Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Vervoer - Luchtvervoer - Vrij verrichten van diensten - Beperkingen - Nationale regeling volgens welke voor binnenlandse vluchten andere inschepingsrechten gelden dan voor intracommunautaire vluchten - Ontoelaatbaarheid
[Art. 59 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 49 EG); verordening nr. 2408/92 van de Raad, artikel 3, lid 1]
Samenvatting
$$Een nationale regeling volgens welke voor passagiers van een binnenlandse vlucht andere inschepingsrechten gelden dan voor passagiers van een intracommunautaire vlucht, moet worden beschouwd als een beperking van het vrij verrichten van diensten die is verboden krachtens artikel 59 van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 49 EG) in samenhang met artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2408/92 betreffende de toegang van communautaire luchtvaartmaatschappijen tot intracommunautaire luchtroutes, die tot doel heeft voor de luchtvervoerssector de voorwaarden voor toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten vast te stellen. De in artikel 59 van het Verdrag bepaalde vrijheid van dienstverrichting staat immers in de weg aan de toepassing van een nationale regeling die ertoe leidt dat het verrichten van diensten tussen lidstaten moeilijker wordt dan het verrichten van diensten binnen een enkele lidstaat.
( cf. punten 11-12, 15 )
Partijen
In zaak C-447/99,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F. Benyon en S. Dragone als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door U. Leanza als gemachtigde, bijgestaan door I. M. Braguglia, avvocato dello Stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, met de handhaving van de bepalingen van artikel 3 van het ministerieel decreet van 13 augustus 1998 (GURI nr. 251 van 27 oktober 1998) tot uitvoering van wet nr. 537 van 24 december 1993, gewijzigd bij wet nr. 662 van 23 december 1996, volgens welke voor een binnenlandse vlucht andere inschepingsrechten gelden dan voor een vlucht vanuit Italië naar een andere lidstaat, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 59 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 49 EG) in samenhang met artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2408/92 van de Raad van 23 juli 1992 betreffende de toegang van communautaire luchtvaartmaatschappijen tot intracommunautaire luchtroutes (PB L 240, blz. 8),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: V. Skouris (rapporteur), kamerpresident, R. Schintgen en N. Colneric, rechters,
advocaat-generaal: S. Alber,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 maart 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 24 november 1999, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG het Hof verzocht vast te stellen, dat de Italiaanse Republiek, met de handhaving van de bepalingen van artikel 3 van het ministerieel decreet van 13 augustus 1998 (GURI nr. 251 van 27 oktober 1998; hierna: ministerieel decreet van 13 augustus 1998") tot uitvoering van wet nr. 537 van 24 december 1993, gewijzigd bij wet nr. 662 van 23 december 1996, volgens welke voor een binnenlandse vlucht andere inschepingsrechten gelden dan voor een vlucht vanuit Italië naar een andere lidstaat, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 59 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 49 EG) in samenhang met artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2408/92 van de Raad van 23 juli 1992 betreffende de toegang van communautaire luchtvaartmaatschappijen tot intracommunautaire luchtroutes (PB L 240, blz. 8).
Toepasselijke bepalingen
Toepasselijke bepalingen van gemeenschapsrecht
2 Blijkens de eerste en de tweede considerans ervan beoogt verordening nr. 2408/92, overeenkomstig artikel 8 A EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 18 EG), een luchtvervoersbeleid te verwezenlijken met het oog op de totstandbrenging van de interne markt, die een ruimte zonder binnengrenzen omvat waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd.
3 Artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2408/92 bepaalt:
Met inachtneming van deze verordening wordt door de betrokken lidstaat (lidstaten) aan communautaire luchtvaartmaatschappijen toegestaan om vervoersrechten op routes in de Gemeenschap uit te oefenen."
Toepasselijke bepalingen van nationaal recht
4 Overeenkomstig artikel 5 van Italiaanse wet nr. 324 van 5 mei 1976 (GURI nr. 142 van 31 mei 1976) wordt bij het vertrek van de passagiers een inschepingsrecht, diritto per l'imbarco passeggeri" (recht voor het inschepen van passagiers; hierna: inschepingsrecht"), geheven, waarvan het bedrag verschilt naargelang het passagiers van internationale vluchten dan wel van binnenlandse vluchten betreft. Deze wet werd later gewijzigd bij wet nr. 316 van 2 oktober 1991 (GURI nr. 237 van 9 oktober 1991), bij wet nr. 537 van 24 december 1993 (GURI, gewoon supplement nr. 121, van 28 december 1993), en bij wet nr. 662 van 23 december 1996 (GURI, gewoon supplement nr. 233, van 28 december 1996), waarbij telkens de verschillende inschepingsrechten voor de twee categorieën van passagiers werden behouden.
5 Bij artikel 3 van het ministerieel decreet van 13 augustus 1998 werd het bedrag van het inschepingsrecht gewijzigd:
Het inschepingsrecht voor passagiers van internationale vluchten, dat is vastgesteld bij artikel 5 van wet nr. 324 van 5 mei 1976, en de latere wijzigingen daarvan, wordt van 15 154 lire op 15 500 lire gebracht.
Het inschepingsrecht voor passagiers van binnenlandse vluchten, dat is vastgesteld bij artikel 2 van wet nr. 316 van 2 oktober 1991, wordt van 5 919 lire op 7 000 lire gebracht."
De precontentieuze procedure
6 Bij schriftelijke aanmaning van 23 december 1996 wees de Commissie de Italiaanse Republiek erop, dat het in artikel 5 van wet nr. 324 van 5 mei 1976, zoals gewijzigd, gemaakte onderscheid tussen de inschepingsrechten voor passagiers van vluchten vanuit Italië naar andere lidstaten en deze voor passagiers van vluchten binnen Italië, onverenigbaar was met het in de artikelen 59 van het Verdrag en 62 EG-Verdrag (ingetrokken bij het Verdrag van Amsterdam) neergelegde beginsel van de vrijheid van dienstverrichting, met de bepalingen van verordening nr. 2408/92 en met het bij artikel 8 A van het Verdrag aan de burgers van de Unie toegekende recht van vrij verkeer op het grondgebied van de lidstaten.
7 Na hierover met de Italiaanse Republiek briefwisseling te hebben gevoerd, heeft de Commissie op 14 december 1998 een met redenen omkleed advies uitgebracht, waarin zij deze lidstaat verzocht binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving ervan de nodige maatregelen te nemen om aan dit advies te voldoen. Aangezien de Italiaanse Republiek geen gevolg heeft gegeven aan dit advies, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
Argumenten van partijen
8 Volgens de Commissie vormt de Italiaanse regeling tot instelling van inschepingsrechten een schending van de bepalingen van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2408/92, die overeenkomstig de in artikel 59 van het Verdrag neergelegde algemene beginselen van de vrijheid van dienstverrichting moeten worden uitgelegd.
9 De Commissie wijst er dienaangaande op, dat het vrije verkeer van luchtvervoersdiensten binnen de Gemeenschap tot stand werd gebracht door de vaststelling van het derde liberaliseringspakket van 23 juli 1992, dat op 1 januari 1993 in werking is getreden. Verordening nr. 2408/92 vormt een essentieel bestanddeel van dat pakket, voorzover daarin alle met de markttoegang van luchtvaartmaatschappijen verband houdende vraagstukken worden geregeld en aldus uitvoering wordt gegeven aan de beginselen van artikel 59 van het Verdrag.
10 De Italiaanse regering betwist de grief van de Commissie niet. Zij geeft te kennen dat nationale bepalingen worden voorbereid die het onderscheid inzake inschepingsrechten tussen intracommunautaire en nationale vluchten zullen opheffen, zodat deze grief zal verdwijnen.
Beoordeling door het Hof
11 Vooreerst zij opgemerkt, dat zoals het Hof heeft vastgesteld in zijn arrest van 18 januari 2001, Italië/Commissie (C-361/98, Jurispr. blz. I-385, punt 32), verordening nr. 2408/92 met name tot doel heeft voor de luchtvervoerssector de toepassingsvoorwaarden vast te stellen betreffende het in de artikelen 59 van het Verdrag en 61 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 51 EG) neergelegde beginsel van vrijheid van dienstverrichting, en dat daartoe alle met de markttoegang verband houdende vraagstukken in dezelfde verordening worden behandeld.
12 Vervolgens zij opgemerkt, dat de in artikel 59 van het Verdrag bepaalde vrijheid van dienstverrichting zich verzet tegen de toepassing van een nationale regeling die ertoe leidt, dat het verrichten van diensten tussen lidstaten moeilijker wordt dan het verrichten van diensten binnen een enkele lidstaat (zie arrest van 5 oktober 1994, Commissie/Frankrijk, C-381/93, Jurispr. blz. I-5145, punt 17).
13 Ten slotte zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak het bestaan van een niet-nakoming moet worden beoordeeld op basis van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn (zie met name arrest van 15 maart 2001, Commissie/Frankrijk, C-147/00, Jurispr. blz. I-2387, punt 26).
14 In casu staat vast, dat de Italiaanse Republiek niet de nodige maatregelen heeft genomen om binnen de daartoe gestelde termijn aan het met redenen omkleed advies te voldoen.
15 Gelet op een en ander, moet worden vastgesteld dat de Italiaanse Republiek met de handhaving van de bepalingen van artikel 3 van het ministerieel decreet van 13 augustus 1998, volgens welke voor een binnenlandse vlucht andere inschepingsrechten gelden dan voor een vlucht vanuit Italië naar een andere lidstaat, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 59 van het Verdrag in samenhang met artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2408/92.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
16 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Italiaanse Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Met de handhaving van de bepalingen van artikel 3 van het ministerieel decreet van 13 augustus 1998 tot uitvoering van wet nr. 537 van 24 december 1993, gewijzigd bij wet nr. 662 van 23 december 1996, volgens welke voor passagiers van een binnenlandse vlucht andere inschepingsrechten gelden dan voor passagiers van een vlucht vanuit Italië naar een andere lidstaat, is de Italiaanse Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 59 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 49 EG) in samenhang met artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2408/92 van de Raad van 23 juli 1992 betreffende de toegang van communautaire luchtvaartmaatschappijen tot intracommunautaire luchtroutes.
2) De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy