Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Gezinsbijslagen - Rechthebbenden op pensioenen verschuldigd krachtens wettelijke regeling van verschillende lidstaten - Bijslagen voor kinderen ten laste en wezen van pensioentrekkers - Voorwaarden voor verkrijging niet vervuld in woonstaat - Recht van pensioen- of rentetrekker niet uitsluitend verkregen krachtens nationale wettelijke regeling van andere lidstaat dan woonstaat - Ontbreken van verplichting van bevoegd orgaan van deze lidstaat om bijslagen toe te kennen - Uitzondering - Recht verkregen krachtens socialezekerheidsovereenkomst die vóór inwerkingtreding van gemeenschapsregeling was gesloten
(Verordeningen van de Raad nr. 1408/71, art. 77, lid 2, sub b, 78, lid 2, sub b, en 79, lid 1, en nr. 2001/83)
Samenvatting
$$De artikelen 77, lid 2, sub b, en 78, lid 2, sub b, van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 2001/83, juncto artikel 79, lid 1, van deze verordening moeten aldus worden uitgelegd dat het bevoegde orgaan van een andere lidstaat dan de woonstaat van de rechthebbende op pensioen of rente wegens ouderdom of invaliditeit, dan wel van een andere lidstaat dan de woonstaat van wezen van een overleden werknemer, niet gehouden is de betrokkenen bijslagen voor kinderen ten laste of voor wezen toe te kennen wanneer niet of niet meer is voldaan aan de voorwaarden die in de wettelijke regeling van de woonstaat zijn gesteld voor de toekenning van dergelijke bijslagen, en het recht van de rechthebbende op het pensioen of de rente dan wel het recht van de wezen van de overleden werknemer in de andere lidstaat niet uitsluitend op de wettelijke regeling van die lidstaat berust. In een dergelijke situatie kan het bevoegde orgaan van de andere lidstaat dan de woonstaat niettemin zijn gehouden de betrokken bijslagen toe te kennen op grond van een socialezekerheidsovereenkomst tussen de twee betrokken lidstaten, die in hun nationaal recht is opgenomen vóór de inwerkingtreding van de verordening, wanneer de betrokkenen een verkregen recht hebben dat deze overeenkomst na die inwerkingtreding van toepassing blijft.
( cf. punt 32 en dictum )
Partijen
In zaak C-471/99,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het Sozialgericht Nürnberg (Duitsland), in de aldaar aanhangige gedingen tussen
Alfredo Martínez Domínguez,
Joaquín Benítez Urbano,
Agapito Mateos Cruz,
Carmen Calvo Fernández
en
Bundesanstalt für Arbeit, Kindergeldkasse,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 77, lid 2, sub b, en 78, lid 2, sub b, juncto artikel 79, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB L 230, blz. 6),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: F. Macken, kamerpresident, C. Gulmann (rapporteur), R. Schintgen, V. Skouris en J. N. Cunha Rodrigues, rechters,
advocaat-generaal: A. Tizzano,
griffier: L. Hewlett, administrateur,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- A. Martínez Domínguez, vertegenwoordigd door A. Nicolás López, hoofd van de afdeling Sociale zaken bij het consulaat-generaal van Spanje te Hannover,
- J. Benítez Urbano, vertegenwoordigd door K. von Harbou, adviseur inzake sociaal recht bij de ambassade van Spanje te Bonn,
- A. Mateos Cruz, vertegenwoordigd door Á. González Maeztu, hoofd van de afdeling Sociale zaken bij het consulaat-generaal van Spanje te Stuttgart,
- de Duitse regering, vertegenwoordigd door W.-D. Plessing en B. Muttelsee-Schön als gemachtigden,
- de Spaanse regering, vertegenwoordigd door M. López-Monís Gallego als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Hillenkamp als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Duitse regering, vertegenwoordigd door B. Muttelsee-Schön, en de Commissie, vertegenwoordigd door J. Sack als gemachtigde, ter terechtzitting van 11 oktober 2001,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 7 februari 2002,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 22 november 1999, ingekomen bij het Hof op 9 december daaraanvolgend, heeft het Sozialgericht Nürnberg krachtens artikel 234 EG twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 77, lid 2, sub b, en 78, lid 2, sub b, juncto artikel 79, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB L 230, blz. 6; hierna: verordening").
2 Deze vragen zijn gerezen in het kader van vier gedingen tussen enerzijds de in Spanje wonende Spaanse onderdanen A. Martínez Domínguez, J. Benítez Urbano, A. Mateos Cruz en C. Calvo Fernández, en anderzijds de Bundesanstalt für Arbeit, Kindergeldkasse (hierna: BAK"), wegens de afwijzing door de BAK van de aanvragen om gezinsbijslagen die eerstgenoemden hadden ingediend.
Toepasselijke bepalingen van gemeenschapsrecht
3 Artikel 77 van de verordening, Kinderen ten laste van pensioen- of rentetrekkers", bepaalt:
1. Voor de toepassing van dit artikel worden onder ,bijslagen verstaan zowel kinderbijslag voor rechthebbenden op pensioen of rente wegens ouderdom, invaliditeit, arbeidsongeval of beroepsziekte, als verhogingen of aanvullingen van deze pensioenen of renten voor kinderen van deze rechthebbenden, met uitzondering evenwel van de aanvullingen welke ingevolge de verzekering tegen arbeidsongevallen en beroepsziekten worden toegekend.
2. Ongeacht op het grondgebied van welke lidstaat de rechthebbende op een pensioen of rente dan wel de kinderen wonen, worden de bijslagen toegekend volgens onderstaande regels:
a) aan de rechthebbende op pensioen of rente, verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een enkele lidstaat, overeenkomstig de wettelijke regeling van de lidstaat welke inzake het pensioen of de rente bevoegd is;
b) aan de rechthebbende op pensioen of renten verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van meer dan een lidstaat:
i) overeenkomstig de wettelijke regeling van die van deze staten, op het grondgebied waarvan hij woont, indien het recht op een van de in lid 1 bedoelde bijslagen aldaar wordt ontleend aan de wettelijke regeling van deze staat, eventueel met inachtneming van artikel 79, lid 1, sub a,
of
ii) in de overige gevallen, overeenkomstig de wettelijke regeling van die van deze lidstaten waaraan de betrokkene het langst onderworpen is geweest, indien het recht op een der in lid 1 bedoelde bijslagen wordt ontleend aan de wettelijke regeling van deze lidstaat, eventueel met inachtneming van artikel 79, lid 1, sub a; indien aan genoemde wettelijke regeling geen enkel recht wordt ontleend, wordt het recht op bijslagen achtereenvolgens aan de in de wettelijke regelingen der overige betrokken lidstaten gestelde voorwaarden getoetst en wel in afdalende volgorde naar de duur van de krachtens de wettelijke regelingen van deze lidstaten vervulde tijdvakken van verzekering of van wonen."
4 Artikel 78 van de verordening, Wezen", bepaalt:
1. Voor de toepassing van dit artikel worden onder ,bijslagen verstaan kinderbijslagen, en eventueel aanvullende of bijzondere bijslagen voor wezen, alsmede wezenpensioenen of wezenrenten, met uitzondering van wezenrenten welke ingevolge de verzekering tegen arbeidsongevallen en beroepsziekten worden toegekend.
2. Ongeacht op het grondgebied van welke lidstaat de wees of de natuurlijke persoon of rechtspersoon te wiens laste deze wees in feite komt, woont, worden de bijslagen voor wezen toegekend volgens onderstaande regels:
a) voor de wees van een overleden werknemer of zelfstandige die aan de wettelijke regeling van één enkele lidstaat onderworpen was, overeenkomstig de wettelijke regeling van die staat;
b) voor de wees van een overleden werknemer of zelfstandige die aan wettelijke regelingen van meer dan één lidstaat onderworpen was:
i) overeenkomstig de wettelijke regeling van die van deze staten, op het grondgebied waarvan de wees woont, indien het recht op één van de in lid 1 bedoelde bijslagen aldaar wordt ontleend aan de wettelijke regeling van die staat, eventueel met inachtneming van artikel 79, lid 1, sub a,
of
ii ) in de overige gevallen, overeenkomstig de wettelijke regeling van die van deze lidstaten waaraan de overledene het langst onderworpen is geweest, indien het recht op een van de in lid 1 bedoelde bijslagen wordt ontleend aan de wettelijke regelingen van die lidstaat, eventueel met inachtneming van artikel 79, lid 1, sub a; indien aan genoemde wettelijke regeling geen enkel recht wordt ontleend, wordt het recht op bijslagen achtereenvolgens aan de in de wettelijke regelingen van de overige betrokken lidstaten gestelde voorwaarden getoetst en wel in afdalende volgorde naar de duur van de krachtens de wettelijke regelingen van deze lidstaten vervulde tijdvakken van verzekering of van wonen.
De wettelijke regeling van de lidstaat welke van toepassing is voor het verlenen van de in artikel 77 bedoelde bijslagen ten behoeve van kinderen van een rechthebbende op pensioen of rente, blijft evenwel na het overlijden van genoemde rechthebbende van toepassing voor het verlenen van bijslagen aan zijn wezen."
5 Artikel 79 van de verordening, Gemeenschappelijke bepalingen inzake bijslagen voor kinderen ten laste van pensioen- of rentetrekkers en voor wezen", luidt:
1. De bijslagen in de zin van de artikelen 77 en 78 worden, volgens de overeenkomstig deze artikelen bepaalde wettelijke regeling, door en voor rekening van het met de uitvoering van die wettelijke regeling belaste orgaan verleend, alsof de pensioen- of rentetrekker, of de overledene uitsluitend aan de wettelijke regeling van de bevoegde staat onderworpen was geweest.
Echter:
a) indien deze wettelijke regeling bepaalt dat het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op bijslagen afhankelijk is van de duur der tijdvakken van verzekering, van arbeid, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van wonen, wordt deze tijdsduur, eventueel met inachtneming van artikel 45, respectievelijk 72, vastgesteld;
[...]"
De nationale regeling
6 In Spanje voorziet het Real Decreto Legislativo nr. 1/1994 van 20 juni 1994, houdende de algemene socialezekerheidsregeling (BOE nr. 154 van 29 juni 1994) in de betaling ten voordele van de aangesloten werknemers en gepensioneerden, van een bijslag voor elk kind ten laste van minder dan 18 jaar, mits het inkomen van de rechthebbende een bepaalde drempel niet overschrijdt. Het voorziet eveneens in een recht op betaling van een bijslag voor kinderen met een invaliditeitspercentage van ten minste 65 %, ongeacht hun leeftijd en zonder inkomensgrens. Voor een meerderjarig gehandicapt kind wordt een dergelijke bijslag evenwel niet toegekend indien dat kind recht heeft op een overeenkomstig Ley nr. 13/1982 de Integracíon de los Minusválidos (LISMI) (wet inzake de integratie van gehandicapten) van 7 april 1982 (BOE nr. 103 van 30 april 1982) toegekende specifieke bijslag, waarbij de betrokkene moet kiezen voor een van beide bijslagen.
7 In Duitsland is het recht op kinderbijslag geregeld bij het herhaaldelijk gewijzigde Bundeskindergeldgesetz. Tot en met 31 december 1995 bestond het recht op kinderbijslag tot op het ogenblik waarop het kind de leeftijd van 16 jaar bereikte. Vanaf 1 januari 1996 is deze leeftijd verhoogd tot 18 jaar. Het recht op bijslag wordt in geval van een beroepsopleiding verlengd tot het einde van het 27e levensjaar of in geval van werkloosheid tot het einde van het 21e levensjaar. Voor kinderen met een handicap die niet in staat zijn in hun eigen onderhoud te voorzien, is er daarentegen geen enkele leeftijdsgrens. Tot en met 31 december 1995 golden voor het recht op kinderbijslag voor het eerste kind geen inkomensvoorwaarden, doch voor de volgende kinderen was dit wel het geval. Sinds 1 januari 1996 is dit recht niet langer afhankelijk van het inkomen van de rechthebbenden.
De hoofdgedingen en de prejudiciële vragen
Zaken Martínez Domínguez, Benítez Urbano en Mateos Cruz
8 Martínez Domínguez, Benítez Urbano en Mateos Cruz hebben in Duitsland als migrerende werknemer gewerkt. Ieder van hen ontvangt een pensioen in Spanje en een pensioen in Duitsland.
9 In Duitsland ontvangen Martínez Domínguez en Mateos Cruz een invaliditeitspensioen en Benítez Urbano een ouderdomspensioen. Zij genieten dit recht op pensioen evenwel slechts dankzij de inaanmerkingneming van de in Spanje betaalde bijdragen.
10 In 1996 en 1997 hebben de drie betrokkenen bij de BAK aanvragen om kinderbijslag ingediend. Martínez Domínguez verzocht om toekenning van kinderbijslag voor een kind van minder dan 18 jaar omdat in Spanje een dergelijke toekenning wegens overschrijding van de in het Real Decreto Legislativo nr. 1/1994 vastgestelde inkomensgrens was uitgesloten. Benítez Urbano verzocht om kinderbijslag voor een gehandicapt kind van meer dan 18 jaar en Mateos Cruz voor drie kinderen van meer dan 18 jaar die een opleiding volgden en voor wie hij in Spanje kinderbijslagen ontving tot aan het einde van het trimester waarin de kinderen de leeftijd van 18 jaar hadden bereikt.
11 Deze aanvragen werden afgewezen. De betrokkenen hebben tegen de afwijzende beschikkingen bezwaar ingediend. Deze bezwaren zijn eveneens afgewezen. In 1997 en 1998 hebben de betrokkenen tegen de beschikkingen tot afwijzing van hun bezwaren beroep ingesteld bij het Sozialgericht Nürnberg.
12 De BAK is van mening dat wanneer er geen sprake is van een uitsluitend op de Duitse wettelijke regeling gebaseerd recht op pensioen, de woonstaat bij uitsluiting bevoegd is voor toekenning van de betrokken bijslagen.
Zaak Calvo Fernández
13 Calvo Fernández is weduwe van een in 1985 overleden Spaanse onderdaan. Haar echtgenoot had in Duitsland als migrerende werknemer gewerkt en had daar een recht op pensioen verworven overeenkomstig het bilaterale verdrag inzake sociale zekerheid tussen de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk Spanje van 4 december 1973 (BGBl. 1977 II, blz. 687), zoals gewijzigd bij aanhangsel van 17 december 1975 (BGBl. 1977 II, blz. 722; hierna bilateraal verdrag"). In Duitsland had hij geen recht op gezinsbijslag.
14 In Spanje werden vaderloze-wezenpensioenen betaald voor de drie in Spanje wonende kinderen van minder dan 18 jaar. Ook in Duitsland werden op grond van het bilaterale verdrag dergelijke pensioenen betaald, zelfs na 1 januari 1986, datum van toetreding van het Koninkrijk Spanje tot de Europese Gemeenschappen, waarbij er uitsluitend op grond van de Duitse wettelijke regeling geen recht op dergelijke pensioenen bestond.
15 In 1997 is een door Calvo Fernández bij de BAK ingediende aanvraag om kinderbijslag voor twee van haar kinderen die meer dan 18 jaar waren en een opleiding volgden, afgewezen. Het bezwaar tegen de afwijzende beschikking werd eveneens afgewezen. Calvo Fernández heeft tegen de beschikking tot afwijzing van haar bezwaar beroep ingesteld bij het Sozialgericht Nürnberg.
16 De BAK herhaalt dezelfde bezwaren als in de drie vorige zaken, doch voegt hieraan toe dat de situatie van Calvo Fernández overeenstemt met een geval dat het Hof reeds in zijn arrest van 7 mei 1998, Gómez Rodríguez (C-113/96, Jurispr. blz. I-2461), heeft onderzocht.
17 Van mening dat uitlegging van het gemeenschapsrecht noodzakelijk is voor de beslechting van de bij hem aanhangige gedingen, heeft het Sozialgericht Nürnberg de behandeling van de zaken geschorst en het Hof om een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vragen:
1) Moet artikel 77, lid 2, sub b, juncto artikel 79, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 aldus worden uitgelegd dat voor kinderen ten laste van een rechthebbende op een pensioen die in een lidstaat een recht op pensioen heeft verworven dat niet uitsluitend berust op de wettelijke regeling van die lidstaat, maar op de Europese sociaalrechtelijke coördinatieregeling, volledige kinderbijslag moet worden betaald, wanneer het ten opzichte van de andere staat dan de woonstaat bestaande pensioenrecht betrekking heeft op tijdvakken - of pas ontstaat na een tijdvak - waarover in de woonstaat geen recht (meer) bestaat op de wettelijke gezinsbijslag, hetzij wegens overschrijding van een leeftijdsgrens of een inkomensgrens, hetzij omdat geen aanvraag is ingediend?
2) Moet artikel 78, lid 2, sub b, juncto artikel 79, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 aldus worden uitgelegd dat voor wezen van een overleden werknemer of zelfstandige, op wie de wettelijke regelingen van verschillende lidstaten van toepassing zijn geweest, wanneer in een lidstaat waarvan de wettelijke regeling van toepassing is geweest, noch uitsluitend op basis van de wettelijke regeling van die lidstaat zelf, noch op grond van de Europese sociaalrechtelijke coördinatieregeling recht op wezenpensioen bestaat, volledige kinderbijslag moet worden betaald, wanneer het ten opzichte van de andere staat dan de woonstaat bestaande recht op wezenpensioen betrekking heeft op tijdvakken - of pas ontstaat na een tijdvak - waarover in de woonstaat geen recht (meer) bestaat op de wettelijke bijslag, hetzij wegens overschrijding van een leeftijdsgrens of een inkomensgrens, hetzij omdat geen aanvraag is ingediend?"
18 De verwijzende rechter merkt op dat de vier bij hem aanhangige zaken gemeen hebben dat de rechten op invaliditeits- of ouderdomspensioen en de rechten op wezenpensioen ten laste van het Duitse orgaan niet uitsluitend aan de Duitse wettelijke regeling worden ontleend.
De prejudiciële vragen
19 Met zijn twee vragen, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 77, lid 2, sub b, en 78, lid 2, sub b, van de verordening, juncto artikel 79, lid 1, ervan aldus moeten worden uitgelegd dat het bevoegde orgaan van een andere lidstaat dan de woonstaat van de rechthebbende op pensioen of rente wegens ouderdom of invaliditeit, dan wel van een andere lidstaat dan de woonstaat van wezen van een overleden werknemer, gehouden is de betrokkenen bijslagen voor kinderen ten laste of voor wezen toe te kennen wanneer niet of niet meer is voldaan aan de voorwaarden die in de wettelijke regeling van de woonstaat zijn gesteld voor de toekenning van dergelijke bijslagen en het recht van de rechthebbende op het pensioen of de rente dan wel het recht van de wezen van de overleden werknemer in de andere lidstaat niet uitsluitend op de wettelijke regeling van die lidstaat berust. Hij wenst bovendien te vernemen of in een dergelijke situatie het bevoegde orgaan van de andere lidstaat dan de woonstaat gehouden kan zijn de betrokken bijslagen toe te kennen op grond van een socialezekerheidsverdrag tussen de twee betrokken lidstaten, dat in hun nationaal recht is opgenomen vóór de inwerkingtreding van de verordening.
20 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat het Hof in zijn arrest van 27 februari 1997, Bastos Moriana e.a. (C-59/95, Jurispr. blz. I-1071), voor recht heeft verklaard dat de artikelen 77, lid 2, sub b-i, en 78, lid 2, sub b-i, van de verordening aldus moeten worden uitgelegd dat het bevoegde orgaan van een lidstaat niet gehouden is, aan rechthebbenden op een pensioen of rente of aan wezen die in een andere lidstaat wonen, aanvullende gezinsbijslagen toe te kennen ingeval het bedrag van de door de woonstaat uitgekeerde gezinsbijslagen lager is dan dat van de in de wettelijke regeling van de eerste lidstaat voorziene bijslagen, wanneer het recht op pensioen of rente, of het recht van de wees, niet uitsluitend op grond van in deze staat vervulde verzekeringstijdvakken is verworven.
21 In punt 32 van het arrest Gómez Rodríguez, reeds aangehaald, heeft het Hof met betrekking tot artikel 78, lid 2, sub b, van de verordening gepreciseerd, dat wanneer het in de woonstaat ontstane recht op bijslagen wegens het bereiken van een leeftijdsgrens vervalt, het bevoegde orgaan van een andere lidstaat niet gehouden is de betrokkenen bijslagen toe te kennen, tenzij dezen hun recht aldaar uitsluitend op basis van in die staat vervulde verzekeringstijdvakken hebben verworven.
22 Deze uitlegging vloeide, wat de artikelen 77, lid 2, sub b, en 78, lid 2, sub b, van de verordening betreft, reeds voort uit het arrest Bastos Moriana e.a., reeds aangehaald, dat is gewezen in het kader van geschillen die niet alleen betrekking hadden op hogere bijslagen dan die welke in de woonstaat werden toegekend, maar ook op gezinsbijslagen die overeenkomstig de wettelijke regeling van de lidstaat van aanvraag voor een langere periode werden toegekend, dit wil zeggen met toepassing van een hogere leeftijdsgrens dan die welke in de wettelijke regeling van de woonstaat was vastgesteld (zie arrest Bastos Moriana e.a., reeds aangehaald, punt 5, en conclusie van advocaat-generaal FenneLly in de zaak die tot dit arrest heeft geleid, punten 23 en 24). De uitdrukking aanvullende gezinsbijslagen" in dit arrest dekte dus zowel de betaling van het verschil tussen de in de woonstaat betaalde bijslagen en de in een andere lidstaat toegekende bijslagen als de volledige betaling van een bijslag door het bevoegde orgaan van de lidstaat van aanvraag na de overschrijding van de in de wettelijke regeling van de woonstaat gestelde leeftijdsgrens.
23 Dienaangaande zij opgemerkt dat de in de artikelen 77 en 78 van de verordening vervatte regeling ertoe strekt, de lidstaat te bepalen waarvan de wettelijke regeling de verlening van bijslagen voor kinderen ten laste van rechthebbenden op pensioenen of renten en voor wezen beheerst, waarbij de bijslagen dan in beginsel uitsluitend op grond van de wettelijke regeling van deze lidstaat worden verleend (arrest Bastos Moriana e.a., reeds aangehaald, punt 15), overeenkomstig het in artikel 13, lid 1, van de verordening neergelegde beginsel dat een enkele wettelijke regeling van toepassing is.
24 Volgens vaste rechtspraak blijven de lidstaten bij uitsluiting bevoegd om de hoogte van de door hen verleende bijslagen en de duur ervan te bepalen (arrest Gómez Rodríguez, reeds aangehaald, punt 28).
25 Wanneer in de gevallen bedoeld in de artikelen 77, lid 2, sub b-i, en 78, lid 2, sub b-i, van de verordening niet of niet meer is voldaan aan een van de voorwaarden die in de wettelijke regeling van de woonstaat zijn gesteld voor de verlening van een bijslag, bijvoorbeeld, zoals in de hoofdgedingen, een inkomensgrens, een keuze voor de betrokken bijslag of een leeftijdsgrens voor de betrokken kinderen, kan de aanvrager van de bijslag zich bijgevolg jegens het bevoegde orgaan van een andere lidstaat niet beroepen op de aanknopingsfactor bedoeld in de artikelen 77, lid 2, sub b-ii, en 78, lid 2, sub b-ii, van de verordening, tenzij overeenkomstig de reeds aangehaalde arresten Bastos Moriana e.a. en Gómez Rodríguez zijn recht op pensioen of rente dan wel het recht van wezen van een overleden werknemer uitsluitend op de wettelijke regeling van die staat berust. Dienaangaande zij gepreciseerd dat de beoordeling of is voldaan aan deze laatste voorwaarde, een vraag van intern recht, onder de bevoegdheid van de nationale rechter valt.
26 Vastgesteld zij dat in het vierde hoofdgeding de rechten op pensioen van de wezen van de overleden werknemer in Duitsland vóór 1 januari 1986 niet uitsluitend op de Duitse wettelijke regeling berusten, doch, zoals de rechten van de werknemer zelf vóór zijn overlijden, op de bilaterale overeenkomst. Volgens de inlichtingen die de Duitse regering in antwoord op een schriftelijke vraag van het Hof heeft verstrekt, zijn de betrokken wezenpensioenen ook na de toetreding van het Koninkrijk Spanje tot de Europese Gemeenschappen en de inwerkingtreding van de verordening uitgekeerd, op grond dat de uit hoofde van het bilaterale verdrag toegekende bijslagen gunstiger waren dan die van deze verordening.
27 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de verordening volgens de bewoordingen van artikel 6 ervan, onder een aantal voorbehouden, wat de personele en materiële werkingssfeer betreft, in de plaats treedt van elk socialezekerheidsverdrag dat voor twee of meer lidstaten verbindend is.
28 In het vierde hoofdgeding zijn de rechten op wezenpensioen in Duitsland dus gehandhaafd op grond van het in punt 29 van het arrest van 7 februari 1991, Rönfeldt (C-227/89, Jurispr. blz. I-323), en in de punten 38 tot en met 45 van het arrest Gómez Rodríguez, reeds aangehaald, geformuleerde beginsel, volgens hetwelk een op een socialezekerheidsverdrag berustend recht op een gunstiger uitkering niet kan verloren gaan door de inwerkingtreding van de verordening.
29 In dergelijke omstandigheden heeft de betrokken onderdaan immers een verworven recht, dat dit verdrag na die inwerkingtreding van toepassing blijft (zie arrest van 5 februari 2002, Kaske, C-277/99, Jurispr. blz. I-1261, punt 26).
30 Met andere woorden, ingeval een onderdaan van een lidstaat met betrekking tot een socialezekerheidsvoordeel in aanmerking komt voor toepassing van een tussen twee lidstaten gesloten verdrag, en dit verdrag voor hem gunstiger is dan een gemeenschapsverordening die later op hem van toepassing is geworden, heeft hij het aan dit verdrag ontleende recht definitief verworven. Wanneer de tijdvakken van verzekering of van arbeid die de grondslag vormen voor de rechten van de betrokkene, minstens gedeeltelijk zijn vervuld op een tijdstip waarop alleen een bilateraal verdrag van toepassing was, moet de situatie van deze laatste, wat een bepaalde bijslag betreft, bijgevolg geheel worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van dit verdrag, wanneer dit voor hem gunstiger is (arrest Kaske, reeds aangehaald, punten 31 en 32).
31 Het staat aan de nationale rechter, te beoordelen of een betrokkene daadwerkelijk een verworven recht op een gunstiger bijslag ontleent aan een socialezekerheidsverdrag. Zo ja, moet dit recht worden gelijkgesteld met een recht dat uitsluitend berust op de nationale wettelijke regeling van de lidstaat van aanvraag, zoals blijkt uit punt 27 van het arrest Rönfeldt, reeds aangehaald.
32 Mitsdien moet op de gestelde vragen worden geantwoord, dat de artikelen 77, lid 2, sub b, en 78, lid 2, sub b, van de verordening, juncto artikel 79, lid 1, ervan aldus moeten worden uitgelegd dat het bevoegde orgaan van een andere lidstaat dan de woonstaat van de rechthebbende op pensioen of rente wegens ouderdom of invaliditeit, dan wel van een andere lidstaat dan de woonstaat van wezen van een overleden werknemer, niet gehouden is de betrokkenen bijslagen voor kinderen ten laste of voor wezen toe te kennen wanneer niet of niet meer is voldaan aan de voorwaarden die in de wettelijke regeling van de woonstaat zijn gesteld voor de toekenning van dergelijke bijslagen, en het recht van de rechthebbende op het pensioen of de rente dan wel het recht van de wezen van de overleden werknemer in de andere lidstaat niet uitsluitend op de wettelijke regeling van die lidstaat berust. In een dergelijke situatie kan het bevoegde orgaan van de andere lidstaat dan de woonstaat niettemin zijn gehouden de betrokken bijslagen toe te kennen op grond van een socialezekerheidsverdrag tussen de twee betrokken lidstaten, dat in hun nationaal recht is opgenomen vóór de inwerkingtreding van de verordening, wanneer de betrokkenen een verworven recht hebben dat dit verdrag na die inwerkingtreding van toepassing blijft.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
33 De kosten door de Duitse en de Spaanse regering alsmede door de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het Sozialgericht Nürnberg bij beschikking van 22 november 1999 gestelde vragen, verklaart voor recht:
De artikelen 77, lid 2, sub b, en 78, lid 2, sub b, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, juncto artikel 79, lid 1, van deze verordening, moeten aldus worden uitgelegd dat het bevoegde orgaan van een andere lidstaat dan de woonstaat van de rechthebbende op pensioen of rente wegens ouderdom of invaliditeit, dan wel van een andere lidstaat dan de woonstaat van wezen van een overleden werknemer, niet gehouden is de betrokkenen bijslagen voor kinderen ten laste of voor wezen toe te kennen wanneer niet of niet meer is voldaan aan de voorwaarden die in de wettelijke regeling van de woonstaat zijn gesteld voor de toekenning van dergelijke bijslagen, en het recht van de rechthebbende op het pensioen of de rente dan wel het recht van de wezen van de overleden werknemer in de andere lidstaat niet uitsluitend op de wettelijke regeling van die lidstaat berust. In een dergelijke situatie kan het bevoegde orgaan van de andere lidstaat dan de woonstaat niettemin zijn gehouden de betrokken bijslagen toe te kennen op grond van een socialezekerheidsverdrag tussen de twee betrokken lidstaten, dat in hun nationaal recht is opgenomen vóór de inwerkingtreding van de verordening, wanneer de betrokkenen een verworven recht hebben dat dit verdrag na die inwerkingtreding van toepassing blijft.
Full & Egal Universal Law Academy