Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Landbouw - Harmonisatie van wetgevingen inzake sanitaire controles - Veterinaire en zoötechnische controles in intracommunautair handelsverkeer van levende dieren en producten van dierlijke oorsprong - Spoedmaatregelen ter bescherming tegen boviene spongiforme encefalopathie - Beschikking 1999/517 - Motiveringsplicht - Diergezondheidscode van Internationaal Bureau voor besmettelijke veeziekten - Procedurele eisen en goede administratieve praktijken - Evenredigheidsbeginsel - Schending - Geen
(Beschikking 1999/517 van de Commissie)
Partijen
In zaak C-365/99,
Portugese Republiek, vertegenwoordigd door L. Fernandes en M. J. Abecassis als gemachtigden, bijgestaan door C. Aguiar en T. Ferreira de Lima, advogados, alsmede door G. van der Wal, avocat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen,
verweerster,
betreffende een verzoek om nietigverklaring van beschikking 1999/517/EG van de Commissie van 28 juli 1999 houdende wijziging van beschikking 98/653/EG inzake spoedmaatregelen die noodzakelijk zijn geworden wegens het voorkomen van boviene spongiforme encefalopathie in Portugal (PB L 197, blz. 45), voorzover bij eerstgenoemde beschikking het uitvoerverbod neergelegd in artikel 4 van beschikking 98/653/EG van de Commissie van 18 november 1998 inzake spoedmaatregelen die noodzakelijk zijn geworden wegens het voorkomen van boviene spongiforme encefalopathie in Portugal (PB L 311, blz. 23), tot 1 februari 2000 is verlengd,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: A. La Pergola, kamerpresident, M. Wathelet, D. A. O. Edward, L. Sevón (rapporteur) en S. von Bahr, rechters,
advocaat-generaal: J. Mischo,
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van de Portugese Republiek ter terechtzitting van 22 februari 2001, tijdens welke zij werd vertegenwoordigd door T. Ferreira de Lima en door L. Parret, avocat,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 maart 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 4 oktober 1999, heeft de Portugese Republiek krachtens artikel 230 EG verzocht om nietigverklaring van beschikking 1999/517/EG van de Commissie van 28 juli 1999 houdende wijziging van beschikking 98/653/EG inzake spoedmaatregelen die noodzakelijk zijn geworden wegens het voorkomen van boviene spongiforme encefalopathie in Portugal (PB L 197, blz. 45; hierna: bestreden beschikking"), voorzover bij eerstgenoemde beschikking het uitvoerverbod neergelegd in artikel 4 van beschikking 98/653/EG van de Commissie van 18 november 1998 inzake spoedmaatregelen die noodzakelijk zijn geworden wegens het voorkomen van boviene spongiforme encefalopathie in Portugal (PB L 311, blz. 23), tot 1 februari 2000 is verlengd.
Rechtskader
2 Artikel 4 van beschikking 98/653 bepaalt:
Portugal draagt ervoor zorg dat van de onderstaande producten, voorzover die van in Portugal geslachte runderen zijn verkregen, tot 1 augustus 1999 vanaf zijn grondgebied geen verzending naar andere lidstaten of naar derde landen geschiedt:
a) vlees;
b) producten die in de voedselketen voor de mens respectievelijk in de voederketen voor het dier kunnen komen;
c) materiaal dat bestemd is voor gebruik in cosmetische of in medicinale producten of in medische hulpmiddelen."
3 Beschikking 98/653/EG berust op:
- het EG-Verdrag;
- richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (PB L 224, blz. 29), zoals gewijzigd bij richtlijn 92/118/EEG van de Raad van 17 december 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke en de gezondheidsvoorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van producten waarvoor ten aanzien van deze voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving geldt als bedoeld in bijlage A, hoofdstuk I, van richtlijn 89/662/EEG, en, wat ziekteverwekkers betreft, van richtlijn 90/425 (PB 1993, L 62, blz. 49), in het bijzonder op artikel 10, lid 4, ervan, en
- richtlijn 89/662/EEG van de Raad van 11 december 1989 inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (PB L 395, blz. 13), zoals gewijzigd bij richtlijn 92/118, in het bijzonder op artikel 9, lid 4, ervan.
4 In de tweede en de derde overweging van de considerans van beschikking 98/653 wordt er met name op gewezen,
- dat in de periode van 1 januari 1998 tot en met 14 oktober 1998 in Portugal 66 gevallen van boviene spongiforme encefalopathie (hierna: BSE") zijn voorgekomen; dat dit voor de laatste twaalf maanden een BSE-incidentie van 105,6 gevallen per miljoen dieren van meer dan twee jaar oplevert alsmede een sterke stijging van de BSE-incidentie sedert juni 1998;
- dat het Voedsel- en Veterinair Bureau van de Commissie bij een inspectiebezoek in Portugal van 28 september tot en met 2 oktober 1998 de bevindingen van de vorige inspecties bevestigde, namelijk dat, ondanks een algemene verbetering van de situatie, er nog steeds bepaalde tekortkomingen bestonden op het stuk van het doen naleven van de maatregelen die ertoe dienen om de risicofactoren in de greep te krijgen.
5 Artikel 13 van beschikking 98/653 bepaalt met name dat Portugal een programma ten uitvoer dient te leggen om aan te tonen dat daadwerkelijk aan alle relevante communautaire wetgeving inzake identificatie en registratie van dieren, de melding van dierziekten en de epizoötiebewaking ten aanzien van overdraagbare spongiforme encefalopathie (hierna: TSE"), en aan alle andere communautaire regelgeving ter bescherming tegen BSE wordt voldaan. Volgens dit artikel dient Portugal voorts een programma vast te stellen waarin wordt aangetoond dat daadwerkelijk wordt voldaan aan deze beschikking en aan de relevante nationale maatregelen ter bescherming tegen BSE.
6 Ingevolge artikel 14 van beschikking 98/653 dient Portugal de Commissie om de vier weken een verslag te zenden over de toepassing van de maatregelen ter bescherming tegen TSE's overeenkomstig de communautaire en de nationale voorschriften, alsmede over de resultaten van de in artikel 13 van de beschikking bedoelde programma's.
7 Artikel 15 van beschikking 98/653 bepaalt:
De Commissie verricht in Portugal communautaire controles ter plaatse om:
a) de toepassing van de bepalingen van deze beschikking te verifiëren, met name wat de uitvoering van de officiële controles betreft;
b) de ontwikkeling van de incidentie van de ziekte en de daadwerkelijke toepassing van de relevante nationale maatregelen te onderzoeken en een risico-evaluatie uit te voeren waaruit moet blijken of de passende maatregelen zijn genomen om elk risico te ondervangen."
8 Artikel 16 van beschikking 98/653 luidt:
1. Deze beschikking wordt uiterlijk binnen achttien maanden nadat zij is gegeven, in afwachting van een algemeen onderzoek van de situatie, met name met het oog op de ontwikkeling van de incidentie van de ziekte en met het daadwerkelijk doen naleven van de relevante maatregelen, en in het licht van nieuwe wetenschappelijke informatie opnieuw bezien.
2. [...]
3. Deze beschikking wordt, in voorkomend geval, aangepast na raadpleging van het geëigende wetenschappelijk comité, volgens de procedure van artikel 17 van richtlijn 89/662/EEG."
9 Beschikking 98/653 is gewijzigd bij de bestreden beschikking; in artikel 1, lid 2, wordt bepaald:
In artikel 4 wordt ,tot 1 augustus 1999 vervangen door ,tot 1 februari 2000."
10 In de vierde tot en met de zevende overweging van de considerans van de bestreden beschikking staat te lezen:
(4) Overwegende dat het verbod op de verzending van rundveeproducten van toepassing is tot 1 augustus 1999 op voorwaarde dat uit een risico-evaluatie op basis van de bevindingen van een inspectiebezoek van het Voedsel- en Veterinair Bureau, met inachtneming van het verloop van de ziekte, blijkt dat adequate maatregelen zijn getroffen om het risico onder controle te brengen, dat de relevante communautaire en nationale maatregelen worden toegepast en dat op de naleving ervan wordt toegezien;
(5) Overwegende dat in de algemene vergadering van het comité van het Internationaal Bureau voor besmettelijke veeziekten (IOE) van 17 tot en met 21 mei 1999 een voorstel van de IOE-Commissie voor de internationale diergezondheidscode met betrekking tot de criteria voor de bepaling van de BSE-status van een land of een regio is goedgekeurd; dat op basis van die criteria een land of een regio wordt ingedeeld in de categorie met een hoge BSE-incidentie indien de BSE-incidentie, berekend over de laatste twaalf maanden en voor alle runderen van meer dan 24 maanden in het land of de regio, groter was dan 100 gevallen per miljoen; dat de huidige BSE-incidentie in Portugal, berekend over de laatste twaalf maanden voor dieren, ouder dan 24 maanden, 211 gevallen per miljoen dieren bedraagt; dat Portugal derhalve moet worden ingedeeld in de categorie met een hoge BSE-incidentie; dat artikel 3.2.13.9 van voornoemde code aanbevelingen bevat betreffende voorwaarden voor de invoer van vlees zonder been en vleesproducten van runderen uit een land of een regio met een hoge BSE-incidentie; dat Portugal niet kan garanderen dat aan die voorwaarden wordt voldaan;
(6) Overwegende dat het Voedsel- en Veterinair Bureau van 22 februari tot en met 3 maart 1999 en van 19 tot en met 23 april 1999 inspectiebezoeken aan Portugal heeft gebracht in verband met de BSE-situatie; dat die inspectiebezoeken hebben bijgedragen tot de evaluatie van de toepassing en de doeltreffendheid van maatregelen ter bescherming tegen BSE; dat bij die inspectiebezoeken is geconstateerd dat ernstige inspanningen zijn gedaan en aanzienlijke vooruitgang is geboekt bij de tenuitvoerlegging van risicobeheersmaatregelen op korte termijn, ofschoon niet voor alle maatregelen een adequate toepassing kon worden gegarandeerd;
(7) Overwegende dat bijgevolg het verbod op de verzending van rundveeproducten moet worden gehandhaafd."
11 In de elfde overweging van de considerans van de bestreden beschikking wordt gepreciseerd dat de in deze beschikking vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van het Permanent Veterinair Comité.
De procedure voor het Hof
12 Het verzoekschrift van de Portugese Republiek is regelmatig aan de Commissie betekend. Van mening dat de Commissie niet binnen de gestelde termijnen een verweerschrift had ingediend, heeft de Portugese Republiek het Hof verzocht haar conclusies toe te wijzen overeenkomstig artikel 94, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
13 Vaststaat dat de Commissie, die regelmatig in het geding is geroepen, niet tijdig een verweerschrift in de zin van artikel 40, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering heeft ingediend. Het Hof moet dus uitspraak doen bij verstek. Aangezien het geen twijfel lijdt dat het beroep ontvankelijk is, moet het Hof overeenkomstig artikel 94, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering onderzoeken of de conclusies van verzoekster gegrond voorkomen.
Ten gronde
14 De Portugese Republiek voert vier middelen tot nietigverklaring aan, te weten: ontoereikende motivering, schending van de internationale diergezondheidscode van het Internationaal Bureau voor besmettelijke veeziekten (hierna: IOE"), schending van procedurele voorschriften en van het beginsel van behoorlijk bestuur en schending van het evenredigheidsbeginsel.
Het eerste middel
15 Met het eerste middel betoogt de Portugese Republiek, dat de bestreden beschikking rechtens en feitelijk ontoereikend is gemotiveerd.
16 Zij herinnert eraan dat zowel beschikking 98/563 als de bestreden beschikking op de richtlijnen 89/662 en 90/425 zijn gebaseerd, dat zij spoedmaatregelen bevatten die een uitzondering op het vrij verkeer van goederen vormen en dat zij daarom restrictief moeten worden toegepast.
17 Zij preciseert dat de BSE-incidentie in Portugal in 1998 105,6 gevallen per miljoen dieren van meer dan twee jaar bedroeg, en dat Portugal daarmee volgens de criteria van artikel 3.12.13.1 van de diergezondheidscode van het IOE van 1998 in de categorie van landen of regio's met een lage BSE-incidentie viel.
18 De Portugese regering voert aan dat zij reeds verschillende maatregelen had genomen om BSE te voorkomen en uit te roeien. Zij betwist niet dat er sprake was van enkele tekortkomingen en van enige vertraging bij de vaststelling of de toepassing van specifieke maatregelen. Er zijn evenwel een groot aantal nieuwe maatregelen genomen, zoals is opgemerkt in de rapporten van het inspectiebezoek van het Voedsel- en Veterinair Bureau van de Commissie.
19 Er zijn met name aanzienlijke verbeteringen vastgesteld bij een veterinair inspectiebezoek van 14 tot en met 18 juni 1999. De tekortkomingen die in het ontwerprapport van dat inspectiebezoek zijn vermeld, betreffen slechts details waarover de Portugese autoriteiten uitleg hebben verstrekt.
20 Volgens de Portugese regering rechtvaardigen de conclusies van het ontwerprapport van dat inspectiebezoek niet dat het uitvoerverbod van artikel 4 van beschikking 98/653 tot 1 februari 2000 wordt verlengd, gelet op de opmerkingen van de Portugese autoriteiten en de aanvankelijke situatie die de Commissie tot het vaststellen van deze beschikking had gebracht.
21 Dienaangaande blijkt uit een onderzoek van de door de Portugese regering ingeroepen versie 1998 van de diergezondheidscode van het IOE dat artikel 3.2.13.2 van die code nog geen definitie van landen of regio's met een lage BSE-incidentie" en landen of regio's met een hoge BSE-incidentie" bevatte.
22 In de versie 1999 van deze code wordt daarentegen gepreciseerd, dat een land of een regio moet worden geacht een hoge BSE-incidentie te hebben indien de criteria van artikel 3.2.13.1 van deze code zijn vervuld en het aantal BSE-gevallen per miljoen runderen van meer dan 24 maanden, berekend over de laatste twaalf maanden, groter is dan 100.
23 De Portugese regering verwijst naar de incidentie van 1998, die 105,6 bedroeg, maar betwist de in de bestreden beschikking vermelde incidentie van 211 niet. Op grond van deze gegevens kan worden vastgesteld dat Portugal reeds in 1998 moest worden aangemerkt als een land met een hoge BSE-incidentie in de zin van de definitie van de versie 1999 van de diergezondheidscode van het IOE en dat ten tijde van de vaststelling van de bestreden beschikking de situatie was verslechterd aangezien de incidentie was verdubbeld.
24 Met betrekking tot de rapporten van de inspectiebezoeken van het Voedsel- en Veterinair Bureau van de Commissie in Portugal zij opgemerkt dat de bestreden beschikking rekening houdt met de rapporten van de inspectiebezoeken van 22 februari tot en met 3 maart 1999 en van 19 tot en met 23 april 1999.
25 Zoals de advocaat-generaal in de punten 36 tot en met 38 van zijn conclusie heeft opgemerkt, maken deze rapporten melding van ernstige tekortkomingen wat betreft de inachtneming van de communautaire voorschriften inzake BSE en vers vlees.
26 De verwijzing naar deze rapporten vormt een passende en afdoende motivering van de vaststelling, in de zesde overweging van de considerans van de bestreden beschikking, dat ernstige inspanningen zijn gedaan en aanzienlijke vooruitgang is geboekt bij de tenuitvoerlegging van risicobeheersmaatregelen op korte termijn, ofschoon niet voor alle maatregelen een adequate toepassing kon worden gegarandeerd".
27 Het is op basis van die rapporten dat in de motivering van de bestreden beschikking is vastgesteld dat Portugal een land met een hoge BSE-incidentie is, en dat de maatregelen ter bescherming tegen BSE er nog steeds onvoldoende zijn.
28 Deze vaststellingen voldoen aan de eisen van artikel 16, lid 1, van beschikking 98/653, volgens hetwelk het uitvoerverbod opnieuw wordt bezien met name met het oog op de ontwikkeling van de incidentie van de ziekte en met het daadwerkelijk doen naleven van de relevante maatregelen".
29 Met betrekking tot het rapport van het veterinaire inspectieonderzoek van juni 1999 moet worden vastgesteld, om de redenen die in het kader van het antwoord op het derde middel zullen worden uiteengezet, dat dit rapport ten tijde van de vaststelling van de bestreden beschikking niet in aanmerking kon worden genomen.
30 Hieruit volgt dat de bestreden beschikking rechtens en feitelijk afdoende was gemotiveerd. Het eerste middel moet derhalve worden afgewezen.
Het tweede middel
31 Met het tweede middel betoogt de Portugese regering dat de bestreden beschikking in strijd is met de diergezondheidscode van het IOE.
32 Volgens de Portugese regering waren beschikking 98/653 en de bestreden beschikking op de diergezondheidscode van het IOE gebaseerd. Volgens die code zou Portugal evenwel in de categorie van de landen met een lage BSE-incidentie vallen. Voor dergelijke landen vereist deze code geen volledig uitvoerverbod, maar slechts gedetailleerde voorschriften voor de verschillende categorieën producten.
33 De Portugese regering concludeert dat de Commissie deze code niet in acht heeft genomen in beschikking 98/653 en in de bestreden beschikking, omdat zij een volledig verbod op de uitvoer van vlees en van producten op basis van vlees heeft uitgevaardigd, terwijl volgens die code niet een dergelijk embargo op de uitvoer kon worden opgelegd.
34 Dienaangaande moet in elk geval worden vastgesteld dat de bestreden beschikking niet op de diergezondheidscode van het IOE is gebaseerd, zoals de Portugese regering betoogt, maar wel onder meer op artikel 10, lid 4, van richtlijn 90/425 en artikel 9, lid 4, van richtlijn 89/662. De code wordt in de bestreden beschikking aangehaald omdat het een referentietekst is die is opgesteld door een internationale instelling met een erkende deskundigheid.
35 Bovendien moet om de in de punten 46 tot en met 49 van de conclusie van de advocaat-generaal uiteengezette redenen worden vastgesteld dat de aanbevelingen van de diergezondheidscode van het IOE niet in tegenspraak waren met het bij de bestreden beschikking opgelegde verbod. Portugal was ten tijde van de vaststelling van die beschikking immers een land met een hoge BSE-incidentie - zoals in punt 23 van dit arrest is vermeld -, waaruit volgens deze code rundvlees alleen mocht worden uitgevoerd indien aan strikte voorwaarden was voldaan, hetgeen in casu kennelijk niet het geval was.
36 Het tweede middel moet bijgevolg worden afgewezen.
Het derde middel
37 Met het derde middel betoogt de Portugese regering dat bij de vaststelling van de bestreden beschikking de procedurele voorschriften en het beginsel van behoorlijk bestuur zijn geschonden.
38 Zij is immers van mening dat het Permanent Veterinair Comité niet volledig was geïnformeerd toen het tijdens zijn vergadering van 16 juli 1999 het voorstel van de Commissie tot wijziging van beschikking 98/653 onderzocht. Volgens de Portugese regering had dat Comité toegang moeten hebben tot het rapport van het veterinaire inspectieonderzoek dat van 14 tot en met 18 juni 1999 in Portugal was verricht. Het ontwerprapport van dat inspectieonderzoek was op 14 juli 1999 naar het Ministerie van Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Visserij gezonden en bij de Portugese permanente vertegenwoordiging toegekomen op 19 juli 1999.
39 Volgens de Portugese regering hadden tijdens bovengenoemde vergadering van het Permanent Veterinair Comité de vertegenwoordigers van de verschillende lidstaten het belang van dat rapport onderstreept en erop gewezen, dat geen beslissing mocht worden genomen op basis van het rapport betreffende het veterinaire inspectieonderzoek van 22 februari tot en met 3 maart 1999. De Commissie had voorgesteld een mondelinge uiteenzetting te geven over het rapport betreffende het veterinaire inspectieonderzoek van juni 1999, doch de Portugese delegatie had zich hiertegen verzet op grond dat zij het rapport nog steeds niet had ontvangen, de inhoud ervan niet kende en niet in staat was dienaangaande een standpunt in te nemen.
40 De Portugese regering betoogt voorts dat het Permanent Veterinair Comité toegang had moeten hebben tot de periodieke rapporten die de Portugese Republiek overeenkomstig artikel 14 van beschikking 98/653 naar de Commissie had gezonden.
41 Dienaangaande zij gepreciseerd dat de controles die het Voedsel- en Veterinair Bureau van de Commissie verricht, worden beheerst door beschikking 98/139/EG van de Commissie van 4 februari 1998 houdende enige bepalingen inzake de door deskundigen van de Commissie in de lidstaten op veterinair gebied verrichte controles ter plaatse (PB L 38, blz. 10).
42 Artikel 7, lid 1, van deze beschikking bepaalt: Binnen twintig werkdagen bevestigt de Commissie de resultaten van de controles in een schriftelijk verslag [...]," en De betrokken lidstaat deelt binnen vijfentwintig werkdagen na ontvangst van het schriftelijk verslag van de Commissie, zijn opmerkingen mede".
43 Volgens de Portugese regering is het rapport van het veterinaire inspectieonderzoek van juni 1999 op 14 juli 1999 naar de bevoegde Portugese autoriteiten gezonden en bij de Portugese permanente vertegenwoordiging toegekomen op 19 juli 1999, dat wil zeggen binnen de in beschikking 98/139 gestelde termijn.
44 Toen het Permanent Veterinair Comité op 16 juli 1999 vergaderde, kon het rapport betreffende het veterinaire inspectieonderzoek van juni 1999 nog niet definitief en volledig zijn, aangezien de Portugese Republiek haar opmerkingen nog niet had ingediend. Het is derhalve met inachtneming van de toepasselijke communautaire voorschriften dat de Commissie met het oog op die vergadering alleen de rapporten betreffende de twee tijdens de maanden februari tot en met april 1999 verrichte veterinaire inspectieonderzoeken heeft voorgelegd.
45 De Commissie kan niet worden verweten dat zij het Permanent Veterinair Comité te vroeg heeft bijeengeroepen, gelet op de datum van het veterinaire inspectieonderzoek van juni 1999. Er zij immers aan herinnerd dat de maatregelen van artikel 4 van beschikking 98/653 op 1 augustus 1999 kwamen te vervallen en dat in voorkomend geval vóór die datum een nieuwe beschikking moest worden vastgesteld.
46 De Commissie kan evenmin worden verweten dat zij het veterinaire inspectieonderzoek van juni 1999 niet vroeger heeft georganiseerd teneinde het definitieve en volledige rapport ervan aan het Permanent Veterinair Comité te kunnen voorleggen voordat dit comité een beslissing nam. Om dit rapport tijdig beschikbaar te kunnen stellen, had het inspectieonderzoek immers in mei 1999 moeten plaatsvinden. Het volstaat evenwel erop te wijzen dat het laatste veterinaire inspectieonderzoek waarvan het rapport aan het Permanent Veterinair Comité is voorgelegd, van 19 tot en met 23 april 1999 was verricht, en dat dit rapport - zoals de advocaat-generaal in punt 37 van zijn conclusie opmerkt - melding maakte van ernstige tekortkomingen, met name inzake de identificatie van de dieren. Dergelijke tekortkomingen hadden zeker niet in een maand kunnen worden verholpen.
47 Ten slotte zij opgemerkt dat de Commissie volgens de Portugese regering heeft voorgesteld de leden van het Permanent Veterinair Comité een mondelinge uiteenzetting te geven van het rapport betreffende het veterinaire inspectieonderzoek van juni 1999, maar dat de Portugese vertegenwoordiging zelf zich daartegen heeft verzet.
48 Met betrekking tot de periodieke rapporten die de Portugese regering overeenkomstig artikel 14 van beschikking 98/653 naar de Commissie heeft gezonden, kan worden volstaan met de vaststelling dat het gaat om documenten die geen contradictoir karakter hebben en die de Commissie niet aan de leden van het Permanent Veterinair Comité moet voorleggen.
49 Uit deze gegevens volgt dat het derde middel ongegrond is.
Het vierde middel
50 Met het vierde middel betoogt de Portugese regering dat de bestreden beschikking het evenredigheidsbeginsel schendt.
51 Zij is van mening dat een embargo op de uitvoer een maatregel is die niet in verhouding staat tot het nagestreefde doel. Op basis van een vergelijking van de situatie in Portugal met de situatie in het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland ten tijde van de vaststelling van de embargobeschikking betreffende Portugal merkt de Portugese regering op dat Portugal een kleine exporteur van vlees en vleesproducten is. Een vrij geringe uitvoer is evenwel gemakkelijker te controleren dan een omvangrijke uitvoer zoals die uit het Verenigd Koninkrijk. De Gemeenschap heeft bovendien geen enkele veiligheidsmaatregel getroffen met betrekking tot de communautaire invoer uit Zwitserland, ondanks een rapport waarin met betrekking tot dat land op verschillende tekortkomingen en gevaren in verband met BSE werd gewezen.
52 Reeds vóór de vaststelling van beschikking 98/653 bestond er in Portugal heel wat wetgeving inzake het voorkomen en uitroeien van BSE. Deze wetgeving is aangevuld en verbeterd. De details die volgens het rapport over het veterinaire inspectieonderzoek van juni 1999 nog moesten worden geregeld, waren van dien aard dat het nodig noch gerechtvaardigd was om het embargo op de uitvoer te verlengen in afwachting van de regeling van die details.
53 De Portugese regering voert dienaangaande aan dat het Voedsel- en Veterinair Bureau van de Commissie tijdens de veterinaire inspectiebezoeken die van 22 februari tot en met 3 maart 1999 en van 14 tot en met 18 juni 1999 in Portugal zijn verricht, verschillende verbeteringen in de wetgeving en de toepassing van de nationale en communautaire wettelijke regelingen heeft vastgesteld. Het Bureau was volgens haar tot de conclusie gekomen dat minder strenge maatregelen dan de verlenging van het embargo op de uitvoer tot 1 februari 2000 afdoende konden zijn, gesteld dat het nog nodig of vereist was enige maatregel te treffen.
54 Dienaangaande zij vastgesteld dat reeds bij het onderzoek van de eerste twee middelen is gebleken dat de bestreden beschikking geschikt was om het nagestreefde doel te bereiken en dat een hervatting van de uitvoer op dat ogenblik niet kon worden overwogen.
55 Met betrekking tot de controle van de uitvoer uit Portugal zij er bovendien aan herinnerd dat - zoals uit de in punt II.2.1.1 van het rapport van het veterinaire inspectieonderzoek van 22 februari tot en met 3 maart 1999 uiteengezette omstandigheden blijkt - nagenoeg geen fysieke controle van de uitvoer van rundvlees was op de punten waarop dit vlees het grondgebied verliet. Volgens punt II.2.1.1 van het rapport over het veterinaire inspectieonderzoek van juni 1999 konden dergelijke controles slechts worden verricht nadat op 21 april 1999 een overeenkomst was gesloten tussen twee directies van de Portugese administratie.
56 Aangaande de door de Portugese autoriteiten vastgestelde en toegepaste maatregelen tegen BSE volstaat het de rapporten van het Voedsel- en Veterinair Bureau van de Commissie te lezen om zich ervan te vergewissen dat de in die rapporten vermelde tekortkomingen geen details waren, in tegenstelling tot hetgeen de Portugese regering stelt.
57 Zelfs indien het voor de beoordeling van de evenredigheid van de bestreden beschikking dienstig zou zijn, wat de gevaren in verband met BSE betreft, rekening te houden met de situatie van andere lidstaten of derde landen en met de omvang van de maatregelen die de Gemeenschap ten aanzien van die landen heeft genomen, blijkt bij vergelijking van de situatie in Portugal met die in het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland hoe dan ook niet dat de bij de bestreden beschikking jegens Portugal genomen maatregel onevenredig is. De hervatting van de uitvoer van rundvlees uit het Verenigd Koninkrijk is immers slechts toegestaan nadat deze lidstaat had aangetoond dat hij een van de door de diergezondheidscode van het IOE aanbevolen uitvoerstelsels had ingevoerd. Uit een door de Portugese regering ter terechtzitting overgelegd document blijkt evenwel dat eerst in december 2000 voor de Portugese Republiek de datum is vastgesteld die in het kader van een dergelijk stelsel als referentiedatum kon worden gehanteerd. Het was derhalve materieel onmogelijk om in 1999 de hervatting van de uitvoer te overwegen.
58 Met betrekking tot Zwitserland kan worden volstaan met de vaststelling dat de BSE-incidentie er veel lager was dan in Portugal en dat in het rapport van een inspectieonderzoek dat het Voedsel- en Veterinair Bureau van de Commissie van 8 tot en met 12 februari 1999 in Zwitserland heeft verricht, geen melding werd gemaakt van even ernstige tekortkomingen als die welke tijdens de veterinaire inspectieonderzoeken in Portugal aan het licht waren gekomen.
59 Het vierde middel is bijgevolg ongegrond.
60 Gelet op bovenstaande overwegingen, moet worden vastgesteld dat de conclusies van verzoekster ongegrond voorkomen, en dat het beroep bijgevolg moet worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
61 Aangezien de Portugese Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij in haar eigen kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst de Portugese Republiek in haar eigen kosten.
Full & Egal Universal Law Academy