Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Melk en zuivelproducten - Extra heffing op melk - Regels betreffende overdracht van referentiehoeveelheden bij verstrijken van pachtovereenkomst betreffende bedrijf - Overdracht van referentiehoeveelheid aan verpachter bij teruggave van gepachte gronden - Voorwaarden - Verpachter die producent is - Producent" - Begrip
(Verordening nr. 3950/92 van de Raad, art. 7, lid 2, en 9, sub c)
Samenvatting
$$Artikel 7, lid 2, van verordening nr. 3950/92 tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelproducten moet aldus worden uitgelegd dat bij het verstrijken van een pachtovereenkomst betreffende een melkbedrijf de daaraan verbonden referentiehoeveelheid alleen dan geheel of gedeeltelijk aan de verpachter kan worden overgedragen wanneer deze producent" is in de zin van artikel 9, sub c, van deze verordening dan wel bij het verstrijken van de pachtovereenkomst de beschikbare referentiehoeveelheid overdraagt aan een derde die deze hoedanigheid bezit. Voor de toekenning van de relevante referentiehoeveelheden aan de verpachter overeenkomstig artikel 7, lid 2, van verordening nr. 3950/92 volstaat het dat de verpachter op bedoelde datum het bewijs levert van concrete voorbereidingen om op zeer korte termijn de activiteit van producent" in de zin van artikel 9, sub c, van deze verordening uit te oefenen.
( cf. punt 46 en dictum )
Partijen
In zaak C-401/99,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het Schleswig-Holsteinische Oberverwaltungsgericht (Duitsland), in het aldaar aanhangige geding tussen
Peter Heinrich Thomsen
en
Amt für ländliche Räume Husum,
in tegenwoordigheid van:
Helga Henningsen,
Ute Henningsen
en
Peter Henningsen,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 7, lid 2, en 9, sub c, van verordening (EEG) nr. 3950/92 van de Raad van 28 december 1992 tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelproducten (PB L 405, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: N. Colneric, president van de Tweede kamer, waarnemend voor de president van de Zesde kamer, C. Gulmann en V. Skouris (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: P. Léger,
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- P. H. Thomsen, vertegenwoordigd door U. Jensen, Rechtsanwalt,
- Amt für ländliche Räume Husum, vertegenwoordigd door B. Mildenstein als gemachtigde,
- H. Henningsen, U. Henningsen en P. Henningsen, vertegenwoordigd door A. Piltz, Rechtsanwalt,
- de Duitse regering, vertegenwoordigd door W.-D. Plessing en B. Muttelsee-Schön als gemachtigden,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Niejahr als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van P. H. Thomsen, de Duitse regering en de Commissie, ter terechtzitting van 7 juni 2001,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 september 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 22 september 1999, ingekomen ter griffie van het Hof op 18 oktober daaraanvolgend, heeft het Schleswig-Holsteinische Oberverwaltungsgericht krachtens artikel 234 EG drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 7, lid 2, en 9, sub c, van verordening (EEG) nr. 3950/92 van de Raad van 28 december 1992 tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelproducten (PB L 405, blz. 1).
2 Deze vragen zijn gerezen in het kader van een geding tussen P. H. Thomsen en het Amt für ländliche Räume Husum over een besluit van het Amt, waarbij de referentiehoeveelheden die zijn verbonden aan een door Thomsen gepacht melkbedrijf, na het verstrijken van de pachtovereenkomst zijn toegewezen aan H., U. en P. Henningsen, die door vererving eigenaar zijn geworden van dit bedrijf.
Toepasselijke bepalingen
Bepalingen van gemeenschapsrecht
3 In 1984 is wegens een aanhoudend onevenwicht tussen vraag en aanbod in de zuivelsector een extra heffing op melk ingesteld bij verordening (EEG) nr. 856/84 van de Raad van 31 maart 1984 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (PB L 90, blz. 10). Volgens artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 (PB L 148, blz. 13), zoals gewijzigd bij verordening nr. 856/84, is een extra heffing verschuldigd voor de hoeveelheden melk die een vast te stellen referentiehoeveelheid overschrijden.
4 De algemene voorschriften voor de toepassing van de extra heffing zijn vastgesteld in verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelproducten (PB L 90, blz. 13).
5 Verordening nr. 857/84 is ingetrokken bij verordening nr. 3950/92, waarbij deze regeling inzake de extra heffing is verlengd tot 1 april 2000, terwijl aanvankelijk was bepaald dat zij zou gelden tot 1 april 1993.
6 Artikel 5, tweede alinea, van verordening nr. 3950/92 bepaalt:
[...] de referentiehoeveelheden die ter beschikking staan van de producenten die gedurende een periode van twaalf maanden geen melk of andere zuivelproducten in de handel hebben gebracht, worden gevoegd bij de nationale reserve en kunnen overeenkomstig de eerste alinea opnieuw worden toegewezen. Wanneer de producent de productie van melk of andere zuivelproducten hervat binnen een door de lidstaat vast te stellen termijn, wordt hem uiterlijk op de eerste april volgende op de datum van zijn verzoek, een referentiehoeveelheid toegekend overeenkomstig artikel 4, lid 1."
7 Artikel 7 van verordening nr. 3950/92 bepaalt:
1. In geval van verkoop, verhuur of overgang door vererving wordt de op een bedrijf beschikbare referentiehoeveelheid samen met het bedrijf overgedragen aan de producent die het bedrijf overneemt, op de wijze die door de lidstaten wordt bepaald rekening houdend met de voor de melkproductie gebruikte oppervlakten of met andere objectieve criteria en, in voorkomend geval, met de overeenkomst tussen de partijen. Het gedeelte van de referentiehoeveelheid dat in voorkomend geval niet samen met het bedrijf wordt overgedragen, wordt aan de nationale reserve toegevoegd.
[...]
2. Bij ontstentenis van een overeenkomst tussen de partijen worden in geval van het verstrijken van een pachtovereenkomst die niet op soortgelijke voorwaarden kan worden verlengd of in situaties met vergelijkbare rechtsgevolgen, de op het betrokken bedrijf beschikbare referentiehoeveelheden geheel of ten dele overgedragen aan de producent die het bedrijf overneemt, volgens door de lidstaten vastgestelde of nog vast te stellen bepalingen en met inachtneming van de legitieme belangen van de partijen."
8 Op grond van artikel 8, eerste alinea, eerste streepje, van verordening nr. 3950/92 kunnen de lidstaten aan producenten die zich ertoe verbinden de melkproductie geheel of gedeeltelijk definitief te staken, een vergoeding toekennen die in een of meer jaarlijkse tranches wordt betaald, en de aldus vrijgekomen referentiehoeveelheden aan de nationale reserve toevoegen".
9 Artikel 9, sub c, van verordening nr. 3950/92, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1560/93 van de Raad van 14 juni 1993 (PB L 154, blz. 30), omschrijft het begrip producent als volgt:
In deze verordening wordt verstaan onder:
[...]
c) ,producent: de landbouwexploitant, natuurlijke of rechtspersoon of groepering van natuurlijke of rechtspersonen, waarvan het bedrijf op het geografische grondgebied van een lidstaat is gevestigd,
- die melk of andere zuivelproducten rechtstreeks aan de consument verkoopt,
- en/of levert aan de koper."
Bepalingen van nationaal recht
10 De Bondsrepubliek Duitsland heeft de overdracht van referentiehoeveelheden geregeld bij de Milchgarantiemengenverordnung (Duitse regeling betreffende de gegarandeerde hoeveelheden melk) van 21 maart 1994 (BGBl. 1994 I, blz. 586), zoals gewijzigd bij de 31e Änderungsverordnung van 3 augustus 1994 (BGBl. 1994 I, blz. 2050) en de 32e Änderungsverordnung van 26 september 1994 (BGBl. 1994 I, blz. 2575; hierna: MGV").
11 Volgens § 7, lid 2, MGV wordt bij de overdracht van een deel van een bedrijf op basis van een pachtovereenkomst een overeenkomstige referentiehoeveelheid overgedragen aan de pachter. Dit deel stemt overeen met de verhouding van de voor de melkproductie gebruikte oppervlakte van het overgedragen deel van het bedrijf tot de totale oppervlakte ervan.
12 Indien de pachter geen recht heeft op verlenging van de pachtovereenkomst en hij de melkproductie wil voortzetten, wordt volgens § 7, lid 4, MGV de helft van de overeenkomstige referentiehoeveelheid, doch ten hoogste 2 500 kg per hectare aan de verpachter overgedragen. Deze beperking geldt niet wanneer de verpachter de referentiehoeveelheden nodig heeft voor de melkproductie, ten behoeve van de verpachter zelf, zijn echtgenote of zijn kinderen.
13 Volgens § 9 MGV moet de melkproducent de koper een door de bevoegde dienst van de deelstaat, in casu het Amt für ländliche Räume Husum, afgegeven verklaring ter hand stellen, waaruit blijkt welke referentiehoeveelheid op welk tijdstip aan hem is overgedragen, van welke melkproducent ze afkomstig is, en wat het referentievetgehalte ervan is.
14 Wanneer de verpachter de gronden onmiddellijk aan een nieuwe pachter overdraagt, wordt eerst voor de overdracht van de referentiehoeveelheden van de voormalige pachter aan de verpachter een verklaring opgesteld, en wordt dan door de bevoegde instantie een tweede verklaring opgesteld, voor de overdracht van de referentiehoeveelheden van de verpachter aan de nieuwe pachter.
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
15 Thomsen exploiteerde sinds 1 juli 1982 een zuivelbedrijf, aanvankelijk samen met zijn vader, in de vorm van een vennootschap naar burgerlijk recht, en na de ontbinding van deze vennootschap, alleen. Ingevolge een overeenkomst van 30 april 1981 met Henningsen, pachtte Thomsens vader 34,29 ha landbouwgrond voor een periode die op 30 september 1993 afliep. Henningsen overleed in 1991 en zijn erfgenamen, H., U. en P. Henningsen, de in het hoofdgeding geroepen partijen, zegden bij brief van 20 augustus 1993 de pachtovereenkomst met onmiddellijke ingang op. Voor het bevoegde Landwirtschaftsgericht, dat daarvan akte heeft verleend, kwam een vergelijk tot stand dat met name inhield dat de pachtovereenkomst werd verlengd tot 30 september 1995, op welke datum Thomsen zijn gepachte grond aan de erfgenamen van Henningsen heeft teruggegeven.
16 Door deze erfgenamen op 24 november 1995 daarom verzocht, heeft het Amt für ländliche Räume Husum bij besluit van 16 januari 1996 verklaard, dat met ingang van 1 oktober 1995 een referentiehoeveelheid van 85 725 kg werd overgedragen aan deze erfgenamen als verpachters van een deel van het bedrijf, welke hoeveelheid overeenstemt met een netto-landbouwareaal van 34,29 ha. Dit besluit werd vastgesteld op grond van § 7, leden 2 en 4, MGV.
17 Nadat het Amt, verweerder in het hoofdgeding, zijn bezwaarschrift had afgewezen, stelde Thomsen bij het bevoegde Verwaltungsgericht beroep in tot nietigverklaring van het besluit van 16 januari 1996, in de vorm van de beschikking op bezwaar van 14 februari 1996. Hij betoogde dat overeenkomstig de relevante gemeenschapsrechtelijke bepalingen een referentiehoeveelheid enkel aan een melkproducent kon worden overgedragen. Volgens hem hebben de erfgenamen van Henningsen zich nooit met de melkproductie beziggehouden, en waren zij evenmin voornemens om in de toekomst de betrokken gronden voor melkproductie te gebruiken.
18 Bij vonnis van 23 maart 1998 verwierp het bevoegde Verwaltungsgericht Thomsens beroep op grond dat, gelet op de andere bepalingen van verordening nr. 3950/92, het begrip producent" in artikel 7, lid 2, van deze verordening ruim moet worden uitgelegd en zowel de voormalige als de potentiële producenten omvat. Volgens deze rechterlijke instantie moet onder melkproducent" worden verstaan eenieder die recht heeft op een referentiehoeveelheid, ook indien hij op de relevante datum geen melk verkoopt of levert.
19 Thomsen heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. Deze wijst erop dat volgens de uitlegging van het Verwaltungsgericht het begrip producent" in de zin van artikel 9, sub c, van verordening nr. 3950/92 zowel de voormalige melkproducenten als de toekomstige, en dus potentiële producenten" omvat.
20 De verwijzende rechter heeft twijfels over deze uitlegging. Volgens hem zijn de bewoordingen van artikel 9, sub c, van verordening nr. 3950/92 duidelijk, en houdt een letterlijke uitlegging van deze bepaling in dat overeenkomstig artikel 7 van verordening nr. 3950/92 een overdracht van referentiehoeveelheden slechts kan plaatsvinden, wanneer de rechthebbende die het bedrijf overneemt op de datum van overdracht reeds melkproducent is, of in ieder geval op die datum melkproducent wordt.
21 Daarentegen is niet voldaan aan de criteria van artikel 7 van verordening nr. 3950/92 wanneer bepaalde delen van een bedrijf waaraan referentiehoeveelheden zijn verbonden, door koop, pacht of teruggave van gepachte gronden worden overgedragen aan iemand die geen producent is en die niet voornemens is de melkproductie voort te zetten of de gronden daartoe ter beschikking van derden te stellen. De verwijzende rechter voegt hier dienaangaande aan toe, dat toen verordening nr. 857/84 van kracht was, het Bundesverwaltungsgericht (Duitsland) erkende dat er in het kader van deze verordening eveneens sprake kon zijn van een voorlopige verwerving", die in een verklaring kon worden opgenomen. Een dergelijke uitlegging is echter moeilijk verenigbaar met de bewoordingen van verordening nr. 3950/92.
22 Volgens de verwijzende rechter is de letterlijke toepassing van artikel 7 in samenhang met artikel 9, sub c, van verordening nr. 3950/92 in overeenstemming met de doelstellingen van deze verordening. Tegelijkertijd moet worden bedacht, dat het blijkens de MGV de bedoeling van de wetgever was om referentiehoeveelheden toe te kennen aan producenten die ze voor de exploitatie van hun gronden nodig hebben. De uitvoeringsbepalingen in de MGV wijzen er evenwel op dat de Duitse wetgever artikel 7 van verordening nr. 3950/92 anders begrijpt.
23 Tegen deze juridische en feitelijke achtergrond heeft het Schleswig-Holsteinische Oberverwaltungsgericht besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
1) Moet artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 3950/92 van de Raad van 28 december 1992 tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelproducten aldus worden uitgelegd, dat bij het verstrijken van een pachtovereenkomst de beschikbare referentiehoeveelheden van het betrokken bedrijf volgens de door de lidstaten vastgestelde of nog vast te stellen bepalingen en met inachtneming van de legitieme belangen van de partijen alleen dan geheel of gedeeltelijk kunnen worden overgedragen, wanneer de verpachters ten tijde van de teruggave producent zijn in de zin van artikel 9, sub c, van verordening (EEG) nr. 3950/92?
2) Zo het begrip producent in artikel 7, lid 2, ruimer moet worden uitgelegd, kan in dergelijke gevallen ook dan een overdracht plaatsvinden wanneer de verpachters niet voornemens zijn zich met de melkproductie bezig te houden, doch de referentiehoeveelheden tezamen met de gronden aan derden willen overdragen?
3) Zo ja: moeten dan in ieder geval de derden aan wie zij de referentiehoeveelheden zullen overdragen, producent zijn in de zin van artikel 9, sub c?"
De prejudiciële vragen
24 Met zijn drie vragen, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 7, lid 2, van verordening nr. 3950/92 aldus moet worden uitgelegd, dat bij het verstrijken van een pachtovereenkomst betreffende een melkbedrijf de daaraan verbonden referentiehoeveelheid niet enkel geheel of gedeeltelijk aan de verpachter kan worden overgedragen wanneer deze bij het verstrijken van de pachtovereenkomst zelf melkproducent is, maar tevens wanneer hij zich ertoe verbindt melkproducent te worden of de beschikbare referentiehoeveelheid overdraagt aan een derde die melkproducent is.
Bij het Hof ingediende opmerkingen
25 Volgens Thomsen kunnen overeenkomstig artikel 7, lid 2, van verordening nr. 3950/92 bij het verstrijken van een pachtovereenkomst de bij de betrokken gronden horende referentiehoeveelheden slechts aan de verpachter worden overgedragen wanneer die zelf producent is in de zin van artikel 9, sub c, van deze verordening.
26 Zelfs indien een ruimere, van de omschrijving in artikel 9, sub c, van verordening nr. 3950/92 afwijkende uitlegging van het begrip producent zou kunnen worden overwogen, zou dit volgens hem enkel gebeuren om te ontsnappen aan rechtsgevolgen die door de gemeenschapswetgever duidelijk niet waren gewild. Dat is in het hoofdgeding echter niet het geval. Dienaangaande merkt Thomsen op dat uit verschillende bepalingen van verordening nr. 3950/92 duidelijk blijkt, dat het doel van deze verordening erin bestaat de vóór de vaststelling ervan bestaande melkproductie ongewijzigd te laten en voorts de concurrentiepositie van de actieve bedrijven met ontwikkelingsmogelijkheden te verbeteren. Deze verordening strekt er niet toe het bezit van grondeigenaren te vergroten en hen bijkomende activa te verschaffen, wanneer zij, zoals de erfgenamen van Henningsen, niet de hoedanigheid van melkproducent hebben en niet voornemens zijn zich met melkproductie bezig te houden.
27 Het Amt für ländliche Räume Husum, de erfgenamen van Henningsen evenals de Duitse regering stellen in wezen, dat de lidstaten op grond van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 3950/92 bepalingen kunnen vaststellen, volgens welke bij het verstrijken van pachtovereenkomsten de beschikbare referentiehoeveelheden aan de verpachters worden overgedragen, zelfs indien deze bij het verstrijken van de pacht geen melkproducent zijn. In het kader van dit artikel 7, lid 2, moet volgens hen het begrip producent aldus worden uitgelegd, dat het zowel de vroegere als de toekomstige melkproducenten omvat. Tot staving van hun betoog beroepen zij zich met name op de artikelen 5, tweede alinea, en 8, eerste alinea, eerste streepje, van verordening nr. 3950/92, waaruit volgens hen blijkt dat onder bepaalde voorwaarden referentiehoeveelheden eveneens aan toekomstige producenten kunnen worden overgedragen.
28 De erfgenamen van Henningsen voegen hieraan toe, dat artikel 9, sub c, van verordening nr. 3950/92 er niet toe strekt de rechten op teruggave van gronden te beperken of de groep personen vast te stellen waaraan een referentiehoeveelheid kan worden overgedragen. De omschrijving van het begrip producent in deze bepaling dient immers enkel om te bepalen wie de extra heffing is verschuldigd. Zij stellen dat het beginsel van de grondgebonden referentiehoeveelheden, en dus het beginsel van de overdracht van de referentiehoeveelheden aan de verpachter ingeval van teruggave van de gepachte gronden, hun rechtvaardiging vinden in de bescherming van het gewettigd vertrouwen, omdat elke verpachter bij het sluiten van de pachtovereenkomst kan overwegen om eventueel na de teruggave van de gepachte gronden de melkproductie voort te zetten.
29 Zij concluderen bijgevolg dat overeenkomstig artikel 7, lid 2, van verordening nr. 3950/92 de aan de betrokken gronden verbonden referentiehoeveelheden bij het verstrijken van de pachtovereenkomsten worden overgedragen aan de verpachters, zowel wanneer deze op die datum geen melkproducent zijn of niet voornemens zijn zich met melkproductie bezig te houden, als wanneer zij deze gronden door verkoop of verhuur willen overdragen aan een derde die op het tijdstip van deze transactie geen melkproducent is.
30 Wat dat laatste punt betreft, is de Duitse regering het daarentegen niet eens met de zienswijze van de erfgenamen van Henningsen. Zij betoogt dat een overdracht van de referentiehoeveelheden aan de verpachter mogelijk is wanneer deze zelf de melkproductie niet wil voortzetten, doch enkel wanneer hij de referentiehoeveelheden mét de gronden aan een derde wil overdragen. In dat geval moet de uiteindelijke overnemer van de gronden een producent zijn in de zin van artikel 9, sub c, van verordening nr. 3950/92.
31 Hoofdzakelijk onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof, en met name de arresten van 15 januari 1991, Ballmann (C-341/89, Jurispr. blz. I-25) en 17 april 1997, EARL de Kerlast (C-15/95, Jurispr. blz. I-1961), geeft de Commissie in overweging op de drie prejudiciële vragen te antwoorden, dat bij het verstrijken van een pachtovereenkomst de op het betrokken bedrijf beschikbare referentiehoeveelheid slechts geheel of gedeeltelijk kan worden overgedragen aan de overnemer van het bedrijf - ongeacht of het de verpachter is dan wel een nieuwe pachter -, volgens door de lidstaten vastgestelde of nog vast te stellen bepalingen en met inachtneming van de legitieme belangen van de partijen, wanneer deze overnemer op de datum van deze overname producent is in de zin van artikel 9, sub c, van verordening nr. 3950/92.
Antwoord van het Hof
32 Allereerst moet eraan worden herinnerd, dat uit de algemene opzet van de regeling inzake de extra heffing op melk voortvloeit, dat een landbouwexploitant producent moet zijn om een referentiehoeveelheid te kunnen krijgen. Om een ter zake dienend antwoord op de gestelde vragen te kunnen geven, moet derhalve worden uitgegaan van het begrip producent in de zin van die regeling, dat in casu is omschreven in artikel 9, sub c, van verordening nr. 3950/92 (arrest Ballmann, reeds aangehaald, punt 9).
33 Dienaangaande volgt uit de rechtspraak van het Hof, dat ingeval van verhuur in de zin van de artikel 7, lid 1, van verordening nr. 3950/92, de pachter slechts recht heeft op de aan de gronden van het bedrijf verbonden referentiehoeveelheid, voorzover hij, als landbouwexploitant, de hoedanigheid van producent in de zin van artikel 9, sub c, van deze verordening heeft. Evenzo moet bij de overdracht van een reeds toegekende referentiehoeveelheid de cessionaris die de gronden overneemt, deze hoedanigheid van producent hebben om in aanmerking te komen voor overdracht van de eraan verbonden referentiehoeveelheid (zie in die zin arrest EARL de Kerlast, reeds aangehaald, punt 24).
34 Hoewel deze rechtspraak betrekking heeft op artikel 7, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 3590/92, dat enkel de overdracht regelt van referentiehoeveelheden aan de pachter in geval van pacht, en aan de cessionaris in geval van verkoop of vererving, moet toch worden erkend dat aan deze bepaling en aan lid 2 van dit artikel 7 geen andere uitlegging kan worden gegeven met betrekking tot de regels inzake overdracht van de referentiehoeveelheid.
35 Dienaangaande moet eveneens worden vastgesteld, in de eerste plaats, dat zowel artikel 7, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 3950/92 als lid 2 van deze bepaling juist verwijst naar overdrachten van de beschikbare referentiehoeveelheid (referentiehoeveelheden) aan de producent die het bedrijf overneemt". Het ware strijdig met het rechtszekerheidsbeginsel om twee in wezen identiek geformuleerde bepalingen, die bovendien in hetzelfde artikel van een gemeenschapsverordening staan, verschillend uit te leggen.
36 In de tweede plaats vindt de noodzaak van een gelijklopende uitlegging van de twee leden van artikel 7 van verordening nr. 3950/92, steun in de omstandigheid dat de koper en de erfgenaam van een bedrijf, als bedoeld in lid 1, eerste alinea, van deze bepaling, zich in een nagenoeg identieke situatie bevinden als een verpachter, aangezien deze laatste in de regel eigenaar is van het bedrijf.
37 In de derde plaats kan het begrip producent" in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 3950/92 niet worden geacht een andere inhoud te hebben dan het begrip producent in artikel 9, sub c, van deze verordening, aangezien in deze laatste bepaling is gepreciseerd dat de daarin opgenomen omschrijvingen gelden voor de toepassing van deze verordening".
38 In de vierde plaats heeft, anders dan de erfgenamen van Henningsen en de Duitse regering stellen, het in artikel 7, lid 1, van verordening nr. 3950/92 neergelegde beginsel dat de overdracht van een referentiehoeveelheid moet samengaan met de overdracht van de gronden van het bedrijf waaraan zij is verbonden, niet tot gevolg dat de voorheen aan de pachter toekomende referentiehoeveelheid ook dan aan de verpachter kan worden overgedragen, wanneer de verpachter geen producent is.
39 Voormeld beginsel is integendeel slechts het noodzakelijk uitvloeisel van het uit de algemene opzet van de regeling inzake de extra heffing op melk voortvloeiende fundamentele beginsel, dat in punt 32 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, en volgens hetwelk een landbouwexploitant melkproducent moet zijn om een referentiehoeveelheid te kunnen krijgen. Met andere woorden beoogt het beginsel dat de referentiehoeveelheid slechts wordt overgedragen met het bedrijf waaraan zij is verbonden, te verhinderen dat referentiehoeveelheden niet worden gebruikt om melk te produceren of op de markt te brengen, doch wel om de handelswaarde van deze referentiehoeveelheden te gelde te maken (zie in die zin arrest van heden, Mulligan e.a., C-313/99, Jurispr. blz. I-5719, punt 30).
40 Wat het betoog van de Duitse regering betreft, volgens hetwelk uit het arrest van 23 januari 1997, St. Martinus Elten (C-463/93, Jurispr. blz. I-255), volgt dat bij het verstrijken van een pachtovereenkomst de aan het betrokken bedrijf verbonden referentiehoeveelheid aan de verpachter toekomt, zonder dat deze producent moet zijn in de zin van artikel 9, sub c, van verordening nr. 3950/92, kan worden volstaan met eraan te herinneren, dat het Hof zich in dit arrest enkel moest uitspreken over de vraag welke regeling op de referentiehoeveelheid van toepassing is wanneer bij het verstrijken van een pachtovereenkomst de pachter niet voornemens is de melkproductie voort te zetten. Een dergelijk arrest is dus niet relevant voor het hoofdgeding.
41 Bijgevolg moet de conclusie luiden, dat overeenkomstig artikel 7, lid 2, van verordening nr. 3950/92 bij het verstrijken van een pachtovereenkomst betreffende een melkbedrijf, de daaraan verbonden referentiehoeveelheid in beginsel slechts geheel of gedeeltelijk aan de verpachter kan toekomen wanneer hij producent is in de zin van artikel 9, sub c, van deze verordening.
42 Dit artikel 7, lid 2, kan evenwel niet aldus worden uitgelegd, dat het uitsluit dat de verpachter het bedrijf met de daaraan verbonden referentiehoeveelheden overdraagt aan een derde, wanneer hij niet voornemens is om bij het verstrijken van de pachtovereenkomst zelf de melkproductie of -verkoop voort te zetten. Er zij immers aan herinnerd, dat deze bepaling niet specifiek verwijst naar verpachters", maar naar producenten" die het bedrijf overnemen. Deze bepaling sluit bijgevolg niet uit dat de verpachter op die datum het bedrijf met het geheel of een deel van de daarbij horende referentiehoeveelheden overdraagt aan een derde, met name door verkoop of verhuur. In een dergelijk geval moet deze derde die het bedrijf overneemt" in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 3950/92, de hoedanigheid van producent in de zin van artikel 9, sub c, van deze verordening bezitten.
43 Hieraan moet nog worden toegevoegd dat, hoewel de modaliteiten van een dergelijke overdracht bij gebreke van specifieke bepalingen in verordening nr. 3950/92 door de wetgeving van de lidstaten moeten worden vastgesteld, een voorlopige verwerving van referentiehoeveelheden door de verpachter vanuit gemeenschapsrechtelijk oogpunt slechts kan worden aanvaard voorzover zij noodzakelijk is en van een zo kort mogelijk duur. De eventuele voorlopige toekenning van referentiehoeveelheden voor een lange periode aan verpachters die niet voornemens zijn zich met de melkproductie bezig te houden, zou immers strijdig zijn met de algemene opzet van de regeling inzake de extra heffing op melk, evenals met het beginsel dat een landbouwexploitant melkproducent moet zijn om een referentiehoeveelheid te krijgen.
44 Tot slot moet eveneens worden onderzocht op welke datum precies de verpachter, die na het verstrijken van de pachtovereenkomst een melkbedrijf overneemt en zich met de melkproductie wil gaan bezighouden, de hoedanigheid van producent in de zin van artikel 9, sub c, van verordening nr. 3950/92 moet bezitten om in aanmerking te komen voor de aan dit bedrijf verbonden referentiehoeveelheden.
45 Dienaangaande bevat verordening nr. 3950/92 geen enkele uitdrukkelijke bepaling. Er zij evenwel op gewezen dat artikel 7, lid 2, van deze verordening niet aldus kan worden uitgelegd, dat de verpachter precies op de datum van het verstrijken van de pachtovereenkomst de hoedanigheid van melkproducent moet hebben om het betrokken bedrijf met de daaraan verbonden referentiehoeveelheden te kunnen overnemen. In het bijzonder gelet op het hoofddoel van deze bepaling, namelijk verhinderen dat referentiehoeveelheden worden toegekend aan personen die daaruit een louter financieel voordeel willen halen, volstaat het immers dat de verpachter op de bedoelde datum het bewijs levert van concrete voorbereidingen om zich op zeer korte termijn met de melkproductie bezig te houden.
46 Gelet op een en ander, dient het antwoord op de prejudiciële vragen dus te luiden, dat artikel 7, lid 2, van verordening nr. 3950/92 aldus moet worden uitgelegd, dat bij het verstrijken van een pachtovereenkomst betreffende een melkbedrijf de daaraan verbonden referentiehoeveelheid alleen dan geheel of gedeeltelijk aan de verpachter kan worden overgedragen, wanneer hij producent" is in de zin van artikel 9, sub c, van deze verordening, dan wel bij het verstrijken van de pachtovereenkomst de beschikbare referentiehoeveelheid overdraagt aan een derde die deze hoedanigheid bezit. Voor de toekenning van de relevante referentiehoeveelheden aan de verpachter overeenkomstig artikel 7, lid 2, van verordening nr. 3950/92, volstaat het dat de verpachter op bedoelde datum het bewijs levert van concrete voorbereidingen om op zeer korte termijn de activiteit van producent" in de zin van artikel 9, sub c, van deze verordening uit te oefenen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
47 De kosten door de Duitse regering en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het Schleswig-Holsteinische Oberverwaltungsgericht bij beschikking van 22 september 1999 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 3950/92 van de Raad van 28 december 1992 tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelproducten moet aldus worden uitgelegd, dat bij het verstrijken van een pachtovereenkomst betreffende een melkbedrijf de daaraan verbonden referentiehoeveelheid alleen dan geheel of gedeeltelijk aan de verpachter kan worden overgedragen, wanneer hij producent" is in de zin van artikel 9, sub c, van deze verordening, dan wel bij het verstrijken van de pachtovereenkomst de beschikbare referentiehoeveelheid overdraagt aan een derde die deze hoedanigheid bezit. Voor de toekenning van de relevante referentiehoeveelheden aan de verpachter overeenkomstig artikel 7, lid 2, van verordening nr. 3950/92, volstaat het dat de verpachter op bedoelde datum het bewijs levert van concrete voorbereidingen om op zeer korte termijn de activiteit van producent" in de zin van artikel 9, sub c, van deze verordening uit te oefenen.
Full & Egal Universal Law Academy