Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Landbouw - EOGFL - Goedkeuring van rekeningen - Weigering uitgaven ten laste te brengen die gevolg zijn van onregelmatigheden bij toepassing van gemeenschapsregeling - Betwisting door betrokken lidstaat - Bewijslast
(Verordening nr. 729/70 van de Raad)
2. Landbouw - EOGFL - Goedkeuring van rekeningen - Voorbereiding van beschikkingen - Raming van aan gemeenschapsfinanciering te onttrekken uitgaven - Begrip raming
(Verordening nr. 1663/95 van de Commissie, art. 8, lid 1)
Samenvatting
1. Hoewel het in het kader van de procedure inzake de goedkeuring van de rekeningen van het EOGFL aan de Commissie staat om schending van de regels van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten te bewijzen wanneer zij een door een lidstaat gedeclareerde uitgave niet ten laste wil nemen, is de lidstaat het best in staat om de voor de goedkeuring van de EOGFL-rekeningen benodigde gegevens te verzamelen en te verifiëren.
( cf. punt 14 )
2. Volgens de bewoordingen van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1663/95 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 729/70 aangaande de procedure inzake de goedkeuring van de rekeningen van het EOGFL, afdeling Garantie, moet de Commissie, wanneer naar haar oordeel uitgaven niet overeenkomstig de communautaire voorschriften zijn gedaan, de betrokken lidstaat in kennis stellen van een raming" van de uitgaven die zij aan gemeenschapsfinanciering wenst te onttrekken. Deze term moet, evenals de overeenkomstige termen in de verschillende taalversies, aldus worden uitgelegd dat een becijfering van de betrokken uitgaven niet noodzakelijk is en dat vermelding van de elementen aan de hand waarvan dit bedrag op zijn minst bij benadering kan worden berekend, volstaat.
( cf. punt 16 )
3. Bij de voorbereiding van de beschikkingen inzake de goedkeuring van de EOGFL-rekeningen moet de situatie van elke lidstaat afzonderlijk worden beoordeeld om vast te stellen of deze staat bij de uitvoering van de door het EOGFL gefinancierde interventies aan de door het gemeenschapsrecht gestelde eisen heeft voldaan, en in welke mate hij in voorkomend geval is tekortgeschoten. Een lidstaat kan slechts schending van het beginsel van gelijke behandeling aanvoeren wanneer de door hem aangevoerde gevallen op zijn minst vergelijkbaar zijn, gelet op de kenmerken ervan, waaronder met name de periode waarin de uitgaven zijn gedaan, de betrokken sectoren en de aard van de verweten onregelmatigheden. Er kan immers slechts sprake zijn van verboden discriminatie wanneer vergelijkbare situaties verschillend worden behandeld, tenzij dit objectief gerechtvaardigd is.
( cf. punten 26-28 )
Partijen
In zaak C-375/99,
Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door M. López-Monís Gallego als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Guerra Fernández als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een beroep, strekkende tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 1999/603/EG van de Commissie van 28 juli 1999 houdende weigering van communautaire financiering voor bepaalde uitgaven van de lidstaten in het kader van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie (PB L 234, blz. 6), voorzover hierin een forfaitaire korting van 5 % wordt toegepast op bepaalde door het Koninkrijk Spanje op de begrotingsposten 2111 (technische uitgaven), 2112 (financiële uitgaven) en 2113 (overige uitgaven) gedeclareerde bedragen in de sector openbare opslag van rundvlees,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: A. La Pergola, kamerpresident, D. A. O. Edward, P. Jann (rapporteur), S. von Bahr en C. W. A. Timmermans, rechters,
advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 maart 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 7 oktober 1999, heeft het Koninkrijk Spanje krachtens artikel 230, eerste alinea, EG verzocht om gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 1999/603/EG van de Commissie van 28 juli 1999 houdende weigering van communautaire financiering voor bepaalde uitgaven van de lidstaten in het kader van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie (PB L 234, blz. 6; hierna: bestreden beschikking"), voorzover hierin een forfaitaire korting van 5 % wordt toegepast op bepaalde door het Koninkrijk Spanje op de begrotingsposten 2111 (technische uitgaven), 2112 (financiële uitgaven) en 2113 (overige uitgaven) gedeclareerde bedragen in de sector openbare opslag van rundvlees.
Rechtskader
2 Artikel 5, lid 2, sub c, van verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 94, blz. 13), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1287/95 van de Raad van 22 mei 1995 (PB L 125, blz. 1), bepaalt:
Na raadpleging van het comité van het Fonds:
[...]
c) neemt de Commissie een besluit over de bedragen die moeten worden onttrokken aan de in de artikelen 2 en 3 bedoelde communautaire financiering, wanneer zij constateert dat de desbetreffende uitgaven niet overeenkomstig de communautaire voorschriften zijn verricht.
Voordat een besluit tot weigering van financiering wordt genomen, doet de Commissie schriftelijk mededeling van de resultaten van de verificaties, en de betrokken lidstaat van zijn antwoorden, waarna beide partijen pogen overeenstemming te bereiken over het daaraan te geven gevolg.
Indien overeenstemming uitblijft, kan de lidstaat vragen om inleiding van een procedure die de standpunten binnen vier maanden tot elkaar moet brengen; de resultaten daarvan worden neergelegd in een verslag dat aan de Commissie wordt overgemaakt en door deze instelling wordt bestudeerd voordat een besluit tot weigering van financiering wordt genomen.
De Commissie bepaalt de te onttrekken bedragen met name aan de hand van de draagwijdte van de niet met de voorschriften strokende uitvoering. De Commissie houdt daarbij rekening met de aard en de ernst van de overtreding, alsmede met de voor de Gemeenschap ontstane financiële schade.
[...]"
3 Artikel 8, lid 1, van verordening (EG) nr. 1663/95 van de Commissie van 7 juli 1995 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad aangaande de procedure inzake de goedkeuring van de rekeningen van het EOGFL, afdeling Garantie (PB L 158, blz. 6), bepaalt:
Indien de Commissie op grond van een onderzoek van mening is, dat bepaalde uitgaven niet overeenkomstig de communautaire voorschriften zijn gedaan, stelt zij de betrokken lidstaat in kennis van haar bevindingen van de correctiemaatregelen die moeten worden genomen om naleving in de toekomst te garanderen en van een raming van de uitgaven die zij op grond van artikel 5, lid 2, sub c, van verordening (EEG) nr. 729/70 kan voorstellen te onttrekken.[...]"
4 Bij beschikking 94/442/EG van de Commissie van 1 juli 1994 inzake de instelling van een bemiddelingsprocedure in het kader van de goedkeuring van de rekeningen betreffende het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie (PB L 182, blz. 45), is een bemiddelingsorgaan (hierna: bemiddelingsorgaan") ingesteld dat kan worden aangesproken door de lidstaat ten aanzien waarvan de Commissie correctiemaatregelen heeft aangekondigd voor in het kader van het EOGFL gedeclareerde uitgaven. Artikel 2, lid 2, eerste alinea, van beschikking 94/442 luidt:
Een bemiddelingsverzoek is slechts ontvankelijk indien volgens de mededeling van de Commissie waartegen bezwaar wordt gemaakt, de voor een begrotingspost verlangde financiële correctie betrekking heeft op een bedrag dat:
- hetzij hoger is dan 0,5 miljoen ecu,
- hetzij meer dan 25 % uitmaakt van de totale jaarlijkse uitgaven van de lidstaat in het kader van die begrotingspost."
Feiten
5 Op 12 juni 1998 zond de Commissie de Spaanse autoriteiten een kennisgeving krachtens artikel 8 van verordening nr. 1663/95. Zij gaf te kennen, dat blijkens de verificaties die haar diensten tussen 20 en 24 januari 1997 in Spanje in de sector openbare opslag van rundvlees hadden verricht, de sleutelcontroles inzake gewicht, indeling, aanbiedingsvorm en temperatuur bij de inspectieprocedure van de voorvoeten niet overeenkomstig de communautaire voorschriften waren uitgevoerd. Bijgevolg werd medegedeeld:
[...] bij de goedkeuring van de rekeningen voor de begrotingsjaren 1996 en 1997 zal een financiële correctie van 5 % van de door Spanje gedeclareerde uitgaven voor de posten 2111 (technische uitgaven), 2112 (financiële uitgaven) en 2113 (overige uitgaven) worden voorgesteld. Deze correctie heeft betrekking op de aankopen en de voorraden van in interventie aangeboden voorvoeten zonder dat de bijbehorende achtervoeten in interventie zijn aangeboden.
Het bedrag van de correctie zal worden berekend wanneer de Spaanse autoriteiten de in punt 1 van de bijlage bij deze brief gevraagde inlichtingen hebben verstrekt.
[...]"
6 De Commissie nodigde de Spaanse autoriteiten uit, indien zij dat opportuun achtten een bemiddelingsverzoek in te dienen krachtens beschikking 94/442.
7 Op 28 juli 1999 stelde de Commissie de bestreden beschikking vast.
Het eerste middel
8 In haar eerste middel voert de Spaanse regering aan dat de bestreden beschikking is vastgesteld in strijd met het recht van verweer en het beginsel van rechtszekerheid.
9 Zij stelt dat zij ten gevolge van de niet-vermelding van de verlangde financiële correctie in de kennisgeving van de Commissie van 12 juni 1998 niet heeft kunnen nagaan, of de in beschikking 94/442 gestelde voorwaarden voor inschakeling van het bemiddelingsorgaan vervuld waren. Zij verklaart dat haar aldus de mogelijkheid is ontnomen om zich tot dit orgaan te wenden.
10 De Spaanse regering wijst erop dat de correctie luidens de kennisgeving van 12 juni 1998 zou worden toegepast op de begrotingsposten 2111, 2112 en 2113. Aangezien de voor begrotingspost 2113 gedeclareerde uitgaven negatief waren, nam zij aan dat de Commissie geen rekening zou houden met deze begrotingspost. Bij de berekening van de bij de bestreden beschikking toegepaste financiële correctie zijn, enkel voor begrotingspost 2113, alleen de uitgaven voor de aankopen in aanmerking genomen, en niet het totaal van de gedeclareerde uitgaven. Deze financiële correctie was daardoor aanzienlijk hoger dan de correctie die bij strikte toepassing van de kennisgeving van 12 juni 1998 zou zijn toegepast, en overschreed ruimschoots de ondergrens voor indiening van een verzoek bij het bemiddelingsorgaan.
11 De Commissie betoogt dat haar diensten in het stadium van de kennisgeving van 12 juni 1998 niet in staat waren de financiële correctie nauwkeurig te berekenen, omdat zij daarvoor informatie nodig hadden waarover toen alleen de Spaanse autoriteiten beschikten. Deze waren daarentegen wel in staat de in de kennisgeving beschreven berekening te maken.
12 De Commissie wijst erop dat de kennisgeving van 12 juni 1998 weliswaar betrekking had op de begrotingsposten 2111, 2112 en 2113, maar de correctie uitdrukkelijk beperkte tot de aankopen en de opslag. In haar opmerkingen heeft zij verklaard, dat de correctie overeenkomstig de kennisgeving voor de drie posten uitsluitend op basis van de uitgaven voor aankopen en opslag was berekend. In antwoord op een vraag van het Hof heeft de Commissie deze verklaring evenwel gerectificeerd. Zij heeft toegegeven, bij de berekening van de correctie voor de posten 2112 en 2113 inderdaad alleen rekening te hebben gehouden met de uitgaven voor aankoop en opslag, maar voor post 2111 ook de uitgaven in verband met de verkopen in aanmerking te hebben genomen. Deze vergissing zou echter slechts beperkte financiële consequenties hebben gehad, namelijk een aanvullende correctie van ongeveer 57 278 ESP.
13 Vooraf zij eraan herinnerd, dat het EOGFL enkel interventies financiert die volgens de communautaire voorschriften in het kader van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten plaatsvinden (zie arresten van 11 januari 2001, Griekenland/Commissie, C-247/98, Jurispr. blz. I-1, punt 7, en 6 maart 2001, Nederland/Commissie, C-278/98, Jurispr. blz. I-1501, punt 38).
14 Hoewel het aan de Commissie staat om schending van de regels van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten te bewijzen (reeds aangehaalde arresten Griekenland/Commissie, punt 7, en Nederland/Commissie, punt 39), is bij de bepaling van de last van dat bewijs in de rechtspraak van het Hof rekening gehouden met de omstandigheid, dat de lidstaat het best in staat is de voor de goedkeuring van de EOGFL-rekeningen benodigde gegevens te verzamelen en te verifiëren (reeds aangehaalde arresten Griekenland/Commissie, punten 8 en 9, en Nederland/Commissie, punten 40 en 41).
15 De grieven van de Spaanse regering tegen de procedure volgens welke de Commissie de bestreden beschikking heeft vastgesteld, dienen te worden onderzocht in het licht van deze overwegingen.
16 Wanneer naar het oordeel van de Commissie bepaalde uitgaven niet overeenkomstig de communautaire voorschriften zijn gedaan, moet zij volgens de enkele bewoordingen van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1663/95 de betrokken lidstaat in kennis stellen van een raming" van de uitgaven die zij aan gemeenschapsfinanciering wenst te onttrekken. Deze term moet, evenals de overeenkomstige termen in de diverse taalversies, aldus worden uitgelegd dat een becijfering van de betrokken uitgaven niet noodzakelijk is en dat vermelding van de elementen aan de hand waarvan dit bedrag op zijn minst bij benadering kan worden berekend, volstaat.
17 Deze letterlijke uitlegging wordt gestaafd door de omstandigheid dat, zoals zojuist in herinnering is gebracht, de lidstaat het best in staat is om de voor de goedkeuring van de EOGFL-rekeningen benodigde gegevens te verzamelen en te verifiëren.
18 In casu vermeldde de Commissie in haar kennisgeving van 12 juni 1998 aan het Koninkrijk Spanje zowel het forfaitaire percentage van de voorgestelde correctie, te weten 5 %, als de begrotingsposten waarop deze zou worden toegepast, namelijk de posten 2111, 2112 en 2113. Ook vermeldde zij uitdrukkelijk, dat de correctie betrekking zou hebben op de aankopen en de voorraden van in interventie aangeboden voorvoeten, zonder dat de bijbehorende achtervoeten in interventie zijn aangeboden".
19 Anders dan de Spaanse regering betoogt, gaf deze laatste indicatie juist aan, welke uitgaven voor de betrokken begrotingsposten in aanmerking zouden worden genomen. De duidelijkheid van de zaak lag overigens te meer voor de hand, nu bij de verificaties waarop de Commissie in haar kennisgeving doelde, was nagegaan of de gemeenschapsvoorschriften inzake openbare opslag van rundvlees werden nageleefd.
20 Hieruit volgt, dat de in de kennisgeving van 12 juni 1998 vervatte informatie toereikend was om de Spaanse regering, die over de gegevens betreffende de betrokken uitgaven beschikte, in staat te stellen het bedrag van de voorgestelde correctie op zijn minst bij benadering te berekenen.
21 De vaststelling dat de in de kennisgeving van 12 juni 1998 vervatte informatie toereikend was om de Spaanse regering in staat te stellen, de omvang van de financiële gevolgen van de voorgenomen correctie te kennen en tijdig haar verweer voor te bereiden, wordt niet ontkracht door de omstandigheid dat de Commissie, zoals zij in haar antwoord op de vraag van het Hof heeft toegegeven, de correctie met betrekking tot begrotingspost 2111 ten onrechte op basis van alle gedeclareerde uitgaven heeft berekend. Toen de Spaanse autoriteiten moesten beoordelen, of het al dan niet noodzakelijk was het bemiddelingsorgaan in te schakelen, was deze vergissing, die slechts geringe financiële implicaties had, hoe dan ook irrelevant.
22 Bijgevolg was de Spaanse regering in staat te beoordelen, of de voorwaarden waaronder volgens artikel 2, lid 2, tweede alinea, van beschikking 94/442 het bemiddelingsorgaan kon worden ingeschakeld, al dan niet vervuld waren.
23 Het middel inzake schending van het recht van verweer en van het beginsel van rechtszekerheid moet dan ook worden afgewezen.
Het tweede middel
24 Met haar tweede middel voert de Spaanse regering aan, dat de bestreden beschikking is vastgesteld in strijd met het beginsel van gelijke behandeling.
25 Zij stelt dat de haar verweten tekortkomingen vergelijkbaar zijn met die welke in het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Bondsrepubliek Duitsland zijn vastgesteld, terwijl aan deze laatste lidstaten minder strenge straffen zijn opgelegd.
26 Dienaangaande moet in de eerste plaats worden opgemerkt, dat om vast te stellen of de betrokken lidstaat bij de uitvoering van de door het EOGFL gefinancierde interventies aan de door het gemeenschapsrecht gestelde eisen heeft voldaan, en om na te gaan in welke mate hij in voorkomend geval is tekortgeschoten, in beginsel elk geval afzonderlijk moet worden bezien (arrest van 18 mei 2000, België/Commissie, C-242/97, Jurispr. blz. I-3421, punt 129).
27 Dat betekent niet, dat een lidstaat niet het recht heeft schending van het beginsel van gelijke behandeling aan te voeren. Hij kan dat echter slechts voorzover de door hem aangevoerde gevallen op zijn minst vergelijkbaar zijn, gelet op de kenmerken ervan, waaronder met name de periode waarin de uitgaven zijn gedaan, de betrokken sectoren en de aard van de verweten onregelmatigheden (arrest België/Commissie, reeds aangehaald, punt 130).
28 In de tweede plaats zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak slechts sprake kan zijn van verboden discriminatie wanneer vergelijkbare situaties verschillend worden behandeld, tenzij dit objectief gerechtvaardigd is (zie met name arrest België/Commissie, reeds aangehaald, punt 131).
29 In casu blijkt uit het syntheseverslag over de resultaten van de controles voor de goedkeuring van de rekeningen van het EOGFL, afdeling Garantie, krachtens artikel 5, lid 2, sub c, van verordening nr. 729/70 wat betreft openbare opslag van rundvlees, tabak, overschrijding van de betalingstermijnen, openbare opslag van granen, groenten en fruit, akkerbouwgewassen, de betrouwbaarheidsverklaring (DAS), vlees en vis (document VI/4777/99), dat de vastgestelde tekortkomingen in het Koninkrijk Spanje qua aard en ernst verschilden van die in het Verenigd Koninkrijk en de Bondsrepubliek Duitsland. Om de door de advocaat-generaal in de punten 46 en 47 van zijn conclusie uiteengezette redenen waren de betrokken situaties dus niet vergelijkbaar.
30 Het middel inzake schending van het beginsel van gelijke behandeling moet dan ook worden afgewezen.
31 Gelet op bovenstaande overwegingen moet het beroep van het Koninkrijk Spanje worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
32 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dit is gevorderd. Aangezien het Koninkrijk Spanje in het ongelijk is gesteld, dient het overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst het Koninkrijk Spanje in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy