ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
8 januari 2002 ( *1 )
In zaak C-428/99,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (Nederland), in het aldaar aanhangig geding tussen
H. van den Bor BV
en
Voedselvoorzieningsin- en verkoopbureau,
om een prejudiciële beslissing over de bevoegdheid van de lidstaten om rundveehouders schadeloos te stellen en het bedrag vast te stellen van de vergoeding die verschuldigd is naar aanleiding van het doden van Britse kalveren in het kader van de boviene spongiforme encefalopathie-crisis in maart 1996, en over de uitlegging van verordening (EG) nr. 717/96 van de Commissie van 19 april 1996 houdende vaststelling van buitengewone maatregelen ter ondersteuning van de rundvleesmarkt in België, Frankrijk en Nederland (PB L 99, biz. 16), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 841/96 van de Commissie van 7 mei 1996 (PB L 114, blz. 18),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, D. A. O. Edward, A. La Pergola, L. Sevón (rapporteur) en M. Wathelet, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs,
griffier: H. A. Rühi, hoofdadministrateur,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
—
de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. A. Fierstra als gemachtigde,
—
de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Berscheid en C. van der Hauwaert als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door J. G. van Bakel als gemachtigde, en de Commissie, vertegenwoordigd door G. Berscheid en door T. van Rijn als gemachtigde, ter terechtzitting van 4 oktober 2001,
gehoord de conclusie van de advocaatgeneraal ter terechtzitting van 29 november 2001,
het navolgende
Arrest
1
Bij uitspraak van 27 oktober 1999, binnengekomen bij het Hof op 8 november daaraanvolgend, heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven krachtens artikel 234 EG drie prejudiciële vragen gesteld over de bevoegdheid van de lidstaten om rundveehouders schadeloos te stellen en het bedrag vast te stellen van de vergoeding die verschuldigd is naar aanleiding van het doden van Britse kalveren in het kader van de boviene spongiforme encefalopatiile (hierna: „BSE”) -crisis in maart 1996, en over de uitlegging van verordening (EG) nr. 717/96 van de Commissie van 19 april 1996 houdende vaststelling van buitengewone maatregelen ter ondersteuning van de rundvleesmarkt in België, Frankrijk en Nederland (PB L 99, blz. 16), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 841/96 van de Commissie van 7 mei 1996 (PB L 114, blz. 18; hierna: „verordening nr. 717/96, zoals gewijzigd”).
2
Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen H. van den Bor BV (hierna: „Van den Bor”) en het Voedselvoorzieningsin- en verkoopbureau (hierna: „WB”), ter zake van de vaststelling van het bedrag dat aan Van den Bor verschuldigd is ter vergoeding van de uit de verplichting tot doding van Britse kalveren voortvloeiende schade.
Rechtskader
De communautaire regelgeving
3
Artikel 92 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87 EG) bepaalt:
„1.
Behoudens de afwijkingen waarin dit Verdrag voorziet, zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, voorzover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.
2.
Met de gemeenschappelijke markt zijn verenigbaar:
[...]
b)
steunmaatregelen tot herstel van de schade veroorzaakt door natuurrampen of andere buitengewone gebeurtenissen,
[...]
3.
Als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kunnen worden beschouwd:
[...]
c)
steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad,
[...]”
4
Artikel 93, lid 3, EG-Verdrag (thans artikel 88, lid 3, EG) luidt:
„De Commissie wordt van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen tijdig op de hoogte gebracht, om haar opmerkingen te kunnen maken. Indien zij meent dat zulk een voornemen volgens artikel 92 onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, vangt zij onverwijld de in het vorige lid bedoelde procedure aan. De betrokken lidstaat kan de voorgenomen maatregelen niet tot uitvoering brengen voordat die procedure tot een eindbeslissing heeft geleid.”
5
De vijftiende overweging van de considerans van verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PB L 148, blz. 24), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2417/95 van de Commissie van 13 oktober 1995 (PB L 248, blz. 39; hierna: „verordening nr. 805/68”), is geformuleerd als volgt:
„Overwegende dat de totstandbrenging van een gemeenschappelijke markt die berust op een stelsel van gemeenschappelijke prijzen door de toepassing van bepaalde steunmaatregelen in gevaar zou worden gebracht; dat het derhalve dienstig is dat de bepalingen van het Verdrag die het mogelijk maken de door de lidstaten verleende steun te beoordelen en die steunmaatregelen welke onverenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt te verbieden, van toepassing worden verklaard op de sector rundvlees”.
6
Artikel 23 van verordening nr. 805/68, zoals dit is gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1261/71 van de Raad van 15 juni 1971 betreffende de naar aanleiding van bepaalde moeilijkheden van sanitaire aard in zekere landbouwsectoren te nemen buitengewone maatregelen (PB L 132, blz. 1), luidt:
„Teneinde rekening te houden met de beperkingen van het vrije verkeer die zouden kunnen voortvloeien uit de toepassing van maatregelen om de verbreiding van veeziekten te bestrijden, kunnen volgens de procedure van artikel 27 buitengewone maatregelen ter ondersteuning van de markt die door deze beperkingen wordt getroffen, worden genomen. Deze maatregelen kunnen slechts worden getroffen in de mate en voor het tijdvak die strikt noodzakelijk zijn voor de ondersteuning van deze markt.”
7
Artikel 24 van verordening nr. 805/68 bepaalt:
„Behoudens andersluidende bepalingen in deze verordening zijn de artikelen 92 tot en met 94 van het Verdrag van toepassing op de productie van en de handel in de in artikel 1 genoemde producten.”
8
Volgens artikel 1 van richtlijn 82/894/EEG van de Raad van 21 december 1982 inzake de melding van dierziekten in de Gemeenschap (PB L 378, blz. 58), zoals gewijzigd bij beschikking 90/134/EEG van de Commissie van 6 maart 1990 (PB L 76, blz. 23; hierna: „richtlijn 82/894”), heeft deze richtlijn betrekking op de melding van het uitbreken van een van de in bijlage I genoemde ziekten. Deze bijlage vermeldt onder meer BSE.
9
Artikel 8, lid 1, sub a, van richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (PB L 224, blz. 29), zoals gewijzigd bij richtlijn 92/118/EEG van de Raad van 17 december 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke en de gezondheidsvoorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van producten waarvoor ten aanzien van deze voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving geldt als bedoeld in bijlage A, hoofdstuk I, van richtlijn 89/662/EEG, en, wat ziekteverwekkers betreft, van richtlijn 90/425/EEG (PB 1993, L 62, biz. 49; hierna: „richtlijn 90/425”), is geformuleerd als volgt:
„Indien de bevoegde autoriteiten van een lidstaat bij een controle op de plaats van bestemming of tijdens het vervoer constateren dat:
a)
er verwekkers van in richtlijn 82/894/EEG [...], laatstelijk gewijzigd bij beschikking 90/134/EEG van de Commissie [...], bedoelde ziekten, zoonoses, ziekten of andere aandoeningen die een ernstig gevaar voor mens of dier kunnen opleveren aanwezig zijn, of dat de producten afkomstig zijn uit een met een epidemische dierziekte besmet gebied, gelasten zij dat het dier of de partij in het meest nabije quarantainestation in quarantaine wordt geplaatst of gedood en/of vernietigd wordt.
De kosten die verbonden zijn aan de in de eerste alinea bedoelde maatregelen komen voor rekening van de verzender, van diens gemachtigde of van de persoon die belast is met de zorg voor de producten of de dieren.
De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van bestemming stellen de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten en de Commissie onmiddellijk schriftelijk, via het meest geschikte middel, in kennis van de geconstateerde feiten, de genomen beslissingen en de redenen daarvoor.
De in artikel 10 bedoelde vrijwaringsmaatregelen kunnen worden toegepast.
[...]”
10
Artikel 10, leden 1 en 4, van richtlijn 90/425 luidt:
„1
Elke lidstaat stelt de andere lidstaten en de Commissie onmiddellijk in kennis, niet alleen van het uitbreken op zijn grondgebied van de in richtlijn 82/894/EEG bedoelde ziektes, maar ook van het uitbreken van zoonoses, ziektes of andere aandoeningen die voor de veestapel of voor de gezondheid van de mens een ernstig gevaar kunnen opleveren.
De lidstaat van verzending legt onmiddellijk de door de communautaire voorschriften voorgeschreven bestrij dings- of preventiemaatregelen ten uitvoer, met name de afbakening van de daarin bedoelde beschermingszones, of stelt elke andere maatregel vast die hij passend acht.
De lidstaat van bestemming of van doorvoer die bij een controle bedoeld in artikel 5 een van de in de eerste alinea bedoelde ziektes of aandoeningen heeft geconstateerd, kan zo nodig de in de communautaire voorschriften bedoelde preventieve maatregelen nemen, met inbegrip van het in quarantaine plaatsen van de dieren.
In afwachting van de overeenkomstig lid 4 te nemen maatregelen, kan de lidstaatvan bestemming, om ernstige redenen uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van mens en dier, conservatoire maatregelen nemen ten aanzien van de betrokken bedrijven en centra dan wel, in geval van een epidemische dierziekte, ten aanzien van de in de communautaire voorschriften bedoelde beschermingszone.
De door de lidstaten genomen maatregelen worden onverwijld aan de Commissie en aan de andere lidstaten meegedeeld.
[...]
4.
In alle gevallen ziet de Commissie erop toe dat de situatie zo spoedig mogelijk in het Permanent Veterinair Comité wordt besproken. Zij stelt volgens de procedure van artikel 17 de nodige maatregelen vast voor de in artikel 1 bedoelde dieren en producten en, als dat gezien de omstandigheden nodig is, voor de daarvan afgeleide producten. De Commissie volgt het verdere verloop van de situatie en wijzigt op grond daarvan volgens dezelfde procedure de genomen beslissingen of trekt deze in.”
11
Na beschikking 96/239/EG van 27 maart 1996 inzake spoedmaatregelen ter bescherming tegen boviene spongiforme encefalopatiile (PB L 78, biz. 47) te hebben vastgesteld, stelde de Commissie verordening nr. 717/96 vast.
12
Deze verordening geeft aan, dat zij is vastgesteld op de grondslag van verordening nr. 805/68, met name artikel 23 daarvan.
13
Volgens artikel 7 van verordening nr. 717/96 treedt deze in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen en is zij van toepassing met ingang van 11 april 1996.
14
Volgens de eerste overweging van de considerans van verordening nr. 717/96 heeft de mogelijkheid dat in het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland geboren kalveren die vóór de instelling van het uitvoerverbod naar andere lidstaten zijn verzonden om daar te worden vetgemest, terechtkomen in de voedselketen voor mens of dier, het vertrouwen van de consument in rundvlees aangetast en de markten in België, Frankrijk en Nederland verstoord. Volgens deze overweging moeten bijgevolg buitengewone maatregelen ter ondersteuning van deze markten worden genomen.
15
Artikel 1, lid 1, van verordening nr. 717/96 luidde aanvankelijk:
„De bevoegde autoriteiten in respectievelijk België, Frankrijk en Nederland worden gemachtigd tot het aankopen van runderen die op 20 maart 1996 ten hoogste zes maanden oud waren, die op die datum verbleven op een op het grondgebied van respectievelijk België, Frankrijk of Nederland gelegen bedrijf, en die door een producent voor verkoop worden aangeboden, voorzover die producent kan bewijzen dat het betrokken dier in het Verenigd Koninkrijk is geboren.”
16
Deze bepaling is bij verordening (EG) nr. 841/96 vervangen met ingang van de datum van toepassing van verordening nr. 717/96. Artikel 1, lid 1, van verordening nr. 717/96, zoals gewijzigd, bepaalt:
„De bevoegde autoriteiten in respectievelijk België, Frankrijk en Nederland worden gemachtigd tot het aankopen van runderen die geboren zijn ten vroegste op 1 september 1995, die op 20 maart 1996 verbleven op een op het grondgebied van respectievelijk België, Frankrijk of Nederland gelegen bedrijf, en die door een producent voor verkoop worden aangeboden, voorzover die producent kan bewijzen dat het betrokken dier in het Verenigd Koninkrijk is geboren.”
17
Volgens artikel 2, lid 1, van verordening nr. 717/96, zoals gewijzigd, bedraagt de prijs die door de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat op grond van artikel 1 van deze verordening voor de dieren moet worden betaald, 2,8 ecu per kg levend gewicht. Artikel 2, lid 2, van deze verordening bepaalt dat de Gemeenschap 70 % van de aankoopprijs die door de betrokken lidstaat wordt betaald per aangekocht dier dat overeenkomstig het bepaalde in artikel 1 is vernietigd, voor haar rekening neemt.
18
Artikel 6 van verordening nr. 717/96, zoals gewijzigd, bepaalt dat „de op grond van deze verordening vastgestelde maatregelen worden beschouwd als interventies in de zin van artikel 1, lid 2, van verordening (EEG) nr. 729/70”.
De nationale regelgeving
19
Naar aanleiding van informatie over een mogelijk verband tussen BSE en de bij de mens voorkomende ziekte van Creutzfeldt-Jacob en over de BSE-crisis in het Verenigd Koninkrijk, heeft het Koninkrijk der Nederlanden vanaf 23 maart 1996 verscherpte maatregelen getroffen ten aanzien van runderen, rundvlees en overige producten van runderen afkomstig uit het Verenigd Koninkrijk. Het heeft onder meer de afzondering van die runderen gelast.
20
Bij besluit van 3 april 1996 van de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, handelend in overeenstemming met de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, is onder meer bepaald dat uit het Verenigd Koninkrijk geïmporteerde kalveren zouden worden gedood.
21
De Regeling tegemoetkoming schade kalvereigenaren BSE 1996 (hierna: „tegemoetkomingsregeling”) is eveneens op 3 april 1996 vastgesteld en is op 9 april 1996 in werking getreden. Artikel 4 daarvan luidde aanvankelijk:
„De tegemoetkoming in de schade bedraagt de waarde van de kalveren in het economisch verkeer voorafgaande aan de afvoer van het bedrijf waar deze kalveren worden gehouden.”
22
Volgens de tegemoetkomingsregeling werd de waarde van de betrokken kalveren vastgesteld door een taxateur.
23
Bij besluit van 16 april 1996 is artikel 4 van de tegemoetkomingsregeling met ingang van 17 april 1996 gewijzigd als volgt:
„De tegemoetkoming in de schade bedraagt de waarde van de kalveren in het economisch verkeer voorafgaand aan de afvoer van het bedrijf waar deze kalveren worden gehouden, met dien verstande dat, zodra ingevolge de Europese regelgeving een bedrag voor deze tegemoetkoming wordt vastgesteld, dat laatste bedrag als tegemoetkoming zal gelden.”
24
Op 26 april 1996 heeft de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij de tegemoetkomingsregeling nogmaals gewijzigd, met terugwerkende kracht tot de toepassingsdatum van verordening nr. 717/96, dat wil zeggen 11 april 1996. Deze gewijzigde versie van deze regeling, thans „Regeling vergoeding kalvereigenaren BSE 1996” genaamd, bepaalt in artikel 4:
„De vergoeding bedraagt 2,8 ecu per kg levend gewicht en wordt berekend overeenkomstig artikel 2, lid 1, van verordening (EG) nr. 717/96 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen houdende vaststelling van buitengewone maatregelen ter ondersteuning van de rundvleesmarkt in België, Frankrijk en Nederland (PB L 99).”
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
25
Op 19 april 1996 heeft de kringdirecteur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees een verklaring opgesteld waarbij de waarde van de te doden kalveren van Van den Bor werd bepaald op 619001,25 NLG (hierna: „verklaring”). Deze verklaring was medeondertekend door de taxateur en dooide vertegenwoordiger van Van den Bor.
26
Op 4 juni 1996 heeft het WB Van den Bor een aankoopbevestiging toegezonden, waarbij het bevestigde op 25 april 1996 554 stuks kalveren met een levend gewicht van 96020 kg te hebben overgenomen tegen de prijs van 5,99 NLG exclusief BTW per kilogram levend gewicht.
27
Op het retour gezonden exemplaar van de aankoopbevestiging heeft Van den Bor bezwaar gemaakt tegen de daarbij vastgestelde vergoeding.
28
Op 3 februari 1997 heeft het WB een besluit genomen waarbij het het bezwaar van Van den Bor tegen het op 4 juni 1996 bepaalde bedrag van de vergoeding afwijst, en waarin het onder meer verklaart:
—
ten tijde van de door de kringdirecteur afgegeven verklaring was er reeds sprake van een wijziging van het vergoedingstelsel;
—
de vergoeding is, conform de geldende regelgeving, niet gebaseerd op de getaxeerde waarde, maar op een vermenigvuldiging van het aantal kilogrammen ingenomen levend gewicht, maal de prijs per kilogram levend gewicht, zijnde 2,8 ecu oftewel 5,99 NLG;
—
aan de verklaring komt op grond van de gewijzigde Europese en nationale regelgeving geen betekenis meer toe.
29
Van den Bor heeft bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven beroep tot nietigverklaring van dit besluit van het WB van 3 februari 1997 ingesteld.
30
Deze rechterlijke instantie heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1)
Had de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij de bevoegdheid om vooruitlopend op de communautaire regeling ter zake, een nationale regeling te treffen die het mogelijk maakte vergoeding te betalen van de door een belanghebbende als gevolg van het doden van Britse kalveren geleden schade, zoals is geschied bij de besluiten van voornoemde minister van 3 april 1996?
2)
Indien vraag 1 ontkennend moet worden beantwoord, staat dan het communautaire recht in de weg aan honorering van het door een beschikking op grond van voormelde nationale regeling gewekte vertrouwen dat een bepaalde vergoeding zal worden uitbetaald — een vertrouwen dat indien uitsluitend nationaal recht van toepassing zou zijn, als gerechtvaardigd moet worden aangemerkt?
3)
Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord, staat dan het communautaire recht en inzonderheid verordening nr. 717/96 eraan in de weg dat de vergoeding aan de belanghebbende wordt vastgesteld overeenkomstig voormelde nationale regeling?”
De eerste vraag
31
Met deze vraag wenst het College van Beroep voor het bedrijfsleven in wezen te vernemen of de communautaire bepalingen die van toepassing zijn op het gemeenschappelijk landbouwbeleid in de sector rundvlees, aldus moeten worden uitgelegd dat de lidstaten naar aanleiding van informatie over een mogelijk verband tussen BSE en de bij de mens voorkomende ziekte van Creutzfeldt-Jacob en over de BSE-crisis in het Verenigd Koninkrijk, gerechtigd waren het doden van op hun grondgebied aanwezige kalveren uit het Verenigd Koninkrijk te gelasten en de schadeloosstelling te regelen van veehouders die ten gevolge van die maatregel schade leden.
Bij het Hof ingediende opmerkingen
32
De Nederlandse regering is van mening, dat het Koninkrijk der Nederlanden op basis van artikel 10 van richtlijn 90/425 gerechtigd was om de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale bepalingen, waaronder die inzake de schadeloosstelling, uit te vaardigen. Die schadeloosstelling was noodzakelijk om te voorkomen dat veehouders in de verleiding kwamen, hun dieren aan de verplichte doding te onttrekken. Zij verklaart, dat de bepalingen inzake de vergoeding bij brief van 9 april 1996 aan de Commissie zijn meegedeeld, en leidt uit het uitblijven van een reactie van de Commissie op deze brief af, dat laatstgenoemde geen bezwaar had tegen de grondslag van de opkoopregeling en de inhoud ervan, zoals die vóór de vaststelling van verordening nr. 717/96 luidde.
33
De Commissie stelt daarentegen, dat de Nederlandse autoriteiten niet bevoegd waren tot vaststelling van wat zij aanmerkt als een nationale interventiemaatregel, die erop gericht was het prijspeil op de nationale rundvleesmarkt te ondersteunen door aan de Nederlandse kalvereigenaren een financiële tegemoetkoming toe te kennen. De mogelijkheid om een dergelijke maatregel vast te stellen, is een specifieke bevoegdheid die bij artikel 23 van verordening nr. 805/68 aan de Commissie is verleend.
34
De Commissie wijst er ook op, dat volgens artikel 24 van deze verordening de regels inzake staatssteun in beginsel van toepassing zijn op de rundvleessector. De uitkeringen aan de kalvereigenaren op grond van de tegemoetkomingsregeling, zoals gewijzigd op 16 april 1996, dienen als staatssteun in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag te worden aangemerkt. Daar deze nationale regeling niet overeenkomstig artikel 93, lid 3, van het Verdrag bij de Commissie is aangemeld, moet zij overeenkomstig de rechtspraak van het Hof als ongeldig worden beschouwd.
Beoordeling door bet Hof
35
Vooraf moet worden opgemerkt dat de lidstaten, wanneer op een bepaald gebied een gemeenschappelijke marktordening tot stand is gebracht, zich dienen te onthouden van elke maatregel met de strekking daarvan af te wijken of er inbreuk op te maken. Eveneens onverenigbaar met een gemeenschappelijke marktordening zijn regelingen die aan een goede werking daarvan in de weg staan, ook wanneer de desbetreffende materie door de gemeenschappelijke marktordening niet uitputtend wordt geregeld (zie arrest van 19 maart 1998, Compassion in World Farming, C-1/96, Jurispr. blz. I-1251, punt 41).
36
Kalveren vallen onder de sector rundvlees, waarvan de gemeenschappelijke marktordening wordt geregeld door verordening nr. 805/68. Overeenkomstig artikel 1 van richtlijn 90/425 en bijlage A daarbij vallen zij onder deze richtlijn.
37
Artikel 8, lid 1, sub a, van deze richtlijn machtigt de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van bestemming van een partij levende dieren om onder meer het doden van een dier te gelasten wanneer zij constateren dat er verwekkers aanwezig zijn van een ingevolge richtlijn 82/894 meldingsplichtige ziekte of van een zoönose, een ziekte of enige andere aandoening die een ernstig gevaar voor mens of dier kan opleveren.
38
Bij de uitlegging van deze bepaling moet rekening worden gehouden met het doel ervan, te weten de bescherming van de gezondheid van mens en dier te verzekeren, en met de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis.
39
In dit verband zij eraan herinnerd, dat het Hof bij beschikking van 12 juli 1996, Verenigd Koninkrijk/Commissie (C-180/96 R, Jurispr. blz. I-3903), het verbod van uitvoer, in maart 1996, van runderen afkomstig uit het Verenigd Koninkrijk als vrijwaringsmaatregel in de zin van artikel 10 van richtlijn 90/425 heeft toegestaan. Het heeft in de punten 8 en 67 tot en met 72 van deze beschikking het aantal gevallen van BSE in de beschouwing betrokken, de incubatieperiode van verschillende jaren gedurende welke BSE niet kan worden ontdekt, de wetenschappelijke onzekerheid over de wijzen van overdracht van deze ziekte en de omstandigheid dat de dieren in het Verenigd Koninkrijk niet waren te traceren.
40
Uit deze overwegingen volgt, dat de lidstaten toentertijd overeenkomstig artikel 8, lid 1, sub a, van richtlijn 90/425 gerechtigd waren het doden van op hun grondgebied aanwezige kalveren afkomstig uit het Verenigd Koninkrijk te gelasten.
41
Zoals de advocaatgeneraal in de punten 29 tot en met 35 van zijn conclusie heeft opgemerkt, impliceert de omstandigheid dat de lidstaten bevoegd waren om het doden van dieren te gelasten, dat zij ook bevoegd waren om de schadeloosstelling van de door deze maatregel getroffen veehouders te regelen. Zij konden immers gegronde redenen hebben om aan te nemen dat deze veehouders bij gebreke van een billijke vergoeding de herkomst van de dieren in hun bezit zouden verheimelijken om doding van deze dieren en het daaruit voortvloeiende financiële verlies te voorkomen.
42
Aan deze bevoegdheid van de lidstaten met betrekking tot de schadeloosstelling van de veehouders wordt niet afgedaan door de bevoegdheid van de Gemeenschap tot vaststelling van buitengewone maatregelen ter ondersteuning van de betrokken markten, als bedoeld in artikel 23 van verordening nr. 805/68. Indien de Gemeenschap dergelijke maatregelen treft, moeten de lidstaten in voorkomend geval de door hen vastgestelde maatregelen wijzigen opdat deze de goede werking van de gemeenschappelijke marktordening niet aantasten.
43
Een schadeloosstelling als voorzien in de in geding zijnde Nederlandse regeling, die uit staatsmiddelen wordt bekostigd, begunstigt de schadeloosgestelde ondernemingen doordat deze worden behoed voor een verlies dat anders onvermijdelijk zou zijn, en vervalst derhalve de mededinging.
44
Zij kan echter niet vallen onder het in artikel 24 van verordening nr. 805/68 gestelde principiële verbod van staatssteun in de rundvleessector, noch onder de daarmee samenhangende verplichting tot voorafgaande kennisgeving als bedoeld in artikel 93, lid 3, van het Verdrag, aangezien zij zuiver bijkomstig is bij een overeenkomstig artikel 8, lid 1, sub a, van richtlijn 90/425 vastgestelde maatregel waarbij het doden van dieren wordt gelast.
45
In dit verband zij eraan herinnerd, dat ingevolge artikel 8, lid 1, sub a, derde alinea, van deze richtlijn de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten en de Commissie onmiddellijk schriftelijk, via het meest geschikte middel, in kennis moeten stellen van de geconstateerde feiten, de genomen beslissingen en de redenen daarvoor.
46
Die kennisgeving moet de Commissie in staat stellen te onderzoeken, of een nationale vergoedingsmaatregel verenigbaar is met de bepalingen die de gemeenschappelijke marktordening in de betrokken sector regelen en met de op het gebied van staatssteun toepasselijke bepalingen. Op basis van dit onderzoek zal zij in voorkomend geval met de betrokken lidstaat een passende oplossing kunnen zoeken.
47
In dat geval moeten de Commissie en de lidstaat op grond van de met name aan artikel 5 EG-Verdrag (thans artikel 10 EG) ten grondslag liggende regel dat de lidstaten en de gemeenschapsinstellingen over en weer tot loyale samenwerking verplicht zijn, te goeder trouw samenwerken om de moeilijkheden te overwinnen met volledige inachtneming van de verdragsbepalingen en de andere bepalingen van gemeenschapsrecht, inzonderheid die welke de gemeenschappelijke marktordening in de betrokken sector regelen en die betreffende staatssteun.
48
Dienaangaande blijkt uit de door de Nederlandse regering overgelegde documenten, dat de Commissie in casu bij brief van 15 april 1996 van de Permanente Vertegenwoordiging van het Koninkrijk der Nederlanden bij de Europese Unie, die naar aanleiding van een verzoek van 9 april 1996 van de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij is doorgeleid, in kennis is gesteld van de vaststelling van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde maatregelen tot doding en schadeloosstelling. Ofschoon de termijn waarbinnen deze informatie is doorgezonden, moeilijk te verenigen valt met de uit artikel 8, lid 1, sub a, derde alinea, van richtlijn 90/425 voortvloeiende verplichtingen van een lidstaat, dit neemt niet weg dat deze termijn de bevoegdheid van de lidstaat om die maatregelen vast te stellen onverlet laat.
49
Derhalve moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat de communautaire bepalingen die van toepassing zijn op het gemeenschappelijk landbouwbeleid in de sector rundvlees, aldus moeten worden uitgelegd dat de lidstaten naar aanleiding van informatie over een mogelijk verband tussen BSE en de bij de mens voorkomende ziekte van Creutzfeldt-Jacob en over de BSE-crisis in het Verenigd Koninkrijk, overeenkomstig artikel 8, lid 1, sub a, van richtlijn 90/425 gerechtigd waren:
—
het doden van op hun grondgebied aanwezige kalveren uit het Verenigd Koninkrijk te gelasten en,
—
aangezien zij gegronde redenen konden hebben om aan te nemen dat de veehouders, bij gebreke van een billijke vergoeding, de herkomst van de dieren in hun bezit zouden verheimelijken om doding van deze dieren en het daaruit voortvloeiende financiële verlies te voorkomen, een vergoedingsmaatregel vast te stellen ter aanvulling van de maatregel waarbij het doden van de dieren werd gelast.
De tweede vraag
50
Daar het antwoord op de eerste vraag bevestigend luidt, behoeft de tweede vraag geen beantwoording.
De derde vraag
51
Met de derde vraag, die is gesteld voor het geval uit het antwoord op de eerste vraag mocht blijken dat de lidstaat bevoegd was tot vaststelling van vergoedingsmaatregelen, wenst het College van Beroep voor het bedrijfsleven in wezen te vernemen of het gemeenschapsrecht, inzonderheid verordening nr. 717/96, zoals gewijzigd, eraan in de weg staat dat het bedrag van de aan de veehouders te betalen vergoeding op basis van de nationale bepalingen wordt vastgesteld.
52
Dienaangaande zij opgemerkt dat verordening nr. 717/96, zoals gewijzigd, die is vastgesteld op basis van artikel 23 van verordening nr. 805/68, de bijdrage van de Gemeenschap aan de financiering van de destructie van onder bepaalde voorwaarden aangekochte en vernietigde kalveren uit het Verenigd Koninkrijk vastlegt.
53
Volgens artikel 1 van verordening nr. 717/96, zoals gewijzigd, worden de bevoegde autoriteiten van bepaalde lidstaten, waaronder het Koninkrijk dei-Nederlanden, „gemachtigd” tot het aankopen van kalveren uit het Verenigd Koninkrijk die hun overeenkomstig deze verordening voor de slacht worden aangeboden.
54
A contrario volgt uit de bewoordingen van deze bepaling, dat die autoriteiten vanaf de datum waarop verordening nr. 717/96 van toepassing werd, geen kalveren meer mochten aankopen op basis van de nationale vergoedingsmaatregelen.
55
Vanaf het tijdstip waarop de Gemeenschap buitengewone maatregelen ter ondersteuning van de rundvleesmarkten heeft getroffen overeenkomstig artikel 23 van verordening nr. 805/68, dreigden namelijk de aanvankelijk door de lidstaat op basis van artikel 8, lid 1, sub a, van richtlijn 90/425 vastgestelde vergoedingsmaatregelen in conflict te raken met de communautaire regelgeving en zou handhaving ervan de goede werking van de gemeenschappelijke ordening van de rundvleesmarkten hebben kunnen aantasten.
56
In casu hebben de Nederlandse autoriteiten het bedrag van de aan Van den Bor verschuldigde vergoeding op 19 april 1996 getaxeerd. Deze taxatie vond plaats vóór 20 april 1996, de datum waarop verordening nr. 717/96 in werking trad, welke datum in artikel 7 van deze verordening was bepaald op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. Deze verordening is echter zowel in haar aanvankelijke als in haar gewijzigde versie met terugwerkende kracht vanaf 11 april 1996 van toepassing geworden, zodat zij ook van toepassing is op de vaststelling van de aan Van den Bor te betalen vergoeding.
57
Mitsdien moet op de derde vraag worden geantwoord, dat ook al was een lidstaat bevoegd om ter uitvoering van artikel 8, lid 1, sub a, van richtlijn 90/425 vergoedingsmaatregelen vast te stellen, het gemeenschapsrecht, inzonderheid verordening nr. 717/96, zoals gewijzigd, eraan in de weg stond dat vanaf de datum waarop deze verordening van toepassing werd, het bedrag van de aan de veehouders te betalen vergoeding op basis van de nationale bepalingen werd vastgesteld.
Kosten
58
De kosten door de Nederlandse regering en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het College van Beroep voor het bedrijfsleven bij uitspraak van 27 oktober 1999 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1)
De communautaire bepalingen die van toepassing zijn op het gemeenschappelijk landbouwbeleid in de sector rundvlees, moeten aldus worden uitgelegd dat de lidstaten naar aanleiding van informatie over een mogelijk verband tussen boviene spongiforme encefalopatiile en de bij de mens voorkomende ziekte van Creutzfeldt-Jacob en over de boviene spongiforme cncefalopalhiecrisis in het Verenigd Koninkrijk, overeenkomstig artikel 8, lid 1, sub a, van richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt, zoals gewijzigd bij richtlijn 92/118/EEG van de Raad van 17 december 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke en de gezondheidsvoorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van producten waarvoor ten aanzien van deze voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving geldt als bedoeld in bijlage A, hoofdstuk I, van richtlijn 89/662/EEG, en, wat ziekteverwekkers betreft, van richtlijn 90/425, gerechtigd waren:
—
het doden van op hun grondgebied aanwezige kalveren uit het Verenigd Koninkrijk te gelasten, en
—
aangezien zij gegronde redenen konden hebben om aan te nemen dat de veehouders, bij gebreke van een billijke vergoeding, de herkomst van de dieren in hun bezit zouden verheimelijken om doding van deze dieren en het daaruit voortvloeiende financiële verlies te voorkomen, een vergoedingsmaatregel vast te stellen ter aanvulling van de maatregel waarbij het doden van de dieren werd gelast.
2)
Ook al was een lidstaat bevoegd om ter uitvoering van artikel 8, lid 1, sub a, van richtlijn 90/425, zoals gewijzigd bij richtlijn 92/118, vergoedingsmaatregelen vast te stellen, het gemeenschapsrecht, inzonderheid verordening (EG) nr. 717/96 van de Commissie van 19 april 1996 houdende vaststelling van buitengewone maatregelen ter ondersteuning van de rundvleesmarkt in België, Frankrijk en Nederland, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 841/96 van de Commissie van 7 mei 1996, stond eraan in de weg dat vanaf de datum waarop deze verordening van toepassing werd, het bedrag van de aan de veehouders te betalen vergoeding op basis van de nationale bepalingen werd vastgesteld.
Jann
Edward
La Pergola
Sevón
Wathelet
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 8 januari 2002.
De griffier
R. Grass
De president van de Vijfde kamer
P. Jann
( *1 ) Procestaai: Nederlands.
Full & Egal Universal Law Academy