Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Beroep wegens niet-nakoming Onderzoek van gegrondheid door Hof In aanmerking te nemen situatie Situatie bij verstrijken van in met redenen omkleed advies gestelde termijn
(Art. 226 EG)
Partijen
In zaak C-444/99,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Wolfcarius en S. Dragone als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door U. Leanza als gemachtigde, bijgestaan door O. Fiumara, avvocato dello Stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door een contingenterings- en vergunningenstelsel voor gecombineerd vervoer tussen de lidstaten in stand te houden, hoewel zij de bijzondere vergunningen heeft vervangen door algemene vergunningen, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens richtlijn 92/106/EEG van de Raad van 7 december 1992 houdende vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor bepaalde vormen van gecombineerd vervoer van goederen tussen lidstaten (PB L 368, blz. 38), en met name artikel 2 daarvan,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: M. Wathelet, kamerpresident, P. Jann (rapporteur) en L. Sevón, rechters,
advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 februari 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 22 november 1999, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld, strekkende tot vaststelling dat de Italiaanse Republiek, door een contingenterings- en vergunningenstelsel voor gecombineerd vervoer tussen de lidstaten in stand te houden, hoewel zij de bijzondere vergunningen heeft vervangen door algemene vergunningen, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens richtlijn 92/106/EEG van de Raad van 7 december 1992 houdende vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor bepaalde vormen van gecombineerd vervoer van goederen tussen lidstaten (PB L 368, blz. 38; hierna: richtlijn"), en met name artikel 2 daarvan.
De richtlijn
2 De richtlijn, die van toepassing is op bepaalde in artikel 1 gedefinieerde vormen van gecombineerd vervoer, beoogt volgens de vijfde overweging van de considerans het gebruik van het gecombineerd vervoer te stimuleren door iedere kwantitatieve beperking en verschillende nog in het wegvervoer bestaande administratieve verplichtingen op te heffen.
3 Artikel 2 van de richtlijn bepaalt:
Elke lidstaat moet het in artikel 1 bedoelde gecombineerd vervoer uiterlijk op 1 juli 1993 vrijstellen van ieder contingenterings- en vergunningenstelsel."
De nationale regeling
4 Het ministerieel decreet van 27 februari 1992 (GURI nr. 50 van 29 februari 1992, blz. 7) heeft de beperkingen betreffende de bijzondere vergunningen voor goederenvervoer voor rekening van derden die tot dan in Italië van kracht waren, uit de weg geruimd door de bijzondere vergunningen te vervangen door algemene vergunningen zonder verplichtingen of beperkingen.
5 Het ministerieel decreet van 27 februari 1992 (GURI nr. 163 van 13 juli 1992, blz. 12) legt de modaliteiten voor afgifte van deze algemene vergunningen vast. Artikel 1 van dat decreet bepaalt, dat het aantal voor beroepsgoederenvervoer af te geven vergunningen jaarlijks wordt vastgesteld op ten hoogste het drievoudige van het aantal vergunningen dat het voorgaande jaar voor goederenvervoer voor rekening van derden is afgegeven. Volgens artikel 4, tweede alinea, van dit decreet worden de vergunningaanvragen binnen elke categorie geordend volgens een voorrangscriterium, dat wordt bepaald door het aantal vergunningen dat reeds aan de ondernemingen is afgegeven.
6 Wetsbesluit nr. 85 van 14 maart 1998 (GURI nr. 83 van 9 april 1998, blz. 42), vastgesteld op basis van de bevoegdheid verleend bij wet nr. 454/97 van 23 december 1997 betreffende de herstructurering van het wegvervoer en de ontwikkeling van het gecombineerd vervoer (GURI nr. 303 van 31 december 1997, blz. 4), bepaalt dat alle ondernemingen die in het register van de wegvervoerders zijn ingeschreven, met ingang van 1 januari 2001 de activiteit van wegvervoer voor rekening van derden mogen uitoefenen. Datzelfde decreet voorziet voor de overgangsperiode in een verhoging van de vervoerscapaciteit tot ten hoogste het dubbele van het voordien toegelaten vervoersvolume.
De precontentieuze procedure
7 Van oordeel dat de richtlijn niet binnen de gestelde termijn volledig in Italiaans recht was omgezet, heeft de Commissie de niet-nakomingsprocedure ingeleid. Na de Italiaanse Republiek in de gelegenheid te hebben gesteld om haar opmerkingen te maken, heeft de Commissie op 24 juli 1998 een met redenen omkleed advies uitgebracht waarin zij deze lidstaat verzocht om binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving ervan de nodige maatregelen te nemen om aan dit advies te voldoen. Aangezien de Italiaanse Republiek geen gevolg heeft gegeven aan dit advies, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
Ten gronde
8 In haar beroep betoogt de Commissie, dat de maatregelen tot omzetting van de richtlijn in de Italiaanse rechtsorde niet het door de richtlijn beoogde doel bereiken. De richtlijn tracht immers op het gebied van het gecombineerd vervoer een stelsel zonder vergunningen of contingenten in te voeren, terwijl de Italiaanse autoriteiten ook na 1 juli 1993, de uiterste datum voor omzetting van de richtlijn, op dat gebied zowel een vergunningen- als een contingenteringsstelsel in stand hebben gehouden.
9 De Italiaanse regering erkent, dat het bij de ministeriële decreten van 27 februari en 27 juni 1992 ingevoerde stelsel van algemene vergunningen in strijd is met de richtlijn. Zij stelt evenwel, dat wetsbesluit nr. 85 met ingang van 1 januari 2001 een met de richtlijn verenigbaar stelsel heeft ingevoerd. Zij is van mening dat de korte overgangsperiode van geleidelijke tenuitvoerlegging van de liberalisering, waarin noodzakelijkerwijze had moeten worden voorzien, voor de marktdeelnemers op geen enkele wijze hinderlijk was.
10 Dienaangaande volstaat de opmerking, dat de richtlijn de lidstaten niet de mogelijkheid verleent om een overgangsperiode vast te stellen voor de geleidelijke invoering van de liberalisering op het gebied van het wegvervoer.
11 Om de door de advocaat-generaal in punt 5 van zijn conclusie uiteengezette overwegingen inzake de datum waarop het bestaan van een niet-nakoming moet worden beoordeeld, moet het beroep gegrond worden geacht.
12 Derhalve moet worden vastgesteld, dat de Italiaanse Republiek, door een contingenterings- en vergunningenstelsel voor gecombineerd vervoer tussen de lidstaten in stand te houden, hoewel zij de bijzondere vergunningen heeft vervangen door algemene vergunningen, de krachtens artikel 2 van de richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
13 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Italiaanse Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door een contingenterings- en vergunningenstelsel voor gecombineerd vervoer tussen de lidstaten in stand te houden, hoewel zij de bijzondere vergunningen heeft vervangen door algemene vergunningen, is de Italiaanse Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 2 van richtlijn 92/106/EEG van de Raad van 7 december 1992 houdende vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor bepaalde vormen van gecombineerd vervoer van goederen tussen lidstaten.
2) De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy