Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Hogere voorziening - Middelen - Verkeerde beoordeling van feiten - Niet-ontvankelijkheid - Toetsing door Hof van beoordeling van bewijs - Uitgesloten, behoudens geval van verkeerde opvatting
(Art. 225 EG; Statuut-EG van het Hof van Justitie, art. 51)
Samenvatting
$$Uit de artikelen 225 EG en 51 van het Statuut-EG van het Hof van Justitie volgt dat de hogere voorziening beperkt is tot rechtsvragen. Het Gerecht is derhalve bij uitsluiting bevoegd om de feiten vast te stellen, behoudens het geval waarin de feitelijke onjuistheid van hetgeen het heeft vastgesteld, blijkt uit de hem overgelegde processtukken, en om die feiten te beoordelen. De beoordeling van de feiten levert - behoudens het geval van een onjuiste voorstelling van de aan het Gerecht voorgelegde bewijselementen - geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof in het kader van een hogere voorziening.
( cf. punt 17 )
Partijen
In zaak C-442/99 P,
Cordis Obst und Gemüse Großhandel GmbH, gevestigd te Ostrau (Duitsland), vertegenwoordigd door G. Meier, Rechtsanwalt,
rekwirante,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Vijfde kamer) van 28 september 1999, Cordis/Commissie (T-612/97, Jurispr. blz. II-2771), strekkende tot vernietiging van dat arrest,
andere partijen bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K.-D. Borchardt als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
en
Franse Republiek, vertegenwoordigd door K. Rispal-Bellanger en C. Vasak als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
interveniënte in eerste aanleg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann, kamerpresident, J.-P. Puissochet, R. Schintgen, N. Colneric en J. N. Cunha Rodrigues (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: J. Mischo,
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 5 april 2001, tijdens welke Cordis Obst und Gemüse Großhandel GmbH werd vertegenwoordigd door G. Meier en de Commissie door K.-D. Borchardt,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 17 mei 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 22 november 1999, heeft Cordis Obst und Gemüse Großhandel GmbH (hierna: Cordis" of rekwirante") krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 28 september 1999, Cordis/Commissie (T-612/97, Jurispr. blz. II-2771; hierna: bestreden arrest"), waarbij het Gerecht haar beroep tot nietigverklaring van beschikking K(97) 3274 def. van de Commissie van 24 oktober 1997 houdende afwijzing van het door rekwirante ingediende verzoek om toekenning van extra invoercertificaten in het kader van de overgangsregeling van artikel 30 van verordening (EEG) nr. 404/93 van de Raad van 13 februari 1993 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen (PB L 47, blz. 1), heeft verworpen.
Rechtskader
2 Met betrekking tot het rechtskader van het geschil heeft het Gerecht vastgesteld:
1 Bij verordening (EEG) nr. 404/93 van de Raad van 13 februari 1993 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen (PB L 47, blz. 1; hierna: ,verordening nr. 404/93), is een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van bananen ingesteld, die in de plaats is gekomen van de verschillende nationale regelingen. Met het oog op een bevredigende afzet van de in de Gemeenschap geoogste bananen alsmede van producten van oorsprong uit de staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS-staten) en andere derde landen, voorziet verordening nr. 404/93 in de jaarlijkse opening van een tariefcontingent voor de invoer van ,bananen uit derde landen en ,niet-traditionele ACS-bananen. Onder niet-traditionele ACS-bananen wordt verstaan de hoeveelheden bananen die door de ACS-staten worden geëxporteerd boven de traditioneel door elk van deze staten uitgevoerde hoeveelheden, zoals die zijn vastgesteld in de bijlage bij verordening nr. 404/93.
2 Ieder jaar wordt een geraamde balans opgesteld van de productie en het verbruik in de Gemeenschap en van de in- en uitvoer. Het op basis van die geraamde balans bepaalde tariefcontingent wordt tussen de in de Gemeenschap gevestigde marktdeelnemers verdeeld op basis van de herkomst en de gemiddelde hoeveelheden bananen die de betrokken marktdeelnemer gedurende de laatste drie jaren waarover statistische gegevens bekend zijn, in de handel heeft gebracht. Op basis van die verdeling worden invoercertificaten afgegeven, zodat de importeurs met vrijstelling van rechten of tegen preferentiële douanetarieven bananen kunnen invoeren.
3 In de tweeëntwintigste overweging van de considerans van verordening nr. 404/93 heet het,
,dat de vervanging van de diverse nationale regelingen door de gemeenschappelijke marktordening bij de inwerkingtreding van deze verordening kan resulteren in verstoring van de interne markt; dat derhalve met ingang van 1 juli 1993 dient te worden voorzien in de mogelijkheid voor de Commissie om alle overgangsmaatregelen te nemen die nodig zijn om de moeilijkheden in de aanloopfase van de nieuwe regeling te overwinnen.
4 Artikel 30 van verordening nr. 404/93 luidt:
,Indien vanaf juli 1993 specifieke maatregelen nodig zijn om de overgang van de vóór de inwerkingtreding van deze verordening bestaande regelingen naar de regeling in het kader van deze verordening te vergemakkelijken, en met name om ernstige moeilijkheden te overwinnen, stelt de Commissie [...] alle nodig geachte overgangsmaatregelen vast."
De feiten van het geschil
3 Met betrekking tot de feiten van het geschil heeft het Gerecht vastgesteld:
5 Verzoekster, Cordis Obst und Gemüse Großhandel GmbH (hierna: ,Cordis), is opgericht op 1 november 1990, dus na de hereniging van Duitsland. Zij is gevestigd op het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek (hierna: ,voormalige DDR). Zij houdt zich bezig met de groothandel in fruit en in het bijzonder met de rijping en de verpakking van bananen.
6 In het kader van de centraal geleide planeconomie van de voormalige DDR beschikte een staatsorgaan over het monopolie van de invoer van bananen, en waren genationaliseerde ondernemingen met de rijping daarvan belast. Later zijn de rijpingsinstallaties van de voormalige DDR aan dochterondernemingen van fruitondernemingen in de Bondsrepubliek Duitsland verkocht.
7 Toen verzoekster haar activiteiten aanvatte, waren er in haar verzorgingsgebied weinig mogelijkheden om zich met bananen te bevoorraden, en de vraag naar bananen overtrof zowel het aanbod als verzoeksters rijpingscapaciteit. Daarom besloot verzoekster in 1991 haar bedrijf uit te breiden en bouwde zij nieuwe rijpingsinstallaties. Zij kreeg daarvoor geen overheidssteun.
8 Verzoekster stelt, dat de capaciteit van haar nieuwe installaties niet volledig werd benut. Volgens haar was dit het gevolg van het feit dat verordening nr. 404/93 de invoer van groene bananen afhankelijk stelt van het verkrijgen van certificaten, zodat haar leveranciers de kosten van die certificaten in de prijs van de bananen doorberekenden, en de consumptie is gedaald. Nu de certificaten worden toegekend op basis van de hoeveelheden verkochte bananen, kon verzoekster slechts certificaten verkrijgen voor ontoereikende hoeveelheden.
9 Daarom heeft verzoekster op 7 april 1996 de Commissie op grond van artikel 30 van verordening nr. 404/93 verzocht, haar zo spoedig mogelijk extra certificaten toe te kennen, bij wege van overgangsmaatregel, om de onbillijke situatie te verhelpen die het gevolg was van de bij verordening nr. 404/93 ingestelde regeling.
10 Bij beschikking van 24 oktober 1997 (hierna: ,bestreden beschikking) wees de Commissie dat verzoek af, onder meer op de volgende gronden (zevende, achtste, negende en elfde overweging):
,[...]
Cordis heeft niet aangetoond, dat zij om de capaciteit van haar rijpingsinstallatie volledig te kunnen benutten, niet bij andere marktdeelnemers of leveranciers bananen had kunnen kopen, in plaats van ze zelf in te voeren. De gemeenschappelijke marktordening voor bananen verzet zich daar niet tegen. Cordis heeft immers grote hoeveelheden bananen bij andere marktdeelnemers of leveranciers gekocht om ze in haar installaties te laten rijpen, zonder ze zelf in te voeren. Bijgevolg is niet aangetoond, dat de gestelde onvolledige benutting van de rijpingsinstallatie en de mogelijke gevolgen daarvan, namelijk de stagnatie van de omzet, het verlies van klanten en de personeelsvermindering, door de overgang van de vóór de gemeenschappelijke marktordening bestaande nationale regeling naar de nieuwe regeling zijn veroorzaakt;
Cordis heeft niet aangetoond, dat zij alvorens in de rijpingsinstallatie te investeren, over een gegarandeerde bevoorradingsbron beschikte. Zij heeft het risico aanvaard dat zij in voorkomend geval onvoldoende bananen zou kunnen verkrijgen om haar installatie volledig te kunnen benutten. Los van wat in de voorgaande alinea's is gezegd, is de omstandigheid dat Cordis niet bij andere marktdeelnemers of leveranciers voldoende bananen heeft kunnen kopen om haar rijpingsinstallatie volledig te kunnen benutten zonder de bananen zelf in te voeren, het gevolg van haar eigen onzorgvuldigheid: alvorens in de rijpingsinstallatie te investeren, had zij voor een gegarandeerde bevoorrading moeten zorgen;
Cordis heeft van Dole grote hoeveelheden bananen voor rijping verkregen. Bovendien heeft zij voldoende rijpe bananen verkregen om aan de vraag te kunnen voldoen. De rijping van bananen is slechts één van haar talrijke activiteiten. Cordis heeft dus niet aangetoond, dat de gestelde achteruitgang van de rijpingsactiviteiten haar voortbestaan bedreigde;
[...]
Cordis heeft niet aangetoond dat zij vóór voormelde data andere maatregelen had genomen die - ingevolge de moeilijkheden die inherent zijn aan de overgang van de voordien geldende nationale regeling naar de bij de betrokken verordening ingevoerde regeling - tot onbillijkheden in de zin van het arrest van het Hof van Justitie in zaak C-68/95 hebben geleid;
[...]"
Het bestreden arrest
4 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 29 december 1997, verzocht Cordis om nietigverklaring van de bestreden beschikking.
5 Tot staving van haar beroep voerde Cordis twee middelen aan, te weten schending van artikel 30 van verordening nr. 404/93 en misbruik van bevoegdheid, alsmede schending van de motiveringsplicht.
6 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep verworpen.
7 In haar hogere voorziening komt Cordis op tegen de redenering die het Gerecht heeft gevolgd om haar eerste middel af te wijzen, voorzover daarbij het volgende is vastgesteld:
32 Artikel 30 van verordening nr. 404/93 verleent de Commissie de bevoegdheid, specifieke overgangsmaatregelen te treffen ,om de overgang van de vóór de inwerkingtreding van deze verordening bestaande regelingen naar de regeling in het kader van deze verordening te vergemakkelijken, en met name om ernstige moeilijkheden te overwinnen [...] die door die overgang worden veroorzaakt. Volgens vaste rechtspraak zijn deze overgangsmaatregelen bedoeld om het hoofd te bieden aan verstoringen van de interne markt als gevolg van de vervanging van de diverse nationale regelingen door de gemeenschappelijke marktordening, en moeten zij het mogelijk maken, de moeilijkheden op te lossen waarmee de marktdeelnemers na de instelling van de gemeenschappelijke marktordening te maken krijgen, maar die hun oorsprong vinden in de toestand van de nationale markten vóór verordening nr. 404/93 (zie beschikking [van 29 juni 1993,] Duitsland/Raad [C-280/93 R, Jurispr. blz. I-3667], punten 46 en 47; arrest Hof [van 26 november 1996,] T. Port [C-68/95, Jurispr. blz. I-6065], punt 34, en arrest Hof van 4 februari 1997, België en Duitsland/Commissie, C-9/95, C-23/95 en C-156/95, Jurispr. blz. I-645, punt 22, alsmede beschikking [van het Gerecht van 21 maart 1997,] Camar/Commissie [T-79/96 R, Jurispr. blz. II-403], punt 42).
33 Het Hof overwoog, dat de Commissie in dat verband ook rekening moet houden met de situatie van marktdeelnemers die in het kader van een vóór verordening nr. 404/93 bestaande nationale regeling op een bepaalde wijze hebben gehandeld zonder dat zij konden voorzien, welke gevolgen die handelwijze zou hebben na de instelling van de gemeenschappelijke ordening der markten (arrest T. Port, reeds aangehaald, punt 37).
34 Daaruit volgt, dat dit artikel de overgang naar de gemeenschappelijke marktordening in de sector bananen beoogt te vergemakkelijken voor de ondernemingen die ten gevolge van die overgang bijzondere en onvoorzienbare moeilijkheden hebben ondervonden.
35 Onderzocht moet dus worden, of verzoeksters problemen door de overgang naar de gemeenschappelijke marktordening worden veroorzaakt.
36 Opgemerkt zij, dat verzoekster is opgericht op 1 november 1990, dus na de hereniging van Duitsland. In 1991 besloot zij haar bedrijf uit te breiden en nieuwe rijpingsinstallaties te bouwen, waarbij zij op de hoogte was van de situatie in Duitsland na de hereniging.
37 Vastgesteld moet worden, dat verzoekster geen argumenten heeft aangevoerd waaruit kan worden opgemaakt dat de structurele problemen die de hereniging van Duitsland heeft meegebracht, haar voor een bijzonder en onvoorzienbaar, uit de instelling van de gemeenschappelijke marktordening in de sector bananen voortvloeiend probleem hebben geplaatst. Daaraan zij toegevoegd, dat partijen ter terechtzitting hebben bevestigd, dat vóór de instelling van de gemeenschappelijke marktordening de rijpingsondernemingen van de voormalige DDR zelf geen bananen mochten invoeren. De Commissie stelt dus terecht, dat de instelling van de gemeenschappelijke markt de door verzoekster aangevoerde structurele nadelen niet heeft verergerd (zie punt 27 supra).
38 Verzoekster is echter van mening, dat de Commissie maatregelen moet nemen om de naleving van het beginsel van gelijke behandeling te garanderen. De in verordening nr. 404/93 neergelegde methode, namelijk de toekenning van certificaten op basis van de gemiddelde hoeveelheden bananen die tijdens de referentieperiode zijn afgezet, heeft tot gevolg, dat de aanvankelijke mededingingssituatie wordt bevroren, in die zin dat de nieuwe ondernemingen wordt belet hun achterstand in te halen.
39 Dat argument faalt. Artikel 30 van verordening nr. 404/93 houdt een afwijking van de geldende algemene regeling in en moet als zodanig strikt worden uitgelegd; op die bepaling mag dus geen beroep worden gedaan ter compensatie van de nadelige concurrentiepositie waarin de nieuwe ondernemingen ten gevolge van de ongelijkheid van kansen in Duitsland verkeren. Die nadelige situatie is immers niet het gevolg van de instelling van de gemeenschappelijke marktordening.
40 Ofschoon niet alle ondernemingen op dezelfde wijze door verordening nr. 404/93 worden geraakt, heeft het Hof in zijn arrest van 5 oktober 1994, Duitsland/Raad (C-280/93, Jurispr. blz. I-4973, punten 73 en 74), bovendien reeds geoordeeld, dat gelet op de uiteenlopende situaties waarin de verschillende categorieën van marktdeelnemers zich vóór de invoering van de gemeenschappelijke marktordening bevonden, dit verschil in behandeling inherent lijkt aan het doel om voordien gecompartimenteerde markten te integreren."
De hogere voorziening
8 Cordis voert twee middelen aan, ontleend aan respectievelijk schending van de voorwaarden voor toepassing van artikel 30 van verordening nr. 404/93 en schending van het beginsel van gelijke behandeling.
Het eerste middel
9 Cordis stelt dat het bestreden arrest de voorwaarden voor toepassing van artikel 30 van verordening nr. 404/93 miskent, omdat het Gerecht de toepassing van deze bepaling afhankelijk heeft gesteld van de voorwaarde dat de betrokken marktdeelnemer zich gesteld ziet voor onvoorzienbare bijzondere problemen ten gevolge van de invoering van de gemeenschappelijke marktordening in de sector bananen (hierna: GMO"). Volgens rekwirante is een beroep op dit artikel gerechtvaardigd wanneer gemeenschapsmaatregelen nodig zijn om de overgang van de nationale regelingen inzake bananen naar de GMO te vergemakkelijken, zonder dat de verstoringen ten gevolge van deze overgang noodzakelijkerwijs onvoorzienbare bijzondere problemen meebrengen voor de betrokken marktdeelnemers.
10 Rekwirante voert aan dat het arrest T. Port, reeds aangehaald, waarop het bestreden arrest steunt, betrekking had op een onbillijkheid". Dit is echter niet het enige geval waarop artikel 30 van verordening nr. 404/93 van toepassing is. Deze bepaling moet eveneens worden toegepast indien, zoals in casu, marktdeelnemers te maken krijgen met structurele" moeilijkheden die vóór de inwerkingtreding van de GMO bestonden en door deze laatste zijn verergerd. Volgens Cordis heeft het Gerecht in punt 37 van het bestreden arrest ten onrechte geoordeeld, dat haar nadelige situatie niet is verergerd, aangezien de rijpingsondernemingen van de voormalige DDR vóór de instelling van de GMO zelf geen bananen mochten invoeren.
11 Rekwirante stelt dat haar nadeel als in een nieuw Land opgerichte onderneming was gelegen in de omstandigheid, dat zij zich niet met rijping heeft kunnen bezighouden tijdens de bij verordening nr. 404/93 voor de jaren 1993 en 1994 vastgestelde referentieperiode, namelijk de jaren 1989 en 1990. Cordis voert in dit verband aan dat het als particuliere onderneming in de voormalige DDR onmogelijk was activiteiten in de groothandel en de rijping te verrichten, terwijl de daar gevestigde volksondernemingen" (Volkseigene Betriebe"), die tijdens de bovenvermelde referentieperiode bananen konden rijpen, daarvoor invoercertificaten hebben ontvangen krachtens artikel 3, lid 1, eerste alinea, sub c, van verordening (EEG) nr. 1442/93 van de Commissie van 10 juni 1993 houdende bepalingen ter toepassing van de regeling voor de invoer van bananen in de Gemeenschap (PB L 142, blz. 6). Volgens rekwirante heeft het Gerecht met deze laatste bepaling ongetwijfeld geen rekening gehouden waar het zich in punt 37 van het bestreden arrest heeft gebaseerd op de invoer en niet op de rijping van bananen door de rijpingsondernemingen.
12 Vastgesteld zij, dat blijkens de tweeëntwintigste overweging van de considerans
van verordening nr. 404/93 artikel 30 van deze verordening bedoeld is om het hoofd te bieden aan verstoringen van de interne markt als gevolg van de vervanging van de diverse nationale regelingen door de GMO (zie met name arrest België en Duitsland/Commissie, reeds aangehaald, punt 22, en aangehaalde jurisprudentie). Volgens dezelfde overweging biedt deze bepaling de Commissie de mogelijkheid om alle overgangsmaatregelen te nemen die nodig zijn om de moeilijkheden in de aanloopfase van de GMO te overwinnen. Voor het overige heeft het Hof geoordeeld, dat voor toepassing van artikel 30 de voorwaarde geldt dat de specifieke maatregelen die de Commissie dient vast te stellen, de overgang van de nationale regelingen naar de GMO vergemakkelijken en dat zij daartoe noodzakelijk moeten zijn (zie met name arrest T. Port, reeds aangehaald, punt 35).
13 Hieruit volgt, dat in het kader van artikel 30 van verordening nr. 404/93 alleen problemen ten gevolge van de invoering van de GMO in aanmerking kunnen worden genomen.
14 In punt 35 van het bestreden arrest heeft het Gerecht dus terecht beslist, dat moest worden onderzocht of de problemen van Cordis door de overgang naar de GMO zijn veroorzaakt.
15 In punt 37 van hetzelfde arrest heeft het Gerecht inzonderheid vastgesteld, dat de instelling van de GMO de structurele nadelen die Cordis tot staving van haar vordering tot nietigverklaring van de bestreden beschikking heeft aangevoerd, niet had verergerd.
16 Om tot deze conclusie te komen is het Gerecht overgegaan tot een beoordeling van de feiten, die, tenzij de feiten onjuist zijn voorgesteld, niet vatbaar is voor toetsing door het Hof.
17 Uit de artikelen 225 EG en 51 van 's Hofs Statuut-EG volgt immers, dat de hogere voorziening beperkt is tot rechtsvragen. Het Gerecht is derhalve bij uitsluiting bevoegd om de feiten vast te stellen, behoudens het geval waarin de feitelijke onjuistheid van hetgeen het heeft vastgesteld, voortvloeit uit de hem overgelegde processtukken, en om die feiten te beoordelen. De beoordeling van de feiten levert - behoudens het geval van een onjuiste voorstelling van de aan het Gerecht voorgelegde bewijselementen - geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof (zie met name arrest van 21 juni 2001, Moccia Irme e.a./Commissie, C-280/99 P-C-282/99 P, Jurispr. blz. I-4717, punt 78).
18 Hoewel Cordis in hogere voorziening blijft betwisten dat de in haar beroep aangevoerde verergering van de structurele moeilijkheden geen verband hield met de invoering van de GMO, heeft zij noch tijdens de schriftelijke behandeling noch ter terechtzitting aangetoond, dat het Gerecht een onjuiste voorstelling van de feiten zou hebben gegeven door tot deze conclusie te komen.
19 Nu het Gerecht derhalve heeft vastgesteld, dat er geen verband bestond tussen de door Cordis ingeroepen structurele moeilijkheden en de invoering van de GMO, ontbrak kennelijk een van de voorwaarden voor toepassing van artikel 30 van verordening nr. 404/93. Bijgevolg behoeft geen onderzoek meer te worden gewijd aan de argumenten van rekwirante dat het Gerecht onder verwijzing naar het arrest T. Port, reeds aangehaald, ten onrechte zou hebben aangenomen dat de toepassing van artikel 30 van verordening nr. 404/93 in alle gevallen vereist dat de betrokken ondernemingen ten gevolge van de overgang naar de GMO bijzondere onvoorzienbare problemen ondervinden.
20 Mitsdien moet het eerste middel worden afgewezen.
Het tweede middel
21 Volgens Cordis schendt het bestreden arrest het beginsel van gelijke behandeling, dat met name verbiedt verschillende situaties gelijk te behandelen. Volgens rekwirante hebben de na de hereniging van Duitsland in de nieuwe Länder opgerichte ondernemingen, anders dan de overige ondernemingen in de Europese Gemeenschap, tijdens de jaren 1989 en 1990 geen rijpingsactiviteit kunnen verrichten die als referentie dient voor de toekenning van invoercertificaten voor bananen. Overeenkomstig het beginsel van gelijke behandeling hadden de gemeenschapsinstellingen rekening moeten houden met deze uitzonderlijke omstandigheden. Aangezien deze omstandigheden in verordening nr. 1442/93 niet in aanmerking zijn genomen, was de Commissie daartoe gehouden krachtens artikel 30 van verordening nr. 404/93. Op deze wijze zou de overgang van de nieuwe ondernemingen naar de uit de GMO voortvloeiende situatie zijn vergemakkelijkt en zou de doelstelling van artikel 30 zijn bereikt.
22 Ter beantwoording van dit middel zij er in de eerste plaats aan herinnerd dat volgens de rechtspraak van het Hof de instellingen van de Gemeenschap krachtens artikel 30 van verordening nr. 404/93 met name moeten optreden wanneer de overgang naar de GMO inbreuk maakt op de door het gemeenschapsrecht gewaarborgde fundamentele rechten van bepaalde marktdeelnemers (zie met name arrest T. Port, reeds aangehaald, punt 40). Een van deze rechten is het beginsel van gelijke behandeling (zie met name arrest Duitsland/Raad, reeds aangehaald, punt 67).
23 Vervolgens zij vermeld, dat het Gerecht in punt 39 van het bestreden arrest heeft vastgesteld dat het door rekwirante aangevoerde concurrentienadeel van de nieuwe ondernemingen niet het gevolg was van de instelling van de GMO. Indien er geen elementen zijn die een onjuiste voorstelling van de feiten bewijzen, kan de beoordeling van de feiten overeenkomstig de in punt 17 van dit arrest aangehaalde rechtspraak voor het Hof niet ter discussie worden gesteld. Aangezien aldus aan een van de voorwaarden voor toepassing van artikel 30 van verordening nr. 404/93 niet is voldaan, heeft het Gerecht het beginsel van gelijke behandeling niet geschonden door in punt 39 van het bestreden arrest te oordelen dat op deze bepaling geen beroep kan worden gedaan om bedoeld nadeel te compenseren.
24 Bijgevolg moeten ook het tweede middel en derhalve de hogere voorziening in haar geheel worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
25 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Commissie heeft geconcludeerd tot veroordeling van Cordis in de kosten en deze laatste in het ongelijk is gesteld, dient rekwirante in de kosten te worden verwezen. Volgens artikel 69, lid 4, eerste alinea, dragen de lidstaten en de instellingen die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende:
1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verwijst Cordis Obst und Gemüse Großhandel GmbH in de kosten.
3) Verstaat dat de Franse Republiek haar eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy