Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Harmonisatie van wetgevingen - Telecommunicatiediensten - Gemeenschappelijk kader voor algemene machtigingen en individuele vergunningen - Richtlijn 97/13 - Individuele vergunningen - Procedures voor verlening - Aard van te nemen besluiten
(Richtlijn 97/13 van het Europees Parlement en de Raad, art. 9, lid 2)
Samenvatting
$$De door de richtlijn 97/13 betreffende een gemeenschappelijk kader voor algemene machtigingen en individuele vergunningen op het gebied van telecommunicatiediensten, verlangde snelle besluitvorming van de bevoegde autoriteiten en het ontbreken van enige verwijzing naar het eventueel voorlopige karakter van dat besluit, rechtvaardigen dat artikel 9, lid 2, tweede streepje, van de richtlijn, volgens hetwelk een lidstaat gehouden is de aanvrager binnen een termijn van ten hoogste zes weken zijn besluit mee te delen, aldus wordt uitgelegd, dat de binnen die termijn te nemen besluiten een definitief karakter hebben.
( cf. punt 19 )
Partijen
In zaak C-448/99,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Nolin als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Groothertogdom Luxemburg, vertegenwoordigd door P. Steinmetz als gemachtigde,
verweerder,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te treffen die nodig zijn om te voldoen aan de artikelen 8, lid 3, en 9, lid 2, van richtlijn 97/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 april 1997 betreffende een gemeenschappelijk kader voor algemene machtigingen en individuele vergunningen op het gebied van telecommunicatiediensten (PB L 117, blz. 15), de krachtens die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: A. La Pergola, kamerpresident, M. Wathelet, D. A. O. Edward, P. Jann en L. Sevón (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: P. Léger,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 21 september 2000,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 25 november 1999, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 226 EG verzocht vast te stellen dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te treffen die nodig zijn om te voldoen aan de artikelen 8, lid 3, en 9, lid 2, van richtlijn 97/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 april 1997 betreffende een gemeenschappelijk kader voor algemene machtigingen en individuele vergunningen op het gebied van telecommunicatiediensten (PB L 117, blz. 15; hierna: richtlijn"), de krachtens die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Volgens artikel 1, lid 1, betreft de richtlijn de procedures die samenhangen met de verlening van machtigingen voor de verstrekking van telecommunicatiediensten.
3 Volgens artikel 3, lid 3, van de richtlijn kunnen deze diensten ofwel zonder machtiging, ofwel op basis van algemene machtigingen worden verstrekt, waar nodig aangevuld met rechten en verplichtingen die een individuele beoordeling van aanvragen vereisen en tot een of meer individuele vergunningen leiden.
4 Artikel 8, lid 3, van de richtlijn bepaalt:
Onverminderd artikel 20 dragen de lidstaten er zorg voor dat informatie over de voorwaarden die aan enigerlei individuele vergunning worden verbonden, op geëigende wijze zijn bekendgemaakt, zodat deze informatie gemakkelijk toegankelijk is. In het staatsblad van de desbetreffende lidstaat en in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen dient naar deze bekendmaking te worden verwezen."
5 Artikel 9, lid 2, van de richtlijn luidt als volgt:
Indien een lidstaat voornemens is individuele vergunningen te verlenen:
- geschiedt dit door middel van open, niet-discriminerende en transparante procedures en door daartoe alle aanvragers aan dezelfde procedures te onderwerpen, tenzij er een objectieve reden voor het maken van onderscheid is,
en
- stelt hij redelijke termijnen vast; de lidstaat dient, onder andere, zo spoedig mogelijk doch niet later dan zes weken nadat hij de aanvraag heeft ontvangen, aan de aanvrager een besluit over de aanvraag mede te delen. In de bepalingen die voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn worden aangenomen, mogen de lidstaten deze termijn tot vier maanden verlengen in objectief gerechtvaardigde gevallen die specifiek in die bepalingen worden omschreven. Met name in het geval van een procedure van openbare aanbesteding mogen de lidstaten deze termijn met maximaal vier maanden verlengen. Deze termijnen doen geen afbreuk aan eventuele internationale overeenkomsten betreffende internationale frequentie- en satellietcoördinatie."
6 Volgens artikel 25, eerste alinea, van de richtlijn, moesten de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden teneinde uiterlijk op 31 december 1997 aan deze richtlijn te voldoen, en de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen.
7 De Luxemburgse autoriteiten hebben de Commissie in kennis gesteld van een aantal verordeningen en ontwerp-verordeningen die zijn vastgesteld om de richtlijn in nationaal recht om te zetten. Na analyse van deze teksten meende de Commissie enerzijds, dat enkele bepalingen ervan niet in overeenstemming met de richtlijn waren, en anderzijds, dat er nog maatregelen moesten worden genomen voor de volledige uitvoering van de richtlijn. Om die redenen zond de Commissie het Groothertogdom Luxemburg op 24 juli 1998 een aanmaningsbrief met het verzoek binnen een termijn van twee maanden zijn opmerkingen in te dienen.
8 Bij brief van 18 september 1998 dienden de Luxemburgse autoriteiten hun opmerkingen in. Van mening dat die niet op alle in de aanmaningsbrief geformuleerde grieven antwoordden, zond de Commissie het Groothertogdom Luxemburg op 8 februari 1999 een met redenen omkleed advies, waarin zij laatstgenoemde verzocht, de nodige maatregelen te treffen om binnen een termijn van twee maanden na betekening ervan aan dat advies te voldoen.
9 De Luxemburgse autoriteiten antwoordden bij brief van 13 april 1999 op het met redenen omklede advies. Omdat de Commissie echter van mening was, dat de richtlijn nog steeds niet op toereikende wijze was uitgevoerd, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld.
10 De Commissie formuleert twee grieven jegens het Groothertogdom Luxemburg.
11 Zij betoogt in de eerste plaats, dat artikel 8, lid 3, van de richtlijn niet volledig is uitgevoerd en dat er nog een groothertogelijke verordening moet worden goedgekeurd en gepubliceerd die de voorwaarden van het bestek voor het exploiteren van een semafoondienst vaststelt, zoals is bepaald in artikel 7, lid 2, sub e, van de Luxemburgse wet van 21 maart 1997 inzake de telecommunicatie (Memorial A 1997, blz. 761). Dienaangaande beroept de Commissie zich op het arrest van 18 december 1997, Commissie/België, C-263/96, Jurispr. blz. I-7453, punt 26, volgens hetwelk een nationale wettelijke regeling die geen enkele materiële bepaling tot uitvoering van de richtlijn bevat, maar enkel een bevoegdverklaring van een autoriteit om later de nodige materiële bepalingen vast te stellen, niet kan worden geacht de richtlijn volledig en nauwkeurig uit te voeren.
12 In zijn verweerschrift betoogt het Groothertogdom Luxemburg, dat een groothertogelijke ontwerp-verordening die genoemde voorwaarden vaststelt, op 7 december 1999 voor advies naar de Conseil d'État is gezonden, en dat de Commissie er begin december 1999 van in kennis is gesteld.
13 Omdat deze tekst niet definitief is, moet worden vastgesteld, dat bij gebreke van een tekst die de voorwaarden van het bestek voor de exploitatie van een semafoondienst vaststelt, of in elk geval bij gebreke van vaststelling van een dergelijke tekst binnen de door het met redenen omklede advies gestelde termijn, artikel 8, lid 3, van de richtlijn niet volledig in nationaal recht is omgezet.
14 Bijgevolg moet het door de Commissie ingestelde beroep gegrond worden geacht met betrekking tot die bepaling van de richtlijn.
15 In de tweede plaats betoogt de Commissie, dat het Groothertogdom Luxemburg de verplichting uit artikel 9, lid 2, tweede streepje, van de richtlijn niet is nagekomen, daar de door de nationale verordening gestelde termijn voor de definitieve verlening van vergunningen de in die bepaling genoemde termijn van zes weken overschrijdt. Het besluit betreffende de verlening of de weigering van de vergunning, dat volgens de richtlijn aan de aanvrager ter kennis moet worden gebracht, is een uitvoerbaar besluit dat de aanvrager een recht verleent of hem een dergelijk recht weigert. Elke andere uitlegging zou de bepalingen betreffende de termijnen voor toekenning hun nuttige werking ontnemen. Zo zou het feit dat de aanvrager na zes weken een ontwerp-vergunning of een ontwerp-weigering ontvangt, niet gelijkstaan met een besluit in de zin van de richtlijn. De Commissie preciseert, dat de in het Luxemburgse recht voorziene procedure, uitmondt in een termijn van drie en een halve maand of meer voor het verlenen van vergunningen.
16 Het Groothertogdom Luxemburg betoogt, dat artikel 5 van de groothertogelijke verordening van 2 juli 1998 volledig in overeenstemming is met de richtlijn. Volgens hem moet artikel 9, lid 2, van de richtlijn aldus worden uitgelegd, dat het niet ziet op de afgifte van een definitieve vergunning aan de aanvrager, maar op het informeren van de aanvrager over het lot van zijn aanvraag, en wel binnen zes weken na ontvangst van die aanvraag door de instantie die de aanvraag onderzoekt. Het Groothertogdom concludeert, dat de Luxemburgse regeling de aanvrager waarborgt dat hij binnen de in artikel 9, lid 2, van de richtlijn gestelde termijn van zes weken over het besluit aangaande zijn aanvraag wordt geïnformeerd.
17 Dienaangaande moet worden vastgesteld dat artikel 9, lid 2, tweede streepje, van de richtlijn, door te bepalen dat de lidstaat redelijke termijnen" vaststelt, duidelijk uiting geeft aan de wil van de gemeenschapswetgever om de door de lidstaten aan het onderzoek van individuele vergunningaanvragen bestede tijd te beperken.
18 Dienaangaande wordt in de zeventiende overweging van de considerans van de richtlijn gepreciseerd, dat de nationale regelgevende instanties [...] moeten streven naar verkorting van de termijnen voor het nemen van een besluit over individuele vergunningen [...] waarmee ingespeeld wordt op commerciële behoeften".
19 Volgens artikel 9, lid 2, is de lidstaat gehouden de aanvrager binnen een termijn van ten hoogste zes weken zijn besluit mee te delen. De door de richtlijn verlangde snelle besluitvorming van de bevoegde autoriteiten en het ontbreken van enige verwijzing naar het eventueel voorlopige karakter van dat besluit, rechtvaardigen dat artikel 9, lid 2, tweede streepje, aldus wordt uitgelegd, dat de binnen de door dat artikel gestelde termijn te nemen besluiten een definitief karakter hebben. Dit is echter niet het geval volgens het Luxemburgse recht.
20 Gelet op een en ander moet het door de Commissie ingestelde beroep gegrond worden geacht met betrekking tot die bepaling van de richtlijn.
21 Mitsdien moet worden vastgesteld dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te treffen die nodig zijn om aan de artikelen 8, lid 3, en 9, lid 2, van de richtlijn te voldoen, de krachtens die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
22 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien het Groothertogdom Luxemburg in het ongelijk is gesteld, dient het overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te treffen die nodig zijn om te voldoen aan de artikelen 8, lid 3, en 9, lid 2, van richtlijn 97/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 april 1997 betreffende een gemeenschappelijk kader voor algemene machtigingen en individuele vergunningen op het gebied van telecommunicatiediensten, is het Groothertogdom Luxemburg de krachtens die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Groothertogdom Luxemburg wordt in de kosten verwezen.
Full & Egal Universal Law Academy