij in casu heeft gedaan door rekening te houden met de doelstellingen van regionaal en sectoraal beleid. Anders dan rekwiranten stellen, volgt uit het arrest Italië/Commissie (reeds aangehaald) overigens, dat de Commissie, na een algemene steunregeling te hebben goedgekeurd, niet de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag kan inleiden tegen een individuele steunmaatregel die krachtens deze regeling is toegekend, zonder vooraf te hebben nagegaan of deze steunmaatregel aan de voorwaarden van de goedgekeurde regeling voldeed.
80 De Portugese regering stelt, dat de Commissie niet heeft nagelaten te onderzoeken, of de betrokken belastingvrijstellingsregeling verenigbaar was met de sector. Deze steun is goedgekeurd overeenkomstig artikel 16, lid 5, van verordening nr. 866/90, bepalende dat de lidstaten steunmaatregelen kunnen nemen waarvan het bedrag hoger is dan het bedrag voorzien voor de gemeenschappelijke actie van bijstand van het EOGFL, afdeling Oriëntatie.
81 DAI betoogt dat het tweede middel van de principale hogere voorziening niet-ontvankelijk is, aangezien het slechts de argumenten van het beroep voor het Gerecht herhaalt en de zuiver feitelijke beoordeling over de voorzienbare toepassing van besluitwet 95/90 op de betrokken steunmaatregel opnieuw in geding brengt. Subsidiair stelt DAI, dat deze steunmaatregel niet behoefde te worden aangemeld, aangezien geen enkele bepaling van de beschikking van 3 juli 1991 de Portugese Republiek daartoe verplicht.
Beoordeling door het Hof
82 Het tweede middel van de principale hogere voorziening geeft precies aan welke onderdelen van het bestreden arrest worden bekritiseerd en geeft een uiteenzetting van de argumenten rechtens die tot staving ervan worden aangevoerd. Voorts is deze grief ontleend aan de schending van het gemeenschapsrecht waaraan het Gerecht zich schuldig zou hebben gemaakt door te oordelen, dat de Commissie de individuele steunmaatregel niet aan de artikelen 92 en 93 van het Verdrag mocht toetsen; hiermee wordt dus geen feitelijke vaststelling betwist die in het stadium van de hogere voorziening niet onder de bevoegdheid van het Hof valt. Derhalve is dit middel ontvankelijk.
83 Wanneer de Commissie te maken krijgt met een individuele steunmaatregel, waarvan wordt beweerd dat hij ingevolge een eerder goedgekeurde steunregeling is toegekend, kan zij deze voorts niet zonder meer rechtstreeks aan het Verdrag toetsen. Voor zij enige procedure inleidt, moet zij onderzoeken of de steunmaatregel door de algemene regeling wordt gedekt en aan de in de beschikking tot goedkeuring van deze regeling gestelde voorwaarden voldoet. Zou de Commissie dit niet doen, dan zou zij bij het onderzoek van elke individuele steunmaatregel kunnen terugkomen op haar beschikking tot goedkeuring van de steunregeling, ten aanzien waarvan moet worden aangenomen dat zij reeds aan artikel 92 van het Verdrag is getoetst, waardoor het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van bescherming van gewettigd vertrouwen in het gedrang komen (arrest Italië/Commissie, reeds aangehaald, punt 24). Een steunmaatregel die een strikte en voorzienbare toepassing vormt van de voorwaarden die in de beschikking tot goedkeuring van de algemene regeling zijn vastgesteld, moet dus als bestaande steun worden aangemerkt (arrest Italië/Commissie, reeds aangehaald, punt 25), die bij de Commissie niet behoeft te worden aangemeld en evenmin aan artikel 92 van het Verdrag behoeft te worden getoetst.
84 Zoals in punt 20 van dit arrest reeds is gezegd, stelt de beschikking van 3 juli 1991, waarbij de bij besluitwet 95/90 ingevoerde regeling is goedgekeurd, het toelaten van belastingvrijstellingen afhankelijk van twee voorwaarden, waarvan de Commissie in de bestreden beschikking de naleving heeft onderzocht en heeft vastgesteld dat eraan was voldaan.
85 Aan de voorwaarde betreffende de in de betrokken landbouwsector geldende regels was in de beschikking van 3 juli 1991 geen verplichting tot voorafgaande aanmelding van de voorziene steun gekoppeld. Wel heeft de Commissie in deze beschikking geëist, dat bij de toekenning van individuele steun die regels daadwerkelijk werden nageleefd. Uit de bewoordingen van de bestreden beschikking blijkt, dat de Commissie zich op het standpunt heeft gesteld dat de voorgenomen bouw van een bietsuikerfabriek in Portugal, die in aanmerking kwam voor communautaire financiering krachtens het EOGFL, om die reden verenigbaar was met de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.
86 Uit het voorgaande volgt dat het Gerecht het gemeenschapsrecht niet onjuist heeft toegepast door in de punten 72 tot en met 75 van het bestreden arrest te oordelen dat de aan DAI toegekende belastingvrijstellingen niet behoefden te worden aangemeld en dat de Commissie niet gerechtigd was, deze rechtstreeks aan artikel 92 van het Verdrag te toetsen. Het tweede middel moet daarom worden verworpen.
Het derde middel: de belastingvrijstellingen zijn onverenigbaar met de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid
Argumenten van partijen
87 Rekwiranten stellen dat het Gerecht van een verkeerde rechtsopvatting blijk heeft gegeven, door in de punten 84 tot en met 94 van het bestreden arrest te oordelen dat de toepassing van besluitwet 95/90 op de suikerindustrie niet onverenigbaar was met de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Tot staving van dit middel voeren zij drie argumenten aan.
88 In de eerste plaats stellen zij dat de verdragsbepalingen inzake staatssteun en de bepalingen betreffende de gemeenschappelijke ordening van de suikermarkt ook van toepassing waren op de voorgenomen bouw van de suikerfabriek. In tegenstelling tot artikel 141 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond (PB 1994, C 241, blz. 21, en PB 1995, L 1, blz. 1; hierna: Toetredingsakte van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden"), bevat de Toetredingsakte van het Koninkrijk Spanje en de Republiek Portugal geen bepaling die buitengewone staatssteun toestaat. Bij gebreke van een dergelijke uitzonderlijke machtiging in laatstgenoemde Akte, moet ervan worden uitgegaan dat de regel die steun voor de verwerking van suikerbieten verbiedt, zoals opgenomen in verordening nr. 1785/81, van toepassing is op het betrokken investeringsproject.
89 Voorts verwijten rekwiranten het Gerecht, dat het in de punten 89 en 90 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld, dat de toekenning van een suikerquotum aan de Portugese Republiek de Portugese regering machtigde om staatssteun te verlenen voor de bouw van een suikerfabriek op het continentaal grondgebied van Portugal, welke steun een volkomen kunstmatige suikerproducent zou creëren en de concurrentieverhoudingen zou vervalsen door de overproductie op de gemeenschappelijke suikermarkt te vergroten.
90 Anders dan het Gerecht in punt 90 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, staat verordening nr. 866/90 noch beschikking 94/173 ten slotte de conclusie toe dat de betrokken steun verenigbaar is met de gemeenschappelijke ordening van de suikermarkt. Rekwiranten stellen dat beschikking 94/173 de investeringen in de Portugese bietsuikerindustrie op onrechtmatige wijze in aanmerking laat komen voor communautaire medefinanciering en dat de Commissie zich in deze beschikking ten onrechte op het standpunt heeft gesteld, dat dit alleen het gevolg was van het feit dat de Portugese Republiek een suikerquotum was toegekend. Volgens rekwiranten is deze fout gehandhaafd in de kaderregeling inzake staatssteun voor investeringen voor de verwerking en de afzet van landbouwproducten.
91 De Commissie stelt dat dit derde middel om dezelfde redenen als de eerste twee niet-ontvankelijk is. Ten gronde betoogt zij dat de bepalingen betreffende de toetreding van andere lidstaten dan de Portugese Republiek in casu irrelevant zijn en dat de rechtsgrondslag voor de betrokken steun de beschikking van 3 juli 1991 is. Haars inziens houden rekwiranten geen rekening met het feit dat verordening nr. 866/90 en beschikking 94/173 integrerend deel uitmaken van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Verordening nr. 1785/81 moet immers worden uitgelegd in samenhang met die teksten, die voor het Portugese quotum uitdrukkelijk voorzien in een uitzondering op de regel dat in de suikersector geen staatssteun mag worden verleend. Bovendien is de betrokken steun eveneens toegestaan als regionale steun, een gebied waarop de Commissie over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt om te bepalen wat verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt.
92 De Portugese regering betoogt dat artikel 16, lid 5, van verordening nr. 866/90 de lidstaten toestaat, steunmaatregelen te treffen in aanvulling op de gemeenschappelijke actie. Voorts voorziet artikel 25 van verordening (EEG) nr. 1600/92 van de Raad van 15 juni 1992 houdende specifieke maatregelen voor bepaalde landbouwproducten ten behoeve van de Azoren en Madeira (PB L 173, blz. 1) in steun voor de suikerbietenproductie en voor de verwerking van op de Azoren geoogste suikerbieten tot witte suiker voor een jaarlijkse productie van in totaal 10 000 ton geraffineerde suiker, hetgeen aantoont dat de steunmaatregelen in de suikersector op communautair niveau niet systematisch zijn afgeschaft. Voorts stelt de Portugese regering dat het aan de Portugese Republiek toegekende suikerquotum is vastgesteld in een rechtsinstrument van de hoogste rang, namelijk de Toetredingsakte van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek.
93 DAI stelt dat een steunmaatregel ter bevordering van het gebruik van het suikerquotum dat bij deze Toetredingsakte aan de Portugese Republiek is toegekend, niet als strijdig met de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid kan worden beschouwd. Het Gerecht heeft bovendien niet geoordeeld, dat de rechtmatigheid van de aan DAI verleende steun automatisch volgde uit de toewijzing van het quotum bij deze Toetredingsakte. Uit de redenering van het Gerecht blijkt integendeel duidelijk, dat de rechtsgrondslag voor de toekenning van die steun moest worden gezocht onder de relevante bepalingen van verordening nr. 866/90 en beschikking 94/173.
Beoordeling door het Hof
94 Het derde middel van rekwiranten, waarvoor zij omstandige argumenten aanvoeren, vormt een nauwkeurige betwisting van de rechtsoverwegingen van het bestreden arrest, en is derhalve ontvankelijk.
95 Zoals in de beschikking van 3 juli 1991 is bepaald, moeten de aan DAI verleende belastingvrijstellingen in overeenstemming zijn met de regels van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in de suikersector zoals vastgesteld bij verordening nr. 1785/81.
96 Artikel 44 van deze verordening bepaalt, dat de artikelen 92 tot en met 94 van het Verdrag van toepassing zijn op de productie van en de handel in suiker, behoudens andersluidende bepalingen in deze verordening". Zo bepaalt artikel 45 van deze verordening, dat deze zodanig moet worden toegepast dat gelijkelijk en op passende wijze rekening wordt gehouden met de in artikel 39 EG-Verdrag (thans artikel 33 EG) gestelde doeleinden van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Bovendien is artikel 24 van deze verordening, gelijk het Gerecht in punt 89 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, bij de Toetredingsakte van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek juist gewijzigd om aan deze laatste lidstaat, op het continentale deel van zijn grondgebied, een suikerproductiequotum van 60 000 ton toe te kennen.
97 Uit deze bepalingen volgt, dat ofschoon verordening nr. 1785/81 niet zelf de betaling van staatssteun aan een project tot gebruik van dit quotum toestaat, zij deze mogelijkheid geenszins uitsluit.
98 Ook het Gerecht komt in punt 89 van het bestreden arrest tot deze vaststelling en het heeft daarom niet geoordeeld, dat de aan DAI verleende fiscale steun, alleen op grond van de toewijzing van dat quotum, verenigbaar kon worden geacht met het gemeenschappelijk landbouwbeleid. In deze omstandigheden kan het argument dat de Toetredingsakte van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek in tegenstelling tot de Toetredingsakte van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden geen clausule betreffende de uitzonderlijke toewijzing van staatssteun bevat, in geen geval slagen.
99 Voorts verwijst artikel 45 van verordening nr. 1785/81 naar de in artikel 39 van het Verdrag genoemde algemene doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, en bepaalt artikel 39, lid 2, sub a, dat bij de uitvoering van dit beleid rekening moet worden gehouden met de bijzondere aard van het landbouwbedrijf, welke voortvloeit uit de maatschappelijke structuur van de landbouw en uit de structurele en natuurlijke ongelijkheid tussen de verschillende landbouwgebieden". De regels voor investeringen in de suikersector zijn dus niet alleen die van verordening nr. 1785/81, maar zijn ook opgenomen in teksten die de acties van structureel en regionaal beleid van de Gemeenschap regelen.
100 Deze teksten voorzien zowel voor de Gemeenschap als voor de Portugese Republiek in de mogelijkheid, financiële steun te verlenen voor het betrokken investeringsproject.
101 Om te beginnen biedt artikel 16, lid 5, van verordening nr. 866/90, die gebaseerd is op de artikelen 42 en 43 van het Verdrag en dus integrerend deel uitmaakt van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, de lidstaten de mogelijkheid om naast de maatregelen waarin deze verordening speciaal voorziet, onder de in de artikelen 92 tot en met 94 van het Verdrag vastgestelde voorwaarden steun te verlenen aan de verwerking van en de handel in landbouwproducten.
102 Voorts voldoet de aan DAI verleende steun aan de criteria die in beschikking 94/173 worden genoemd voor investeringen die in aanmerking kunnen komen voor financiële bijstand van het EOGFL, afdeling Oriëntatie. In punt 2.8 van de bijlage bij deze beschikking wordt namelijk bepaald, dat in afwijking van de regel die alle investeringen in de suikersector uitsluit, investeringen voor het gebruik van het bij de Toetredingsakte voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek vastgestelde quotum voor communautaire financiering in aanmerking kunnen komen.
103 In de bestreden beschikking heeft de Commissie aangegeven, dat in de sector van de verwerking van en de handel in landbouwproducten, staatssteun moest voldoen aan de selectiecriteria die bij beschikking 94/173 voor investeringen zijn vastgesteld. Die benadering wordt overigens ook gevolgd in de mededelingen van de Commissie inzake staatssteun in deze sector, zoals de mededelingen van 12 juli 1994 en 23 maart 1995 alsmede de mededeling van 2 februari 1996, die van latere datum is dan de feiten van dit geding.
104 Door zich op het standpunt te stellen, dat de doelstellingen van het regionale beleid en het landbouwbeleid van de Gemeenschap de bijzondere behandeling van het betrokken investeringsproject voor een onder doelstelling 1 vallende regio rechtvaardigden, heeft de Commissie haar beoordelingsbevoegdheid dus niet op kennelijk onjuiste wijze gebruikt. Evenmin heeft zij de voorwaarden geschonden van de haar bij artikel 8 van verordening nr. 866/90 verleende bevoegdheid om de selectiecriteria vast te stellen voor investeringen die voor communautaire acties in aanmerking komen.
105 Ten slotte moet worden opgemerkt, dat de specifieke inaanmerkingneming van de door DAI gedane investering nu juist volgt uit de bijzondere behandeling die de Portugese Republiek wordt verleend bij de Toetredingsakte van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, gelijk het Gerecht in punt 89 van het bestreden arrest heeft opgemerkt.
106 Daarom moeten de argumenten van rekwiranten, dat de bestreden beschikking een volkomen kunstmatige suikerproducent creëert en de concurrentieverhoudingen vervalst door de overproductie op de gemeenschappelijke suikermarkt te vergroten, worden verworpen.
107 Uit het voorgaande volgt dat het Gerecht niet van een verkeerde rechtsopvatting blijk heeft gegeven, door te oordelen dat de aan DAI verleende belastingvrijstellingen niet onverenigbaar waren met de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Het derde middel moet dan ook worden verworpen.
Het vierde middel: het Gerecht heeft van een verkeerde rechtsopvatting blijk gegeven door de cumulatieve werking van de litigieuze steunmaatregelen niet te beoordelen
Argumenten van partijen
108 Met het vierde middel verwijten rekwiranten het Gerecht dat het in de punten 98 tot en met 101 van het bestreden arrest geen rekening heeft gehouden met de cumulatieve effecten van de verschillende litigieuze steunmaatregelen. Al deze maatregelen tezamen vertegenwoordigen meer dan 60 % van de door DAI gedane investeringen, waardoor zij een productieoverschot kan ontwikkelen van 20 tot 25 % van de nationale consumptie, met gegarandeerde prijzen en tegen kosten die minder dan 40 % van de vaste kosten bedragen, die over een zeer lange periode kunnen worden afgeschreven. DAI zou dus in een buitengewoon gunstige positie worden geplaatst.
109 Volgens de Commissie is dit middel kennelijk niet-ontvankelijk. Ten gronde betoogt zij dat dit middel niet kan slagen, aangezien zij ter zake over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt en rekwiranten geen kennelijke fout hebben aangetoond.
Beoordeling door het Hof
110 Rekwiranten hebben voor het Gerecht weliswaar gesteld, dat de Commissie blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de steun die DAI voor de beroepsopleiding was verleend afzonderlijk te onderzoeken op zijn gevolgen voor de gemeenschappelijke markt, doch dit verwijt was alleen gericht tegen het gedeelte van de bestreden beschikking betreffende die steun. Zij hebben dus geen algemeen middel tot nietigverklaring aangevoerd, gericht tegen de gehele bestreden beschikking en ontleend aan het feit dat de Commissie de cumulatieve gevolgen van de drie litigieuze maatregelen had moeten toetsen aan artikel 92 van het Verdrag, gelijk overigens wordt bevestigd door het gedeelte van hun beroep getiteld algemene middelen van het beroep", waarin dit verwijt niet is opgenomen.
111 Het Gerecht heeft in punt 98 van het bestreden arrest dus enkel gewezen op het feit dat de drie soorten steunmaatregelen die in de bestreden beschikking zijn onderzocht, onder verschillende regelingen vielen en dus telkens afzonderlijk moesten worden getoetst aan de toepasselijke regeling en de doelstellingen ervan, om daaruit af te leiden dat de verenigbaarheid van de steun voor de beroepsopleiding met artikel 92 van het Verdrag afzonderlijk moest worden beoordeeld en om het voor hem aangevoerde middel te verwerpen. Het door rekwiranten in hogere voorziening aangevoerde middel heeft dus een ruimere strekking dan het middel dat voor het Gerecht was aangevoerd.
112 Op grond van artikel 118 van het Reglement voor de procesvoering is artikel 42, lid 2, van dit reglement, dat het aanvoeren van nieuwe middelen in de loop van het geding in beginsel verbiedt, ook van toepassing op de procedure voor het Hof in hogere voorziening tegen een beslissing van het Gerecht. In hogere voorziening is het Hof dus enkel bevoegd de beslissing van het Gerecht te onderzoeken ten aanzien van de middelen die voor de rechters in eerste aanleg zijn bepleit (zie arrest van 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi e.a., C-136/92 P, Jurispr. blz. I-1981, punt 59, en beschikking van 28 juni 2001, Eridania e.a./Raad, C-352/99 P, Jurispr. blz. I-5037, punten 52 en 53).
113 Het middel is dus enkel ontvankelijk voorzover het gericht is tegen de verkeerde rechtsopvatting waarvan het Gerecht blijk zou hebben gegeven door te oordelen, dat de steun voor de beroepsopleiding door de Commissie afzonderlijk kon worden onderzocht.
114 Vastgesteld moet worden, dat de litigieuze steunmaatregelen onder verschillende juridische regelingen vallen. Zoals in punt 86 van dit arrest reeds is gezegd, konden de belastingvrijstellingen slechts aan de beschikking van 3 juli 1991 worden getoetst, die zelf naar de regels van het gemeenschappelijk landbouwbeleid verwijst, en niet rechtstreeks aan artikel 92 van het Verdrag. De nationale medefinanciering van de voor bijstand van het EOGFL, afdeling Oriëntatie, in aanmerking komende investering moest worden getoetst aan verordening nr. 866/90 en beschikking 94/173, die het evenwicht tussen de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het regionale gemeenschapsbeleid in de suikersector regelen. De steun voor de beroepsopleiding was dus de enige maatregel die de Commissie rechtstreeks op zijn verenigbaarheid met artikel 92 van het Verdrag kon onderzoeken.
115 Het bestreden arrest bevat op dit punt dus geen rechtsdwaling, zodat het vierde middel moet worden verworpen.
Het vijfde middel: het Gerecht heeft van een verkeerde rechtsopvatting blijk gegeven door niet de artikelen 92 en 93 van het Verdrag toe te passen
Argumenten van partijen
116 Rekwiranten stellen dat de motivering van het bestreden arrest in de punten 111 tot en met 120, als zou de steun voor investeringsprojecten die op grond van verordening nr. 866/90 voor communautaire financiering in aanmerking komen niet aan de artikelen 92 en 93 van het Verdrag kunnen worden getoetst, een rechtsdwaling bevat. Geen enkele bepaling van de verordeningen nrs. 1785/81 en 866/90 laat de conclusie toe, dat deze artikelen niet van toepassing zijn.
117 De Commissie stelt om te beginnen, dat dit middel kennelijk niet-ontvankelijk is. Ten gronde voert zij vervolgens aan dat de Raad, gelet op de gehele relevante wetgeving, heeft beslist dat de regels betreffende staatssteun van toepassing zijn op steunmaatregelen die verder gaan dan hetgeen waarin verordening nr. 866/90 voorziet, maar niet op de in deze verordening vastgelegde maatregelen. De enige vraag waar het in casu om gaat is, of de litigieuze maatregel nu wel of niet wordt toegestaan door het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Welnu, deze maatregel wordt toegestaan door artikel 16 van verordening nr. 866/90.
118 De Portugese Republiek en DAI betogen, dat artikel 16, lid 5, van verordening nr. 866/90, gelezen in samenhang met het beginsel van voorrang van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, aldus moet worden uitgelegd, dat het de toepassing van de regeling inzake staatssteun op maatregelen van structurele aard in het kader van het EOGFL, afdeling Oriëntatie, uitsluit.
Beoordeling door het Hof
119 Evenals de vorige middelen geeft het vijfde middel precies aan, welke onderdelen van het arrest worden betwist en welke argumenten rechtens worden aangevoerd tot staving daarvan. Het vormt dus niet slechts een herhaling van de bewoordingen van het beroep in eerste aanleg en moet derhalve ontvankelijk worden verklaard.
120 Met betrekking tot de gegrondheid van het middel moet worden opgemerkt, dat verordening nr. 1785/81 in artikel 44 slechts bepaalt, dat de artikelen 92 tot en met 94 van het Verdrag van toepassing zijn op de productie van en de handel in suiker, behoudens andersluidende bepalingen in deze verordening". Voorts verwijst deze verordening impliciet, maar noodzakelijkerwijs naar de uitvoering van andere dan haar eigen bepalingen, door in artikel 45 te bepalen dat bij haar toepassing rekening moet worden gehouden met de in artikel 39 van het Verdrag gestelde algemene doeleinden van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, waarvan het wegnemen van regionale ongelijkheden die op dit gebied worden vastgesteld een van de aspecten is.
121 In verordening nr. 866/90 zijn daarom de voorwaarden vastgelegd waaronder het EOGFL, afdeling Oriëntatie, bijdraagt tot de doelstellingen van regionale samenhang van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. In artikel 16, leden 3 en 4, wordt als uitgangspunt gesteld, dat de lidstaten wier investeringsprojecten voor bijstand van dit Fonds in aanmerking komen, hetgeen voor de Portugese Republiek met betrekking tot het betrokken project het geval is, zich evenals de begunstigden van het Fonds ertoe moeten verbinden, deel te nemen aan de financiering van de door de Commissie voor bijstand van het EOGFL in aanmerking genomen investeringen. Medefinanciering door de lidstaten, zoals hier in geding is, wordt door deze verordening dus niet alleen toegestaan, maar zelfs voorgeschreven.
122 Artikel 16, lid 5, van verordening nr. 866/90, bepalende dat de lidstaten steunmaatregelen kunnen nemen waarbij de steunbedragen op andere voorwaarden of op een andere wijze worden toegekend dan in deze verordening is bepaald, of hoger zijn dan de in deze verordening voorgeschreven maxima, op voorwaarde dat deze maatregelen in overeenstemming met de artikelen 92 tot en met 94 van het Verdrag worden genomen, heeft dus geen betrekking op de nationale financiële bijdragen die artikel 16, leden 3 en 4, van deze verordening vereist, maar op de steun die de lidstaten willen verlenen naast hun verplichte deelneming aan investeringsprojecten die voor bijstand van het EOGFL, afdeling Oriëntatie, in aanmerking komen.
123 In deze omstandigheden heeft het Gerecht het gemeenschapsrecht niet verkeerd toegepast door te oordelen, dat de medefinanciering door de Portugese Republiek van het betrokken investeringsproject, dat voor bijstand van het EOGFL, afdeling Oriëntatie, in aanmerking kwam, moest worden beoordeeld in het specifieke kader van de overeenkomstig verordening nr. 866/90 gevoerde gemeenschapsactie, en niet kon worden getoetst aan de artikelen 92 en 93 van het Verdrag.
124 Het vijfde middel moet daarom worden verworpen.
Het zesde middel: het antwoord op het laatste middel van het beroep voor het Gerecht is ontoereikend gemotiveerd
Argumenten van partijen
125 Rekwiranten stellen dat de verwerping, in punt 124 van het bestreden arrest, van hun middel inzake de onverenigbaarheid van de betrokken steunmaatregel met verordening nr. 866/90 ontoereikend is gemotiveerd. Het Gerecht heeft geen rekening gehouden met de verschillende argumenten die zij tot staving van dit middel hadden aangevoerd. Zij herinneren eraan voor het Gerecht te hebben gesteld, dat deze steun niet voldeed aan de criteria voor medefinanciering zoals vastgelegd in verordening nr. 866/90 en dat deze verordening dus niet kon dienen als wettelijke grondslag om de toepassing van de artikelen 92 en 93 van het Verdrag uit te sluiten.
126 Volgens de Commissie is dit middel ongegrond. Haars inziens vormen deze argumenten van rekwiranten in feite een herhaling van hun stelling dat de betrokken investeringssteun onverenigbaar is met het gemeenschappelijk landbouwbeleid, een stelling die het Gerecht op voldoende gemotiveerde wijze heeft verworpen.
127 DAI stelt dat dit laatste middel van de principale hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat het slechts de voor het Gerecht aangevoerde argumenten herhaalt en niet aangeeft waarom het Gerecht van een verkeerde rechtsopvatting blijk zou hebben gegeven.
Beoordeling door het Gerecht
128 Het zesde middel, waarvan naar behoren kan worden vastgesteld tegen welke overwegingen van het bestreden arrest het is gericht, vormt niet slechts een herhaling van de bewoordingen van het beroep voor het Gerecht en is derhalve ontvankelijk.
129 Uit het betoog van rekwiranten blijkt, dat zij met dit middel stellen dat het Gerecht zich voor de afwijzing van hun grief ontleend aan het feit dat de betrokken investeringssteun niet binnen de werkingssfeer van verordening nr. 866/90 kon vallen, niet heeft uitgesproken over hun argument, dat deze steun niet voldeed aan de materiële voorwaarden van de artikelen 2 en 11 tot en met 13 van deze verordening. Dit gedeelte van het arrest zou dus ontoereikend gemotiveerd zijn.
130 Er moet echter aan worden herinnerd dat de Commissie zich in de bestreden beschikking op het standpunt heeft gesteld, dat de betrokken steun in eerste instantie binnen de werkingssfeer van verordening nr. 866/90 viel. Zij heeft hieruit afgeleid, dat deze steun niet rechtstreeks aan de artikelen 92 en 93 van het Verdrag kon worden getoetst en heeft gepreciseerd dat zij later in het kader van verordening (EEG) nr. 866/90 de aspecten verband houdende met de medefinanciering van dit project krachtens deze verordening" zou onderzoeken. De Commissie heeft dus niet onderzocht, of het project voldeed aan de voorwaarden voor communautaire medefinanciering door het EOGFL, afdeling Oriëntatie, en derhalve evenmin of de nationale bijdrage aan dit project aan de materiële voorwaarden van deze verordening voldeed.
131 Voor het Gerecht hebben rekwiranten deze benadering bekritiseerd en betoogd dat het betrokken investeringsproject niet binnen de werkingssfeer van verordening nr. 866/90 viel, zodat de artikelen 92 en 93 van het Verdrag in casu van toepassing waren. Tot staving hiervan hebben zij twee middelen aangevoerd: het eerste was ontleend aan het feit dat beschikking 94/173, die is vastgesteld ter uitvoering van verordening nr. 866/90, onverenigbaar met het gemeenschappelijk landbouwbeleid en derhalve onwettig was, terwijl het tweede middel inhield dat de materiële voorwaarden van deze verordening in casu niet waren vervuld.
132 Ter afwijzing van de grief dat de artikelen 92 en 93 van toepassing waren op het betrokken project, diende het Gerecht zich weliswaar, gelijk het in de punten 89 en 90 van het bestreden arrest heeft gedaan, uit te spreken over het middel als zou beschikking 94/173 onverenigbaar zijn met het gemeenschappelijk landbouwbeleid, aangezien deze beschikking de werkingssfeer van verordening nr. 866/90 bepaalde, doch het was niet gehouden zich uit te spreken over de argumenten tot staving van het tweede middel, betreffende de eerbiediging van de materiële voorwaarden van deze verordening, die geen invloed hadden op de wettigheid van de bestreden beschikking en derhalve geen doel troffen.
133 In deze omstandigheden heeft het Gerecht, door naar de punten 89 en 90 van het bestreden arrest te verwijzen ter verwerping van het middel dat de litigieuze steunmaatregel niet binnen de werkingssfeer van verordening nr. 866/90 viel, dit arrest niet ontoereikend gemotiveerd.
134 Het zesde middel moet derhalve worden verworpen.
135 Uit de voorgaande overwegingen volgt, dat de principale hogere voorziening in haar geheel moet worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
136 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 118 van dit Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien rekwiranten in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de conclusies van de Commissie en DAI in de kosten te worden verwezen.
137 Volgens artikel 69, lid 4, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 118 van dit Reglement eveneens van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, dragen de lidstaten die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten. Overeenkomstig deze bepaling moet worden beslist, dat de Portugese Republiek haar eigen kosten zal dragen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende:
1) Wijst de principale hogere voorziening af.
2) Wijst de incidentele hogere voorziening van de Commissie af.
3) Verwijst Associação dos Refinadores de Açúcar Portugueses (ARAP), Alcântara Refinarias - Açúcares SA en Refinarias de Açúcar Reunidas SA (RAR) in de kosten.
4) Verstaat dat de Portugese Republiek haar eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy